dinsdag 11 december 2018

José Saramago, communist, moralist


Precies zeggen waar het op staat: ‘Over het neoliberalisme dat de wereld regeert: ‘Noem het gewoon wat het is: autoritair kapitalisme.’’
    Hoe actueel is dit? Het is een uitspraak van de Portugese schrijver José Saramago (1922-2010) uit 1998, twintig jaar geleden. Nog heel actueel. Zeggen waar het op staat is hét kenmerk van Saramago’s leven en zijn boeken.
      Lees bijvoorbeeld zijn laatste, onafgemaakte roman ‘Hellebaarden’, waarin hij zijn stem verheft tegen uitbuiting en geweld.

Een oud uitgebreid interview uit De Volkskrant van 25 september 1998. Wanneer de Nobelprijswinnaar Saramago nog geleefd zou hebben, zou hij er waarschijnlijk geen woord van teruggenomen hebben.
    Of toch misschien dit: ‘Er heerst een mentale stilte waarin het denken het nulpunt aan het naderen is.’ Nu, twintig jaar later, heerst vooral mentale herrie, ketelmuziek en afgunst. Maar Saramago heeft toch gelijk: achter al die herrie bestaat een grote morele leegte.

Saramago zegt in het interview en in al zijn boeken dat er nagedacht moet worden: ‘De hele wereld die vroeger bestond, dacht na.’ Is dit een feit? Vooral een opdracht, het gaat om de taak van ‘de filosofen, de schrijvers, de dichters’.

Hij noemt zichzelf, zoals zo vaak, ‘een linkse man’ en vertelt er gelijk bij ‘Ik weet dat mijn opvattingen niet erg in de mode zijn.’
      Even later maakt hij duidelijk dat dit vooral ontstaat uit het vooroordeel tegen communisten, socialisten. Alsof die altijd maar passen in het vooroordeel van dogmatische, klakkeloze volgers en cynische mensen.
    Saramago: ‘Het zou droevig zijn als links niet bij machte is de ondergang te overleven van wat ze noemen het reële socialisme, wat natuurlijk geen socialisme was. Neem de Sovjet-Unie: sommigen die aan de macht waren voor de val, zijn dat nog steeds. Socialist zijn, communist zijn is een geestestoestand. Als je die geest vasthoudt, kun je alle frustraties overleven.’

Socialisme is een geestestoestand, een manier van denken en bewust zijn, een taak voor de filosofie die werkelijk solidair en geëngageerd is, die hardop spreekt en het gevecht aangaat om dat denken weer algemeen te maken.
      Het kan bestaan in de literatuur, zoals Saramago bewijst. Het kan steeds weer, op zoveel manieren. Ook gewoon door iedereen, heel dicht bij huis.
















woensdag 5 december 2018

Volkshuisvesting en de vraag ‘Is maatschappelijke achteruitgang mogelijk?’


De geschiedenis herhaalt zich natuurlijk nooit precies. Een ‘eeuwige terugkeer’, een ‘dat hebben we eerder al meegemaakt’ duidt zelden op precies hetzelfde van vroeger en nu. Omgekeerd is een onherroepelijke, onomkeerbare verworvenheid in de praktijk kwetsbaarder dan de luid sprekende aanhanger ervan graag beweert. Zoals bijvoorbeeld bleek uit de vermeende onomkeerbaarheid van het reële socialisme. Het was niet zozeer omkeerbaar, maar stortte in.

Grote woorden misschien. Toch bestaat helaas maar al te vaak een gewone feitelijke achteruitgang. Vanochtend nog was ik in een volksbuurt in Groningen, waar de portieken er troosteloos uitzagen.
      In mijn werkzame leven, onder meer als projectleider van een wijkproject, heb ik veel straten en buurten gezien, en ook de woningen van binnen. Nu krijg ik als ik er kom steeds het gevoel: wat er vroeger ook aan mankeerde, het ziet er nu meer dan toen en dus veel te vaak vies, slordig en troosteloos uit.
      Natuurlijk niet overal, goede renovaties waren er ook, maar na de crisis zijn overal onderhoudsbedrijven bezig de ‘welstand’ weer wat omhoog te plussen. Daarbij lijkt het net of de massa daarvan te gering is om het onderhoud echt omhoog te krijgen tot een voldoende niveau in de hele wijk en de stad. Een soort vechten tegen de bierkaai.
      Denk ook aan de ‘schimmelwoningen’, waar de SP met bewoners actie voor verbetering voert. Er zijn filmpjes over gemaakt die je indringend bij de vraag brengen, had je tot voor kort wel zoveel problemen met vocht en het onderhoud van de woningen?

Er is een palet van verklaringen voor deze gevoelde achteruitgang. De Woningwet van Blok bijvoorbeeld, in werking sinds juli 2015. Deze wet die de corporaties plunderde met de Verhuurderheffing. En die een veel groter effect had door centrale regels die het integraal werken in de wijken niet stimuleerde maar afremde.
      Met een groot effect in de praktijk, zoals de vervreemding tussen woningcorporaties, bewoners, bewonersorganisaties, politieke partijen in de buurt en de gemeenten. Het is een dwangwet, financieel en moreel. Een oorzaak van verloedering in de praktijk.
    En de transities van zorg en hulpverlening. Al het oude moest opnieuw georganiseerd worden, een idioot overhaaste aanpak van de sociale structuur. Dat alles in wezen om te bezuinigen en het marktprincipe voorrang te geven. Per saldo heus wel veel goeds, maar zeker ook tal van situaties van louter verlies, eenzaamheid en onvoldoende hulpverlening.
    Een palet van verklaringen voor achteruitgang? Er is wel een kern: onverantwoorde grote bezuiniging op de hele collectieve sociale sector, en de effecten van de ‘bijbehorende’ marktwerking.

Hoeveel redelijk lopende zaken zijn niet moeilijker geworden onder motto van vernieuwing? Vroeger klaagde men wel eens over té actieve wijkbewoners, de zogenaamde buurtburgemeesters die het belang van de hele buurt niet goed zouden zien. Ze zijn nu vaak gewoon vervangen door nieuwe, (ongewild) soms bijna elitair optredende actieve bewoners. Waar groepen mensen actief zijn ontstaat toch altijd een vorm van leiderschap? Mensen onder druk vervangen lost meestal weinig op. Het is jammer wanneer actieve vrijwilligers zich gedwongen voelden om af te haken.
      Soms zetten gemeenten actieve bewoners onder druk om opeens een heel andere aanpak te gaan volgen. Alles moet anders. Dat loopt natuurlijk niet zomaar goed af. Iedere sociaal werker in volkswijken heeft kunnen leren dat succes afhangt van continuïteit, en juist die werd te grabbel gegooid. Elke actieve bewoner kan je dat ook vertellen. Maar door de transities dachten gemeenten te vaak het wiel weer uit te moeten vinden, een die goedkoper was. Dan komt men terug bij AF.

Ja, er bestaat achteruitgang. Met veel te weinig middelen in korte tijd de hele huisvesting, de zorg en het welzijn voor jong en oud goed toerusten, het kan gewoon zó niet. Er trad nieuwe verloedering op en er heerst meer en meer een sociaal en politiek cynisme.
      Het kan gewoon veel beter. Wat het kost? Naast verhoging van de rijksbijdragen is misschien van groter belang over de hele linie een 7% of 10% loonsverhoging te realiseren. Dus over de hele linie het hele sociale en financiële niveau omhoog plussen. Ook om voldoende geschoolde werkers in de zorg in de wijken terug te krijgen.
      Een flinke verhoging van middelen, dit inclusief de uitkeringen én een hoger belastingniveau voor de rijkeren. Dat zou wat teweeg brengen. Dat zou pas een ‘transitie’ zijn. Het staat haaks op wat er nu gebeurt, het sociale drama voor velen.

Dan verbazen sommigen zich erover dat de mensen zo negatief zijn. Vraagt men niet het onmogelijke? Is het soms niet heel begrijpelijk dat mensen wegvluchten in schijnoplossingen? Het alternatief moet echt wat oplossen. Zowel in de kleine dingen in de straat als over de hele linie.












woensdag 28 november 2018

Pleidooi voor eenheid en verschil – Fernand Braudel en Karl Marx



– Dat wat in de geschiedenis het progressieve deel van de mensheid wenst en eist, kent een hoge mate van continuïteit. De kern wordt gevormd door humane waarden en een aantal materiële aspecten van de samenleving die het persoonlijk bestaan altijd raken. Het leven zelf kent immers de ideële én materiële kant. –

Uit: Actief socialisme en vrijheid (pag. 114)


Mijn nieuwe boek ‘Actief socialisme en vrijheid – Pleidooi voor hechtere linkse samenwerking’ roept bij sommigen de reactie op ‘Je wilt de PvdA opheffen!?’ of ‘Goed samenwerken dat gaat zo maar niet …!’
      Natuurlijk, wil socialistisch en links Nederland een sterkere sociale macht vormen, dan moet er veel gebeuren. En het opheffen van organisaties is helemaal niet het goede begin, het geeft alleen maar ruzie, gedoe en een weinig zeker perspectief. Leer liever beter samenwerken op de structurele punten die algemeen spelen rondom macht, sociaal beleid, (anti-)kapitalisme en klimaat. Koester de verschillen wanneer er diepgaande analyses uit voortvloeien die de maatschappelijke structuur helpen bloot te leggen en te veranderen.

Goed samenwerken dat gaat zo maar niet ...! Oké. Maar mijn uitgangspunt is de simpele constatering dat Karl Marx’ en Friedrich Engels’ boek ‘Het communistisch manifest’ structurele eisen stelt om een maatschappelijke omkering te bewerkstelligen, maar ook heel concrete punten behelst met betrekking tot het leven van de arbeiders, eisen die bijvoorbeeld tot meer kansen voor de opvoeding van hun kinderen moeten leiden. En dat Engels bijvoorbeeld in zijn analyse over het woningvraagstuk ook kwesties bespreekt die nog altijd actueel zijn. Denk aan de schimmel in sociale huurwoningen.

Het gaat om sociale eisen die van toen tot nu door socialisten en linkse mensen aan de orde worden gesteld. Daar spelen feiten, daar kunnen de achterliggende aanzetten tot eenheid tot een werkelijk hechtere samenwerking leiden. Waardoor de gezamenlijke sociale macht sterker wordt. Dan kunnen ook verschillen benoemd en creatief worden opgepakt.
    Het gaat om structurele eenheid voor de langere termijn die zowel aan de oplossing van de grote als de kleinere vraagstukken kan bijdragen. Je hebt langere structurele ontwikkelingen en meer korte termijn veranderingen. Deze niveaus van ontwikkeling grijpen (diep) op elkaar in. Daarbinnen is de ongelijkheid van kansen en zeggenschap, de grote maatschappelijke tegenstelling, permanent een centraal thema.

In de geschiedenis heb je langdurende structuren, kortere periodieke veranderingen en kortstondige gebeurtenissen, zeg maar incidenten, crises, en mislukte kansen.
      Lang, middellang en kort, er bestaan structuren, conjuncturen en de dagelijkse beperktere ontwikkelingen. De historicus Fernand Braudel (1902-1985) heeft er een hele theorie over gemaakt. Hij gaat uit van een soort driepolige ontwikkeling van structuur, conjunctuur en gebeurtenissen. Net als bij Marx met een stevig sociaaleconomisch accent. Een wisselwerking op en tussen verschillende niveaus.

Het is goed hier over na te denken en als sociale en politieke krachten op het sociale beleid de eenheid te bundelen. En ook stevig in te grijpen op de klimaatvraagstukken, waar economische machten hun verantwoordelijkheid proberen af te wentelen op anderen, zeker ook op ‘het volk’.
      Dus blijf ik pleiten voor een sterkere en hechtere samenwerking van sociale krachten, partijen, vakbonden, milieuorganisaties en personen. Daarbij hoef je helemaal niet kinderachtig te doen over verschillen. Er gebeurt en kan vaak meer dan wordt gedacht.




Actief socialisme en vrijheid – Pleidooi voor hechtere linkse samenwerking is de koop in de boekhandel of bij de auteur. ISBN 9789463401425. Zie ook www.jasperschaaf.nl .

















donderdag 22 november 2018

Joseph Dietzgen (1828-1888) over individualisme


Met de smartphone als ziel zitten halve volksstammen de hele tijd naar zichzelf te kijken. Ik, mezelf, het individu. Anders dan de ander, nietwaar?
      Volksstammen? Maar, dan is het dus ook kuddediergedrag. Het is niet alleen maar individualisme, tegelijk is het volgzaamheid.
      De waan van de dag volgen, ook in de tijd van Joseph Dietzgen (1828-1888), de oude arbeidersfilosoof, bestond dit. Het is de tegenspraak van overmatig individualisme dat slechts als resultaat het passief volgen van de trend van de dag heeft. De vreemde tegenspraak van de innige band tussen individu en massa. Scheidslijn én band tegelijk.

Het is niet uniek van vandaag de dag. Overmatig en verkrampt individualisme is van alle tijden, ook al wisselen de gedaanten ervan voortdurend van vorm en kan de een het spel beter meespelen dan de ander. Ook onder socialisten in Amerika kwam overmatig individualisme voor. Zoals in 1886, toen er massale arbeidersacties waren in Chicago, waarin onder meer gestreden werd voor een kortere arbeidsdag.
      Wat kwam voor? Het luidruchtig redeneren over je eigen gelijk en het ongelijk van de ander. Tot je er bij neervalt, maar uiteindelijk helemaal niets doet. Ook in Chicago en New York waren er ‘leidinggevende socialisten’ die eerst een hele discussie af wilden maken voor ze wat wilden doen. Dat althans uitdroegen. Wat leidde tot weinig of niets doen door hen, terwijl een massa arbeiders actief demonstreerden en sommigen zelfs hun leven in de waagschaal stelden.

In dat verband schrijft Dietzgen over individualisme: ‘Maar het is dat dekselse individualisme, dat diep in de hele denkwijze van ook diegenen steekt, die zich ‘socialist’ noemen, die tegen het individualisme donderen maar dat zelf niet uit hun hoofd kunnen zetten. Zij zijn zelf particulieren gebleven en hebben zich het communisme niet eigen kunnen maken.’

Leven we nu in een tijd van individualisme? Ja, in vele opzichten, maar tegelijk is het nooit eenduidig, nooit telt het individu alleen. Even indringend speelt het maatschappelijk kader dat actuele vormen van gedrag oproept of zelfs afdwingt, ook dat wat dan vaak individualisme wordt genoemd.
    Wil je dat gedrag niet, dan moet je soms tegen de kennelijke trend in lopen. Dietzgen voelde al aan dat er tijden zouden kunnen komen waarin ‘socialist zijn’ hoe redelijk en afgewogen het ook is, een tijd uit de mode zou kunnen raken. Dan heeft hij één oplossing: behoud de weloverwogenheid, maar vooral de solidariteit. Draag even trots de rode vlag. Hoe groot de weerstand ook is, niet met smoesjes opgeven en in passiviteit vervallen.
    Over de rode vlag, als symbool, schrijft Dietzgen in 1877. Het gaat onder meer om de sociaaleconomische eisen van de socialistische arbeidersbeweging. Hij richt zich dan tegen opponenten die een slappe verzoening prediken, een slapte die de arbeidersklasse niet kan bevrijden.

Dietzgen stelt dan: ‘Wanneer ooit de sociaaldemocratische partij tot een dusdanige zwakheid misleid zou kunnen worden, hoop ik de eerste van een desnoods nog zo klein groepje te zijn, die de rode vlag zal redden. En als dat niet direct lukt, dan toch in de toekomst haar weer voorop te dragen. Matiging! Ja, voor zover het doel dat toelaat. Liefde, mildheid, verzoening! Ja, wanneer het doel is bereikt. Maar geen laffe vrede vooraf, geen verwatering, geen weekhartigheid.’

Dietzgen was in 1886 tijdens de grote acties in Chicago van de Amerikaanse arbeidersbeweging een voorbeeld. Hij zette de spitsvondigheden die anderen beletten actief op te treden resoluut aan de kant, trad welbewust op, bracht de eisen van de arbeiders onder woorden.
      Dat dwong veel respect af. Mede daarom heb ik in mijn boek ‘Actief socialisme en vrijheid – Pleidooi voor hechtere linkse samenwerking’ nog een keer een hoofdstuk aan Dietzgen gewijd.
      Op het schutblad staat het eerstgenoemd citaat. Het richt zich tegen het ‘dekselse individualisme’, dat oppervlakkig beschouwd soms redelijk klinkt, maar alsmaar neerkomt op de universeel herhaalde smoes om passief te blijven toekijken.
      Terwijl het in werkelijkheid eenvoudiger is: je kunt solidair zijn, ook met mensen met wie je het niet helemaal eens bent.




Bron citaat 1: Joseph Dietzgen, Haben wir etwas mit den Anarchisten gemein? (1886). In Joseph Dietzgen, Schriften in drei Bänden, deel III, Akademie Verlag, Berlin (DDR) 1965, p. 14.

Bron citaat 2: Joseph Dietzgen, Herr Adolf Samter, (1877). In Joseph Dietzgen, Schriften in drei Bänden, deel II, Akademie Verlag, Berlin (DDR) 1962, p. 48