zondag 5 december 2021

Vervolg van de blog over Thomas More en Francis Bacon


De doorwerking van Francis Bacons filosofie. Kennistheorie en politieke theorie


Francis Bacon (1561-1626) leefde iets later dan Thomas More, maar het was nog altijd een tijd van grote maatschappelijke veranderingen, opkomst van nieuwe productietechnieken, en ook van andere kracht- en machtsverhoudingen. Daarin stond de traditionele landbouw onder druk en streden grootgrondbezitters en adel onbeschaamd voor hun belangen.
    Cultureel waren er grote veranderingen, en zo kon de breed georiënteerde Bacon zich niet slechts filosoof noemen maar speelde hij meerdere maatschappelijke rollen. Hij was filosoof, rechter, advocaat, schrijver, astroloog en vooral ook politicus. In die laatste functie was hij zeker niet helemaal vies machtsspelletjes, en wat dat aangaat beslist geen slechte leerling van Machiavelli.
    Bij al deze maatschappelijke rollen is er volgens Bacon veel meer aan de hand dan het klakkeloos uitspelen ervan. Hij acht de wetenschappen en culturele verschijnselen van zijn tijd veel te versnipperd. Eigenlijk maakt hij zichtbaar dat er perioden zijn van vernieuwing waarin de samenhang der dingen uit het oog wordt verloren, terwijl er juist eenheid, samenwerking nodig is om de maatschappij optimaal van nieuwe ontwikkelingen te laten profiteren.
    Zoals Aristoteles de kennis van zijn tijd tot een geheel smeedde, zo is er volgens Bacon in zijn tijd een filosoof nodig die de diverse maatschappelijke gebieden en onderzoeksvelden met elkaar verbindt. Verbinden in de zin van zichtbaar maken, niet kunstmatig maar datgene verbinden dat feitelijk ook verbonden is, ook al ziet niet iedereen dat helder voor zich. Daarom heeft de filosofie een heel grote maatschappelijke rol te vervullen. Een rol die Bacon vooral voor zichzelf ziet weggelegd. Het onthullen van de werkelijkheid, de bestaande wetmatigheden ervan.
    Je zou dit – even fictief denkend aan vandaag de dag – met een voorbeeld kunnen illustreren. Stel: zo’n Bacon in genoemde filosofische rol, ziet bijvoorbeeld dat de biodiversiteit onder druk staat, maar ook dat anderen dat niet (willen) waarnemen. Dan wil hij terug naar de kern. Zuiver en sterk waarnemen hoe in de werkelijkheid de verschillende velden zich tot elkaar verhouden. Dan is een inzicht mogelijk dat duurzaam is en een basis kan vormen voor een krachtig en effectief milieu-optreden. Dus niet in de eerste plaats of alleen oproepen tot actie, maar de noodzaak ervan blootleggen, dan moeten de mensen wel meekomen.

Hoe dan die band, de samenhang, weer te zien? Bacon komt dan over inductie te spreken. De betekenis van inductie als logische en wetenschappelijke methode waarmee de werkelijkheid echt gekend kan worden. Bacon ziet inductie als de wetenschappelijke methode bij uitstek. Maar vooral, hij bedoelt dit niet – al is dat er later wel eens van gemaakt – als een makkelijke, oppervlakkige manier van feiten bijeen sprokkelen. Noch om al te voorbarig algemene conclusies te trekken, terwijl het feitenmateriaal nog niet voldoende onderzocht is. Het gaat eerder om het grondig en breed analyseren, zodat de inductie, op zich een wel bekend fenomeen, echt tot leven komt.
    Deze ‘nieuwe inductie’ grondvest het hernieuwde denken dat Bacon voorstaat, het ‘Novum Organon’. Het is een experimenterend inductivisme of empirisme, een grondslag van het empirisme dat in de Engelse filosofie en wetenschappen zijn rijkdom zal laten zien. Bacon dus als grondvester van een maatschappelijk relevante wetenschappelijke methode. Dit echter, zolang men deze begrippen bij hem accepteert in de strenge betekenis en deze niet vulgariseert. Feiten doen ertoe, maar feiten die ertoe doen kun je je nog niet allemaal maar klakkeloos aannemen.

Bijzonder feit hierbij is dat Bacon zelf wel allerlei experimenten opzette, maar zelf betrekkelijk weinig contact had met wetenschappers van zijn tijd, terwijl de wetenschap in deze periode in Engeland tot grote bloei kwam. Maar zijn pleidooi voor een nieuwe wetenschappelijke onderzoeksmethode sloeg aan. Hij wordt daarmee gezien als één van de grote denkers uit de geschiedenis. Dankzij zijn kernbegrippen: inductie, onderzoek naar feiten, maar ook ‘materialisme’. De feiten moeten spreken, niet de (denk)constructies die men ervan maakt.
    Zo wordt Bacon ook gezien als mede grondlegger van de moderne materialistische filosofie en kennistheorie. Zijn medewerker Thomas Hobbes, de beroemde politieke filosoof, nam later het stokje over. In diens staatsfilosofie domineert het materialistische standpunt. Bovendien draagt Bacon ertoe bij dat vanaf dan de kennistheorie, de reflectie op de kennis en de wetenschappelijke methoden en criteria om ware kennis te genereren, vaste kern van filosofisch onderzoek én van het wijsgerig dispuut wordt. De betekenis hiervan heeft een veel wijder bestek dan Engeland, zie bijvoorbeeld de permanente pennenstrijd tussen empiristen en rationalisten, of de materialisten versus de idealisten.
      Het knappe van Bacon is dat hij dat wat later zo’n polemiek zal worden in feite al voorziet. Immers hij gaat van feiten uit, maar weigert voorbarige conclusies. Nu kun je tegenspreken en zeggen dat het fundamentele kentheoretisch debat al sinds Plato en Aristoteles bestaat, maar Bacon actualiseert op een voor zin tijd sterke manier de relevantie hiervan.

Francis Bacons voorganger Thomas More presenteerde als maatschappijkritiek zijn ‘Utopia’. Hij was een voorbeeld voor velen. En ook Francis Bacon maakt gebruik van dat beeldende middel. Het gaat dan om ‘Het grote Herstel van de filosofie.’ Bacon wilde de utopie schilderen die zou ontstaan bij de herstelde wetenschap, dat is de wetenschap die uitgaat van een brede verklaring van de natuur. Het is opmerkelijk, dat de natuur bij hem zo nadrukkelijk object van onderzoek wordt. In wezen zien we hier de sterke materialistische invalshoek van Bacon. Hij lijkt wat dit betreft ook wel een opvolger van Aristoteles qua omvattendheid, inclusief een praktische politiek. Hij is een ‘veel-denker’, ook in zijn strijd tegen vooroordelen.

Beelden die tellen! Dat is actueel in de huidige beeldcultuur. Dus net als More schetst Bacon een andere maatschappij. Dit keer neergezet op een eiland, een nieuw Atlantis. Het wordt niet zover uitgewerkt als More’s visie. More lost in zijn Utopia al denkend de grote sociale onrechtvaardigheden van zijn tijd op. Bacon denkt op een wetenschappelijk niveau. Zijn eiland van de wetenschap laat in korte trekken zien dat een meritocratie kan werken, een maatschappij die zich door de wetenschap en de deskundigheden laat leiden. Onderzoek en kennis staan dan centraal als politieke vaardigheid. Waardoor we nogmaals herinnerd worden aan de Griekse ‘totale’ filosofie, denk hier aan Plato’s staat en zijn ideeënleer.
    Ging het dan bij More om een betere maatschappij, bij Bacon eerder om een sterkere wetenschap. Het gaat dan om een utopie van de (perfecte?) wetenschap. Toeval kan dan niet meer bestaan, zo lijkt het. De wetenschap moet de wetmatigheid van heel de werkelijkheid doorgronden, samenvatten, verklaren, enzovoorts.

Alles doorgronden? Dan ontstaat ook weer, in dit geheel van feiten en denken, een rationele of idealistische invalshoek. Dat maakt Bacons idee er alleen maar interessanter op. Materie en denken staan in een verhouding, dat wordt ‘metafysisch’ duidelijk. De beelden helpen de werkelijkheid te doorgronden. Dergelijke beelden kunnen als kennisobject zeer interessant zijn, een soort vooruitlopen op de filosofie van Ludwig Feuerbach die de religie neerzet als constructie van denken en zijn, samengevat in beelden van de werkelijkheid. Wat dat betreft kan de filosofie met Bacon in zijn tijd weer flink vooruit. De maatschappij kent kruispunten van mogelijk in te slagen wegen. Bacon probeer die alles in een samenhang neer te zetten. Met dus utopie en beelden als kennisbron, als inspiratie voor verdere ideeënontwikkeling.
    Opmerkelijk is dat Bacon het bestuderen van de natuur belangrijker of interessanter vindt dan het regeren van mensen, ook voor de regering. Wat dat betreft hangt hij een soort basis-bovenbouw-idee aan. De natuur, de wereld moet gekend worden, zijn kennistheorie heeft daarmee een materialistische grondslag en de filosofie moet die bewaken of herontdekken.

In de derde en laatste aflevering over Francis Bacon komt de vraag naar voren of van de wetenschap wel zulke hoge verwachtingen gekoesterd mogen worden. Wordt de natuur toch niet ‘stiekem’ veel te sterk ondergeschikt gemaakt aan menselijke korte-termijn-oogmerken? En hadden de filosofen dat niet eerder moeten onderkennen, ook al omdat Bacon daarvoor eigenlijk wel de nodige ‘tools’ aanbiedt?


Wordt vervolgd in de volgende blog.

 





Francis Bacon (1561-1626)
















vrijdag 3 december 2021

Francis Bacon – Utopisme en kennistheorie – Wat de geschiedenis van de filosofie te zeggen heeft



Thomas More (1478-1535), Francis Bacon (1561-1626) – Utopisme en kennistheorie – Wat de geschiedenis van de filosofie te zeggen heeft


Inleiding


‘Wij hebben een radicale omwenteling nodig in de methodes van onderzoek en denken, in ons wetenschappelijk systeem en onze logica. We hebben een nieuw Novum Organon nodig, beter dan dat van Aristoteles en aangepast aan deze ruimere wereld.’

Francis Bacon (1)


Francis Bacon, dat was een groot filosoof, maar wie kan zó opnoemen wat zijn denken behelst? In drie achtereenvolgende blogs zullen kort zijn leer en betekenis worden belicht. Die betekenis, dan hebben we het ook over vandaag de dag, de betekenis voor nu. De doorwerking van filosofische ideeën kan vaak langdurig zijn maar ook indirect doorwerken, soms nauwelijks zichtbaar, maar toch van betekenis.
      Dat geldt zeker ook voor Francis Bacon. Zijn filosofie lijkt wat op de rol van een politieagent, die het verkeer regelt. Op een belangrijk knooppunt in de geschiedenis, het ontstaan van de Renaissance met tal van nieuwe ideeën vanwaar men verschillende kanten op kan gaan, geeft Bacon een richting aan. Daardoor wordt orde geschapen en chaos vermeden.
      Dus niet zozeer of alleen eigen ideeën spelen bij Bacon een rol, maar vooral ook de ordening, het vinden van een samenhang. Daarmee worden nieuwe ideeën en wetenschapsontwikkelingen hanteerbaar. Met andere woorden, de Renaissance krijgt een grondslag, een fundament, en hierbij is Bacons denken van betekenis, omdat hij een richting kiest waar ook andere mogelijkheden bestonden.
      Zijn denken wordt vaak als een pleidooi voor inductie en empirisme opgevat. Terecht. Maar niet terecht is vervolgens dat die inductie ‘te eenvoudig’ wordt begrepen. Bovendien speelt in Bacons filosofie ‘de utopie’ een rol. Daarom beginnen we met een voorbeschouwing over de betekenis van utopieën.

Deze blog over Bacon wordt in vier paragrafen gepubliceerd, als volgt:
1 – De betekenis van het utopisch denken. Thomas More. Utopie als wetenschap.
2 – Francis Bacons filosofie, onmogelijk te vergeten? Kennistheorie en politieke theorie.
3 – Kan de wetenschap de maatschappij duurzaam ordenen? En kan de politiek de natuur beheersen zonder nieuwe problemen op te roepen?
4 – Het compliment aan Bacon door de Encyclopedisten en Marx.


De betekenis van utopisch denken. Thomas More. Utopie als wetenschap

De utopie is een beeld van alle tijden, maar de waardering en ontvangst ervan, m.n. door regering, kerk of moskee, is zelden gelijk. De naam ‘Utopia’ komt van Thomas Mores’ schets uit 1516 van de vrije stad. Mores presentatie van een toekomstige samenleving toont het kritisch tegendeel van een samenleving waar het boerenland ingepikt wordt door herenboeren, de adel enzovoort, en waar deze diefstal bovendien toegestaan wordt door de overheid. Het beeld dat Thomas More schetst is kritisch. Het is een politieke kritiek op de diefstal van het land en op de ondergang van de boerenstand.
    Het idee om een betere samenleving uit te beelden met een utopie ontstaat vaak in een crisissituatie. Zo’n situatie waarin het oude vervalt en nieuwe opdringende krachten vechten om de macht en de rijkdom.
      Eigenlijk zijn utopieën tamelijk alledaags. Een klassiek heldenepos, zegt dat niet veel over de wensen over een betere samenleving? Altijd maar weer dromen mensen zich een toekomst. Eén die beter is dan het heden. Een beeld schetsen is vaak veel sterker dan woorden en volgeschreven boeken. Mensen kunnen nu eenmaal van het hier en nu abstraheren, en maken volop gebruik van deze mogelijkheid. Het utopisch denken wordt natuurlijk – zeker door tegenstanders – naïef genoemd, maar een dergelijk beeld, een tekening wordt er niet minder vaak om beoefend. De klacht over naïviteit hoort gewoon erbij. Het is een onderdeel van het gangbare ideologische discours Tegenwoordig ook nog.

Thomas More scherpt het genre van de utopie aan en geeft haar zijn naam. De raamvertelling ‘Utopia’ is een kritisch maatschappijbeeld. Het is een kritiek, een perspectief en een verhaal met een uiterst serieuze ondertoon vanuit humane waarden.
    Het geschetste beeld kan symbolisch worden genomen, een moment om stil te staan. Het kan ook letterlijk worden genomen, al zijn de verschillende alternatieven misschien niet zo bedoeld. Maar intussen wordt met het beeld van een samenleving met een gelijkheidsideaal, de organisatie van de arbeid, de verdeling van goederen, de opvoeding van de kinderen inclusief crèches, de omgang met verschillende religies en de bejegening van gevangenen, een aantrekkelijk alternatief geboden. Het hoeft in de toekomst niet altijd zo te gaan zoals het altijd al gegaan is. Wie zegt bijvoorbeeld dat er altijd armen, arme mensen zullen bestaan? Tegelijk schetst More een filosofisch werk, ook voortbouwend op Plato’s staatsleer, met dezelfde ernst.

Diverse commentatoren hebben in de loop der tijd benadrukt dat More niet zonder meer een ideale samenleving, een direct toepasbaar alternatief wil schetsen. En met de vorm van een raamverstelling houdt More ook wat afstand tot zijn eigen verhaal. Het staat er echter allemaal wel, het ideaal, en je moet het ook niet kleiner maken dan het bedoeld is. More schetst een republiek en sterke statelijk gevormde en gehandhaafde waarden, met veel voordelen voor de burgers, maar ook met een communistische discipline. Hierbij heeft hij meer oog voor de algemene sociale orde dan voor individuele vrijheden.

Utopia is een permanent spanningsveld van relativering van de boodschap en een ernstige presentatie. Geen blauwdruk? More zoekt de grens tussen fictie en reële mogelijkheid duidelijk op, en die lijkt dan te gaan verschuiven, in de richting van een radicaler standpunt.
      Het idee van een blauwdruk blijft dan toch hangen. Een heel onplezierige gedachte voor machthebbers die hun rol en aanzien optioneel verliezen, daarentegen een plezierig beeld voor wie lijdt onder armoede en geweld. De beschreven wereld van het eiland Utopië is wel de betere. Het idee is al mooi. Na zo’n verhaal blijft beslist over: het moet beter kunnen, er bestaat een perspectief, gewoon in normale mensenwoorden uitgedrukt. Een beter leven bereikbaar? Daar draait toch alles om? Maar hoe?
      Verandering vereist een zekere structuur. En dat is waar je de grote betekenis van Francis Bacon moet zoeken. Wanneer de oude vormen en gedachten sterven is hij de filosoof die de nieuwe vormen zoekt, herkent en propageert. Zulke denkers zijn er vaker geweest tijdens crisismomenten. Zij moeten vooral zelfstandig durven denken. Dat deden Plato en Aristoteles vóór Bacon, en Rousseau en Marx na hem. Zij lijken tijdens hun leven eenlingen in de filosofie, maar zijn zelf druk bezig te verbinden, én anderen te inspireren. ‘Nieuwe Tijd’ vraagt om nieuwe glans, dat is het utopisch element dat je bij hen terugvindt.

Nog even blijvend bij More. De staatsinrichting, ethiek, de afkeer van ijdelheid, hebzucht, geweld en oorlogen, het zijn de centrale thema’s die samenkomen in Mores humanistische kritiek op de schrijnende maatschappelijke tegenstellingen. De taal is van iemand die oprecht verontwaardigd is. Het is een bewuste weergaloze maatschappijkritiek ondanks de natuurlijk ingebakken naïviteit die een utopisch beeld nu eenmaal met zich meebrengt. Inderdaad, de utopie als aantrekker en als min of meer verkapt middel voor scherpe kritiek. De utopie dwingt tot denken en leidt ertoe dat er dan wordt meegedacht. De utopie is dan een activerend middel.
      Hoe harder je roept dat het maar een utopie is, des te eerder zal men wel reële alternatieven zoeken. Eenmaal hierover nadenkend, stop je niet zo makkelijk meer. De utopie is het land dat nooit bestaat en nooit precies zó zal bestaan. Er wordt een spiegel voorgehouden met verschillende perspectieven. Goed en kwaad, mogelijk en onmogelijk, ideeën waar je anders niet zomaar op was gekomen. Ideeën die houvast geven.







Thomas More (1478-1535)





 

 

Bronnen: bij deze drie schetsmatige blogs over Thomas More en Francis Bacon zijn geen primaire bronnen gebruikt. Bronvermelding laat ik daarom achterwege, de schrijver is verantwoordelijk voor de inhoud.







 

vrijdag 12 november 2021

Klimaatacties, kernenergie en het recht van alle mensen

 





Er schijnt in Nederland een nieuwe regering in de maak te zijn en achter de schermen wordt hier al maandenlang aan gesleuteld. Foei! Het komt toch weer neer op de veelverfoeide achterkamertjespolitiek. En het gaat inhoudelijk ook al niet de goede kant op, zeker niet in alle opzichten. Zo meldt de Volkskrant van 12 november dat de bouw van kerncentrales op de agenda staat, als reële mogelijkheid. Want ja, de windmolens en zonneparken leveren niet genoeg. De kernenergie wordt daarom opgevoerd als de nooduitgang van de klimaatcrisis.

Dat bericht stoort. Het is een zwaktebod. Vooral omdat het een vlucht lijkt in louter technocratische oplossingen die los staat van de noodzaak de natuur, het leven, de leefstijl, de ethiek, kortom alles wat menselijk is voorop te stellen in de aanpak van de energie- en klimaatcrisis.
      Men denkt, zo wordt gezegd, aan twee centrales. Te bouwen in een jaar of tien. Bij die woorden zullen de handen jeuken van de managers van bedrijven die hier mooie investering in zien, waar ook nog flink mee te verdienen valt. Leve de klimaatcrisis? Dan vergeet je de diepe biodiversiteitscrisis, waaronder de vele vervuilingen.

Dat het mij stoort besef als ik op de markt een ‘De Riepe’ koop, de straatkrant van Noord-Nederland. Het redactionele artikel van dit blad heeft als treffende kop: ‘Het recht van alle mensen.’ En dat gaat over de rechten van daklozen, zieken, migranten, mensen met een strafblad, enzovoort. Dat je die rechten ook moet zien, ze kent en ze toepast.
    En precies dat is in het geding wanneer de politieke leiders van het rijke Westen denken het hele complex van het klimaat en de natuur af te kunnen kopen met (wat) kerncentrales. Dit leidt tot oplossingen waarin de arme landen de grondstoffen mogen leveren en ongetwijfeld ook nog het kernafval onder hun Afrikaanse of Aziatische grond mogen opbergen. Die moeten het verder ‘maar’ doen met zonnepanelen, in Afrika schijnt toch de zon?

In de krant staat niet dat als het Westen weer op kernenergie over meent te moeten stappen, men ook aan de armere landen nucleaire kennis, technologie en een passende financiering zou moeten leveren. Kortom, de inzet van kernenergie leidt zonder kritische sociale tegenweer tot louter egocentrisme en hierbij wordt een egoïstische technocratie vooropgesteld. Als politieke sluitpost kan dat alles worden afgedekt door de geopolitieke – al dan niet militaire – activiteiten, die momenteel op alle continenten meespelen.

De onvermijdelijke komende discussies over dit thema, de nieuwe kernenergie, zullen vooral gaan over optelsommen van stroom, geleverd door windmolens, zonne-energie, andere groen geachte bronnen, maar zullen toch vooral ook moeten gaan over aanverwante sociale thema’s als de tegenstelling rijk-arm, de huisvestings- en voedingsvraagstukken enzovoort. Dus ook over rechtvaardigheid, eerlijkheid, altruïsme, sociaal leven en gepaste vormen van duurzaam consumeren en waar nodig een passende versobering.
      De media met de krantenkoppen over kernenergie dreigen als afleiding van de ‘sociale kernvragen’ te gaan werken. Dat leidt tot simpele ‘ja-neen-vragen’ met bijbehorende publieksenquêtes die ingezet worden om draagvlak voor kernenergie te genereren en te vergroten.

Er blijft ecologisch, sociaal en politiek tegenweer nodig. Blijven demonstreren, actievoeren, doorgaan met praten en denken, kennisnemen van problemen elders en een daadkrachtige progressieve stevige politiek zijn noodzakelijk. De Klimaatmars van een week geleden was wat dat betreft een onderdeel van veel dat nog gaat volgen. Omdat de oplossing van de crises niet zit in één ding, maar in alles, dat heel het menselijk leven raakt.
      ‘Het recht van alle mensen’ is in het geding, inderdaad. Mensen van overal in de wereld, alle volkeren. Het gaat niet slechts om één standpunt dat op de agenda gezet wordt om kernenergie als acceptabele oplossing te promoten, maar om tal van samenhangende sociale vragen. En als de uitkomst zou worden dat kernenergie een kortetermijnoplossing zou kunnen bieden, dan moet dat bij voorbaat zó dat alle schadelijke effecten terug te draaien zijn naar echt natuurvriendelijke oplossingen.
      Niets onder de grond stoppen dus.



















maandag 8 november 2021

Wonen, taal en onbewuste indoctrinatie


Ik had het pas met iemand over de verleidelijkheid van het woord. Er wordt vaak zoveel gepraat dat de realiteit ondersneeuwt. Wat is er nog waar, waar gaat het om? Maar ach, zo ernstig is dit niet. Zeg je iets verkeerd dan volgt een kort excuus en wat er blijft hangen zien we dan wel weer.
      Maar taal, taal-constructies en taalfouten kunnen ook een indoctrinerende werking hebben. Hoor je iets steeds weer zeggen, op den duur doet men mee. Ook met vergissingen, ook met politieke standpunten die men tien jaar geleden beslist niet durfde in te nemen en nu bijna vanzelfsprekend lijken. Denk bijvoorbeeld aan de uitlatingen over ‘buitenlanders’ of over het nu als vanzelfsprekend bestaan van voedselbanken, waarvan het bestaan vroeger helemaal niet vanzelfsprekend was. Door er bijvoorbeeld in clichés over te spreken lijkt het bestaan ervan nog meer geaccepteerd, zonder dat een heldere doelgerichte politiek geboden wordt die ruimte geeft voor kritiek en tegenactie.

De woorden die herhaald worden gaan vaak ook over de toekomst en door de vele herhalingen wordt wat ongewenst was soms een gewoontezaak en worden dubieuze opvattingen verinnerlijkt.
    Een voorbeeld van dat risico zag ik in een Utrechtse krant. Daar las ik dat de gemeenteraad van Utrecht heeft ingestemd met de plannen voor de Merwedekanaalzone. En daarna stond er: ‘Dit betekent groen licht voor de bouw van 6000 nieuwe woningen in de nieuwe stadswijk Merwede, waarvan meer dan de helft betaalbaar. In de hele Merwedekanaalzone komen maximaal 10.000 woningen.’ Ook is er besloten over … etc. etc.

Lees je dit goed, wat staat er? De helft betaalbaar? Staat er dat er bijna 3000 woningen gebouwd gaan worden die ‘onbetaalbaar zijn’? Wie stemt daar mee in, wie is er blij?
    Of staat er dat het vanzelfsprekend is dat er bijna 3000 dure woningen komen? Is dat met de gekozen formulering geen verleiding door de taal? Namelijk dat je wel spreekt over betaalbare woningen, maar de impliciete uitspraak over de bouw van dure woningen verder niet uitspreekt?
      Moeten de minder rijke Utrechters nu blij zijn met de betaalbaarheid voor sommigen? Dan worden de feitelijk woningzoekenden wel domweg in twee even grote groepen verdeeld. Terwijl in de realiteit toch een grotere groep woningzoekenden met een kleinere portemonnee bestaat. Is het uiteindelijk geen als vanzelfsprekend gepresenteerde acceptatie van veel te veel dure, voor velen onbetaalbare woningen?
      Zo blijft het de vraag of de echt onbemiddelden in zo’n nieuwe mooie wijken mogen komen wonen. Voor wie is die echt? De acceptatie van een verschil, een klassenverschil, ligt voor de hand in de gekozen formuleringen. Als men dit dan vaak zó hoort kan het effect politieke indoctrinatie zijn. Hoe goed onbedoeld misschien ook.

Het draait hier natuurlijk ook om een simpele taalfout. Er wordt niet bedoeld dat er onbetaalbare huizen worden gebouwd. Maar wel dat ze niet alle 6000 bereikbaar zijn voor iedereen. Daarmee staat er eigenlijk toch we dat we het maar moeten accepteren dat er mooie woningen worden gebouwd, waar veel mensen nooit zullen kunnen wonen.
    Het blijkt maar weer eens hoe nauw de taal steekt. Herhaling van accenten vormt vaak de sluipende acceptatie. Wie in verzet komt tegen de woningnood moet dat voor ogen houden. Woningnood en uitsluiting van groepen is niet normaal. De meer dan 3000 woningen zijn dat op zich wel, maar vormen niet het hele verhaal. Misschien kan nog eens opnieuw naar de verdeling worden gekeken.