vrijdag 15 januari 2021

Splits het op! En ook: alles hoeft niet in één keer

 

– Alles hoeft niet in één keer, politiek, tactisch noch bestuurlijk. Voor de kortere termijn een gemengde economie, daar is immers ook veel voor te zeggen: streng op het grote en soepel op het kleinere vlak. Mogelijk als oefening voor meer socialistische kracht en ontwikkeling. – (1)


Socialisten van het oude stempel zullen bij bovenstaand citaat hun wenkbrauwen fronsen. Hun idee is eerder: ‘We moeten de hele maatschappij revolutioneren en dat moet in één machtsgreep zijn grondslag krijgen, waarna vervolgens het hele socialisme concreet zal worden opgebouwd.’
      Zo moet dat. Doe je het voor minder dan trap je weer in de hervormingsval van het reformisme, dat terugdeinst voor er structurele verandering is doorgevoerd.
    Dat dit altijd zo is betwist ik in mijn boek ‘Actief socialisme en vrijheid’. Het verschil tussen een consequent socialistische koers en reformisme bestaat in de al dan niet openlijke koers op méér dan hervormingen in de zorg en een sociaal vangnet. De socialist staat de onteigening van kapitalistische monopolisten voor, en een sociale politieke macht in alle voorzieningen en bedrijven. Als je strijdt voor verbetering van collectieve voorzieningen kun je openlijk, hardop, vasthouden aan het uitgangspunt dat juist deze strijd een perspectief biedt voor nog verdere, structurele politieke verandering.
      Daarbij kun je samenwerken met mensen die daar anders over denken maar jouw ‘keuze en analyse’ respecteren. Sociaal denkende mensen kunnen op veel terreinen goed samenwerken, de meer gematigden en de principiële socialist.
    Kortom, het gaat er nog altijd om de wereld te veranderen. Dit is een socialistisch strategisch idee voor partij, vakbond en sociale overheden. Redelijk en doortastend.

Moet alles van boven, dus centraal worden aangestuurd als de socialist pleit voor goede sociale regulering waarbij de staats-instituties een rol kunnen of moeten spelen? Dat hoeft zeker niet, de vrij gekozen vormen kunnen enorm verschillen. Ze moeten passend, effectief, sociaal en democratisch zijn. Al zullen soms ook hierover wenkbrauwen worden gefronst, wanneer nieuwe, nog onbekende vormen van samenwerking en solidariteit worden bedacht.
      Nieuwe generaties bedenken hun eigen vormen, maar zullen tegen onneembare barrières aanlopen wanneer het kapitaal oppermachtig blijft. Die barrières moeten dus worden geslecht, dat blijft een socialistische opgave, universeel.
      De socialistische wereld is niet gelijk perfect, sterker nog, hoe groot de idealen ook zijn, totale perfectie is onzin. Paradijs op aarde bestaat niet, een leefbare, sociale, solidaire wereld met respect voor mens en natuur kan wél.
    Kort gezegd, houdt koers maar ga in tussentijd niet afwachten, sta geen slappe politiek toe. Ideologische discussies horen erbij, maar niet om achterover te leunen.

De huidige wereld is complex en bedreigend. Het kapitaal, bedrijven, financiële conglomeraten, allerlei instituties, zij vormen een veelkoppig monster. Ze zijn groot, omvangrijk en machtig, tegelijk werkend in verhullende flexibele vormen. Haast onzichtbaar en toch aanwezig. Enorm rijke concerns beheersen vaak de productie terwijl ze hun kapitaal laten werken maar zich zelf niet vertonen. Het werk wordt uitbesteed aan moderne proletariërs die soms alles moeten aanpakken om flexibel mee te doen. Met steeds het risico van uitstoting, terug in het hok dat Karl Marx het arbeiders-reserveleger noemt, een bron van armoede en loondruk.
    Tegelijk is de huidige wereld een communicatief dorp, maar wie beheerst die communicatie? De werker die produceert doet mee, kan hij anders? Werken voor een anonieme macht, die ook nog eens bepaalt of je morgen werk hebt. En behalve het grote financiële kapitaal spelen de grote ‘techbedrijven’ momenteel een prominente rol. Daar kunnen splitsing van eigendom, meer transparantie en zeggenschap, nationale democratische supervisie en lokale programmering zeker waardevol zijn.

Er hangt tegenweer in de lucht. Op verschillende manieren wordt een einde of minimaal een crisis voorspeld. Niet alleen als bijverschijnsel van de pandemie. Zo ontstaat verweer tegen de zogenaamde ‘surveillancekapitalisten’, die met hun macht de identiteit en het ‘privéleven’ van de mensen sterk mede zijn gaan bepalen. Er spelen ook diverse crisistheorieën, waarbij bijvoorbeeld een rol speelt dat ‘de mensen er niet meer in geloven’, zoals door de eenzijdige marktwerking met al haar ellende op het sociale vlak.
      Vooral zijn de mensen overal de financiële machten zat. Veranderingen worden dan voorspeld, maar zijn er niet vanzelf. Sommigen zeggen dat het kapitalisme op zijn laatste benen loopt. Maar zelfs als dat zo is geldt dat een kat in het duister rare sprongen zal maken.

Onzekerheid leidt tot vluchten in populistische schijnoplossingen en verlies aan kracht van de vakbonden. Internationaal bezien is de moderne arbeider momenteel slecht georganiseerd en staan hun vakbonden in veel landen bloot aan repressie en verboden. Bovendien ontstaan als crisisverschijnsel ook duistere machten, fascistisch, racistisch, extreem nationalistisch of nog anders. Dat zijn machten om rekening mee te houden, extremen politiek bestrijden.

Het aanstaande einde van het kapitalisme wordt soms opgevoerd, maar vaker de val van het neoliberalisme. Is dat echter geen schijn? Is het ene niet precies hetzelfde als het andere? Als men praat over het neoliberalisme gaat het vaak over zorg en welzijn, of de hele collectieve sector. Maar een sector is nog steeds niet de hele maatschappij en het neoliberalisme is internationaal diep ideologisch geworteld. Het terugdraaien van de bezuinigingen en destructieve transities in de collectieve sector geeft de moderne mens nog steeds niet vanzelf beslissende zeggenschap over zijn voorzieningen, zijn stad of dorp, en zijn werk.
      Bovendien is er nog een groot Zwaard van Damocles: hoever reikt de ramp van de klimaatcrisis en welke levensreddende verstrekkende maatregelen zijn wellicht nodig, en in welk maatschappelijk kader? Hoe ontstaat dat kader?

Dit hele verhaal kun je groot maken. De media staan er vandaag de dag vol van. Her en der ontstaan serieuze eerste pogingen de macht van de financiële sector en van de grote techbedrijven te breidelen. De dagelijks door het volk gebruikte techgiganten reguleren? Kan dat? In wiens belang? Vooral soms voor de autoritaire leider, zo lijkt het. Maar dat het kán, kan al een waardevolle ervaring betekenen, die nieuwe inzichten oplevert.
      Verandering lijkt noodzakelijk, maar in welke richting? En dat is de reden dat bovenstaand citaat pleit voor een strategie en tactiek van opdelingen. Splits de grote brokken in kleinere beter behapbare, niet onaantastbare eenheden. Zodat sociale zeggenschap mogelijk en uitvoerbaar is. Splits ‘het’ op, maak het kleiner.

Kleiner, dat betekent ook makkelijker benoembaar. Eerst noemen, dan doen, op den duur meer veralgemenen. Makkelijker benoemen is vanuit democratisch politiek oogpunt essentieel. De wereld is voor heel veel mensen te complex geworden om ‘in één keer’ goed te begrijpen.
      Dat speelt bijvoorbeeld in de klimaatcrisis. Mensen wijzen noodzakelijke vérstrekkende veranderingen af, wanneer ze de ernst van de problemen niet overzien. Kun je ze ongelijk geven?

Voorbeelden van een mogelijke aanpak in de richting van ‘behapbare brokken’? Te denken valt aan:
- De grote vermogens stevig belasten, à la de voorstellen van Thomas Piketty. Met als expliciete positieve keerzijde: groen investeren!
- De energiereuzen nationaliseren, opdelen tot groottes van een land of enkele landen, tot een begrijpelijke, te doorgronden schaal.
- Idem de techreuzen, de vliegtuigindustrie, etc.
- Geen enkele particuliere wapenindustrie meer toelaten.
- Alle bedrijfsactiviteiten toetsen op biodiversiteit en duurzaamheid in de brede zin van het woord. Die toets goed uitleggen, steeds weer.
- Aan de hand van bepaalde producten de wegwerp-productie aanpakken. Plastics alleen gebruiken waar geen alternatief bestaat en altijd verplichten het restant in te leveren.
- Het collectief maken van belangrijke productiemiddelen. Met een passende door de werkers zelf ontwikkelde variatie van werkomstandigheden in de bedrijven. Productie in eenheden die uitgaan van de menselijke maat, ook wat betreft zeggenschap, leiding en communicatie.
- Een toezichthoudende rol van een actieve sociale vakbeweging. Zeggenschap en controle op de arbeidsomstandigheden. Verkorting van de arbeidstijd over de hele linie. Die verkorting ook inzetten om alle klimaatdoelen en emancipatiedoelen sneller te kunnen halen.
- Regulering maar geen kadaverdiscipline. Betrokkenheid en onderhoud van de eigen leefomgeving.
- Gratis kunst, cultuur en permanente scholingsmogelijkheden voor iedereen.
- Dit alles in een veilige omgeving, straat en wijk, en in voorzieningen, zoals het onderwijs. Bovendien internationaal solidair, in woord en daad.
- Bij dit alles is democratie geen bijverschijnsel, maar een ware kern, een primaat, een gegrondvest uitgangspunt tegenover het kapitaal en de kapitalistische moraal. Versterking van grondrechten en de rechtsstaat vormen het uitgangspunt.

Als we zo doorgaan wordt deze blog onbedoeld een heel verkiezingsprogramma. Wel bedoeld is een niet overtrokken maar toch duidelijke beheerssysteem bereiken op een passend sociaal niveau. Een idee slechts, oké, de macht van de filosoof is gering. Maar nadenken is een goede socialistische houding.
      Ook over dit idee. Verklein de dingen, splits ze op. Verklein ze om ze beter te leren kennen en beter te benutten, met meer regulering waar dat sociaal en efficiënt is. Het gaat om een principe dat tegelijk tactisch en positief kan werken tegenover een platvloerse massapolitiek, zoals populisten in Nederland en elders die laten zien. Zij surfen op de angsten van de hedendaagse burger.
      
Dit is een aanzet van een passend antwoord op het hedendaagse monopoliekapitaal. Een opmaat voor een socialistisch alternatief! Een poging grip te krijgen op de grote mondiale ontwikkelingen, die van veel mensen een soort cynische Calimero maakt. Dan hoor je zeggen: ‘Je kunt er toch niets aan doen, want ‘zij’ gaan toch wel hun gang!’ In plaats daarvan dus: Splits het op! Geef de mensen hun overzicht terug, dat handelen mogelijk maakt. Een beweging die vandaag al kan beginnen. Splits het op, maak het kleiner, maak het makkelijker beheersbaar en voer dan de nodige veranderingen door.

Zo moet een passende strategie mogelijk zijn in deze ingewikkelde wereld waarin alles met houtjes en touwtjes is verknoopt, waardoor mensen alle overzicht verliezen. Ideeën zijn er vaak genoeg over de moreel-politieke noodzaak de wereld te veranderen. Maar waar is het aangrijpingspunt in die grote wereld? Hoe krijg je vat? Vervreemding speelt op verschillende niveaus.
    Splits het op, maak het kleiner. Maak van grote internationale concerns meerdere lokale gereguleerde productie-eenheden. Crisis: ‘Het wordt buigen of barsten voor het kapitaal’, wordt wel gezegd. Maar dat gaat niet zomaar en daarmee is de maatschappij nog niet verdwenen. Natuurlijk niet.

Als ‘dit hele plaatje’ zou worden uitgevoerd gaan bepaalde nagestreefde veranderingen misschien een stuk langzamer dan voorheen. Dat klinkt als een nadeel, maar kan een voordeel zijn. Want het beangstigende voor veel mensen vandaag de dag, is dat het allemaal veel te snel gaat. Met name ook door de ongebreidelde digitalisering. Niet meer bij te benen, dan zoeken sommigen naar (te) makkelijke oplossingen, soms de populistische, het schijnhouvast.

Dit is maatschappij-hervormend bedoeld, en toch meer dan reformistisch. Tel bij elke gewonnen stap vooruit niet alleen je zegeningen, maar denk ook al aan de volgende. Houdt de richting vast, de verdere democratisering en socialisering.
      Een socialist is niet cynisch. De ware socialist helpt de wereld vooruit en stelt ‘de juiste’ prioriteiten, zoals die nu dringend nodig zijn ter beteugeling van de klimaat- en biodiversiteitscrisis, én van de uitwassen van het uitgedijde kapitaal.






(1) Bron; Jasper Schaaf, Actief socialisme en vrijheid, Pleidooi voor hechtere linkse samenwerking, Doorbreek de vanzelfsprekendheid, Damon, Eindhoven 2018, p. 135.






PS

Een dag nadat ik deze blog publiceerde stond in de kranten dat Woningcorporatie Vestia vanwege het derivatenschandaal in drie stukken gesplitst wordt. Dat past bij bovenstaand betoog. Doorgaan op een schaal die beter hanteerbaar en controleerbaar is.










vrijdag 8 januari 2021

Hoe kijk je aan tegen de klassenstructuur van Nederland?


Het gaat niet om een quizje. Het is een boeiende en ook nog politiek belangrijke vraag of er sociale klassen bestaan of dat dit een louter lege theoretische abstractie is. Een poos bestond er een taboe om over klassen te spreken, want je ‘mocht’ mensen niet zo indelen, tegenwoordig is de term in sociologische (etc.) studies wel gebruikelijk.
    Daar kunnen natuurlijk veel verschillen bij optreden, in betekenis voor de groep en bijvoorbeeld voor de politieke actie. Denk aan Marx met zijn strijdbare klassen-idee en revolutionair perspectief.

Voor dat je het zo groot maakt kun je er zelf over nadenken. Zijn er klassen, hoe beschrijf je die, de relatie met de politieke macht, oude en recente verschuivingen in aantallen en positie, botsen klassen of bestaan ze ‘gewoon’ naast elkaar? Enzovoort.
    Hier ter discussie een kleine en niet getoetste invulling. Vul verder maar aan, denk erover na. Gekozen uitgangspunt is de indeling uit 2014 van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Zonder nu op relevante onderzoeksrapporten in te gaan. (Voor enkele bronnen met uitwerkingen en uitleg, zie onderaan en zie ook internet)

Bij deze indeling kunnen dan vragen gesteld worden als: klopt deze, heb je er wat aan, welke dynamiek kunnen de genoemde groepen meebrengen, interacties. En nu natuurlijk ook: de pandemie en de lockdowns, hebben die (veel) effect op deze groepen? En wat verder bij je opkomt …

Volgens deze indeling van het SCP bestaan – stand 2014 – de volgende zes groepen of klassen in Nederland. Zes herkenbare groepen, gerangschikt van ‘hoog’ naar laag:
1 - de gevestigde bovenlaag (15% van de bevolking);
2 - de jongere kansrijken (13%);
3 - de werkende middengroep (27%);
4 - de comfortabel gepensioneerden (17%);
5 - de onzekere werkenden (14%);
6 - het precariaat (15%).

Wat komt er nu – dit lezend en als ik vlot en intuïtief kijk – bij me op? Een mogelijke stand van vandaag? Dit alles mede bepaald door de coronacrisis, maar beslist niet alleen daardoor.
      In de eerste plaats dat groep 5 + 6, dus opgeteld, de grootste groep in Nederland zou zijn. Het doet ertoe hoe je de woorden positioneert en daarmee de kijk op de bevolking en haar strijdpunten. Er is niet slechts één manier.

- 1 – Ja, er bestaan klassen. En hier valt wat te halen. Maar beter is structureel naar het kapitaal in Nederland en elders te kijken en structurele maatschappelijke veranderingen na te streven. En niet iedere persoon uit de bovenlaag over dezelfde kam scheren. In pandemietijd duikt een deel van deze groep in het veiligstellen van de verworven vermogens en premies. Zie de hoge beursnoteringen, deels losgezongen van de reële economie. Maar niet iedereen doet dat.
- 2 – De jonge kansrijken moeten uitkijken. Een deel raakt veel kwijt, een ander deel vaart er wel bij, met nieuwe projecten en bedrijven. Maar bij deze groep, veelal uitstekend opgeleid, ligt ook een heel grote verantwoordelijkheid met betrekking tot onder meer de klimaatcrisis.
- 3 – De arbeidersklasse in brede zin van het woord? Met 27% percentueel ook nu nog de meest omvangrijke genoemde groep. Maar de loonontwikkeling is matig tot slecht, en de positie als werknemer verzwakt. Een punt voor de vakbonden en links Nederland.
- 4 – Nog mobiel? Toon je solidair waar dat kan en nodig is.
- 5 – Hier liggen enorme problemen. Veel raken werk kwijt en vooral de toch al problematische zekerheden. Een enorm grote groep dreigt verliezer voor jaren te worden en in de onderste groep te belanden. Hier liggen kerntaken voor de vakbonden. Strijden voor zekerheid, werk en inkomen. Beëindig de flex-structuren en houdt daar vervolgens steeds stevig toezicht op, met doorzettingsmacht.
- 6 – Deels vloeit deze groep over met de vorige. Een rijke maatschappij met zoveel mensen in de marge? Onverantwoord en beslist niet solidair. Een groot deel van de strijd moet zich hiertegen richten. Op concrete velden, zoals volwaardig werk en betaalbare goede huisvesting.

Zo zie je maar, denkend over de ontwikkelingen maak je ‘zó’ een ‘Program van Eisen’. Net als ondernemers dat doen. Een kernpunt is de enorme omvang van de laatste twee genoemde groepen, die je bij elkaar mag optellen, als het gaat om de bedreigingen en de persoonlijke consequenties.

Is dit een basis voor verder debat? Dat zou kunnen. In Nederland laten ‘We’ bij elke nota van het Sociaal en Cultureel Planbureau de onderzoekers netjes opdraven in de media. En menig Tweede Kamerlid zal de papierstapels doorbladeren. Maar (vooral) ook daarbuiten, in de acties en discussies kan deze informatie creatief, verdiepend en mobiliserend werken.
      Klassen, om over na te denken. Natuurlijk moet dat niet kritiekloos, maar een linkse politiek die serieus aan een betere toekomst werkt vraagt om wetenschap, om dáár te strijden en te verbeteren waar dat kan. De gekozen indelingen zijn nooit vrijblijvend.






Je verder hierin verdiepen en verder lezen? Bronnen en internet links:

- Bron: Cok Vrooman, Mérove Gijsberts, Jeroen Boelhouwer (red.), De hoofdzaken van het
Sociaal en Cultureel Rapport 2014,
Journalistieke samenvatting door Karolien Bais, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag, december 2014, pag. 30

- Actueel artikel: Cok Vrooman, Pandemie verscherpt tegenstellingen tussen klassen, niet tussen jong en oud.
In dit artikel kunnen je surfen naar diverse relevante links.
Het is te vinden op de website Sociale Vraagstukken: https://www.socialevraagstukken.nl/










vrijdag 1 januari 2021

Marx’ diepe respect voor Aristoteles

 
 – De oude Griekse filosofen waren allen geboren, oorspronkelijke dialectici en de meest universele kop onder hen, Aristoteles, had dan ook reeds de meest wezenlijke vormen van het dialectisch denken onderzocht. –

Friedrich Engels (1)

– Maar niemand kan een slaaf doen delen in geluk, tenzij hij hem ook doet delen in het leven van een vrij man. –

Aristoteles (2)


Heraclitus, Parmenides en Plato, allen filosofen die Karl Marx en Friedrich Engels kennen en hoog waarderen. Maar voor niemand had Marx zo’n diep respect als Aristoteles. Van de ‘denkreus’ Aristoteles zijn een ‘totale logica’ overgeleverd in zijn 'Ethica', 'Politica' en andere geschriften.
    Een totale logica? Wat moet je je daarbij voorstellen? Uitgaande van doelen en de hoogste doelen als het geluk van de mens gaat Aristoteles op verschillende niveaus van reflectie in op alle mogelijke maatschappelijke aspecten. Hij tracht onder meer te laten zien hoe overmatige wensen leiden tot extremen, tot tegenstellingen, en ook zijn er vele hints hoe tegenstellingen te overbruggen, op zoek naar het juiste, ware midden.
    Aristoteles denkt aldus zowel abstract, filosofisch, maar ook heel concreet. Inductie, het redeneren van bijzondere feiten naar algemene principes speelt in Aristoteles’ methode, zijn praktische logica, een grote rol. Maar het wordt nooit een plat inductivisme dat alleen maar bij de feiten stil blijft staan, nooit een eenzijdige, kortzichtige manier van redeneren. Al met al een overlevering van een diepdoordachte maatschappelijke visie, met heel concrete voorbeelden.

Het gaat dus om meer dan één bepaalde redeneerwijze, het is daarentegen een vroege goed doordachte, veelomvattende, samenhangende visie, die de tegenstellingen daarbinnen overstijgt. Het is anders dan puur abstract denken, met rotsvaste begrippen. Anders dan een puur inductivisme of opsomming van verzamelde feiten. Eerder, de samenhang van de werkelijkheid vasthouden, blootleggen, analyseren.
      Dus niet zoals hedendaagse opiniepanels een rol spelen in het openbaar debat, waarin men vaak niet verder komt dan vergelijken hoe de burger op woensdag over een bepaalde kwestie denkt, vergeleken met zondag. Wat is dan de werkelijke achtergrond, context, verandering, enzovoort? Niet verder dan: kloppen de feiten: ja en neen. Ze zeggen dan niets of in ieder geval onvoldoende over het grotere geheel, de samenhang. Inductivisme kan plat zijn, terwijl op zich de feiten er natuurlijk wel toe doen.
      Een zuiver abstract verhaal voldoet niet, maar losse feiten al helemaal niet. De structuur van de maatschappij moeten worden blootgelegd. En dat kan volgens Marx niet zonder de rollen van arbeid en arbeidskracht te onderzoeken.

Bij Aristoteles, ook al zijn er werken van het verloren gegaan, tekent zich een ‘een totale logica’ af, een eenheid van doordachte samenhang der dingen. Vergelijkbaar met Georg Hegel die later – zij het op idealistische wijze – een totale structuur van het denken en de wetenschappen tracht te bieden. En met Marx die, dan als ‘de logica van het kapitaal’, een materialistisch georiënteerde veelomvattende visie schrijft. Vooral in zijn hoofdwerk ‘Het kapitaal’. Een logica die uitgebreid gebruik maakt van algemene begrippen over de maatschappelijke structuur, die vervolgens aan de hand van de werkelijkheid moeten worden geconcretiseerd.
      Zowel Aristoteles als Marx switchen in hun geschriften regelmatig van perspectief. Algemeen wetenschappelijke termen helpen mee om tot een gefundeerde ordening van het feitenmateriaal te komen. Tegelijk hebben die feiten een permanent toetsende werking, de algemene begrippen zijn dus niet onaantastbaar, in tegendeel. Feiten tellen, de juiste termen voor nadere kennisvorming en bewustwording moeten worden gezocht en vormen startpunten voor een verdere fase van het kennisproces.

Algemene begrippen ordenen het denken. Als de analyse of de reconstructie dan klopt blijven de concretisering en toetsing onmisbaar. Anders is het geen wetenschappelijke benadering.
    Maar is het niet zo dat door steeds meer ‘strak inductivistisch’ te denken de abstracte begrippen, dus eigenlijk heel Aristoteles’ idee van ‘totale logica’ of zelfs de filosofie onnodig wordt? Neen, dat is niet het geval. Denk eens aan biologen die steeds dieper en genuanceerder de evolutie onderzoeken, dat hoeft – op dat niveau van denken – niet vanzelfsprekend te leiden tot een bredere maatschappelijke en ethische visie op de evolutie. In een bredere reflectie, onderzoek naar de verdere samenhang, moeten filosofie en politieke theorie voorzien.
      Marx’ wetenschapsidee behelst een ‘iteratief proces’ waarin de abstracte richtingbepalende begrippen toegepast worden op de concrete situaties met alle relevante aspecten. Dat helpt te corrigeren, aan te vullen, weg te strepen, noem maar op. En hoewel abstracte corrigerende termen een grote rol spelen om de theorie te vormen blijft deze denkwijze feitelijk en ‘materialistisch’ vaste voet aan de grond houden.
    Aldus ordenen algemene begrippen het denken. Zo’n idee van wetenschap is echter niet altijd voldoende of makkelijk toepasbaar. Misschien wel voor een bepaald tijdperk, maar universaliteit, eens en voor altijd, bestaat niet.
      In ‘Het kapitaal’ bespreekt Marx een belangrijk punt waar Aristoteles vastliep. (3) Zonder hier dit te noemen speelt in deze kritiek op Aristoteles Marx’ visie op de relatie tussen maatschappelijke basis en bovenbouw een rol. En ook de marxistische idee van materiële en ideële weerspiegeling van de werkelijkheid in de kennisontwikkeling. Bij deze visies draait het hier – kort gezegd – om de beperkte kennismogelijkheden door de klassepositie die men inneemt.
    Marx’ waardering betreft ook Aristoteles aanzetten tot economie als wetenschap, in de brede zin van het woord. Aristoteles bestudeert zelfs de waardevormen van verhandelde producten en wijst dan op de geldvorm, die ruilen en dus handeldrijven mogelijk maakt. De waarden die producten vergelijkbaar maken worden door geld uitgedrukt, waardoor de uitruil ‘fair’ verloopt.

Maar een belangrijke vraag is dan: hoe komt het geld aan zijn waarden? Van deze vraag, zo meent Marx, vindt Aristoteles de oplossing niet. Die stelt namelijk ook dat het onmogelijk is dat dingen die zo verschillend zijn onderling meetbaar en kwalitatief gelijk zijn.
    Kortom, Aristoteles ziet de maatstaf voor gelijkheid of vergelijkbaarheid niet goed. Marx, die hier natuurlijk zeer op gespitst is vanuit zijn eigen waarde-analyse meent dat dit kwam doordat De Griekse samenleving toentertijd gebaseerd was op slavenarbeid. Daardoor kon Aristoteles de maatstaven van de arbeidskracht en verrichte arbeid niet zien. Hij zag het althans niet en de beslissende maatstaf waarmee de analyse verder kan worden afgemaakt ontbrak dus.

Toch blijft Marx Aristoteles ‘geniaal’ noemen, omdat hij ‘in de waarde-uitdrukking van de waren de relatie van gelijkheid onderkende.’ Aristoteles accepteert dat geld de vergelijkbaarheid van waarden mogelijk maakt, ook al kan hij de achterliggende oorzaak ervan niet verder benoemen. Bij een eenvoudige uitruil van goederen lijkt dat ook niet zo’n probleem en kan het ‘onverklaarbare’ geld zijn rol spelen.
      Zo zegt Aristoteles in ‘Ethica Nicomachea’ dat vakmensen een vergoeding krijgen voor de waarde van hun product. Om deze handelsrelaties mogelijk te maken is ‘als algemene maat’ geld ingevoerd, en alles daaraan wordt netjes afgemeten. (4)
      Al kan hij misschien deze algemene maat niet verder verklaren, hij kan er wel mee werken. In zijn ethiek en levensbeschouwing draait veel om de billijke maatstaven die overmatige claims afwijzen. ‘De middenweg’, waar Aristoteles naar zoekt, betekent ongetwijfeld ook dat in een nog vrij overzichtelijke wederzijdse relatie de billijkheid van de prijs door ervaring en routine wel herkend wordt. Veel van Aristoteles’ wereldbeschouwing en ethiek is gebaseerd op een dergelijke billijkheid dat de extremen probeert te vermijden.

Ten aanzien van Aristoteles’ standpunten is soms een discussiepunt of hij de slavernij niet had moeten veroordelen. Maar hij was een kind van zijn tijd, zal men wellicht antwoorden. En toch …, hij is altijd zo naarstig op zoek naar het juiste en ware midden, geldt dat niet voor mensen die slaaf zijn? En als je hem leest over de binnen zijn filosofie niet onbelangrijke kwestie van het geluk als doel van het mens-zijn, lijkt toch ook hier een andere kijk mogelijk? Hij zegt: ‘Maar niemand kan een slaaf doen delen in geluk, tenzij hij hem ook doet delen in het leven van een vrij man.’
      Is dat leven onmogelijk omdat de economie toentertijd draaide om de slavenarbeid? Ligt dan een waardenmaatstaf ervan ook niet voor de hand? Meer of andere aandacht voor de werkende mens in zijn tijd had hem misschien nog dichter bij de oplossing van de vraag naar de waardengraadmeter kunnen brengen. En de slavernij viel echt niet helemaal buiten het beeld van zijn filosofie. Natuurlijk, Aristoteles moet beoordeeld worden om wat hij biedt en dat is ‘oneindig’ veel, dat wordt juist zichtbaar wanneer een latere denker als Marx de verdere consequenties wel in kaart brengt.

Wat Aristoteles, Engels en Marx aangaat is hiermee nog lang niet alles gezegd. Hun werk zit boordevol deelanalyses, verreikende inzichten, en correcties op overmatige, onevenwichtige standpunten en visies. Aristoteles’ boeken als de ‘Politica’ en ‘Ethica Nicomachea’ zijn op zich goed leesbaar, zij het dat de grote verbanden erin zien uiteraard meer studie en herhaling vergen.
    Aristoteles en Marx staan in hun tijd voor een ‘groot gedacht’ emancipatie-ideaal. Daarbij treedt iets interessants op waarmee zowel de Aristoteles-lezers als Marx-interpreten nog niet klaar zijn. Namelijk dat de idealen bij beiden soms heel ‘geestelijk’ gedacht worden, als een bevrijding van knellende materiële banden en tekortkomingen. Aristoteles noemt het doel van het menselijk bestaan ‘geluk’. Klinkt dit te makkelijk? Is het vreemd? Speelt zo’n ver, groot en toch belangrijk doel echter ook geen belangrijke rol in de vroegere geschriften van Marx, waar hij nog meer dan later op de werken van Georg Hegel en Ludwig Feuerbach leunt?
    Zo meent Aristoteles dat ‘volmaakt geluk’ bestaat in beschouwelijke activiteit. En dat het leven volgens het verstand superieur is. Hij schrijft ook: ‘Men zal ook erkennen dat voortreffelijkheid van het verstand maar weinig uitwendige voorzieningen nodig heeft, of in ieder geval minder dan voortreffelijkheid van karakter.’ (5) Ligt dit standpunt ver van Marx’ materialisme? Dat valt reuze mee, men leze ‘De Duitse Ideologie’ of de briefwisselingen tussen Marx en Engels. Hier zijn uitspraken te vinden die al te dogmatische of verstarde ideeën over socialisme vér voorbij zijn en berusten op idealen die men als humanistisch kan duiden. Natuurlijk socialistisch en materialistisch, maar net als Aristoteles kritisch dialectisch denkend over heden en toekomst. Met het geluk aan de horizon.

Zet Marx’ respect voor Aristoteles om in actie. Lees de Grieken weer eens een keer. Beider ‘logica’ streeft het geluk van de mensheid na. In 2021 is de mens hiermee verre van klaar.
      Een brede dynamische (dialectische) blik op de eenheid van natuur en maatschappij speelt bij alle grote denkers een rol. Actueler dan ooit. Het doel is het geluk van de mens. Dat kan niet bestaan zonder een basale ‘harmonische’ relatie met de natuur. Een Oost-Groninger communist antwoordde een keer toen ik dat verhaal naar voren bracht: ‘Logica!’
      Gewoon in één woord: ‘Logica!’ Hij zei dat precies op het goede moment, een heel heldere intuïtie van ‘hoe het zit’.








Noten en bronnen:

1 – Friedrich Engels, Herrn Eugen Dührings Umwälzung der Wissenschaft (‘Anti-Dühring’) in Karl Marx, Friedrich Engels, Werke, deel 20, Dietz Verlag Berlin (DDR) 1975, p. 19.

2 – Aristoteles, Ethica Nicomachea, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Christine Pannier en Jean Verhaeghe, Historische Uitgeverij, 9e druk, Groningen 2019, p. 321.

3 – De opmerkingen over de kritische noot van Marx bij Aristoteles zijn gebaseerd op ‘Das Kapital’. Zie Karl Marx, Das Kapital, Kritik der politischen Ökonomie, (deel 1 etc.), in Karl Marx, Friedrich Engels, Werke, deel 23, pp. 73-74.

4 – Ethica Nicomachea, p. 275.

5 – Ethica Nicomachea, p. 325







 
Aristoteles en Das Kapital













zondag 20 december 2020

Communisme = Socialisme. Over woorden die niet vooruithelpen

 
– Maar het is dat dekselse individualisme, dat diep in de hele denkwijze van ook diegenen steekt, die zich ‘socialist’ noemen, die tegen het individualisme donderen maar dat zelf niet uit hun hoofd kunnen zetten. Zij zijn zelf particulieren gebleven en hebben zich het communisme niet eigen kunnen maken. –

Joseph Dietzgen (1886, Chicago)


Woorden die niet zoveel oplossen versus Woorden die ertoe doen. In het huidige partijconflict in en aan de marge van de Socialistische Partij, geïnitieerd door het Communistisch Platform, duiken termen op die misschien als bezwering van de ophef bedoeld zijn, maar weinig oplossen. Niet zozeer de ‘zoldercommunist’ wat gewoon gelul is, maar ik bedoel eerder het gebruik van de termen socialisme en communisme. Soms duikt de formulering op: van ‘onze’ socialistische partij willen ‘zij’ een communistische maken.
    Alsof je met die informatie precies weet wat er bedoeld is en of dit iets oplost. Beide begrippen doken vooral op in de geschiedenis na de Franse revolutie en werden door tal van groepjes, groepen en partijen vaak door elkaar gebruikt. Waarbij het meestal niet zo is zo dat onder communisme een gewelddadiger aanpak wordt bedoeld dan in het socialisme. Het ene begrip was niet helderder dan het andere, maar het streven naar een maatschappij zonder uitbuiting en klassenonderdrukking werd er wel door uitgedrukt. Dat gebeurde in uiteenlopende programma’s, waarin oude labels zo nu en dan weer eens anders werden opgehangen.

Veel vroegere socialisten en sociaaldemocraten noemden zich bij gelegenheid communist. Eigenlijk bestaat dat begrip al sinds Plato (ca. 427-347 voor Christus) erover schreef in zijn boek ‘Politeia’.
      De boven geciteerde Joseph Dietzgen – autodidactisch filosoof, bevriend met Karl Marx – trok in 1886 in het heetst van de felle strijd in Chicago om de rechten van de werkers welbewust op met anarcho-syndicalisten en anarchisten en beriep zich daarbij op ‘Het communistisch manifest’. Proletariërs van alle landen, verenig je. Of je je sociaaldemocraat, socialist, communist of anarchist noemt, je duikt niet weg in woordenspelletjes als het erop aan komt in de actie en de strijd voor een gerechtvaardigd beter bestaan.

De SP weet dat allang, getuige het SP-boek ‘Woorden in de strijd’ uit 2010. Hierin wordt bij de termen socialist, communist een aanverwante termen niet zo nauw gekeken. Uiteenlopende socialisten samen in één boek. ‘Het rode vaandel volgen wij!’ Daarbij stelden de inhoud en de verschillende optieken wel degelijk wat voor. Op dat inhoudelijke vlak zal ook nu de eenheid tussen de verschillende visies gesmeed moeten worden.
      Waarschijnlijk is dat niet eens zo moeilijk. Op het recente SP-congres liepen bij diverse sprekers de verschillende termen ook solidair zij aan zij.

Geen houdbaar groot verschil tussen socialisme en communisme dus, althans niet vanuit de directe betekenis van deze woorden. Er zijn echter meer woorden in het geding. De Groene Amsterdammer van 10 december jl. vult een bladzijde onder de titel ‘Extreem’, hierbij onder meer expliciet verwijzend naar het gedoe in de SP.
      Extreem? Een woord dat hier mist en bij mij eerder naar voren komt als ik de waslijst aan veranderingen lees die het Communistisch Platform nastreeft, is het eenvoudige woord ‘Radicaal’. Had dat woord er niet moeten staan?
    Extreem of Radicaal? Extreem versus Radicaal? Voor veel mensen is dat hetzelfde, maar dat is het beslist niet. ‘Extreem’ is over de uiterste grens gaan van wat maatschappelijk verantwoord of wenselijk wordt geacht. ‘Radicaal’ is een beroep op de basis, de wortels, het fundament, de principes van de opvatting. Radicaal is letterlijk ‘terug naar de wortels’ en dat kan heel verschillend uitpakken. Radicaal kan verwerpelijk zijn, maar ook welkom, passend, juist op zijn plaats, normatief en principieel. Extreem is meestal negatief, radicaal hoeft dat helemaal niet te zijn.
    Het is de vraag of aan de politieke opvatting van het Communistisch Platform recht wordt gedaan door zijn standpunten zonder meer als extreem te labelen. De oplossing? Slechts een echt inhoudelijke beoordeling kan die bieden.

Het Communistisch Platform wil ‘marxistisch’ zijn. Marx als inspiratie? Bestudeer hem. Niet hem alleen, maar de internationale geschiedenis van de arbeidersbeweging. Prima dus, maar er zijn risico’s. Er zijn minstens twee goede redenen te bedenken om daar heel voorzichtig mee te zijn.
      Ten eerste is in een lange geschiedenis, zoals de tijd van de Koude Oorlog, gebleken dat verschillende politieke partijen hun eigen visie als de ware uitleg van het marxisme claimen. Dat leidde tot veel strijd en geweld die vaak een nationaal-politieke kleur hadden, meer dan een integere wetenschappelijke of filosofische onderbouwing. Resultaat: de dwang van het dogma, overdreven stelligheid. Een partij moet zich echter vooral socialistisch o.i.d. noemen, niet marxistisch. Je streeft het socialisme na, dat is het doel, waarbij om dat te bereiken Marx’ of marxistische analyses een buitengewoon waardevol hulpmiddel kunnen zijn.

Ten tweede is het programma van het Communistisch Platform eerlijk in zijn gedetailleerde uitleg, maar daardoor in feite een blauwdruk. De geschiedenis houdt zich echter niet aan blauwdrukken.
      Karl Marx en Friedrich Engels trokken hun lessen uit het oudere socialisme, dat door hen werd gezien als ‘utopisch socialisme’. Zij hadden een haat-liefde-verhouding met dat utopisch socialisme. Enerzijds vinden ze dat achterhaald, zeker door alle plannenmakerij van sommigen utopisten, maar anderzijds kwamen zij krachtig op voor utopisch socialisten als Charles Fourier (1772-1837), wanneer die onjuist en veel te negatief beoordeeld werd. Zie Friedrich Engels’ stevige verdediging van Charles Fourier tegenover de interpretaties van Eugen Dühring (in Engels’ boek met de fraaie ondertitel ‘Anti-Dühring’).
      Een compleet beeld van een nagestreefde betere maatschappij heeft onder meer het risico dat de waarde van het verschil niet meer wordt gezien, het onwenselijk wordt dat openlijk uit te spreken, en dat vooral de actuele feitelijke situatie niet grondig politiek wordt beoordeeld. Dat dan alles op het goudschaaltje van het dogma wordt gewogen.
      Dat past niet bij Marx en Engels. Hun fundamentele kritiek op kant-en-klare uit te voeren programma’s vind je onder meer in Marx’ boek ‘De burgeroorlog in Frankrijk’ (1871). Zij gaan ervan uit dat je voor de socialistische politiek de actuele politieke situatie telkens grondig moet analyseren, want die verandert steeds. Analyse als basis voor een sterk politiek optreden. Marx’ ‘Het kapitaal’ is daarbij een nuttige leidraad, maar biedt – daarin is Marx consequent – ook geen kant-en-klare oplossingen. Wel een richting: ‘De opheffing van het loonsysteem!’

Terug naar het heden rijst bij dit alles rijst natuurlijk de vraag of het partijbestuur leden mag royeren als zij – op hun manier – integere doelen nastreven. Ja dat mag, zowel formeel als inhoudelijk onderbouwd mag dat. Het is niet niets wanneer een groot deel van de partij met veel energie politiek bedrijft en actie voert op basis van de normaal verlopen besluitvorming, er dan tegelijk een ander deel stevig georganiseerd en met expliciete instructies aan hun sympathisanten op dat lopend proces ingrijpt.
    Het partijbestuur moet zich aan afgesproken besluiten houden, de leden dan niet? Is het gek dat sommigen die zich ‘uitsloven’ er woest van worden? Een partijbestuur is geen knip voor de neus waard als het niet zou handelen. Dan nog staat echter de vraag recht overeind of het royement de ware oplossing is. Ik heb geen zicht op het antwoord op de vraag of er goed gezocht is naar een oplossing die de inhoudelijke vragen en ideeën recht doet. Of dat voor de komende tijd een perspectief wordt geschetst hoe daar te komen.
      Royementen zijn een paardenmiddel, een sterke partij onwaardig. Beter is een inhoudelijk krachtiger lijn te vinden. Ik hoop hierboven duidelijk te hebben gemaakt dat je daar niet komt met woordspelletjes, maar ook niet met een totaal dichtgemetselde visie die alle politieke vragen over de socialistische toekomst oplost.

Nederland is een land met veel verdeeldheid en vooral een burgerlijke politieke versnippering. Voor socialisten e.a. ligt hier de onvermijdelijke taak politiek een eenheid te scheppen. Zonder eenheid geen macht. Eenheid hoeft niet te betekenen dat de verschillen weggepoetst worden. ‘Eenheid in verscheidenheid’ is een helaas afgekloven, maar inhoudelijk nog steeds goede leuze.
      Eenheid kan op tal van manieren worden bereikt. Niet in de eerste plaats door fusies – laat iedere partij in haar kracht – eerder door grondige samenwerking en politiek debat, lokaal en centraal. Solidariteit in plaats van particularisme.

Het uitgangspunt van de noodzakelijk te bereiken eenheid heeft diverse malen een rol gespeeld bij mijn eigen politieke keuzes. In de jaren zeventig was ik lid van de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP). In 1973 werd door de Koningin de Groninger Eemshaven feestelijk geopend. Op de openingsboot zat het Provinciale Statenlid van de PSP. Hij droeg hiermee uit deze haven een goede economische investering te vinden. Achter die boot voer een klein bootje met PSP-activisten die om milieuredenen tegen de Eemshaven demonstreerden. De PSP streed hier dus tegen zichzelf. Kon men niet vooraf gezamenlijk een standpunt bepalen?
    In ongeveer dezelfde tijd zat ik in de actieleiding van de Groninger Studentenbond (GSb) bij de bezetting van het Academiegebouw als protest tegen de 1000-guldenwet en voor het behoud van de democratisering van de universiteit. De plaatselijke PSP weigerde zich solidair te verklaren, want die vond de GSb te communistisch. Tijdens de bezetting kwam echter spoedig een prachtige solidariteitsverklaring binnen van de twee PSP-Tweede Kamerleden, Bram van der Lek en Fred van der Spek. Zij schaarden zich voor 100% achter deze actie. De PSP dus alweer in strijd tegen zichzelf.
    Twee voorbeelden van richtingloosheid en een gebrek aan eenheid. Een strijd met zichzelf, wat een versnippering. Dat individualisme schiet niet op, het schept geen sociale machtsbasis. Een inzet de eenheid te smeden is een van de belangrijkste voorwaarden om een rol van betekenis te spelen! Ik besloot mijn lidmaatschap op te zeggen en werd na anderhalf jaar wikken en wegen lid van de CPN. Politiek actief worden doe je om een sociale democratische macht te verzamelen tegen de macht van het kapitaal, tegen uitbuiting, onderdrukking en verwaarlozing. Of om lokale macht te vormen in de huurstrijd en het vakbondswerk e.d.

Een visie op eenheid is binnen een socialistische beweging absoluut noodzakelijk, zowel voor de kleine acties als de grote transities. En de tijd dringt. De politiek kan niet hetzelfde blijven, maar moet zich dóór ontwikkelen, en niet achter de feiten aan lopen.
      Er worden momenteel belangrijke acties gevoerd, zoals bijvoorbeeld het proces van Milieudefensie tegen Shell, de strijd van inheemse volken om het Amazonegebied te redden, en vele andere. Deze acties van de milieubeweging en van veel betrokken jongeren tonen aan dat de SP zich moet opfrissen, haar visie ook in de breedte versterken en het socialistisch perspectief daarin inbrengen.
      De huidige generaties verwachten in deze opmerkelijke tijd van grote uitdagingen en veranderingen meer debat en visies van een socialistische partij, dan de SP nu biedt. Veel loopt heel goed en betrokken, maar ‘veel’ is nog niet ‘alles’, om nog enkele woorden te zeggen die wellicht wél helpen.
      Een formele benadering biedt geen echte oplossing. Wanneer niet grondig naar de inhoudelijke aspecten wordt gekeken, van de wereld in beweging en in crisis, zijn conflicten over visies en de prioriteiten van politiek optreden niet op te lossen.






Bron van het citaat van Joseph Dietzgen. Joseph Dietzgen, Haben wir etwas mit den Anarchisten gemein? (1886), in Joseph Dietzgen, Schriften in drei Bänden, deel III, Akademie Verlag, Berlin (DDR) 1965, p. 14.




Joseph Dietzgen (1828-1888)