donderdag 27 december 2012

Henriette Roland Holst over Joseph Dietzgen


Het werk van Henriette Roland Holst (1869-1952) kent een breed scala onderwerpen. Binnen haar ontwikkeling van marxistisch naar religieus socialisme bestaat een continuïteit van grote sociale en morele betrokkenheid. In de loop der jaren komen nieuwe inspiratiebronnen naar voren, waar zij vervolgens over schrijft.
      Haar eigen visie en denkkracht brengt zij ook in tijdens het zogeheten dietzgenisme-debat dat wordt gevoerd aan het begin van de twintigste eeuw in de socialistische arbeidersbeweging. Dit betrof de betekenis van de filosofie van de autodidactische leerlooier Joseph Dietzgen (1828-1888) voor het socialisme.

Deze Dietzgen had op basis van de filosofie van Feuerbach en Marx, eigen inzichten en vanuit zijn kritiek op het opkomend neokantianisme enkele kennistheoretische boeken en een flink aantal korte filosofische en politieke artikelen geschreven. Aan het begin van de twintigste eeuw waren enkele tegenwoordig bekende boeken van Marx en Engels met een filosofische inhoud nog niet gepubliceerd, terwijl werken van Dietzgen in herdruk kwamen en vrij breed werden verspreid. Sommige aanhangers van Dietzgen zeiden nu dat omdat Marx geen filosofie zou hebben en Dietzgen wel, hij de belangrijkste filosoof van het socialisme was.
      Dietzgen zelf had in zijn werken en brieven duidelijk gemaakt dat hij Marx als leermeester zag, ook met betrekking tot de filosofie. Opmerkelijk is bijvoorbeeld dat hij in 1867 Marx kort na het uitkomen van ‘Das Kapital’  in een brief schrijft dat hij tussen de regels van diens economisch werk een grondige filosofie herkent. Een knappe constatering. ‘Das Kapital’  werd aanvankelijk door heel weinigen gelezen, en zeker niet op zijn filosofische merites.
      Dietzgen leert van Marx en meent dat zijn eigen denken volledig bij diens visie past. Hij betitelt als een der allereersten zijn filosofie als dialectisch materialisme, maar bedoelt daarmee ook het denken van Karl Marx en Friedrich Engels.

Het dietzgenisme-debat speelde tussen 1900-1920, vooral in de jaren rond 1910. In hun interpretatie van Dietzgens werk verhieven de meest fervente aanhangers ‘het dietzgenisme’ tot zo ongeveer het hoogtepunt van alle denken. Hun tegenstanders daartegenover vonden dit eerder een verraad aan Marx. Tussen de uitersten bestonden meer genuanceerde standpunten, die onder meer zeiden dat de dietzgenisten niet alleen Marx, maar ook Joseph Dietzgen zelf onrecht deden, wanneer ze hem zo apart van Marx behandelden.

Gezien haar filosofische interesse verbaast het niet dat Roland Holst zich mengt in de discussie. Ze kiest een positie die van Marx uitgaat, maar ook Dietzgen recht wil doen. Een nuance die niet ieder had in dit debat, waarin grote woorden niet werden geschuwd.
      In 1910 schrijft Roland Holst de uitgebreide brochure ‘De philosophie van Dietzgen en hare beteekenis voor het proletariaat’. Over de verhouding tussen Dietzgens filosofische ideeën en die van Marx en Engels schrijft ze: ‘Dietzgen heeft zijn gehele leven lang verklaard een geestdriftig leerling van Marx te zijn. Herhaaldelijk heeft hij het uitgesproken, dat hij aan hem, meer dan wie ook, het inzicht in de weg te danken had, waarlangs hij tot de dialectisch-materialistische leer van het kenvermogen gekomen is.’ En met andere woorden: ‘Maar niet slechts bracht Marx, volgens Dietzgens eigen getuigenis, hem op het spoor  van de nieuwe materialistisch-dialectische theorie van het kenvermogen. Deze theorie zelve lag reeds in de kiem – zo oordeelt Dietzgen wederom zelf – in de werken van Marx en Engels opgesloten; zij behoefde niet ontdekt, maar slechts uitgewerkt te worden.’
    Tegelijk waardeert Roland Holst zijn filosofisch inzicht en acht het opmerkelijk dat Dietzgen voordat Engels’ boeken de ‘Anti-Dühring’  en ‘Feuerbach’  geschreven waren en zonder Marx’ Feuerbach-thesen te kennen, tot een uitwerking van het dialectisch-materialistische denken komt.

Een van de meest uitgesproken dietzgenisten was Ernst Untermann (1864-1956). Deze schreef onder meer het ruim 700 pagina’s dikke ‘Die logischen Mängel des engeren Marxismus’. Hierin neemt hij als speerpunt de marxistische filosofie van Georgi Plechanow (1856-1918) op de korrel. Untermann noemt Plechanows denken een bekrompen opvatting, een ‘enger marxisme’. Naar zijn mening zou Dietzgen een veel bredere visie hebben. Maar in zijn ijver Dietzgen te promoten stelt hij diens filosofie in feite ver boven Marx, die ook al te beperkt zou zijn.
    Verrassend is dat dit boek als reprint momenteel weer verkrijgbaar is via internet en bij de boekhandel. Voor wie dit nog wil lezen, kan zich eerst nog even bedenken, met Roland Holsts commentaar als waarschuwing. Want haar tweede belangrijke tekst over Dietzgen is de recensie van dit boek van Untermann. Deze recensie is interessant omdat Roland Holst minder dan in haar brochure Dietzgen parafraseert en in de polemiek met Untermann scherper haar eigen interpretatie naar voren brengt. Van Untermanns stellingen neemt ze krachtig afstand, zonder de waarde van Dietzgens denken te ontkennen.

Van ‘Die logischen Mängel’  vindt ze: ‘De inkleding is die van een, zich door al die honderden bladzijden heen slingerende, in talloze herhalingen vervallende polemiek tegen Marx-Engels en de meest vooraanstaande marxistische theoretici, in het bijzonder Mehring, Plechanoff, en Kautsky. De toon is, ronduit gezegd, buitengewoon onuitstaanbaar door het kolossale zelfbehagen en de nederbuigend-minzame wijze, waarop de zogenaamde ‘logische deraillementen’ van onze beste mannen bladzij aan bladzij worden voorgesteld als gevolgen hunner minderwaardige, immers ‘nauw-marxistische’ denkwijze.’

Over Joseph Dietzgens filosofie zelf is Roland Holst positief. Wellicht herkent zij hierin een aan haar verwante opvatting, want zij stelt zich lange tijd op een marxistisch standpunt waarbinnen ze op een synthetisch integrerende manier andere ideeën probeert te betrekken. Dat lijkt wel op Dietzgens denken, al was deze al met al vaak toch polemischer, in debat gericht tegen neokantianisme, agnosticisme en bijgeloof. In die polemiek wijst Dietzgen de opkomende neokantiaanse opvatting van een fundamentele begrensdheid van de kennis af.
      Dat laatste wel van belang. Ongeveer gelijktijdig met de dietzgenisme-discussie speelt in de arbeidersbeweging een kennistheoretisch debat over agnosticisme en neokantianisme. Helaas zagen slechts weinigen dat Dietzgen voor dat debat goede argumenten levert, veel interessanter dan de vraag of Dietzgen ‘boven Marx’ zou uitstijgen of breder zou denken. Roland Holsts weloverwogen inbreng hielp echter mee die laatste overdrijving tot reëlere proporties terug te brengen.






 

Bronnen:
– Henriette Roland Holst, De philosophie van Dietzgen en hare beteekenis voor het proletariaat, Uitgeverij (voorheen) H. A. Wakker, Rotterdam 1910. Citaten op pp. 35-36. (Ook verschenen in De Nieuwe Tijd, daarnaast is er een Duitse uitgave)
– Henriette Roland Holst, Philosophische literatuur, in De Nieuwe Tijd, 15e jrg., Amsterdam 1910, pp. 720-741 en 801-822. Het citaat staat op p. 726.
– Jasper Schaaf, De dialectisch-materialistische filosofie van Joseph Dietzgen, Kok Agora, Kampen 1993.
– Ernst Untermann, Die logischen Mängel des engeren Marxismus, Georg Plechanow et alii gegen Josef Dietzgen, Auch ein Beitrag zur Geschichte des Materialismus, herausgegeben und bevorwortet von E. Dietzgen, Verlag der Dietzgenschen Philosophie, München 1910.




maandag 17 december 2012

Henriette Roland Holst


Henriette Roland Holst werd geboren op 24 december 1869 en overleed op 21 november 1952, dus 60 jaar geleden. December is haar verjaardagstijd. Misschien zijn meer straatnamen naar haar genoemd in schrijversbuurten, dan in wijken met de straten van politici. Ik heb het niet geturfd. Roland Holst was beide, of nog meer: schrijfster, dichteres, politica, filosofe en feministe. Dat niet allemaal apart, maar tegelijk. In haar leven is altijd dezelfde sociale en ethische ondertoon herkenbaar, al was ze aanvankelijk marxistisch georiënteerd en later religieus socialiste.
      Haar socialistische inzet en veelzijdigheid zijn te waardevol om te vergeten. Een paar opmerkelijke momenten uit haar leven nodigen misschien uit je verder in de sociale geschiedenis van haar tijd, de eerste helft van de 20e eeuw, te verdiepen. Zonder die tijd is de huidige niet te begrijpen. Opmerkelijke momenten, meer zijn het hier niet. Een verdere samenhangende analyse mag men elders opzoeken.

In haar levensherinneringen ‘Het vuur brandde voort’  schrijft Roland Holst hoe zij door de politicus-dichter Herman Gorter overgehaald werd zich in Marx’ werk te verdiepen: ‘In het begin van het najaar (1896) kwam Gorter, die wij in een poos niet gezien hadden, bij ons binnen lopen. Hij vertelde ons dat hij druk in Marx zat te studeren en ried mij aan ‘Das Kapital’  te lezen. Dat was de sleutel tot begrip van de maatschappij. En zonder dat begrip kon men onmogelijk goede en grote poëzie maken.’
      Voor Henriette Roland Holst is dit een begin van actief partijlidmaatschap van de SDAP (vanaf 1897), het Revolutionair Socialistisch Verbond, de CPN en andere organisaties. Zij is altijd actief, bewogen, wat ook in haar gedichten tot uiting komt.

Roland Holst schrijft dat zij ‘Das Kapital’  aanvankelijk moeilijk vindt, maar deze moeilijkheden overwint. In feite is zij een van de weinigen die in de vroege socialistische beweging een uitgebreide historisch-materialistische analyse maakt van de Nederlandse samenleving. Dit is het nog steeds goed leesbare ‘Kapitaal en arbeid in Nederland’, een omvangrijk werk waarvan het eerste deel in 1902 verschijnt, een vervolg in 1932.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog raakt de socialistische beweging verscheurd. Eén van de eerste internationale initiatieven van socialisten om zowel de eenheid als de vrede te herstellen was de Conferentie van Zimmerwald (Zwitserland) van 5 tot 8 september 1915. De Nederlandse revolutionaire socialisten lieten het hier afweten, behalve Roland Holst die dus de enige aanwezige Nederlander was. Zij is ook bepaald niet bang uitgevallen, reizend door oorlogvoerend Europa naar Zwitserland en met een omweg weer terug via Frankrijk, om de Zimmerwald-verklaring te verspreiden. Belangrijke deelnemers waren Lenin en Trotzki.
      De slotverklaring roept op tot eenheid, vrede en socialisme, en zegt: ‘De stelling voor de vrede moet worden aanvaard, voor een vrede zonder annexaties of schadeloosstellingen’ en ‘Het zelfbeschikkingsrecht der volkeren moet de onwrikbare grondslag bij de regelingen der nationale verhoudingen zijn.’ In de verwarring die in Europa heerste toen ook socialisten elkaar aan het front bevochten, was Zimmerwald een belangrijk hoopvol teken. Het was ook een van de initiatieven die een basis legden voor de latere internationale solidariteit met de Russische revolutie.

In haar lange actieve leven ontmoet Roland Holst vele bekende Nederlandse en buitenlandse socialisten. Zo was zij bevriend met Rosa Luxemburg, over wie zij in 1935 een biografie schrijft. Met de Nederlandse revolutionair socialist Henk Sneevliet voerde zij een uitgebreide correspondentie, die in 1995 door het IISG is gepubliceerd. De internationaal actieve Sneevliet was nog medeoprichter van de Indonesische Communistische Partij (PKI), en van de Communistische Partij van China.
      Genoemde briefwisseling laat veel van hun overwegingen en van politieke feiten van en rondom de socialistische beweging zien. In 1927 dringt de Komintern er bij de Chinese communisten op aan een sociale revolutie te ontketenen, terwijl de Kwomintang op dat moment veel sterker is. Roland Holst schrijft hier in een van haar brieven aan Sneevliet heel kritisch over: ‘Wat zeg je van (het) nieuwe debacle in China? Men schijnt absoluut teruggekomen tot de putschen en gaat door roekeloos mensenlevens op te offeren, de waarschuwing van Lenin ‘man soll nicht spielen mit dem Aufstand’, schijnt geheel vergeten. En voor Sowjet Rusland zelf is het ook een debacle; hoe is het mogelijk om, na een zo veelbelovend begin, een zo stomme politiek te volgen, dat men alles verliest, ‘de eer’ incluis.’

Heel haar leven is Henriette Roland Holst uiterst betrokken en actief voor het socialisme, de vrede en de strijd voor rechten van vrouwen. In bovengenoemd citaat stelt Herman Gorter dat begrip van de maatschappij een basis is voor goede poëzie. Roland Holsts drama-stukken en poëzie getuigen hiervan. In 1946 verschijnt de bundel ‘Uit de diepte’, over het verdriet van oorlog, bezetting, honger en misdaad. Er staan gedichten in over de jodenvervolging en de strijd ertegen, de Februaristaking. Ook is er een ‘In memoriam’  voor Henk Sneevliet, die door de Duitsers al in april 1942 was gefusilleerd. Het eerste couplet luidt:

    Weer valt een schot in de al dunne nacht.
    Nog een. Dan zes. Wij kunnen ze niet horen
    hoe scherp we luisteren – Geen geluid verraadt
    de zware steen. Maar ook ons hart hield wacht
    en dat hoort fijner dan de fijnste oren
    als het om dood of leven gaat.





Bronnen:
- H. Roland Holst-Van der Schalk, Kapitaal en arbeid in Nederland, Bijdrage tot de economische geschiedenis der 19e eeuw, Uitgeverij A.B. Soep, Amsterdam 1902.
- Henriette Roland Holst-Van der Schalk, Kapitaal en arbeid in Nederland, Vierde verbeterde en met een tweede deel vermeerderde druk, W.L. & J. Brusse’s Uitgeversmaatschappij, Rotterdam 1932.
- Henriette Roland Holst-Van der Schalk, Rosa Luxemburg, Ihr Leben und Wirken, Jean Christophe-Verlag, Zürich 1937. (Ned. uitgave in 1935)
- H. Roland Holst, Uit de diepte, Tijdgedichten, De Gulden Pers, Haarlem 1946. Het geciteerde couplet staat op p. 7.
- Henriette Roland Holst-Van der Schalk, Het vuur brandde voort, Levensherinneringen, Vierde druk, Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam 1979. De eerste druk is van 1949. Het citaat over Gorter staat in de vierde druk op p. 97, de citaten uit de Zimmerwald-verklaring op pp. 250-251.
- Nico Markus (red.), ‘Waarom schrijf je nooit meer?’, Briefwisseling Henriette Roland Holst – Henk Sneevliet, Stichting beheer IISG, Amsterdam 1995. Het citaat staat op p. 399.
- Standaardwerk over HRH: Elsbeth Etty, Henriette Roland Holst (1869-1952), Uitgeverij Balans, z.p. (Amsterdam) 1996. (Dit werk gaat iets minder diep in op de filosofie van HRH)
- Standaardwerk over de conferentie van Zimmerwald: Horst Lademacher (Hrsg.), Die Zimmerwalder Bewegung, Deel I, Protokolle, deel II, Korrespondenz, Voor het IISG uitgegeven door Uitgeverij Mouton, The Hague, Paris 1967.






Henriette Roland Holst






vrijdag 7 december 2012

Schelpen en waarneming


Een poosje terug liep ik weer eens op het strand van Schiermonnikoog. Gezellig met drieteenstrandlopers, meeuwen en zes heuse zeehonden om me heen. De noordse sterns met hun aanwezige gekrijs zijn allang vertrokken. Echt weer een dag om me te vergissen. Ik let altijd op schelpen, en als ik een mooie grote zie denk je al gauw dat je ze zo groot zelden zag. Thuis valt het tegen – of mee, ’t is maar hoe je het bekijkt – want dan blijkt er al een grotere in de kast te liggen.

Het doet me denken aan de filosofielessen die ik gaf aan de opleiding SPH. Studenten vonden destijds het existentialisme van Jean-Paul Sartre interessant. En dan ging de discussie al gauw over de subjectiviteit in de waarneming. Je neemt iets echt waar, maar als erover wordt doorgevraagd, was het wel zo zeker?
      Stel dat je getuige bent van een ongeluk en je zag dat de auto veel te hard reed, kun je dat als getuige voor de rechtbank ook nog staande houden? Waarom is jouw zekerheid zo precies? Hoe was de omgeving, stonden er bomen of flats dicht langs de weg? Dan neem je snelheid al gauw anders waar dan in een ruime omgeving met een brede weg. Enzovoorts.
    Mooie voorbeelden om de waarheid te betwijfelen, maar ook om te roepen dat wanneer je zegt dat alles maar subjectief is, je ook niet verder komt. Sommige collega’s doceerden dat: ‘Alles is subjectief’. Daar kwamen de studenten dan mee aan. Ik dat weer betwijfelen natuurlijk, en de studenten moesten het maar met deze tegenstrijdige lesinhouden doen. Dat dit niet opschiet, bespraken we dan ook nog. Metareflectie, met als handreiking voor ze de klas uitgingen wel een idee hoe zij hier verder mee om konden gaan.

En zo op Schier geniet ik weer van de vormverscheidenheid der dingen. Bij de schelpen laten de zeldzaamheden het vandaag afweten. Dus kom ik met wat opvallend grote exemplaren van meer gewone soorten thuis. Opvallend groot? Op het strand zag het ‘groot tafelmesheft’ van 18,5 cm er wel groot uit. Thuis blijkt er een van zo’n 21,5 cm in de kast te liggen. Ook de wulk van 10 cm wordt thuis overtroffen door een groter exemplaar. Het is ook geen wedstrijd, maar wel aardig te zien hoe je grootte waarneemt. Vanuit de menselijke maat is de waarheid hier simpel. Meten is weten. Daar hebben we een liniaal voor.

Waarneming, grootte, schelpen. Vormverscheidenheid is minstens zo boeiend. Dit kan ook inhouden dat je soms bekende dingen toch niet goed ziet of dat ze verrassen. Toch wordt je kennis er groter door. Fossiele ‘grijze tapijtschelpen’ van het strand bij Ter Heijde zijn niet grijs, maar vaak meer crème. Die van Ameland zijn op hun beurt meestal wel echt grijs. Het heeft te maken met zandsuppleties, de bodemsoorten van de plaats waar ze vandaan komen en ongetwijfeld meer factoren. In ieder geval is er dikwijls verschil in verkleuring. Met een beetje ervaring zou je misschien geblinddoekt op een strand gezet kunnen worden en dan op grond van wat er ligt kunnen inschatten waar je ongeveer bent. Als dat lukt blijken al die waarnemingen echte kennis op te leveren.
      Er is veel te zien, en je ziet niet altijd wat je ziet. Het scherpt wel het waarnemend vermogen. Je ziet steeds meer, ook de beperking.





grijze tapijtschelp (venerupis aurea senescens)




zaterdag 1 december 2012

Evolutie en het teleologisch argument


Weet je nog wat een teleologisch argument is? Dit is het argument van de doeloorzaak. Een einddoel zou een verandering in het heden bepalen. Het naderend einde van de wereld zou bijvoorbeeld het handelen van mensen nu bepalen, of minder religieus en meer liberaal zou het streven naar eigen nut en geluk alle handelen bepalen.

Als verklaring zijn teleologische relaties omstreden. Doeloorzaken zijn immers zweverig, dogmatisch, religieus, heel-veraf-liggend en onbewijsbaar. Het doel ligt in de toekomst en de werking ervan kan dus niet worden geverifieerd.
      Denk nog maar eens na over voorbeelden ervan, zoals deels al aangeduid: de ene God die alles heeft voorbeschikt, het besef van het absolute einde van de wereld, de bestemming van de mens of dé revolutie die er wel moet komen. Maar dit zijn wel érg grote en slecht omschreven doelen. Zonder nadere concretisering kunnen ze inderdaad waarschijnlijk niet veel bepalen, althans niet langer dan het geloof erin bestaat, waarna de subjectieve werking ervan ook ophoudt. En hoe kunnen doelen nu echt iets veroorzaken, meer dan bij de mens die naar iets streeft op basis van misschien ware of goede, maar evengoed mogelijk onware idealen of gedachten?

Toch geeft te denken dat de grote wijsgeer Aristoteles (384-322 v.Chr.) teleologische verbanden erkent, bijbehorende redeneringen accepteert en meent dat het bestaan van dingen samengaat met hun doeleinde (telos).
      Doeloorzaken reiken bij hem verder dan eenvoudige menselijke doelen. Het gaat namelijk niet alleen om doelen – al kan dat op het menselijk vlak – maar vooral om mogelijkheden, potenties die als het ware uitdagen tot invulling en uitvoering. Kortweg gezegd, komt het er volgens Aristoteles op neer dat alles streeft naar natuurlijke voltooiing, dus naar een soort einddoel.

Dat een einddoel altijd allesbepalend is, zou op z’n minst eenzijdig zijn, maar is het argument alleen maar onzin? In mijn boek ‘Dialectiek en praktijk’  pleit ik voor het serieus nemen van teleologische aspecten van ecologische verhoudingen (pp. 103-108). Onder meer schrijf ik: ‘De toekomstige mogelijkheden en onmogelijkheden die het landschap en de natuur bieden, bepalen mede wat er nu gaat gebeuren.’
      En dat kan op verschillende manieren. We kunnen die mogelijkheden leren kennen en het beleid daarop richten, zodat mogelijkheden leiden tot realisatie. Het kan ook doordat in de natuur zelf mogelijkheden worden ‘opgevuld’, bijvoorbeeld een levend organisme ontstaat in een niche waarin de natuur nog ruimte biedt. Zoals in de evolutie steeds gebeurd is. In mijn boek gaat ik hier wat verder op in.

Dit jaar verscheen bij de KNNV-uitgeverij het interessante essay van Gerard Jagers, ‘De soortenstorm, Het nut van biodiversiteit in evolutionair perspectief.’  Dit boekje tilt de discussie over het nut van biodiversiteit op een hoger niveau. Het gaat bij biodiversiteit niet alleen of zozeer om de vraag of we tranen moeten laten bij het uitsterven van een bepaalde soort, al mag dat misschien ook wel. In dit essay wordt de evolutie van levens- en bewustzijnsvormen breed en omvattend bezien, maar ook tot op de kleine schaalniveaus van deeltjes en micro-organismen.
    Interessant is dan de nadruk die het innemen van vrijheidsgraden door levende organismen krijgt. ‘De inname van vrijheidsgraden betekent het realiseren van potenties.’ (pp. 36 e.v.) Jagers gaat uit van ‘universele evolutie’, waarbinnen levende organismen van verschillende complexe niveaus, zich nestelen op ‘plaatsen’ waar leven mogelijk is, op dat specifieke niveau levend en zich ontwikkelend. Passende uitkomsten beklijven. Jagers zegt dan ook: ‘Dit alles laat zien dat een brede benadering van evolutie mogelijk is die aansluit bij een brede interpretatie van nut.’

In feite zijn hier op een realistische, wetenschappelijke manier teleologische principes aan de orde. Het innemen van vrijheidsgraden overstijgt ‘doelen’, wanneer deze slechts als subjectieve (menselijke of religieuze) doelen worden opgevat. Het gaat om mogelijkheden, potenties, waarop nieuw leven zich richt, en die op hun beurt verder leven mogelijk maken. In de totale reeks van ontstaan en vergaan vervullen levende wezens (organismen, dieren, mensen) zo dus hun ‘nuttige’ rol. Mogelijk ook als voorwaarde voor elkaars bestaan. Er is hier dan sprake van een brede, zelfs universele interpretatie van de term ‘nut’, veel verder strekkend dan wat jij of ik nuttig, mooi of gerechtvaardigd vindt.
      Dit laat ook zien dat het teleologische argument van belang is, al zijn vroegere benaderingen misschien nog deels intuïtief. De empirische wetenschap is er ook op gekomen. Jagers eindigt zijn essay met de mooie beschouwende stelling: ‘Uiteindelijk is het universeel nut van biodiversiteit samen te vatten als het bieden van een open hand voor het ontstaan van steeds geavanceerdere levensvormen.’ (p. 118)

Bij de vraag of de toekomst mede de causale ontwikkelingen van het heden bepaalt, moet je dus verder kijken. Het gaat niet alleen om gestelde doelen, die door de doelstelling ook dichterbij komen. Het gaat vooral om mogelijkheden die ‘iets’ dichterbij brengen. Deze mogelijkheden ontstaan, veranderen, ontwikkelen zich en breiden zich uit. Daardoor wordt iets dat eerder onbereikbaar was ‘nu’ wel bereikbaar. Terwijl het misschien nog niet eens is gerealiseerd.

Het gaat hierbij om het geheel der dingen, en daarom voor concrete levensvormen om fundamentele contextualiteit en te leren op basis daarvan consequent contextueel te denken. De vroegere en nu voorliggende, zich vernieuwende contexten roepen nieuwe mogelijkheden op. Die werken als aantrekker. De niche, het gat, de omissie, en voor de mens de bewustwording van wat nu realiseerbaar is, komen aan de orde. Desnoods met vallen en opstaan. Er móet iets nieuws ontstaan. Niet zomaar wat, er liggen specifiekere vormen voor de hand. Met een objectieve en mogelijk ook een subjectieve kant.
      Wat dat laatste betreft, ook voor de mens ontstaan nieuwe mogelijkheden, nieuwe vrijheidsgraden. Wat nog niet kon, kan nu of binnenkort wel. En juist dat verschil helpt mee vrijheden bewust te worden. Vrijheid is dus vaak niet alleen iets algemeens, maar heel concreet aanwezig en bewust. Vrijheid als de nu mogelijke overschrijding van onmogelijkheid naar reële mogelijkheid.

Oude en hedendaagse argumenten over doeloorzaken kunnen zweverig, onpraktisch, simpelweg onwaar of onzinnig zijn. Maar dat hoeft niet. Daarbij maakt de context bepaalde ontwikkelingen makkelijker, andere moeilijker. Je kunt blijven zeggen dat de huidige toestand causaal bepalend is, maar die moet je dan als veranderend, als ‘werk in uitvoering’ opvatten in een context waarin recent ontstane mogelijkheden ook mee zullen tellen. In de wereld (kosmos) zijn de specifieke mogelijkheden niet permanent aan zichzelf gelijk.

Het gaat hier om radicale contextualiteit op het vlak van natuur, economie en maatschappij. Sommige veranderingen liggen meer voor de hand dan andere en niet alles is mogelijk. Objectief kunnen er bepaalde ontwikkelingsmogelijkheden ‘klaar staan’. Dat ontstane feiten, standen van zaken en contexten weer nieuwe ‘dingen’ vereisen en oproepen is interessant en voor de mens beslist niet vrijblijvend.
      Zoals het wenselijk is de evolutie de ruimte te geven, en dus om die reden soorten kansen te blijven geven, zo zijn er hoge sociale doelen nodig. Er zijn toch kansen genoeg?



Het zal de lezer duidelijk zijn dat ik ‘De soortenstorm’ een aanrader vind, vanwege het nut van biodiversiteit en omwille van de sociale filosofie.


Bronnen:
- Gerard Jagers, ‘De soortenstorm, Het nut van biodiversiteit in evolutionair perspectief’, KNNV-uitgeverij, Zeist 2012, ISBN 9789050114356
- Jasper Schaaf, ‘Dialectiek en praktijk, De creatieve tegenspraak, Uitgeverij Damon, Budel 2005, ISBN 9789055736461










zondag 25 november 2012

Winterroodborst zoekt stad


Hij is al een tijdje terug, onze winterroodborst. Al weet je niet zeker of het een hij is, want mannetjes en vrouwtjes zijn niet uit elkaar te houden. In ieder geval niet op afstand. Het is dus ook niet zeker of het dezelfde is als van vorig jaar. Of misschien heeft de zomerroodborst bedacht dit jaar maar hier te blijven.

Hij zit nu vooral voor het huis. Vreemd, hij zat bijna altijd achter. Daar is een soort houtwal waar je je als roodborst mooi kunt verstoppen. Het moet er gezellig zijn met mezen, merels, vinken en pas nog met winterkoning, goudvink en staartmees. Twee dagen geleden kwamen zelfs boomklever, goudhaan, specht, heggenmus en een zwarte mees vrijwel tegelijk op bezoek. Een heel bos, waar de roodborst toch ook wel van houdt. Als hij maar zijn territoriumpje heeft. Veel saamhorigheid daarbij hoeft van hem niet zo nodig. Solist, net als sommige vogelaars.

Voor, aan de straatkant, in de stad. Als ik maar even iets in de tuin heb gedaan, een bloembol geplant, komt niet alleen de merel kijken of er nog wormen zijn, de roodborst kijkt over zijn schouder mee.

Achter is het groen, voor is de stad. Kennelijk is wat stedelijke drukte mooi voor de hedendaagse roodborst. Gelijk heeft ‘ie.










dinsdag 20 november 2012

Rationaliteit, crisis en arbeidstijdverkorting

‘En toch is deze samenleving in haar geheel irrationeel. Haar productiviteit heeft een vernietigende uitwerking op de vrije ontwikkeling van de menselijke vermogens en behoeften; …’

Herbert Marcuse (1964)


De filosoof Michel Foucault (1926-1984) schrijft aan het einde van zijn boek ‘De woorden en de dingen’  uit 1966: ‘De mens is een uitvinding waarvan de archeologie van ons denken gemakkelijk de jonge datum kan aantonen. En misschien ook het naderend einde.’ De mens staat in deze visie niet meer centraal, anders dan voorheen de optimistische Verlichting meende. Een impuls voor het postmodernistisch denken dat zoveel rotsvaste zekerheden ter discussie stelde, vooral de ratio.
    Maar het naderend einde van ‘de mens’? Slaat deze relativering niet door, en moeten we niet erkennen dat de rationaliteit, hoe gebrekkig ook in haar vele gedaanten, er nu eenmaal is? En dat de mensheid het ermee moet doen? Irrationaliteit, het veelvuldige en onbestemde, kunnen deze dan sociale waarden bepalen, een goede richting geven? Toegegeven, deels wel natuurlijk, maar dan nog speelt de rede mee en waarom dan niet gezocht naar de beste manier?

De activistische hoogleraar Jan Rotmans antwoordt in de Volkskrant van 14 november op de vraag of er nu een marxisme 2.0 moet komen: ‘Dat vind ik een compliment. Ik heb Marx altijd bewonderd. Ik houd van complexe systemen, en van rationeel denken – ik ben niet voor niets mathematicus.’
    Het gaat hier om de crisis, dat crisis grote veranderingen teweeg brengt en dus ook positieve kanten heeft. Oké, zo gesteld verdient de rationaliteit in complexe systemen dus haar plek.
      En dat is nu precies wat nog niet is doorgedrongen tot de nieuwe regering Rutte-Asscher. Deze oreert over een oplossing van de crisis maar heeft het er eigenlijk helemaal niet over. Wel over overheidsfinanciën, maar niet over wat dat te maken heeft met de grote mondiale productiemogelijkheden en verhoudingen, de complexe systemen.

Er is een enorm productief potentieel, maar ook een even grote potentie alles in korte tijd te kopiëren, ook de productie van goederen, waar ook ter wereld. Met de enorme gevolgen hiervan voor de arbeid moeten we iets. En al durft bijna niemand meer grote visies te koesteren hoe de crises (mv.) op te lossen, er zijn wel rationele ingrepen te bedenken die op korte termijn helpen.
    Daarom zou ik met Marx 2.0 toch ook weer heel ouderwets de algemene arbeidstijdverkorting op de agenda willen zetten. Minder werk? Verdeel het eerlijk, zodat iedereen kan werken. Desnoods tijdelijk. Kan de overheid dat niet afdwingen? Men zal het niet willen. Laat de vakbeweging dan een handje helpen.

Alleen bezuinigen en inkrimpen getuigt van een gebrek aan logica. Red de rationaliteit en durf wel groter sociaal te denken! Misschien is de mens wel een uitvinding van de laatste tijd, daar kan Foucault gelijk aan hebben. Wat let ons echter daar dan rekening mee te houden en de mens wel óók centraal te laten staan, inclusief zijn omgeving? Wie zegt dat er maar één ding tegelijk centraal kan staan? De postmodernist toch niet? Centraal de mens, al kost dat moeite en telt meer mee.



Arbeidstijdverkorting



Literatuur:

Herbert Marcuse, De eendimensionale mens, Studies over de ideologie van de hoog-industriële samenleving, 1964, 4e druk, Uitgeverij Paul Brand, Bussum 1970, p. 9.

Michel Foucault, De woorden en de dingen, Een archeologie van de menswetenschappen, 1966, 2e herziene druk, Uitgeverij Ambo, Baarn z.j., p. 419 (Oorspronkelijke titel Les mots et les choses.

Over groter denken, zie ook mijn recente artikel over de utopie:
Artikel over de utopie in PDF of op het web Artikel over de utopie op het web




maandag 5 november 2012

Olifantje, Olifant


‘… Een sceptisch ingesteld iemand zal hiertegen inbrengen dat je niet veel kunt verwachten van zo’n gesprek, omdat de olifant niet alleen geen antwoord gaf, maar ook vredig doorsliep. Dan ken je olifanten niet. Als iemand hun iets in het oor fluistert in het hindi of bengali …’
Uit: José Saramago, De tocht van de olifant (p. 116).



Op 1 november zagen we de hele dag een vertederend beeld: olifantje, een jongetje, geboren in dierenpark Amersfoort. Dat heb je vast wel gezien.
Kijk, de moeder trapt haar kind, om de reflexen te stimuleren. Dat gaat helemaal goed!

Dezelfde tijd: het nieuwe kabinet wil wilde dieren verbannen uit het circus.
Is dit een gebaar voor de dierenliefhebbers en ethici nu een verbod op ritueel slachten natuurlijk van de agenda af moet bij dit VVD-PvdA-kabinet? Of is het symboolpolitiek om groene oppositie te smoren?
Vrijheid voor de wilde dieren. En dat olifantje dan, in gevangenschap geboren. Laten ze dat binnenkort los?

Ken je het prachtige boek van Nobelprijswinnaar José Saramago, ‘De tocht van de olifant’? De plot ervan is simpel. Koning Jan de derde van Portugal geeft in 1551 zijn in Indië veroverde olifant aan de grote vorst Maximiliaan van Oostenrijk. De olifant als huwelijkscadeau. Onder escorte wordt de olifant met zijn verzorger eerst naar Valladolid gebracht, waar Maximiliaan verblijft. Daarna sjokt een hele karavaan, weer en wind, en daarna vooral sneeuw trotserend, naar Wenen. Eenvoudig verhaal, bijna een sprookje. Natuurlijk maakt Saramago er weer een prachtverhaal van waarin hij gezag en orde, en vooral de dubbelzinnigheden en doortraptheid van kerkelijke prelaten op de korrel neemt. Geschreven in zijn onnavolgbare ironische en humoristische stijl waar je even aan moet wennen, maar die dan beeldend en ritmisch is.

Het hele verhaal kent slechts één die nooit iets doms doet. Dat is de olifant. Wanneer sjouwers van de karavaan afscheid nemen, moeten ze natuurlijk ook de olifant gedag zeggen. Je kunt mensen echter niet leren hoe je dat moet doen, maar de olifant is bereid te leren van mensen afscheid te nemen: ‘Je kunt omarmd worden door een olifant, maar hoe moet je zelf een olifant omarmen. En een hand geven zou domweg onmogelijk zijn, vijf onbeduidende mensenvingers kunnen nooit een poot zo dik als een boomstam omvatten.’ (p. 96) De verzorger uit India leert de olifant afscheid nemen, deze legt zijn slurf in de handen van de sjouwers.
    Eindelijk aangekomen in Wenen stroomt het publiek massaal toe, want hier was nog nooit een olifant te zien geweest. Uit de menigte loopt dan plotseling een klein meisje van een jaar of vijf naar de olifant en dreigt verpletterd te worden: ‘Maar dat was buiten de waard salomon (de olifant) gerekend. Hij sloeg de slurf om het lijf van het meisje alsof hij dat omhelsde en tilde het hoog in de lucht als een nieuwe vlag, die van een leven dat op het laatste moment gered wordt, als het al verloren is.’ (pp. 204-205) Heel Wenen is natuurlijk ontroerd over zo’n verstandige olifant. Met deze bekende slurf als snuit is het verhaal vanzelfsprekend dan ook bijna uit.
Lees het boek. Het is psychologisch ongeveer even subtiel als Cervantes’ ‘Don Quichot’ en dan nog een stuk politieker.

Wat te doen met onze wilde dieren? De olifant leert ons in ieder geval dat hij geen wild dier is. En een kat of een hamster? Vooraan in de karavaan van het maatschappelijk debat over de regeringsplannen lopen de WW en andere droeve zaken. Sjokken de wilde dieren achteraan? Hun debat krijgt heus nog wel een staartje.





José Saramago (1922-2010)



José Saramago, De tocht van de olifant, Uitgeverij Meulenhoff, 3e druk, Amsterdam 2011.


vrijdag 2 november 2012

‘Marx’ Rutte?


Gisteren was ‘Marx’ Rutte in het nieuws. De vermeende nivellering zou à la Marx zijn. Terwijl de echte rijken er mooi tussenuit knijpen.
Aan het eind van de middag belde de radio me. Of ik een drie minuten lang minicollege over Marx wilde geven. Leuk met duizenden luisteraars, maar ik was lekker aan ’t werk en het moest in een uurtje klaar zijn. Niet gedaan dus.

Zou Marx inderdaad zo blij geweest zijn met de herverkaveling van de bijdragen aan de zorg? Marx schrijft niet over nivellering. En is het niet een afleidingsmanoeuvre om het neoliberalisme ook door de PvdA te laten omhelzen? Dat beleid gaat toch door? Of is het een afleidingsmanoeuvre voor de echte bezuinigingen, zoals op de WW? Mensen met een normaal inkomen die werkloos worden, moet binnen korte tijd hun huis opeten. Een drama voor jonge gezinnen die aan hun toekomst willen bouwen. Een heel slecht perspectief voor velen.

Marx zou het geheel bekijken, niet alleen de ene maatregel. Marx zou ook de kapitalistische crisis analyseren. Marx wil een andere maatschappij. En zolang die nog niet mogelijk lijkt, kun je tussentijds echte structurele maatregelen nemen die in de richting gaan van een meer sociale maatschappij. Nationaliseer bijvoorbeeld weer de ‘PTT’, dus de telefonie en het dataverkeer. Met alle gebel, ge-SMS en internet valt daar flink op te verdienen. Daar kunnen ook kosten voor zorg en andere collectieve voorzieningen uit worden betaald.
Door alle privatiseringen heeft de staat nu te weinig sectoren om echt op te bezuinigen als het echt niet anders kan. Dan zijn de zorg, de sociale zekerheid en de cultuur de dupe. Een bredere sociale collectieve structuur zou een goede stap zijn. Misschien zou Marx dat ook wel vinden.






donderdag 25 oktober 2012

Syrië en cynisme

Wanneer eerst Kofi Annan en nu Lakhdar Brahimi proberen de spiraal van geweld in Syrië om te buigen, geven westerse commentatoren regelmatig hun mening dat het waarschijnlijk toch niet helpt.
Kennelijk hoef je niet alleen de feiten te beschrijven en mag je ook een eigen mening presenteren. Oké, maar een beter idee is dan te vertellen dat het geweld beëindigen weliswaar moeilijk is, maar dat iedereen in binnen- en buitenland achter de inzet van Brahimi moet staan. Zijn voorstel voor een bestand tijdens het offerfeest verdient alle steun.

Met de wapens alleen kan geen partij in Syrië winnen. Brahimi’s aanpak is noodzakelijk en hoopvol, zelfs als dit nog maar een sprankje hoop is.
Met cynische opmerkingen is geen Syriër gebaat. Roep op tot vrede.




zondag 14 oktober 2012

Geen kandidaten voor de Nobelprijs van de Vrede?


Sommige mensen klagen erover dat de Europese Unie de Nobelprijs voor de Vrede krijgt. Gefeliciteerd, alle burgers krijgen hem een beetje. U en ik ook. Die prijs had ik nog niet. En wie had hem dan moeten hebben, waar ter wereld zijn vredesbewegingen die veel voorstellen?
      Dat is natuurlijk het trieste. Gelukkig zijn er overal ter wereld duizenden mensen, groepen en instellingen die zich voor de vrede en hulp aan slachtoffers van oorlogen inzetten. Maar sterke lokale of globale vredesbewegingen zijn er te weinig.

Dat is zo’n vaak optredende paradox. Wat het meest nodig is, is het verste weg. Logisch natuurlijk, want dat bepaalt nu precies de urgentie. Maar vrede en oorlog lenen zich niet voor woordspelletjes, nooit niet en zeker nu niet.

Het denken en handelen van de EU verdienen niet zomaar de prijs. Bondgenoot de VS maakt nieuwe wapens zoals de drones en zet deze in, waarbij burgerslachtoffers vallen in een land waar ze niet eens oorlog mee hebben. Geen of weinig protest. Vliegt er een drone naar Israel, wat natuurlijk ook betreurenswaardig is, dan is de wereld te klein, want die komt van de vijand.
      Net zo vanzelfsprekend lijkt het hier dat EU-landen als Frankrijk en Groot Brittannië kernwapens hebben, en dat als Iran ze dreigt te krijgen het doodnormaal is dat je dat land dan moet aanvallen. De discussie op de Nederlandse tv gaat dan alleen maar over hoe de vernietiging van Iraanse kernwapens het beste kan slagen. Misschien is Iran een vijand, maar als dat zo is, is de EU dat dus ook voor Iran? Met zulke cynische discussies verdien je geen prijs voor de vrede.
      Of onze vrije pers schrijft als vanzelfsprekend dat het Syrische regiem de schuld heeft aan verharding en radicalisering van moslimgroepen. Ja natuurlijk, maar al die wapens die kennelijk overal ‘vrij’ verhandeld worden, ligt ook daar geen oorzaak en bestaat er dus schuld? Is de prijs verdiend? Hoe sterk is de inzet voor vrede van de EU dan wel?

Een sterke vredesbeweging en acties tegen wapenhandel zijn noodzakelijk, evenals de urgentie van ideologische versterking om actie en strijd geweldloos te voeren. Meer inzetten op pacifisme. Zoals om drones en andere nieuwe wapens, die ieder land binnen de kortste tijd kan kopiëren, internationaal te verbieden. Dat zou stabiliseren en eendracht bevorderen.

Ik geef de prijs liever postuum aan Benedictus de Spinoza (1632-1677). Hij verdient hem wel. Spinoza schrijft in ‘De politieke verhandeling’: ‘Want de vrede bestaat, zoals we zeiden, niet in het ontbreken van oorlog maar in de vereniging der zielen en in eendracht.’ En: ‘De staat verder, wiens vrede afhangt van de traagheid van de onderdanen, die zich namelijk als stukken vee laten leiden om slechts te leren dienen, kan beter betiteld worden als eenzaamheid dan als burgerlijke samenleving.’

Europese Unie, staten en onderdanen kunnen nog wat leren. Van het bedrag van de prijs kan de EU het beste al haar burgers in hun eigen taal Spinoza’s ‘Politieke verhandeling’ cadeau doen. Dan wordt de prijs een stuk passender.





Benedictus de Spinoza (1632-1677)



Actie tegen wapenhandel, zie  www.stopwapenhandel.org


 
Bronnen van de citaten: Benedictus de Spinoza, (Hoofdstukken uit) De politieke verhandeling, Vertaling door W.N.A. Klever, Boom, Meppel, Amsterdam, pp. 81 en 77.

maandag 8 oktober 2012

Welzijn in Nederland van ‘eropaf’ naar ‘burgerkracht’ naar …?


Hoe zit het nu met Welzijn Nieuwe Stijl en aanverwante artikelen?
Eerst schotelden publicist Jos van der Lans c.s. tal van inspirerende voorbeelden voor in TSS / Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, en in zoveel workshops dat geen welzijnswerker of welzijnsambtenaar die heeft kunnen ontwijken. Voorbeelden van ‘eropaf’, van goed afgestemde aanpakken, sociale vernieuwing, origineel buurtinitiatief, zelfredzame en solidaire groepen burgers, enzovoorts. Zo kwamen Welzijn Nieuwe Stijl en De Kanteling op de agenda. Vervolgens mochten de professionals vernieuwend bijgetraind worden om de echte bedoelingen van de WMO (afgezien van bezuinigen?) waar te maken.
      In dezelfde periode dienden de crisis en nieuwe bezuinigingen zich aan en werd in no time ‘burgerkracht’ op diverse stadhuizen opgepakt als een wel heel rigoureuze kanteling: de burger moet het zelf doen. ‘Burgerkracht’ krijgt welhaast een religieus aura.
      Welzijn Heel Nieuwe Stijl of de Nieuwe Kleren van de Keizer? Goed bedoeld misschien, maar toch de verantwoordelijkheid over de schutting? Visie, macht en onmacht van bestuurlijk Nederland zijn op welzijnsgebied aardig in de knoop geraakt.

Dat is de stand van zaken. Welzijn Nieuwe Stijl is inmiddels al een wat minder wervende term. Burgerkracht speelt, al zijn de opgeblazen verwachtingen inmiddels getemperd door waarschuwingen van diverse kanten. Een realistische kijk op dit strijdperk geeft hoogleraar samenlevingsopbouw Justus Uitermark die erop wijst dat zelforganisatie van burgers vanuit de eigen omgeving veelal een acceptatie van ongelijkheid betekent. (Zie TSS / Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, nr. 7/8, pp. 4-7 en nr. 9, pp. 16-19)
      Ongelijkheid, want de ene groep kan een eigen initiatief met lef, betere scholing en soms relatieve welgesteldheid een stuk beter voor elkaar krijgen dan andere. Het is vloeken in de kerk. Acceptatie van ongelijkheid, dat kan toch niet de bedoeling zijn? Deze nuchtere conclusie richt zich in feite tegen het over de schutting gooien van de verantwoordelijkheid. De overheid moet bij bepaalde groepen of in sommige wijken blijven stimuleren en zo nodig de regie blijven voeren.

Als je ‘zelforganisatie’ en eigen initiatieven gaat ondersteunen en faciliteren, doe je wat goed opbouwwerk altijd al deed. Het is de kern van een goed welzijnsverhaal en staat haaks op het neoliberale cliché dat zorg en ondersteuning altijd op pamperen neerkomt.
      Dé oplossing bestaat niet. Tal van goede en slecht geslaagde aanpakken zullen er zijn en weer opnieuw ontstaan. Een mix van zelforganisatie en een stevige inzet met voldoende middelen biedt lokaal oplossingen om sociale doelen te bereiken.

Niet over de schutting, wel voldoende middelen, professionals die er zeker nog op af moeten gaan, bureaucratie aanpakken en ruimte bieden aan eigen initiatieven van jong en oud, buurt en dorp. Dat resulteert niet in één ware vorm, maar in veelvormigheid met mooie en soms minder aantrekkelijke kanten. Die laatste blijven dan de aandacht opeisen.
      Goed welzijnswerk kost wat. Geen enkele WMO-beleidsvisie kan daar omheen. Maak het niet ingewikkelder dan nodig is. Het gaat erom weloverwogen, zorgvuldig, creatief en waar nodig doortastend te werken. Welzijn in Goede Stijl.







Heel de Buurt - Succes door een afgewogen mix van vormen



donderdag 4 oktober 2012

Doe-dwang

Managers willen graag laten zien dat ze iets doen. En dat het resultaat excellent is, zodat ze dat aan elkaar kunnen vertellen. Ook Universiteit Utrecht doet wat nieuws. Studenten worden voorafgaande aan hun studie gescreend. Ze moeten motivatiegesprekken voeren en een proefcollege volgen. Alsof ze geen Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs hebben gevolgd. Andere onderwijsinstituten zullen volgen met vergelijkbare maatregelen. Er moet wat gedaan worden. Zichtbaar.

Onderwijskwaliteit is gediend met goed geschoolde docenten die ruimte krijgen om goede colleges voor te bereiden en te geven, oefening, toetsing van collegestof en literatuur op niveau, een niet-rigide coördinatie zodat onderwijsinhouden op elkaar afgestemd zijn, en dat alles in een groepsgrootte waarin goed gewerkt kan worden.

Zo ongeveer. Als alles zich hier op richt zijn er ongetwijfeld wel wat flankerende maatregelen nodig. Maar de drang te doen en dan weer met van die dure, verstrekkende en vaak bureaucratische oplossingen te komen met de pretentie van grote verbetering, laat dat maar zitten.

Utrecht heeft een uitstekende universiteit. Geef docenten de ruimte, zolang ze hun werk goed en in professionele samenwerking doen. Toets de studenten en geef hen waar mogelijk ook ruimte. Wat nog meer doen?





maandag 24 september 2012

Groen Links

Na de verkiezingen vroeg een vriend me: ‘Wat is volgens jou de oorzaak van de enorme leegloop van GroenLinks?’

Mijn reactie: globaal bezien heeft elke partij:
a – een beperkt aantal vaste kiezers op basis van principes (bij Groen Links en de SP misschien genoeg voor misschien 1 of 2 zetels),
b – een grotere groep van min of meer vaste kiezers op basis van langdurige betrouwbaarheid in beleidskeuzes,
c – een flinke (grootste) groep zwevende kiezers die je wint op basis van een goede campagne, positieve media-aandacht etc.

De actuele feiten van Groen Links ten aanzien van deze drie punten zijn:

a – Groen Links heeft nauwelijks principes meer en heeft dus nog maar een beperkte vaste achterban,
b – gezwabber en gedoe ondermijnde de betrouwbaarheid van Groen Links,
c – zwevende kiezers gingen vooral naar PvdA.

Daardoor heeft Groen Links in alle drie groepen nauwelijks gescoord.
Zoiets? Mijn vriend kon zich hier goed in vinden.


Er zijn nog enkele kanttekeningen bij te maken, zoals:
1 – a en b vormen de basis van de stabiliteit van een partij. Als die verdwijnt zullen zwevende kiezers ook niet meer aangesproken worden en is er geen houden meer aan. Partijen zullen openlijk een ideologisch debat moeten blijven voeren, anders verdwijnt ‘a’ op den duur, vervolgens ook ‘b’.
2 – groep c kan worden onderverdeeld. Een deel gaat uit van sociale waarden en visies maar wordt mede door de media en prognoses diverse kanten op getrokken. Een ander deel gaat voor het vermeende eigen belang: wat heeft een partij mij te bieden. Helaas is dat laatste deel groter geworden.
3 – al is het schema globaal, het is waarschijnlijk tamelijk universeel. Een waarschuwing voor elke partij.



zaterdag 15 september 2012

Denkende dieren en ‘Weerspiegeling’


Sinds de grote filosoof Immanuel Kant zijn de termen ‘weerspiegeling’ en ‘afbeelding’ beladen. Kort gezegd kunnen we volgens Kant de wereld zelf niet kennen en is het denken voorgestructureerd naar de eigen aard van dat menselijk denken. Ofwel, de subjectiviteit bepaalt wat we zien en hoe we over de werkelijkheid denken.

Je kunt echter zeggen dat dit best zo zal zijn, maar waarom zou omgekeerd die werkelijkheid ook niet ons denken mede bepalen? Als je aldus vindt dat de werkelijkheid in ons denken een objectieve rol speelt, hoef je toch helemaal de subjectieve en mogelijk beperkende inbreng van dat denken zelf nog niet te ontkennen?
    Je kunt dan spreken over afbeeldingen van de objectieve werkelijkheid in ons denken, en ook over weerspiegelingsverhoudingen tussen dingen en organismen, zonder te miskennen dat daarbinnen vele vervormingen optreden en een eindpunt nooit wordt bereikt.
      Simpel gezegd, natuurlijk vergissen mensen zich en zijn kennis en inzicht moeilijk. Dat hoeft echter de begrippen weerspiegeling en afbeelding niet aan te tasten. Een afbeelding kan niet deugen, maar behoudt in haar ondeugdelijkheid noodzakelijk nog een relatie met de werkelijkheid.
      In mijn boekje ‘Dialectiek en Praktijk’  en al eerder in mijn proefschrift ben ik op deze kwestie ingegaan.

De meeste filosofen en uitleggers van de filosofie denken hier sinds Kant dus anders over. Zij zien weerspiegeling doorgaans louter als een simpele één-op-één-relatie. Aldus versimpeld wordt deze dan natuurlijk direct afgeschaft en zijn nadien ‘weerspiegeling’ en ‘afbeelding’ kennistheoretisch taboe. Mensen die er wel in geloven worden voor naïef verklaard. Men zegt bijvoorbeeld dat alle kennen (toch maar) subjectief is. Jazeker, maar is dat de hele waarheid?

Kort geleden las ik een al wat ouder artikel van Jan van Hooff, primatoloog en emeritus hoogleraar ethologie, met de aardige titel ‘Het benul van dieren’. Hij beschrijft onder meer hoe vroegere ethologen gedrag van dieren vaak opvatten als een stimulusresponsachtig schakelsysteem, terwijl men ook weet dat dieren vaak verkenningsgedrag uitvoeren als zij in nieuwe situaties komen. Sommige dieren kunnen snel inspelen op veranderde situaties.
      Dierlijk gedrag blijkt meer te kunnen behelzen dan routinematige schakelingen. Er zijn aanwijzingen dat dieren kenbeelden (cognities) vormen. Conclusie, sommige dieren, met name sommige primaten hebben kennis. Zij weten, willen nog meer weten en zelfs leren. Ook lezen we dat evolutionair gezien er levensvormen ontstaan die gaandeweg een beter antwoord geven op en een afspiegeling vormen van de leefomgeving.
      Overallconclusie voor de kennistheorie: de wetenschap is leuk en vreugdevol. Dat klinkt al heel wat vrolijker dan kennis opzadelen met een taboe met betrekking tot haar geldigheidsbereik.

Er is dus sprake van kenbeelden bij dieren, en termen als afbeelding en afspiegeling zijn aan de orde. Kenbeelden kunnen vrij adequaat of minder adequaat zijn, in een bepaalde context of ten aanzien van een bepaalde inhoud. Overigens zou een stimulusresponsschakeling ook nog een weerspiegelings- en interactierelatie inhouden. Er bestaan dus ontwikkelingsniveaus en variëteit in de vormen van afbeelding, en in de handelingen en bewegingen die daardoor kunnen worden gestimuleerd. En dit overal in de werkelijkheid, want waar stopt de interactie? Men moet er niet te primitief over denken.

Kant bewijst dan nog altijd zijn waarde voor de filosofie. Denken moet naïviteit overstijgen. Maar objectieve of realistische aspecten spelen altijd mee in het denken en de bewustzijnsvormen van mens en dier. Er worden steeds weer beelden van de werkelijkheid gevormd. Het kunnen moeizame en zelfs heel foute constructies zijn, een veelvormige mix van ‘subjectief’ en ‘objectief’. Toch kenbeelden of weerspiegeling. Denkende dieren leren ons heel wat.



 
Immanuel Kant




Bronnen:
- Jan A.R.A.M. van Hooff, Het benul van dieren, in Douwe Draaisma, Jaap van Heerden, Govert Schilling e.a., De vreugdeloze wetenschap, Waarom nieuwe inzichten weerstand oproepen, Sterpocket / Meulenhoff, Amsterdam 2004, pp. 97-106.
- Hans Heinz Holz, Dialektik und Widerspiegelung, Pahl-Rugenstein, Köln 1983.
- Jasper Schaaf, De dialectisch-materialistische filosofie van Joseph Dietzgen, Kok Agora, Kampen 1993.
- Jasper Schaaf, Dialectiek en praktijk, De creatieve tegenspraak, Damon, Budel 2005.


donderdag 6 september 2012

Machiavelli – Er zijn altijd twee stromingen


Verkiezingen. Volgende week weten we het: sociaal of liberaal? Wat misschien niet iedereen weet is dat hier een universele wet aan de orde is. Althans wanneer we Niccolò Machiavelli gelijk geven, en waarom niet?

Van Karl Marx is bekend dat hij de ontwikkeling van de cultuur ziet als een geschiedenis van klassenstrijd. Liefst wil hij die beëindigen met zijn socialistisch en communistisch ideaal. Vaker schrijft hij over de opheffing van de klassentegenstelling iets praktischer of wellicht realistischer. Het ‘loonsysteem’ moet definitief worden afgeschaft. In het boekje ‘Loon, prijs en winst’  roept Marx hiertoe op. De arbeidersklasse wordt definitief bevrijd als het systeem van uitbuiting wordt opgeheven.

Marx was niet uniek in zijn visie op klassenstrijd, het principiële gevecht van belangengroepen om macht, rechten, aanzien en rijkdom. Plato onderscheidt klassen en belangen, en wil ook een opheffing van destructieve tegenstellingen. Laat de filosofen de staat besturen, de wijzen. En Plato was beslist niet de eerste met zo’n idee. De oude Chinese filosoof Mozi riep op ‘de besten’ te kiezen als bestuurders van de staat. En als je naar Aristoteles kijkt, of later – als voorbeeld onder velen – naar Rousseau en Kant, er is flink nagedacht of fundamentele tegenstellingen binnen de staat en tussen staten oplosbaar zijn.
      En de invalshoek van deze oplossingen verschillen op hun beurt ook weer. Sommige ontstaan vanuit een sociaal perspectief, andere meer vanuit eigenbelang van een groep, klasse of natie.

Iets dat fundamenteel is, getuige het feit dat de vragen erover steeds terug komen, laat zich dus niet en zeker niet makkelijk oplossen. Vaak zijn er inderdaad niet alleen tegenstellingen herkenbaar maar ook een fundamentele tweeslag van posities, belangen en eigenschappen. Het gaat om macht, economische uitbuiting, moreel besef, of sociaal gevoel versus het voorop stellen van eigenbelang. Koning, adel en heersers versus het volk of voor het volk, eigen winst versus sociale welvaart, de ander als middel of vooral ook als doel, graaiende bankiers versus de kleine spaarder, enzovoorts.
      Soms zijn er scherpe tegenstellingen, soms meer gecamoufleerde en soms echt mildere tegenspraken van belangen. Sociaal of liberaal, socialisme versus liberalisme, met zijn actuele variant van het neoliberalisme, het gaat ergens om. Het kan inhalig egocentrisme versus sociaal besef zijn, of goedbedoelde accentverschillen. De richting doet er echter altijd veel toe, moreel en praktisch.

Niccolò Machiavelli (1469-1527) schreef niet alleen zijn beroemde boek ‘De heerser’. Even scherpe politieke analyses van de geschiedenis en van zijn tijd lees je in ‘Discorsi, Gedachten over staat en politiek’. Machiavelli geeft hierin onder meer een treffende kenschets van bovengenoemde fundamentele tegenstelling, wanneer hij het heeft over de strijd tussen adel en volk en over hen die deze strijd veroordelen. Machiavelli: ‘Zij (die deze strijd veroordelen) staan er niet bij stil dat er in elke staat twee stromingen zijn: die van het volk en die van de elite; en dat alle wetten die gemaakt worden in het belang van de vrijheid het gevolg zijn van wrijvingen tussen deze twee, zoals ook in Rome duidelijk het geval was.’
      De tweestrijd van posities en belangen is dus fundamenteel, dat wil zeggen, (vrijwel) onophefbaar. In alle staten is dit nu eenmaal zo, volgens Machiavelli. Hij geeft echter ook een oordeel dat verder gaat dan een feitelijke beschrijving. De tegenstelling is productief, leidt tot wetten, regels en vergroting van vrijheden.

Zolang de tegenstelling sociaal en liberaal niet opgeheven wordt of kan worden, moeten socialisten en liberalen elkaar dus vooral de maat nemen, elkaars posities aanvechten en hun rechten claimen. Nu het neoliberalisme zich afgelopen decennia zo onbeschaamd heeft kunnen laten gelden, is het hoog tijd voor een beweging de andere kant op.
      Het kan binnen en buiten Nederland nog een belangrijk, maar ook boeiend gevecht worden de komende tijd. Niet makkelijk, zeker met risico’s en met moeilijk voorspelbare resultaten. Met het helder onderkennen van de tegenstelling is niets mis.







Bronnen o.m.:
- Niccolò Machiavelli, Discorsi, Gedachten over staat en politiek, Vertaald en toegelicht door Paul van Heck, 5e druk, Ambo, Amsterdam 2007, p. 103.
- Karl Marx, Loon, prijs en winst, 8e druk, Pegasus, Amsterdam 1975, p. 80.



maandag 27 augustus 2012

Karikatuur als argument


Wie kent vandaag de dag Theodore Dalrymple niet? Hij is de ideoloog van rechts, die schrijft over sociale voorzieningen en het nuttige bestaan ervan betwist. Hij argumenteert echter nogal droevig. Valse generalisaties en deze vervolgens met een vette nadruk herhalen, dat is het zo ongeveer. Uit de praktijk kent hij voorbeelden van door links – bijvoorbeeld sociaaldemocraten – in het leven voorzieningen die in een bureaucratie zijn uitgelopen en waarvan gebruikers passief gebruik maken. Die voorbeelden kennen u en ik ook. Maar zeggen wij dan ook dat alle sociale voorzieningen zo werken? Dalrymple wel.

Zijn redeneerschema is ongeveer als volgt. Dalrymple start zijn betoog met een soort wetenschappelijke definitie of pakkende volzin, zodat hij lijkt op een nauwkeurig redenerend filosoof, vervolgens komt het slechte voorbeeld, daarna wordt dat geldend verklaard voor de meeste praktijken en tenslotte worden die slechte sociale praktijken nog wat keren herhaald. Afschaffen dus maar, is dan de voor de hand liggende boodschap.

Triest dat in bezuinigingstijd hiervan gebruik gemaakt wordt. Een poosje terug, 14 juli jl., publiceerde De Volkskrant een samenvatting van een stuk van Dalrymple dat verscheen in Christen Democratische Verkenningen, een blad van het CDA dus. De pakkende titel van De Volkskrant zegt al genoeg over inhoud en uitkomst: ‘Solidariteit ondermijnt compassie’. Dat doet het goed in en buiten verkiezingstijd voor wie op sociale voorzieningen wil bezuinigen.

Ook hier de geschetste argumentatiestructuur. De start bestaat uit enkele nette zinnen over ‘woorden’ die zowel een denotatie als connotatie kennen. Dan wordt vanuit Oxford English Dictionairy een definitie gegeven van solidariteit. Volgens Dalrymple moet solidariteit voortkomen uit een subjectieve identificatie met degene op wie zij is gericht. Dan volgt een verhaal over zakkenvullers in sociale voorzieningen en de gezondheidszorg, en wordt gezegd dat Dalrymples eigen ervaring is dat die subjectieve betrokkenheid ontbreekt en het vooral brutale behoeftigen zijn die zich de voorzieningen eigen maken. Ook zegt hij nog dat er ‘geen ontsnapping mogelijk is aan de opdringerige walm van goede bedoelingen.’ Het eindigt met de suggestie dat compassie, de emotie die we voelen als we anderen zien lijden, eigenlijk alleen bestaat buiten de bestaande sociale voorzieningen.

In deze stappen is dan het volgende gebeurd: enkele voorbeelden worden leidend gemaakt voor alle sociale gedrag. Binnen de instituties is alles slecht en het goede moeten we dus zelf daarbuiten zoeken. Het betoog neemt je verleidelijk mee. Maar vergeten wordt dat solidariteit niet alleen subjectief is, maar ook een objectieve kant kent. Alle mensen kunnen problemen krijgen, dus waarom zou je niet gezamenlijk naar oplossingen zoeken? Binnen de zorg bestaan ongetwijfeld bekritiseerbare voorbeelden, maar zeker ook veel positieve. En waarom zou solidariteit tegenover compassie staan? Mensen kunnen ook werken in de zorg omdat zij zich echt betrokken voelen met anderen en graag dat werk voor die anderen doen.

Sociale voorzieningen moeten zowel betrokken als doelmatig zijn. En compassie en solidariteit bestaan op tal van plaatsen, ook in vrijwilligerswerk en voor de eigen familie of buurt. Maar dat solidariteit altijd compassie ondermijnt is gewoon onzin. Beide begrippen hebben namelijk veel met elkaar te maken. Mensen zitten in het leven in het zelfde schuitje, ze hebben elkaar dikwijls nodig. Sociale collectieve arrangementen kunnen daaraan bijdragen. Bovendien kunnen mensen hierop beroep doen als de eigen omgeving niet in staat is voldoende zorg of hulp te bieden, en dat past in een beschaafde wereld. Wanneer het CDA het maatschappelijk middenveld wil promoten is dat prima. Ze kunnen dat beter doen zonder de valse generalisaties en eenzijdigheden van Theodore Dalrymple. Compassie en solidariteit gaan prima samen!


donderdag 23 augustus 2012

Klokken luiden valt nog niet mee

Zelfstandig nadenken en verantwoordelijkheid nemen maakt mensen kwetsbaar. Neem de klokkenluider. Vandaag wordt longarts en hoogleraar Piet Postmus ontslagen door de Raad van Bestuur van het VU-ziekenhuis, het VUmc in Amsterdam. Erkend wordt dat hier grote zorgen bestaan over de veiligheid van  patiënten, maar degene die het zegt moet boeten. Al heeft hij misschien levens gered. De wereld staat bij het hedendaagse management veel te vaak helemaal op z’n kop. Er mist fatsoen, er heerst eigenbelang.

In het parlement heeft Ronald van Raak (SP) deze zomer een initiatiefwet ingediend, die klokkenluiders rechtsbescherming en financiële ondersteuning moet bieden. Uitstekend initiatief. Belachelijk natuurlijk dat zoiets moet, maar maatschappelijk zeer noodzakelijk. Vandaag blijkt immers weer dat de misstanden bij het hebben van een deskundige en verantwoordelijke mening en er nog voor uit komen ook, nog lang niet zijn opgelost.



vrijdag 17 augustus 2012

Waar is de werkelijkheid?


Wil je weten waar de werkelijkheid gebleven is? Op buienradar. De realiteit van wolken en buien die heel Nederland met grote interesse volgt. Komt er zo’n bui in je richting, dan berg je maar!
Zo loop ik op een mooie dag op het strand, beetje wind, niet koud en om het eiland wat wolken. Mooie luchten. Geen kip te zien, dat wil zeggen, heel wat minder badgasten dan je vroeger zag op zo’n wat frisse maar mooie uitnodigende dag.
Best te begrijpen. Buienradar lijkt een boel nattigheid te voorspellen. Het blijft echter bij virtuele regen. Verderop zijn wat buien zichtbaar, hier zeker niet, in het zonnetje.

Buienradar mist geen dag van de moderne Nederlander. Het zijn actieve buien. Altijd even kijken, al zit je de hele dag op kantoor. Komt de natuur zo maar bij je binnen. Eigenlijk is het dan altijd vakantie en weet je die buien toch maar knap te ontwijken.

Welbeschouwd loop ik niet helemaal op mijn eentje op het strand. Hondenbezitters moeten er wel op uit. Hond gaat voor bui. Geheid nat dat die wordt als die de zee ziet, dat maakt dus niet veel uit.
Uren later dringt de zon verder door in de collectieve hersenpan en verschijnen wandelaars. Buienradar vervreemdend? Lekker rustig wordt het er soms van.





vrijdag 27 juli 2012

Samenwerken in Europa (wanneer het bos brandt)


De Europese samenwerking is een thema. Verkiezingen, crisis en Europa als oorzaak én zondebok. Eigenlijk en oneigenlijk, hoe dit uit elkaar te houden? De PVV wil terug naar af en D66 met de ogen en oren dicht alleen maar integreren. In elke bijzin worden de woorden ‘hervorming’ en ‘Europa’ aan elkaar gelispeld, ins Blaue hinein. Framing heet dit tegenwoordig of nog altijd gewoon ideologie. Hervormen, wie kan daar nu op tegen zijn? De burger wordt niet verteld hoe dat ‘liberale’ Europa er echt uitziet. Hij moet het maar geloven.

Toch is samenwerking op veel fronten nodig. Deze zomer weer veel bos- en natuurbranden. Algarve, Madeira, Kroatië en Catalonië, drama’s voor mens en natuur. Stationeer meer blusvliegtuigen en blushelikopters verspreid over Europa, zorg voor deskundige doortastende coördinatie en ga sneller met groot materieel op de branden af. Bekijk Europa concreet, niet alleen in de grote politieke vragen ook bij meer specifieke vraagstukken. Geen ideologie met verhulde belangen, wel aanpakken en samenwerken waar dat helpt. De brand niet alleen symbolisch samen blussen.








Rio Séqua bij Tavira, verbrand bamboe,
enkele dagen eerder een groene rivieroever



woensdag 11 juli 2012

Eems Dollard Dialectiek


Friedrich Engels schreef een ‘Dialectiek van de Natuur’. Een studie die nooit gereed kwam. Engels beschrijft kenmerken van dialectische processen. In ‘Karl Marx, Bekend en onbekend’  besteed ik hier enkele hoofdstukken aan. Eén gaat over de dialectische omslag van kwantiteit in kwaliteit. Zo’n omslag ontstaat door de spreekwoordelijke druppel die de emmer doet overlopen. Kleinere veranderingen kunnen per saldo leiden tot structurele of systematische veranderingen, die niet zo makkelijk terug te draaien zijn. Dit kan zowel in de maatschappij als in de natuur spelen.

Radicale socialisten willen ‘system change’, een andere maatschappij. Dan zijn er wel bepaalde voorwaardelijke veranderingen nodig die leiden tot een echt andere structuur. In dat geval wordt die structuur als nastrevenswaardig gezien.
Een nieuwe structuur kan echter juist ook heel ongewenst zijn, zoals wanneer kleinere verslechteringen leiden tot een diepgaande inbreuk. Bijvoorbeeld maatschappelijk bij verarming voorbij een punt waar mensen er niets meer tegen kunnen doen en verloedering resteert. Of in de natuur bij areaalvermindering met fatale gevolgen voor bepaalde soorten.

Vorige week hield de Waddenvereniging in Delfzijl een ledenbijeenkomst over de structurele verslechtering van het leefmilieu in het Eems-estuarium. De Eems en de Westerschelde zijn de enige overgebleven estuaria van Nederland, de meeste zijn immers afgedamd. In een getijdengebied waar rivieren in de zee stromen en de zee bij vloed het land in, heeft het water ruimte nodig. Het water moet in een natuurlijke loop in en uit kunnen stromen. Dan ontstaat door algengroei een primaire voedselproductie waardoor bodemdieren kunnen leven, die weer door vogels gegeten worden, zodat per saldo een keten van levensvormen functioneert. Door toenemende kanalisering en uitbaggering stroomt in de Eems het water echter met te veel kracht in en uit. Daardoor is het water sterker dan normaal vertroebeld, komt er te weinig licht door en is de voedselketen verstoord.

De bijeenkomst beoogde in een breed gezelschap na te denken over oplossingen. Hier stelde iemand de vraag of de vertroebeling niet een kwestie is van ‘meer of minder’, van een geleidelijk proces, een kwestie van maat. De inleider gaf daarop aan dat er in de jaren negentig sprake was van ‘wat de Engelsen noemen, een system change’. Het gaat om een omslagpunt, waarop de vertroebeling zo sterk wordt dat het leven van algen op die plaatsen onmogelijk is. Tussen 1960 en nu, dus in 50 jaar zijn er op de meest vertroebelde plaatsen in het estuarium tien keer zoveel slibdeeltjes per liter. Het gaat niet om schadelijke stoffen op zich, maar om losgewoelde deeltjes. In de jaren negentig was er een kwalitatieve omslag. Toen werd de waterkwaliteit door vertroebeling echt anders en werd de primaire voedselproductie geblokkeerd.

Er zijn oplossingen nodig die deze ‘system change’ ongedaan maken. De natuurlijke verhoudingen tussen lengte, breedte en diepte moeten worden hersteld. Hiertoe worden verschillende mogelijkheden onderzocht, zoals minder baggeren, ondiepten aanleggen op bepaalde plaatsen, een grotere kom in de Eems en Dollard realiseren, enzovoorts. De uitkomst is nog onbekend.

Omslag van kwantiteit naar kwaliteit of omgekeerd, een system change. Het zijn termen die in zekere zin al ontleend kunnen worden aan de Griekse dialectische filosoof Heraclitus. Deze had het overigens ook over stromen en rivieren. Misschien wilde Heraclitus zeggen dat onze kennis over de verandering vaak maar beperkt is, een risico dat in feite dus ook bestaat bij de ecologie van de Eems. Met de latere Hegel kreeg het dialectisch denken steviger voet aan de grond, gevolgd door Marx en Engels.

Tegenwoordig lijkt het dialectisch denken uit de mode. Maar in andere woorden bestaat dit nog altijd, zoals op de bijeenkomst van de Waddenvereniging bleek. De natuur en de sociale realiteit zitten vol dynamische processen, met alle risico’s van dien. Een ‘goede’ wetenschap drukt die dan ook uit in zo goed mogelijk passende, dus dynamische termen. Al lijkt Hegel soms vergeten, denkvormen die realistisch zijn zullen blijven zoeken naar termen die helpen de dynamiek van langer lopende processen te begrijpen.

Ecologie en evolutie, natuur en maatschappij, een optelsom blijkt meer te impliceren dan het optellen zelf. De verdergaande effecten en interacties van meespelende factoren kunnen worden versterkt, afgeremd, omgebogen of omslaan. Hiernaar kijken behelst het kijken naar de delen van de som, maar ook naar de verdere context. Zo kan in de Eems en de Dollard naar een reeks van maatregelen worden gekeken, naar de te diep uitgebaggerde vaargeulen, maar ook naar het brede veld er omheen met de verschillende onderlinge relaties en doorwerking van allerlei factoren.







Bronnen en informatie over de ecologische situatie van de Eems vind je op:
Rijke Waddenzee en Waddenvereniging
Zoektermen, kies bijvoorbeeld Eems, Dollard of Eems-estuarium.

Over Friedrich Engels’ ideeën over ‘dialectiek van de natuur’, zie o.m.:
•  Friedrich Engels, Dialektik der Natur, in K. Marx, F. Engels, Werke, deel 20, Dietz Verlag Berlin div. jrt., pp. 305-570.
Dit werk is integraal en in fragmenten ook digitaal te vinden op het internet.
•  Jasper Schaaf, Karl Marx, Bekend en onbekend, Dialectiek (eigen beheer), Groningen 2000.
De hoofdstukken 9 t/m 11, pp.73-122, gaan over Dialectiek, natuur en geschiedenis, aan de hand van de vier belangrijkste kenmerken of wetten van de dialectiek zoals Friedrich Engels deze beschrijft.


vrijdag 6 juli 2012

Door de ogen van Jean-Jacques Rousseau


Rousseau, 1712-1778, voorloper van de Franse revolutie. Geen makkelijk mens, maar wel veelzijdig. Welke Rousseau? Je hebt Jean-Jacques, de politiek denker, met zijn ‘Du contrat social’ en zijn ideeën die hem maken tot revolutionair voorloper. Je hebt ook Jean-Jacques, de pedagoog, die met zijn ‘Emile’ en zijn beschavingskritiek een basis legt voor de burgerlijke pedagogiek, met haar goede en omstreden kanten. En Jean-Jacques de filosoof, met zijn haat-liefdeverhouding met de Verlichting, niet alleen sterk gewaardeerd door Immanuel Kant, ook de socialistische Henriëtte Roland Holst schatte zijn werk op waarde in een nog zeer leesbare biografie uit 1912. Zij wijst op de klassenverhoudingen in Rousseaus tijd. Jean-Jacques herkent het lijden van de gewone mensen, de boeren, dus de lagere klasse. Hij waardeert het gewone en natuurlijke, maar wil echt niet terug naar een primitieve staat, zoals wel eens werd beweerd.

En dan is er nog een Jean-Jacques. Rousseau de botanicus. Wanneer de stress groot was en hij belaagd werd of zich zo voelde, ging hij het liefst botaniseren. Weg van de bedreigende wereld voelt hij zich in 1765 helemaal thuis op het kleine eilandje Saint-Pierre. Een kleine plek, maar Rousseau ziet veel in een kleine ruimte, in de natuur. Rousseau: ‘Ik houd ervan, bezig te zijn met nietigheden, honderd dingen te beginnen en er geen enkele van af te maken, ….’ (Bekentenissen, p. 409)
Intussen botaniseert hij precies. Al joelen de kinderen en pummels hem soms uit, hij bekijkt de planten nauwgezet. Ook over Linnaeus heeft hij een idee: ‘Deze grote waarnemer is naar mijn mening (…) de enige die tot hier toe de plantkunde als natuurkundige en wijsgeer heeft beschouwd; maar hij heeft te veel in de plantenverzamelingen en de tuinen, en niet genoeg in de natuur zelf gestudeerd.’ (p. 412)

Van 1771 tot 1775 schrijft Rousseau acht mooie brieven aan een jongedame, Madame Étienne Delessert. Deze roept zijn hulp in bij de botanische opvoeding van haar vierjarig dochtertje Marguerite-Madeleine. Dit resulteert in gedetailleerde brieven over de kenmerken van de planten, en met ten slotte aanwijzingen hoe je een herbarium kunt opzetten. De brieven zijn in 1980 in Nederland uitgegeven, met de prachtige illustraties die Pierre-Joseph Redouté in 1805 maakte bij Rousseaus Botanie, Een studie uit louter nieuwsgierigheid.

Inderdaad gedetailleerd. Minutieus wordt de ontlede plant stukje voor stukje uitgelegd in de brieven. Zo schrijft Rousseau op 16 juli 1772 over de Vlier dat dit geen schermbloemige is: ‘Wanneer u bijvoorbeeld direct na het lezen van mijn brief zou gaan wandelen en een nog bloeiende Vlier zou vinden, dan ben ik er bijna zeker van dat u op het eerste gezicht zou zeggen: dat is een schermbloemige. Als u hem bekijkt zult u een groot scherm aantreffen, een klein scherm, kleine witte bloempjes, bovenstandige kroon, vijf meeldraden: ongetwijfeld een schermbloemige. Maar laten we nog eens verder zien: ik pluk een bloem af.’
Rousseau beschrijft dan de bloem en concludeert: ‘De Vlier is dus geen schermbloemige. Wanneer u nu op uw schreden terugkeert en de plaatsing van de bloemen wat meer van nabij bekijkt, zult u zien dat deze slechts schijnbaar op die van de schermbloemigen lijkt. De grote stralen komen niet allemaal precies uit één middelpunt maar ontspringen soms wat hoger, dan weer wat lager; de kleine ontspringen zelfs nog minder regelmatig: dat alles lijkt niet in het minst op de onveranderlijke bouw van de schermbloemigen. De plaatsing van de bloemen van de Vlier is veeleer die van een tuil of tros, dan van een scherm. Zo ziet u dus hoe wij door ons af en toe te vergissen, uiteindelijk juist beter leren zien.’ (Botanie, pp. 76-78)

In dat laatste is Rousseau behalve botanist ook nog wetenschapsfilosoof. Details. Je moet er maar van houden. Rousseau doet dit. Veel aandacht voor kleine en voor grotere dingen. Hij zegt te botaniseren uit nieuwsgierigheid, maar dus ook met ernst.

Een paar weken terug stond het op Schiermonnikoog achter de stuifdijk vol met Vlier. Ik gelijk kijken natuurlijk. Het klopt allemaal. Niet dat ik twijfelde, maar zó had ik het nog niet gezien. Door de ogen van Rousseau.





Vlier, Sambucus nigra
Tekening van Pierre-Joseph Redouté, Botanie, p. 25



 
Bronnen
- Henriëtte Roland Holst, Jean Jacques Rousseau, Een beeld van zijn leven en werken, Wereldbibliotheek, Amsterdam z.j. (1912).
- Jean Jacques Rousseau, Bekentenissen, vertaling door J. Lopes Cardozo en Sam. Goudsmit, Wereldbibliotheek, Amsterdam z.j. (ca. 1912).
- Jean-Jacques Rousseau, Botanie, Een studie uit louter nieuwsgierigheid, Botanische brieven en Aantekeningen voor een botanisch woordenboek, geïllustreerd door Pierre-Joseph Redouté, Uitgeverij Thieme, Zutphen 1980.


zondag 1 juli 2012

Hart versus hoofd


Syrië, het drama dat niemand lijkt te kunnen stoppen. In Syrië regeert het hart, zij het in zijn kwade vorm. De vorm van de haat. De emotie en de dagelijks dieper wordende haat bepalen de verwoesting en moord. Natuurlijk denken de Syriërs na, maar niemand kan zeggen dat het verstandig is wat hier gebeurt. Als het zo doorgaat blijven er steeds minder mensen over die nog kunnen haten. Laat staan liefhebben.

In hedendaagse gesprekken over hoofd en hart, verstand versus emotie, rationeel denken en het gevoel wordt vaak maar al te makkelijk afgegeven op de rede. Laat het hart spreken en geloof in wat je nu eenmaal gelooft. Na New Age de Happinez.  Mindstyle, zingeving en intuïtieve verdieping, mooi toch? Het hart getoond in zijn mooie, maar soms erg eenzijdige vorm.
Redelijkheid staat bij sommigen in een kwade reuk. Rationele theorieën hebben hun beperking en leiden tot daden waar je spijt van kunt krijgen. Rationele technologie heeft oorlogen en vervuiling opgeleverd. Redelijkheid als inzet, verwoesting het resultaat.

In de huidige westerse filosofie lijkt Nietzsches en Heideggers scepsis over de ratio de navolgers van Hegels rationaliteit te hebben overvleugeld. Het denken onmachtig verklaard. Onmachtig om te helpen beter te handelen. Narratief, de kleine verhalen boven de grote. Het quasi-willekeurige verhaal boven de rationele constructie. Maar de balans is zoek. Die verhalen eindigen zomaar ergens, het toekomstperspectief is gering en zeker niet erg duidelijk.
Toegegeven, de hegeliaans-marxistische dialectische filosofie heeft vandaag de dag ook geen breed gedragen en krachtig overtuigende visie, en wordt bovendien verhoudingsgewijs maar door enkelen verder ontwikkeld. En of de spinozisten Spinoza’s rationele weloverwogenheid bewaren, moeten we nog maar afwachten. Modes kunnen onverwachte vormen aannemen.

Hopelijk is de mist tijdelijk en wordt een betere balans gevonden van hoofd en hart. Het hart, de emotie en spontane keuzes brengen niet alleen maar goeds. In Syrië staan mensen, groepen, overtuigingen en belangen tegenover elkaar en lijkt het geweld niet te stuiten. De emotie aan de macht, zo lijkt het. In haar kwade vorm. De rede heeft het zwaar.

Gelukkig zijn er mensen die in deze chaos blijven oproepen tot redelijkheid. Neem Nikolaos van Dam, de ex-diplomaat. Hij pleit consequent tegen gewelddadige ‘oplossingen’ en gewapend ingrijpen. Het hoofd niet verliezen is nu de kunst, hoe ver weg de redelijke oplossing ook lijkt.
Iedereen moet Kofi Annans redelijke vasthoudendheid steunen. Niemand weet een betere weg. Hier zijn hart en hoofd trouwens wel in balans, de rationele inzet het vraagstuk op te lossen, gedreven door gevoel, medemenselijkheid en betrokkenheid.




Kofi Annan


woensdag 20 juni 2012

Helemaal actueel nieuws

Het Journaal meldt vandaag dat kredietbeoordelaar Moody's de beoordeling van Turkije heeft verhoogd van Ba2 naar Ba1. Verder blijft de verwachting voor de toekomst ook positief, zo wordt ons medegedeeld.
En kijk, ze laten er een mooie foto bij zien. Hierop zitten zo’n twintig Turkse mannen knus met hun hengeltje in de Bosporus te vissen. Of ergens anders, maar relaxed is het zeker.

Dus meer vissen, meer ontspanning, dat doet de economie opleven! Niet langer werken, maar wat korter. Het werk eerlijk verdelen en met de hoge arbeidsproductiviteit is er dan na het werk genoeg tijd over. Werkgevers persen echter liefst nog langere arbeid uit het individu en de rest kan stikken.
Korter werken is niet het hele verhaal om de crisis op te lossen. Maar de Turken bewijzen, het hoort er wel bij.



Leve de vrije tijd


donderdag 14 juni 2012

De vakbeweging!


De vakbeweging. Welke, de bestaande of de Nieuwe? Gewoon, de vakbeweging, in de eerste plaats de FNV. Paniek lijkt de oorzaak van de overhaastige opzet voor een Nieuwe vakbeweging na het gedoe over het standpunt over de pensioenleeftijd.

Vanwege het belang eindelijk het neoliberalisme een halt toe te roepen en weer meer in de richting van een sociale of zelfs een socialistische politiek te gaan, hebben socialistische partijen en de vakbeweging elkaar hard nodig. Omdat een grote macht tegenover hen staat, die niet alleen de grote lijnen bepaalt, maar doorgedrongen is tot in de kleinste vezels van de maatschappij, zoals het gezin, de buurt en de verenigingen.
Elkaar nodig, niet alleen vanwege de macht in het algemeen, maar ook om de concrete raakvlakken: de pensioenleeftijd, arbeids- en ontslagrecht, gezondheid, werk- en leefomstandigheden, lonen, arbeidsduur en milieuvragen. Er zijn talrijke belangrijke vragen die zowel de parlementaire en buitenparlementaire politiek als de vakbeweging aangaan.
Sociale politiek en vakbeweging zijn dus op elkaar aangewezen. Doen alsof er geen wederzijdse invloed is, zou neerkomen op struisvogelpolitiek.

Paniek is een beroerde raadgever. Intussen zijn de nodige commentaren over de ‘Nieuwe’ vakbeweging verschenen. De oplossingen houden niet over. Waar zijn de argumenten voor gefundeerde conclusies? Zijn er nog leden die het kunnen volgen?

Het beste is de ontwikkeling van de vakbeweging vanuit de bestaande bonden richting te geven. Bonden kunnen enorm veel van elkaar leren, evenals van andere maatschappelijke sectoren.
Wanneer de grote bonden een ongedeelde vakbeweging willen en daartegenover de kleinere wijzen op hun directe relatie met de leden en kennis van vakinhouden, zorg dan dat de oplossing beide sterke kanten goed verenigt. Niet gelijk kleine bonden willen opheffen, maar deze versterken, en tegelijk wel gezamenlijk de centrale versterken. Dat laatste is broodnodig om in kwesties die alle werknemers en werklozen raken krachtig te kunnen optreden.
Eén overhaast top-down geformuleerd organisatiemodel kan echter nooit de problemen oplossen. En rigoureus één werkorganisatie opzetten heeft het risico het hele apparaat te bureaucratiseren of zelfs op te blazen.

De vakbondsdemocratie; helaas bestaat die nauwelijks meer. Ook kleinere bonden die trots zijn op hun inhoudelijke benadering en directe contacten met leden, zijn heel weinig gericht op het organiseren van leden aan de basis en deze een permanente stem te geven in het beleid. De vakbondsdemocratie wordt echt niet veel sterker met een zogeheten vakbondsparlement, daarentegen wel door in de bonden vanaf de basis de leden keer op keer bij het werk te betrekken. Fixatie op een ledenparlement zal richtingenstrijd aanscherpen. Een parlement toevoegen in een al zwaarbeladen structuur kan ontaarden in veel kleinburgerlijk en formalistisch gedoe.

Het verhaal van Jetta Klijnsma c.s. lijkt een mooie oefening voor studenten bestuurskunde, maar krijgt als werkstuk toch een onvoldoende. Formele lijnen en zeker de voorgestelde versnippering lossen de vragen niet op. De bonden moeten sterker, de eendracht moet vanuit de inhoud en gezamenlijke belangen worden georganiseerd en de democratie vanaf de basis. De werkorganisatie(s) kan (kunnen) veel communicatiever optreden naar de leden, niet top-down maar in wisselwerking.

Overhaaste en grofvormige verandering zal leiden tot dezelfde teleurstellingen die afgelopen periode door de grote schaalvergrotingen in onderwijs en de zorg ontstonden. Werk vanuit het bestaande, democratie van onderen op en zorg op geëigende momenten voor betere samenwerking tussen sociale partijen en bewegingen. Werk onder jongeren permanent aan scholing over de sociaal-maatschappelijke betekenis van de vakbond, zodat zij zich graag aansluiten.
Document van tafel, maar niet de hakken of de kop in het zand.







maandag 11 juni 2012

Hoepel

Wanneer je je met toeval inlaat, is er veel te zien. Zo luidt ongeveer mijn principe als ik lopend of op de fiets de natuur in trek. Soms vraagt iemand, ‘Waar ga je naar toe?’ ‘Zie ik nog wel.’ Niet dat de opties onbekend zijn, maar het hangt wel van wind, stemming en tij af welke kant me trekt. Dan is overal wel wat te zien. Het gaat niet altijd op, bijvoorbeeld niet bij een geplande natuurexcursie. Maar ook dan, de vogels en de vogelaars, de mosjes en ander gewas, er komt van alles voorbij.

Pas op tv in ‘Vroege Vogels’  liet Midas Dekkers zien dat je een hoepel moet gooien en waar die terecht komt de natuur kunt bestuderen. Als je goed kijkt op die toevallige plek is vaak veel aardigs te ontdekken.
Dat is het precies. Zo’n hoepel is een kader en daarbinnen ben je nog lang niet klaar. De hoepel is een concentratie. De gooi lijkt een toeval, al kun je je dat nog afvragen. Binnen de hoepel valt al gauw iets op en spelen tal van verbanden. Die kun je verder bekijken, bestuderen zelfs.

Aan de hoepel moest ik terugdenken, toen ik kort erna een gesprek had met een goede kennis over levensbeschouwing en religie. Zelf bevalt het boeddhistische ‘hier en nu’ me wel. Het hier en nu is al groot genoeg. Door dit met een echte of denkbeeldige hoepel te bepalen kun je al te grote vragen loslaten. Van die vragen die mensen eerder verwarren dan dat ze wat oplossen. Binnen de hoepel blijven genoeg vragen en verwondering over.

Als je eenmaal de hoepel van het hier en nu wat beter kent, kun je vervolgens deze gerust een stuk groter maken en betrokken zijn op andere mensen, de omgeving en zo nodig zelfs de politiek. Je waarnemen en denken goed bepalen hoeft niet te leiden tot afsluiten van wat daarbuiten ligt. Je kunt meerdere spellen spelen met de hoepel.

De Russische schrijver Daniil Charms (1905-1942), die in zijn absurde en onder Stalin beslist niet gewaardeerde verhalen heel wat toeval laat zien en verstopt, meende: ‘Echte belangstelling is het belangrijkste in het leven. Een mens zonder belangstelling voor wat dan ook gaat snel ten onder.’
Kijken naar de wereld, de natuur en het leven. Is er een handiger hulpmiddel voor je belangstelling dan een echte of denkbeeldige hoepel? Een blikverruimende begrenzing.




Bron van het citaat: Daniil Charms, Alle mensen houden van geld, Pegasus, Amsterdam 1990, p. 70.
Wil je het hoepelfragment in ‘Vroege Vogels’ zien, klik hier




dinsdag 5 juni 2012

Durven vooruit te denken - Deel 2


In deze weblog zal een enkele keer een wat langer artikel verschijnen. Dit keer deel 2 van het artikel over conservatisme en socialisme. Deel 1 staat in de weblog van vorige week.


Durven vooruit te denken
Over conservatisme en socialisme(1)

Deel 2


Friedrich Engels en de utopisch socialisten

Friedrich Engels schrijft van 1876-1878 zijn boek ‘Anti-Dühring’. Dit is een van de weinige al tijdens hun leven gepubliceerde werken van Marx en Engels, dat een populair overzicht van hun gezamenlijke ideeën geeft. Dit boek richt zich tegen de Berlijnse universitair docent Eugen Dühring. Dühring had volgens Engels onder meer een karikatuur gemaakt van het oudere socialisme, dat vaak utopisch socialisme genoemd wordt. Het gaat dan om socialisten c.q. communisten als Claude-Henri de Saint-Simon (1760-1825), Charles Fourier (1772-1837), Robert Owen (1771-1858) en anderen. De ‘Anti-Dühring’ gaat over veel meer, maar de verdediging van deze utopisch socialisten neemt een opmerkelijke plaats in. Engels en Marx zien hun inzet als wetenschappelijk, een verder gevorderd denken op basis van grondig feitenonderzoek, ten bate van het streven naar een socialistische maatschappij. Dat sluit waardering voor de oudere ‘utopisten’ echter geenszins uit. Veel te vaak is hun visie gesimplificeerd, alsof men in het verleden maar naïef was, en dat nu verleden tijd is.
    Engels ziet de utopisten als utopist ‘omdat zij niet anders konden zijn in een tijd, waarin de kapitalistische productiewijze nog zo weinig zo weinig ontwikkeld was. Zij waren genoodzaakt om de elementen van een nieuwe maatschappij uit het hoofd te construeren, omdat deze elementen in de oude maatschappij zelf nog niet algemeen zichtbaar aan de dag traden; zij moesten zich voor de grondslagen van hun nieuwe bouwwerk tot een beroep op de rede beperken, omdat zij zich nu eenmaal niet op de geschiedenis van hun tijd konden beroepen.’(2)
    Engels bekritiseert hier geenszins een denken dat actief naar een betere maatschappij zoekt, maar relativeert het waarheidsgehalte ervan, zolang dat nog onvoldoende op feiten gebaseerd kon zijn. In zijn tijd kan dat beter, al zal Marx in Het kapitaal er ook niet in slagen een waterdichte redenering te vinden die aantoont dat het socialisme er zal komen, nog los van een idee hoe dat er precies uit zou moeten zien. Al geven bijvoorbeeld Het communistisch manifest en concrete programmapunten van de Internationale wel aspecten weer van dat socialisme. En deze lopen voor een deel weer aardig parallel met opvattingen van de oudere socialisten.
    Engels waardeert de ‘utopisten’. Bij Fourier bespeurt hij bijvoorbeeld ‘een diep doordringende kritiek op de maatschappelijke toestanden. (…) Ongenadig legt hij de materiële en morele misère van de burgerlijke wereld bloot (…)’(3) En: ‘Fourier is niet alleen criticus, zijn altijd opgewekte natuur maakt hem tot satiricus en wel tot een der grootste van alle tijden.’ Ook hanteert Fourier de dialectiek ‘even meesterlijk als zijn tijdgenoot Hegel.’ Grotere complimenten geven Marx en Engels niet. Robert Owen is van vergelijkbare statuur. Hij was niet alleen een denker maar organiseerde praktische experimenten ‘waarvan het communisme aan consequentheid niets te wensen overliet.’(4)

De samenleving verandert, maar de rode draad van het denken dat vanuit het bestaande abstraheert en zich een betere wereld of meer harmonieuze structuur voorstelt, blijkt historisch onbreekbaar te zijn. Ondanks de verschillen, de discontinuïteit, is er een sterke continuïteit. Inzet voor rechtvaardigheid en een sociale samenleving. Al vóór Thomas More en van Utopia naar de utopisten, verder naar Marx en Engels en vele andere socialisten. Ook het sociale denken van nu en een socialistische politiek die zich bijvoorbeeld tegen tweedeling richt, tonen het beeld van dezelfde sociale inzet. Het is een sociaal verworven diep menselijke trek zich maar niet neer te willen leggen bij ongelijkheid en een gemis aan rechten. Natuurlijk speelt het eigenbelang van de onderdrukte een grote rol, maar er is meer. Ook denkers die later utopist genoemd werden, zagen reële kansen voor hun tijd. Genoemde socialisten als Saint-Simon en Owen handelden niet uit een beperkt eigenbelang, maar uit solidariteit met de lagere klassen van hun tijd.


Progressief is laten zien dat het anders kan

Wat is eigenlijk progressief? Dit is het actief willen benutten van nieuwe veranderingsmogelijkheden. Daarmee ben je er nog niet. Er zijn keuzes mogelijk. Materiële zoals technologische veranderingsmogelijkheden zeggen nog weinig over de inzet die men ermee wil plegen. Je zult je altijd moeten afvragen: dat nieuwe vervangt iets, willen we dat ook? Bovendien dwingt de technologie ook ‘autonoom’ bepaalde vormen af. Na de eenmaal gedane uitvinding van de PC moest die wel worden gebruikt. Die toepassing hoeft echter geen ongestuurd proces te zijn. Vernieuwing surft op het bestaande. Iets bestaands kan opgeofferd worden, maar ook verder ontwikkeld en behouden op een hoger niveau.
      Politici of journalisten kunnen wel roepen dat iets progressief is, maar welke keuzes worden er echt gemaakt? Politiek is gestoeld op een meer sociale of socialistische dan wel op een genuanceerd liberale of harde neoliberale inzet, met hierbij nog de diverse religieus georiënteerde varianten en tijdgebonden gezichtspunten. Verandering volgt per definitie nooit helemaal de middenweg of het autonoom vanzelfsprekende, dus wat is de politieke keuze? Progressief realisme is een politieke zoektocht naar evenwicht in behoud en vernieuwing. Een dialectiek van continuïteit en discontinuïteit houdt weliswaar een relatief conservatisme in, maar kan verschillende vormen van verandering betekenen. Als we dit of dat doen, wat is dan het effect? Het nieuwe en goede inbrengen, behouden en ontwikkelen is de kunst.

Maar ja, die stokoude thema’s in de discussie. De socialisten van de 19e en 20e eeuw zagen regelmatig in crisistijd loondruk ontstaan en de uitholling van rechten van de werknemers. Wat is er toch veel oude wijn in nieuwe zakken. Ontslagrecht? Men wil gewoon geen fatsoenlijke rechtspositie en salarissen meer. Heel oude wijn! Op grond van de neoliberale dominantie bestaat er een strijdtafereel met een initiatief van privatisering en winstmaximalisatie enerzijds en een participerende sociale betrokkenheid en de mogelijkheid voor ieder om echt mee te doen anderzijds. De zwakten van de vakbeweging en internationaal van links worden aangegrepen de arbeid te flexibiliseren, te verlengen en goedkoop te maken.  Het strijdtafereel is veelomvattend, maar ook aanwezig op de kleinste plekken in de maatschappij, zoals in het gezin of in het onderwijs. Er zijn wrange voorbeelden zoals plannen om de griffierechten te verhogen, die feitelijk het recht van gewone mensen opheft. Dit is de meest ouderwetse klassenjustitie, op het moment dat rechtszekerheid voor veel mensen zo bitter nodig is. De rechtszekerheid ontnemen, zo zal het ook wel bedoeld zijn. Het smoort verzet.
    Het is niet zonder logica. Ondernemers willen de prijs van de arbeid drukken om nog of opnieuw rendabel te kunnen werken. Tevens willen ze de arbeidstijd van deze goedkoper verkregen arbeid verlengen. Zij kijken naar de korte termijn, het herstel van rendement, en voor de nabije toekomst liefst het flink ophogen ervan. Dit gaat echter gepaard met grote persoonlijke en maatschappelijke drama’s. Gezinnen verarmen, de dalende koopkracht tast de economie aan en goede voorzieningen die verdwijnen of verslechteren kunnen pas na een lange nieuwe strijd terugverworven worden. Er is weinig progressiefs aan. Kapitalistisch gezien lijkt de oplossing logisch, maar er is per saldo een structurele verslechtering gaande in zo’n proces, een negatieve spiraal.

Als deze negativiteit langere tijd bestaat ontstaat gewenning, niet in de laatste plaats door de permanente herhaling in de media dat het allemaal niet anders kan. Op brede schaal mogen mensen meedoen aan het in gang gezette discours. Intussen ontstaat angst en zeker onwennigheid dit discours zelf te analyseren. Dit is nu gaande vanuit en binnen het neoliberale offensief dat al zo’n dertig jaar duurt. Bij een ernstig verzwakte, koersloze en voornamelijk nationaal opererende vakbeweging probeert het kapitalistisch liberalisme het onderste uit de kan te halen. In dat steeds dieper wordende gewennings- en vervreemdingsproces worden nieuwe betekenissen toegekend en vervolgens tot in den treure herhaald. Wat nu progressief, vernieuwend of een hervorming wordt genoemd, was vanuit een vroeger en misschien ook wel in een toekomstig perspectief gewoon domme bezuiniging, conservatief of een verstarring. Het neoliberalisme doordrenkt het leven met het bijbehorende jargon en werkt vervreemding in de hand. Bijvoorbeeld in de vanzelfsprekendheid die ontstaat om het neoliberale belang maar progressief te noemen.
      Het bestrijden van deze vervreemding in een nieuw jasje biedt echter een betere basis voor progressiviteit. In  deze verhoudingen is het gefundeerd progressief wanneer de sociale beweging waardevolle voorzieningen en koopkracht beschermt, tegelijk met het actief en doelgericht benutten van nieuwe technologische en maatschappelijke mogelijkheden. Denk aan een sterkere politieke en economische democratisering en andere kansen die zich vanuit crisissituaties aandienen, inclusief een krachtige inzet voor persoonlijk welzijn, cultuur, duurzaamheid en biodiversiteit.

Opsommingen maken mismoedig. De opsomming van de punten van afbraak versombert. De opsomming van wat er echt moet gebeuren lijkt een loden last te worden. Maar was dit ook niet zo in de tijd van Thomas More, een tijdsgewricht waar het vroege kapitalisme ontstond en bestaande agrarische structuren in Engeland met geweld werden ontmanteld, maar ook rechtssystemen werden vernieuwd, dus een tijd kortom waarin tal van grote veranderingen plaatsvonden? Mores Utopia pakt in één keer tal van vragen samen en dwingt hierover na te denken. Hij wil sociaal richting geven in het vat vol tegenstrijdigheden van die maatschappelijke verandering. Met de latere Franse, Engelse en Duitse utopisch socialisten was dit niet zo anders. Na de Franse revolutie, de bloedige afloop en de restauratie van het oude gezag, maar óók het breed levend besef dat het herleefde conservatisme geen lange levensduur beschoren zou zijn, presenteren de vroege socialisten pakkende beelden, alternatieven. De experimentele structuren van Charles Fourier en Robert Owen dragen des te meer bij. De latere ‘realistische’ of meer wetenschappelijk georiënteerde socialisten zijn hen heel wat dank verschuldigd.
      Progressief is dat je laat zien dat het anders kan. Het gaat nooit om een vorm alleen, maar om de inhoud van de politieke keuzes die nodig zijn. De oude spiegel in de nieuwe werkelijkheid. De vorm van een spiegel, een uitgesproken idee, dat refereert aan wat er is en wat er kan zijn. Zo nodig op deelpunten, altijd met een sociale inhoud. Hervormingen? Iets meer fantasie alstublieft.

Historische ervaringen leren ons dat ideaaltypische beschrijvingen, blauwdrukken en utopieën hun beperkingen hebben. Maar een sociaal model waar als gedachteconstructie mee gespeeld kan worden, en waarbinnen harde feiten en wetenschappelijke verklaringen als zodanig mee worden gewogen, kan heel verhelderend zijn. In wezen is dit niet zo anders dan normale wetenschappelijke modellen, computergames of simulaties. In een defaitistische tijd waarin de socialistische politiek en vakbondsinzet noodgedwongen ook sterk defensief zijn, kan het geen kwaad de fantasie sterker te laten werken. Fantasie, niet helemaal vrije fantasie.
      Wat kan wel? Waarom kunnen mensen met de huidige technologische mogelijkheden niet minder of rustiger werken en de arbeid meer richten op zorg, welzijn en duurzaamheid? Waarom niet ‘out of the box’ gedacht, buiten het private marktconforme model om? Waarom geen vernieuwing door een slimmere mix van regulering en vrij initiatief? Betere sturing vragen is niet hetzelfde als een pleidooi voor een totaal centraal gestuurd model. Bij progressiviteit mag je toch op iets slimmers hopen, dan steeds weer het rijtje belastingaftrek, eigen risico, ontslagrecht en gedwongen arbeid met uitkering voorgeschoteld te krijgen.
      Neoliberalen zullen elk alternatief als naïef of conservatief bestempelen. Dat is hun verhaal. Die fantasie is beperkt, weliswaar momenteel machtig. Zij dompelt het dagelijks leven onder in de vanzelfsprekendheid van ‘Er moet immers bezuinigd worden ….’ Is dat vernieuwing? Bezuinigen is voornamelijk het oude bewaren en dan in mindere mate. Daarbij nog wat opgepoetst oud jargon.


Nieuwe technologie, duurzaamheid en een progressieve mix

Er bestaan tal van sociale en groene experimenten in de marge van de samenleving. Per saldo doen duizenden er aan mee. Ze worden nog niet gebundeld tot een grote kracht. Waarom staat duurzaamheid niet gewoon voorop? Waarom worden inkomens niet gelijk eerlijker verdeeld en mag men eerst van alles verdienen om ‘vervolgens’ topinkomens door belastingen aan te pakken? De wereld staat op z’n kop. Wat kan er met een zekere rationele planmatigheid niet allemaal rustig en goed verlopen? Is er dan te weinig voedsel? Waarom wordt wat nu eenmaal collectief en sociaal is – denk aan energie, bodemschatten en sociale voorzieningen – niet gewoon solidair en collectief geregeld? Als voorbeeld de mobiele en vaste telefonie. Vroeger was telefonie een collectief arrangement. Waarom niet in dit mobiele tijdperk? De winsten zijn waarschijnlijk zo ongeveer voldoende om elk begrotingstekort op te heffen. Bovendien is de gebruikte technologie voor een groot deel gebaseerd op uitvindingen die met collectieve middelen zijn gedaan. Het is paradoxaal dat zo’n nutsvoorziening privaat georganiseerd is.
      Het zijn maar grepen. Ze tonen aan dat een volledige blauwdruk niet eens nodig is om ander denken mogelijk te maken. Het getuigt niet van goede fantasie om als reactie op de ‘vergrijzing’ – een heel fout woord voor een positief feit – alleen te kunnen verzinnen dat ‘we’ ‘wat langer’ moeten werken. Waarom was in de crisisjaren tachtig en negentig van de vorige eeuw, dus nog maar kort geleden een algemene arbeidstijdverkorting (ATV) aan de orde en werd die massaal vanzelfsprekend gevonden? Voornamelijk omdat het neoliberalisme nog minder sterk was. Als dat nu taboe is gaat het gewoon om politieke standpunten, die doelbewust herhaaldelijk als ‘progressief’ worden gelabeld. Ten onrechte dus.

‘Progressief’ is beter gebruik maken van nieuwe maatschappelijke, sociale, medische en technologische mogelijkheden. De keuze is meer liberaal of sociaal. Meer voor jezelf of voor de ander. Het is altijd een mix. Met een mix van een sterk collectief georganiseerde en duurzame basis met daarop tal van individuele vrijheden is echter niets mis.
      Continuïteit en discontinuïteit vormen een spanningsveld, dus een interactie. Het nieuwe mag niet worden verabsoluteerd. Zonder het bestaande kan het nieuwe niet eens ontstaan. Het is waar dat de blauwdruk risicovol is, maar de allergie kan ook te groot zijn. Het motto ‘Van utopie tot wetenschap’ heeft soms van de afwijzing van elke blauwdruk een cliché gemaakt. Waarom worden er geen slimme variabele, dus niet-rigide modellen ontwikkeld waarin realistisch en wetenschappelijk relevante feiten worden verwerkt? Maak betere modellen, betere blauwdrukken, maar pin je niet op een enkel idee vast. Wat in de toekomst kan worden verwezenlijkt zal ook weer een tijdelijke zaak blijken te zijn. Dat sluit continuïteit van sociale voorzieningen en nuttige instellingen niet uit. Angst voor nieuwe ideeën is onnodig zolang het sociale primair is en de beperkingen worden gezien, dus de feiten recht worden gedaan. Progressief of conservatief: het draait om de keuze van de politieke richting.

In modellen kunnen zowel problemen als optimale kansen worden doorgeëxerceerd. Wie zegt dat dit niet kan, weigert zich buiten het liberaal-kapitalistische denkkader te begeven. Wie zegt dat dergelijke modellen de enige juiste blauwdruk oplevert is naïef. Maar tussen defaitistisch ‘realisme’ en de utopie ligt een groot politiek gebied braak waarop kansen en sociale mogelijkheden kunnen worden geformuleerd, zonder het opgeven belangrijke verworvenheden.
      Het einde van de blauwdruk kan een scala van politieke ‘blauwdrukken’ opleveren dat dwingt beter na te denken over een progressief socialistische koers die daadwerkelijk in beleid kan worden omgezet.

Jasper Schaaf, juni 2012



Charles Fourier (1772-1837)




Dit artikel mag vrij worden overgenomen mits de bron wordt vermeld. Je kunt ook een kopie in Word of als pdf opvragen bij de auteur. Voor meer informatie zie ook www.jasperschaaf.nl   



Noten

1     Dit artikel is ontstaan vanuit mijn omvangrijker onderzoek op het gebied van de geschiedenis en de actualiteit van de politieke filosofie.
2     Friedrich Engels, Herrn Eugen Dührings Umwälzung der Wissenschaft (Anti-Dühring), in K.Marx, F.Engels, Werke, deel 20, Dietz Verlag Berlin DDR div. jrt., p. 247.
3     Friedrich Engels, Anti-Dühring, pp. 242-243.
4     Friedrich Engels, Anti-Dühring, p. 247.