zondag 21 oktober 2018

Nieuw boek: ‘Actief socialisme en vrijheid – Pleidooi voor hechtere linkse samenwerking’



– Maar het is dat dekselse individualisme, dat diep in de hele denkwijze van ook diegenen steekt, die zich ‘socialist’ noemen, die tegen het individualisme donderen maar dat zelf niet uit hun hoofd kunnen zetten. Zij zijn zelf particulieren gebleven en hebben zich het communisme niet eigen kunnen maken. –

Joseph Dietzgen, 1886


Op 13 november a.s. komt mijn nieuwe boek uit, ‘Actief socialisme en vrijheid – Pleidooi voor hechtere linkse samenwerking’.  Uitgegeven door uitgeverij Damon.
    De boekpresentatie is ’s avonds 20.00 uur bij boekhandel Godert Walter in Groningen. Voor intekening, zie hieronder.

Vanaf 2011 heb ik me speciaal verdiept in het thema ‘macht’, vooral geïnspireerd door het werk van Karl Marx en Friedrich Engels. En door anderen, zoals Baruch de Spinoza, Joseph Dietzgen en Ludwig Feuerbach.
      Dit leidde tot verschillende publicaties, waaronder het boek ‘Het speelveld van de vrijheid’ in 2014. Het nieuwe boek bouwt hierop voort.

‘Actief socialisme en vrijheid’  belicht ideeën van diverse historische filosofen, maar richt zich vooral praktisch tot de hedendaagse politiek. Het socialisme is veel te veel een versplinterde, soms zelfs individualistische aangelegenheid geworden. Willen socialisten hun doelen realiseren dan is een hechtere bundeling van actief optreden noodzakelijk.
    Samenwerking van partijen, vakbonden, sociale en ecologische bewegingen en personen. Niet incidenteel maar langdurig. Elkaar kritisch scherp houden, solidair, samenwerken waar het kan, opbouwen, helder zichtbaar zijn als socialisten.

Marx 200ste geboortejaar is dit jaar hier en daar herdacht, vooral door overzichten te bieden van zijn leven en zijn analyses.
      Heel goed. Maar er was betrekkelijk weinig aandacht voor de vraag wat je er anno nu in de praktijk nog mee moet. ‘Actief socialisme en vrijheid’  ziet als belangrijk punt dat Marx niet alleen de structuur en werking van het kapitaal laat zien, maar vooral oproept verenigd te strijden om de kapitalistische hegemonie op te heffen. Dit leidt tot de conclusie dat samenwerken en een sociale macht te vormen nodig is, zonder te ontkennen dat dit in de praktijk lastig is. Die moeilijkheid niet uit de weg gaan!

Op de achterkant van het boek wordt dit aldus samengevat:
      Een nuchtere vraag: kunnen we onze maatschappij veranderen? Impulsief: ja, toch. Bijna niemand gelooft echter dat je het kapitalisme kunt afschaffen. Terwijl velen helemaal niet in de weldadigheid van het kapitalisme geloven. Over deze paradox gaat ‘Actief socialisme en vrijheid’.
      Het uitgangspunt is: ‘een betere en socialere samenleving is mogelijk’. Dat wordt uitgewerkt naar actuele vormen van politiek denken en handelen. Inspiratiebronnen zijn ideeën van Marx, Engels en anderen, waaronder die van Aristoteles, Spinoza, Rousseau, Dietzgen en Sivaraksa. Kan theorie bijdragen tot structurele sociale en ecologische verbeteringen? Deze vraag leidt tot een pleidooi voor hechtere linkse samenwerking.

Op de presentatie op 13 november zal het boek door de auteur worden toegelicht. Eerste reacties worden gegeven door Daan Brandenbarg en Masja Zwart vanuit politiek en vakbeweging. Na publicatie is het boek bruikbaar als ‘idee’ voor verdere discussies over samenwerking en andere relevante thema’s van de socialistische politiek.



Datum: dinsdag 13 november 20.00 uur
Plaats: Boekhandel Godert Walter, Oude Ebbingestraat 53, Groningen
Toegang gratis
Aanmelding bij de boekhandel. Vanwege beperkt aantal zitplaatsen is vooraf reserveren noodzakelijk: 050-3122523 of per mail  info@godertwalter.nl


















zondag 14 oktober 2018

Pierre Abélard, een ketterse voorloper


Nog één keer, na vorige twee blogs, wil ik even stilstaan bij het voortreffelijke boek van Theun de Vries ‘Ketters’.
    Een dikke pul geschiedenis kan een nadeel hebben dat het bijna te veel is om te behappen. Een groot voordeel van ‘Ketters’  is echter dat veel namen van filosofen en theologen in een maatschappelijk kader worden geplaatst en de continuïteit in de geschiedenis in zicht is.
      Continuïteit, wel met veranderingen en vernieuwingen, maar met zichtbare en benoemde verbanden ervan. Zo kun je een filosoof als Pierre Abélard (1079-1142) zien als een gewoon iemand met interessante opvattingen, de betekenis van zijn denken wordt des te duidelijker als zichtbaar wordt waarop hij reageert, wat de reacties van anderen zijn, en hoe hij voorop loopt in een ontwikkeling.

Door Abélard als een ketter te ‘verketteren’ wordt hij in De Vries’ boek een schakel in een ontwikkeling, want de ketters houden bij De Vries een stempel van emancipatie, vernieuwing en vooral van onafhankelijk, kritisch denken.
    Inderdaad: de hele geschiedenis van de mensheid lijkt te draaien om het zelfstandig denken en de vrijheid om dat te mogen doen, het denken dat door de machthebbers van staat en religie steeds weer wordt beknot. Waar men dan althans tracht dat denken te vergeten, dat echter in of na de repressie toch weer door de strijdbare vervolgden en nieuwe generaties wordt erkend en verwerkt.
    En dat gaat zo – zoals ieder kan weten – tot op de dag van vandaag. Wanneer journalisten vermoord worden om hun onafhankelijk denken en onderzoek, staan zijn in een lijn waarvan ook het denken van Pierre Abélard een schakel vormt.
    Een kwetsbare, maar toch onbreekbare lijn. Er zál zelfstandig worden gedacht: zoals door Socrates, door Abélard, door Bacon, door Descartes, door Kant en duizenden vandaag de dag.

Kant hierbij noemen? Ja, Abélard kan als één van de voorlopers van empirisme, rationalisme en de Verlichting worden gezien. Niet dat hij alles voorzag natuurlijk, eerder door zijn inzet zelfstandig te denken en zijn gedurfde analyses van de werking van de taal.
    Pierre Abélard, ook bekend als Petrus Abealardus, mengde zich in de zogeheten ‘universaliënstrijd’. Het betrof hier de vraag naar de aard en reikwijdte van algemene begrippen.  Dit raakt vragen die er in de huidige kennistheorie er nog steeds toe doen. Als je spreekt over ‘dé mens’ of ‘dé vrijheid’, waarover heb je het dan? Sommigen dachten dat je het dan over een reëel (apart) bestaand iets had, anderen dat je slechts een verbale eigenschap aan iets toekent, niet veel meer dan wat woorden.
    Abélard neemt dat vraagstuk serieus en probeert tot een dialectische tussenoplossing te komen. Daartoe onderzoekt hij de logica van de taal waarin dergelijke algemene begrippen voorkomen. Die blijken dan niet willekeurig te zijn, maar doelen ook niet op een wezen dat zelfstandig bestaat. Het gaat om taal en kennis en die dienen rationeel onderzocht te worden.
      Dan gaat het om zelfstandig onderzoek, taalanalyse en de rol van het verstand in het kennisproces ineen! Waarmee Abélard als voorloper van latere filosofen – de grote figuren én de thema’s – kan worden gezien.

Zoals zo vaak werd het hem niet in dank afgenomen. Kerkvorsten bestreden zijn opvattingen en de paus deed in 1141 zijn werk in de ban. Zonder dat Abélard werk daarmee overigens vergeten werd.
    Theun de Vries noemt Abélard één van de ‘grote academische ketters’. Voorloper van een vrij wetenschappelijk denken. Zó genoemd blijkt de strijd voor vrij denken, zowel dat denken zelf, als de toepassingen ervan, steeds weer aan de orde.
      Bij Abélard wordt iets zichtbaar van alle grote stromingen nadien, zowel de idealistische als materialistische varianten, de empiristische als rationalistische invalshoek, alsmede de dialectische inzet om wat waardevol is te benoemen en te behouden en bijzaken, onzin of platte instrumentalistische exploitatie van de kennis kritisch af te wijzen.





Bronnen (o.m.):

Theun de Vries, Ketters, Veertien eeuwen ketterij, volksbeweging en kettergericht, Uitgeverij Querido, Amsterdam 1982, pp 235-238.

Jan Bor, Errit Petersma, Jelle Kingma, De verbeelding van het denken, Geïllustreerde geschiedenis van de westerse en oosterse filosofie, Uitgeverij Contact, Amsterdam/Antwerpen 1995, pp. 185-191.








Pierre Abélard (1079-1142)














donderdag 11 oktober 2018

Opium van het volk


‘Opium van het volk’, de uitspraak van Marx die zo vaak verguisd is en zo slecht begrepen. Opium van het volk: de onthulling van de verhulling.

De vorige blog attendeerde op het meesterwerk van Theun de Vries: ‘Ketters, Veertien eeuwen ketterij, volksbeweging en kettergericht’. Dit dikke boek laat tal van ketterbewegingen uit de geschiedenis zien. Het toont aan dat religieuze strijd en burgeroorlogen heel vaak in wezen om een klassenstrijd draaiden. Terwijl de staat, de machthebbers en de rijken hun christendom optuigden met rituelen waaraan iedereen mee diende te doen, komen uiteindelijk de armen, onderdrukten, de slaven en arme boeren en soms een verlicht deel van een opkomende burgerij in opstand tegen die dwingende macht van de kerk.
    Religieuze strijd verhult de strijd die echt wordt gevoerd, de klassenstrijd, de sociale strijd, die door repressie nog niet volledig openlijk uitgesproken kan worden. Steeds weer zijn het echter de armen en onderdrukten die ketterse bewegingen vormen.

Tal van voorbeelden zijn in ‘Ketters’ te vinden. Zo schrijft De Vries over de religieuze strijd in de 15e eeuw: ‘Het ging niet zonder interne schokken. De controversen hadden zich als zo vaak in godsdienstig gewaad gehuld. De arme lagen van het Boheemse volk in stad en land, die nog maar net bezig waren een eigen klasse te vormen, een soort ‘vierde stand’, hadden op dat ogenblik geen andere leiders dan de chiliastische priesters van het extreme type.’ (p. 438)
      Chiliasme: het perspectief van de eeuwige vrede dat in het normale wereldse leven niet kan worden bereikt, waarmee dus de verlossing elders wordt gedacht. Een verlossing die wenkt, de armen zijn het immers meer dan zat nog langer onderdrukt en uitgesloten te worden. Hun religieuze strijd is echter óók de verhulling van de eigenlijke klassenstrijd.

Wanneer Marx zich in 1843-1844, zijn vroege jaren van vorming en reflectie in gezelschap van linkse door Hegel beïnvloede jongeren, met de religiekritiek en vooral met Feuerbachs filosofie heeft bezig gehouden, komt hij tot de conclusie dat de tijd van het verhullen voorbij is. Het proletariaat rammelt aan de poorten van de macht. Partijvorming en organisatie worden mogelijk. De consequentie is dat de nieuwe klasse openlijk kan optreden. De verhulling voorbij.

In dat kader kijkt Marx vooruit én terug. Dan schrijft hij over de religie als vorm van strijd die nog verhuld en vervreemd is, maar nu wacht op de openlijke omslag, de gedaante van de klassenstrijd, die eigenlijk al lang aan de orde is.
      Zelfs Georg Hegel schreef al in zijn ‘Rechtsfilosofie’ over de uitbuiting van de arbeidersklasse, zonder hier overigens nog de conclusies van openlijke strijd aan te willen verbinden, zoals Marx dat nu wél gaat doen.

Wat schrijft Marx? Onder meer dat de religiekritiek niet meer nodig is, omdat de openlijke politieke emancipatie nu op de agenda gezet moet worden: ‘Voor Duitsland is de kritiek op de religie in hoofdzaak geëindigd en de kritiek op de religie is de voorwaarde van alle kritiek.’ (p. 87)
      Daarna, à la Ludwig Feuerbach: ‘De grondslag van de niet-religieuze kritiek is: De mens maakt de religie, de religie niet de mens. De religie is namelijk het zelfbewustzijn en het gevoel van eigenwaarde van de mens die zichzelf óf nog niet gevonden óf al weer verloren heeft.’ (pag. 87)
    De religie als nog onvolmaakte uitdrukking van de strijd tegen onderdrukking en ellende. Marx zegt dan ook: ‘De religieuze ellende is tegelijk zowel de uitdrukking van de werkelijke ellende, als het protest tegen de werkelijke ellende. De religie is de verzuchting van het gekwelde schepsel, het gemoed van een harteloze wereld, evenals zij de geest van geestloze toestanden is. Zij is het opium van het volk.’ (pp. 87-88)

Het gaat om ‘protest’, om de verhulling van de strijd die al wel speelt, veel meer dan om bedwelming door nog onvolmaakte visies. De vorm moet opengebroken worden, de sociale politieke strijd centraal gesteld.
      Marx zegt dus beslist niet dat religie alleen maar onzin is, maar eerder een nog een vervreemde, ongeëmancipeerde vorm van de onvermijdbare strijd. Marx, kritisch refererend aan Hegel: ‘Het is dus de taak van de geschiedenis, nadat de andere wereld van de waarheid (dus die van de religie) is verdwenen, de waarheid van deze wereld te bewerkstelligen.’ (p. 88). De ‘waarheid van deze wereld’, dat is een uitdrukking die hij aan Feuerbach ontleent, maar hier uitwerkt met de dynamiek van Hegels dialectische filosofie, gericht op een revolutionerende verandering. Kort gezegd: een oproep tot actie, tot revolutie.
      Actie in het hier en nu, niet langer gericht op een eeuwigheid elders. Verlossend, maar het gaat dus om een heel andere soort verlossing, een heel praktische.

En nog veel meer. Het zijn onthullende bladzijden, pas helemaal te begrijpen tegen de achtergrond van de discussies onder kritische jongeren en filosofen in Duitsland én Marx’ eigen ontwikkeling. Lees deze eerste, spannende bladzijden van dit artikel maar meermalen met aandacht.
      In andere woorden herhaalt Marx hetzelfde. Het tekent zijn positie, is beslist niet denigrerend ten aanzien van de religie, maar zoekt de historische plaatsbepaling, die een nieuw politiek perspectief opent. Dat van strijd om de sociale macht voor de onderdrukte klassen.

Verbergen lijkt niet meer nodig. Misschien een al te optimistische gedachte, als men wat Marx voor het Duitsland mogelijk acht voor de hele mensheid mogelijk zou achten. De sociale en klassenstrijd kan echter wel gevoerd en uitgesproken worden.
    En nu dan? Regressie van de geschiedenis? De ongerichte klassenstrijd neemt keer op keer weer de vorm aan van religie. Dat vraagt om nieuwe, verder gevormde emancipatie.

Niet alle religieuze strijd hoeft een klassenstrijd te zijn. Of toch? Zijn het ooit de rijken die deze voerden zonder een motief van eigenbelang? In ieder geval is de positie van tal van jongeren en groepen in het geding, die uitgebuit worden, zowel zichtbaar en duidelijk als in nieuwe verhullende, vervreemde vormen.
      Het is tot aan de dag van vandaag vaak bitter noodzakelijk de onderliggende motieven van strijd en geweld en de daarbij gekozen bewoordingen te ontdekken. Gewelddadige strijd moet worden afgewezen, maar een zuiver negatieve, disciplinerende en niet onderzoekende houding daarover brengt de wereld zó weer terug naar de repressie van de middeleeuwen. Met varianten van al die bloedige verschijnselen die Theun de Vries in zijn ‘Ketters’ zo onthullend heeft beschreven.

Aan het einde van de Koude Oorlog heeft in Rusland de Orthodoxe Kerk schielijk weer haar oude positie teruggepakt. En vandaag de dag is er internationaal veel ellende waarbij de dogma’s de straat weer trachten beheersen. Er is weer veel te doen rondom religie en identiteit, waarvan daarom de werkelijke drijfveren benoemd en besproken moeten worden.
      Marx zag dat beslist goed: er is uiteindelijk maar één weg, en dat is ‘vooruit’, emancipatie en opheffing van de ongelijkheid en het cynisme. Sociale strijd, open, solidair en zonder dogma’s.





Bronnen:

Karl Marx, Bijdrage tot de kritiek op Hegels rechtsfilosofie, Inleiding, in Karl Marx, Over godsdienst, staat en het joodse vraagstuk, 2e druk, Uitgeverij Pegasus, Amsterdam 1979, pp. 87-105.
N.B. Deze tekst is dit jaar opnieuw verschenen, samen met enkele andere klassiekers, zie Uitgeverij Vantilt, Nijmegen.

Theun de Vries, Ketters, Veertien eeuwen ketterij, volksbeweging en kettergericht, Uitgeverij Querido, Amsterdam 1982.














donderdag 20 september 2018

Theun de Vries – Ketters, klassenstrijd en ook nog de Vrije Wil



‘De controversen hadden zich als zo vaak in godsdienstig gewaad gehuld.’


Toen vijf jaar geleden Jos Perry’s biografie van Theun de Vries uitkwam wijdde ik er een korte blog aan (op 20 oktober 2013). Zeker heel kort in vergelijking met De Vries’ omvangrijke werk. Dat beslaat honderden titels, romans, gedichten en historische studies. De biografie heeft de treffende titel ‘Revolte is leven’.

Een geweldig historisch werk van De Vries is ‘Ketters, Veertien eeuwen ketterij, volksbeweging en kettergericht’. Dit boek bewijst hoe terecht het was dat de schrijver in 1979 een eredoctoraat kreeg van Rijksuniversiteit Groningen. Terecht, om de vele analyses, de beschrijvingen en de nauwgezetheid ervan.

‘Revolte is leven’ blijkt niet alleen te slaan op de schrijver als persoon. Hij beschrijft in ‘Ketters’ talloze ketterse, heterodoxe bewegingen van het vroege christendom, de islam en nog veel meer tot en met de christelijke reformatie. Steeds waren er mensen en bewegingen die zelfstandig dachten en zich verzetten tegen opgelegde dogma’s .
    En steeds weer blijken in dergelijke bewegingen belangrijke sociale motieven mee te spelen. Het zijn vaak bevrijdingsacties met een theoretisch omhulsel, dat dan filosofische, maar eerder nog religieuze vormen aanneemt. Vandaar dat in ‘Ketters’ gezegd wordt: ‘De controversen hadden zich als zo vaak in godsdienstig gewaad gehuld.’ (p. 438)

Was het strijd? Dat was het zeker. De nauwgezette studie rept keer op keer over het aantal slachtoffers, door strijd, veldslagen en vooral extreme straffen als onthoofding en de brandstapel. De kerk kon er wat van als het ging de mensen weer in het gareel te persen. De straffen en heksenverbrandingen door de eeuwen heen kostten per saldo honderdduizenden het leven.

Tot het niet meer kon. Marx schrijft daar later over. Eerst dat de geschiedenis tot nu toe er één is van klassenstrijd. Nu, dat bewijzen de vele concrete tegenstellingen wel, waarin het altijd maar weer in sterke mate draaide om strijd tegen ongelijkheid, onderwerping en uitbuiting. En dat er óók een emancipatie nodig was waarin de religieuze gedaante van de strijd vervangen moest worden door een rationele en politieke vorm. Dat wat Ludwig Feuerbach en Karl Marx later beogen.

Wat klinkt dat actueel. De tegenstellingen die verhuld worden, waardoor de religieuze vorm lijkt te overheersen. Het geloof van de migranten en de vermeende joods-christelijke wortels van onze cultuur. Wortels? Vrijheden zijn door sociale strijd verworven, daar vind je ‘wortels’.
      Niet alleen het verhullen speelt, want de extreme uitingen verhullen de gevolgen niet, de ware oorzaken echter wel, of zeker gedeeltelijk en in belangrijke mate.

‘Ketters’ is voor hedendaagse politieke strijd en discussie over religie, migranten, identiteit en meningsvrijheid een uiterst leerzaam boek. Dik, heel concreet, prima in delen te lezen.
      O ja leerzaam, dat dan natuurlijk ook over de Vrije Wil. Deze duikt vanzelfsprekend bij talloze controversen op als een duveltje uit een doosje. Zijn bestaan is nog onzekerder dan god zelf, maar hij werkt! Tegen de voorbeschikking in.
      Wat is die Vrije Wil toch een plaaggeest. Kijk naar de politiek in de hedendaagse jas, waar zit de Vrije Wil nu weer? Zit’ie links of juist rechts?





Bronnen:

Theun de Vries, Ketters, Veertien eeuwen ketterij, volksbeweging en kettergericht, Uitgeverij Querido, Amsterdam 1982.

Jos Perry, Revolte is leven, Biografie van Theun de Vries (1907-2005), Uitgeverij AMBO, Amsterdam 2013.


Koop ‘Ketters’ antiquarisch, zie www.boekwinkeltjes.nl










Theun de Vries













vrijdag 14 september 2018

Eierschelpen en de vraag ‘Bestaat toeval?’


Ben je wel eens op een Waddeneiland geweest, op het strand?
      Wat vind je dan van de volgende vraag: Wanneer op het strand waar honderden, zo niet duizenden schelpen in de eblijn bij elkaar liggen, een niet al te opvallende kleine schelp in tweeën wordt getrapt door wandelaars en een schelpenzoeker de ene helft daarvan opraapt, is het dan mogelijk dat deze zelfde persoon ongeveer 70 dagen later de tweede helft ook nog vindt?

Zo ja, wat een toeval! Maar neen, zoiets kan geen toeval zijn, dat is voorbeschikt, bijvoorbeeld veroorzaakt door een bepaalde reeks van voorafgaande gebeurtenissen. Of toch ook: hij wilde hem vast graag vinden, hij zal wel erg zijn best ervoor hebben gedaan. Dat blijkt, maar dat kan eigenlijk helemaal niet, want je vindt echt na ongeveer 140 keer eb en vloed dezelfde schelp niet terug!
      Of het was een opvallende schelp? Maar dat was het volgens de vraag helemaal niet en dan zou bovendien iemand anders er allang mee aan de haal gegaan zijn.

En wat is toeval? Als docent filosofie heb ik met heel wat klassen over deze vraag gediscussieerd. Een vraag die – zogauw je verschillende aspecten, situaties, tijdfaseringen, verklaringen, de verleidingen van de taal overwegend, de nuances en dergelijke gaat onderscheiden – vast wel bevredigend, goed of bijna oplosbaar is. Bijvoorbeeld kan vanuit een strak causaliteitsbeginsel het toeval ontkend worden. Er is altijd wel een (soort van) oorzaak te benoemen.
      Is het wel een boeiende of zinvolle vraag? Waarschijnlijk toch wel vanuit de nuances die toeval, causaliteit of noodzaak incalculeren en daar vanuit doordenken.

Toch bewijst de Eierschelp (Gastrana fragilis) – althans enkele exemplaren van deze soort – dat ik hardop durf te zeggen: ‘Wat een toeval!’ Of zelfs: ‘Toeval bestaat.’ Terwijl je zoveel over de Eierschelp kunt zeggen dat het helemaal geen toeval is dat die bestaat en je er dus ook wel brokstukken van moet kunnen vinden.
      Ergens, toch? En hoe interessant de evolutie of de geschiedenis van de ontwikkeling van soorten ook mag zijn, met een heleboel determinisme én toeval erbij, bestaat menselijk gezien een toeval gewoon, zelfs als dit in laatste instantie niet ‘echt’ bestaat.

Ter zake dan: wat is een Eierschelp? Zie de eerste foto. Daarop zie je twee Eierschelpen. Dit zijn vrij verse exemplaren, opgeraapt in Zuid-Portugal. Een wat teer, misschien onopvallend schelpje. Ook in het Middellandse Zeegebied is deze schelp beslist niet zeldzaam. Geen ‘collector’s item’ wellicht, maar welbeschouwd best mooi. In alle schelpengidsen over deze gebieden zijn duidelijke afbeeldingen te vinden.







Op het Noordzeestrand, zoals de Waddeneilanden zul je – zo goed als zeker – zo’n verse Eierschelp (nog) niet vinden. Het is meer een subtropische soort. Wie weet dat door de opwarming deze schelp hier nog eens normaal kan worden. In het standaardwerk ‘Schelpdieren van het Nederlandse Noordzeegebied’  wordt de Eierschelp niet behandeld, immers voor zover bekend leeft zij er niet.

Toch kun je aan de Nederlandse kust soms een Eierschelp, een hele of een fragment ervan vinden. Zij het dat deze schaars of zelfs zeldzaam zijn. Hoe komen die hier? Zo’n 120.000 jaar geleden was er tussen de laatste twee ijstijden een warmere periode. Tussen de ijstijden, interglaciaal. Dit tijdperk wordt het Eemien genoemd. In die tijd kwamen ‘hier’ weekdieren voor van het subtropisch klimaat. Zoals de Eierschelp. De schelpensoorten zijn op zich meestal heel oud.
    Uit deze periode kun je nu nog schelpen vinden, fossiel. Als je ze vindt zijn ze meestal grijs, in verschillende tinten. Vooral zijn ze vaak kapot, althans zeker met de meer tere soorten zoals de Eierschelp is dat het geval.

De volgende foto toont zo’n oude, fossiele Eierschelp. Gevonden op Schiermonnikoog op 24 september 2010, nabij paal 8. Bijna gaaf, ook grijs en wel met een barstje en een gaatje erin, maar daarom juist een mooi voorbeeld. Dat barstje met dat gaatje, dat langs de top loopt, dat zie je vaker bij de Eierschelp. Vaak breken de schelpen daar. En ze breken makkelijk, want ze zijn dunschalig.
    Deze vondst, was dat al toeval? Ja natuurlijk, je moet de schelp maar net zien en veel ervan zie je niet op Schier. In die zin toeval, maar weer niet helemaal. Sinds ik de vorm ervan vrij goed ken van Portugal, past die in mijn zoekbeelden en zal ik een exemplaar van de Eierschelp eerder zien dan voorheen.






De derde foto toont een exemplaar gevonden op 2 december 2013 op hetzelfde eiland, nabij paal 10. Deze laat de genoemde verdere afbreuk zien, inclusief het barstje dat de andere schelp ook heeft. Kwetsbaar dus, met de kenmerkende breuk. Nu een groot gat, een heel stuk is er uitgebroken.
    Deze schelp is tegelijk nog wel compleet genoeg om er snel de Eierschelp in te herkennen. Bovendien, bij vaker kijken en zoeken verfijnt het zoekbeeld kennelijk, zie je ze eerder, al blijft het op zich een schaarse schelp. Die dus niet vaak gevonden en geregistreerd wordt. Het toeval speelt natuurlijk een rol, ze moeten er wel liggen om ze te vinden. En dat weet je gewoon niet. Ook al kunnen de zeestromingen de schelp onverbiddelijk naar dit ene punt gevoerd hebben, dat klinkt dan niet als toeval, maar als een dwingende oorzaak.







Ook deze zomer weer enkele keren op Schiermonnikoog geweest. Vanaf de stad Groningen ben je er zo, en bestaat er iets mooiers dan de Wadden?
    Zo vond ik dit jaar op 26 juni bij paal 11 weer een brokstuk van een Eierschelp. Groot genoeg om het duidelijk te herkennen. De rechterhelft is goeddeels afgebroken, maar de vorm van de schelp is duidelijk genoeg.
      Je hebt het bij de determinatie van schelpen doorgaans makkelijker dan de vogelaar, want ze vliegen niet weg en thuis kun je ze rustig bekijken. Ook de achterkant met de spierafdrukken die in schelpengidsen allemaal afgebeeld staan en dus goed vergeleken kunnen worden, als wordt dat bij slijtage wel veel lastiger. Wat niet wegneemt dat er ook genoeg soorten zijn die moeilijk te herkennen zijn, soms van maar enkele millimeters groot.

En dan nog een brokje, zie foto 4. Gevonden 70 dagen na de vorige vondst, namelijk op 3 september ook op Schier, ook bij paal 11. Een brokje, een fragment van een kleine schelp viel op. Zonder direct goed te kunnen zien wat het was.
      Om zoiets heel te houden heb ik kokertjes van ‘ouderwetse’ filmrolletjes bij me, en het stukje zonder verder breken meegenomen. Het heeft even geduurd voor ik goed zag wat het was. Een fragment determineren kan lastig zijn.







Een paar dagen later mail ik aan Thijs de Boer van het Schelpenmuseum Paal 14 op Schiermonnikoog over een andere schelp, die voor mij nieuw was, die ik hier nu verder buiten beschouwing laat.
      Ik schrijf hem in deze mail vervolgens dat ik ook nog een fragment vond, dat lijkt op een deel van de Eierschelp, maar het nog niet helemaal zeker weet, ook door de slijtage van de binnenkant van het fragment. Voor ik dat schreef bekeek ik de ronding, of die ook voorkomt bij andere Noordzeeschelpen. En natuurlijk naar andere kenmerken waar je bij het determineren op moet letten.
    Op het moment ik mijn idee over dat fragment van 3 september beschrijf, een Eierschelp opper en vraag om een ‘definitief oordeel’, schiet me de vondst van 26 juni te binnen, dus van ruim twee maanden eerder. Een ingeving. Opeens het beeld van: was die Eierschelp niet zo afgebroken dat dit nieuwe fragment er bij past?
      Dat het misschien zelfs van dezelfde schelp is? Dat kan natuurlijk niet. Het zou té toevallig zijn. De notities erbij gezocht: allebei gevonden nabij paal 11, dus vrijwel op dezelfde plek, kan dat?
    Zie de foto’s 5, 6 en 7. Eerst zie je de kapotte schelp van 26 juni, dan de fragmenten van 26 juni en 3 september bij elkaar geschoven.









Inderdaad, wel heel toevallig. Het nieuwe stukje, de rechterkant past aardig bij het eerder gevonden stuk. ‘Past aardig’, kijk goed, het past niet helemaal. Aan elkaar geschoven schuiven delen van de rand over elkaar heen, en de stukjes zijn niet van één schelp maar van twee, met een iets verschillende grootte. Ze zijn gebroken, maar zeker niet platgetrapt, want dan zouden er slechts flinters over zijn. Samen bijna een complete schelp.

Toch lijkt het bizar. Twee delen van een schaarse soort schelp, die zo aardig bij elkaar passen, op vrijwel dezelfde vindplaats door één persoon gevonden. Je mag het zeggen, is dit toeval? Misschien zijn er nabij deze plek wel meerdere van deze schelpen aangespoeld. ‘Dan is het geen toeval’, kun je zeggen. Maar daar is verder – voor zover ik weet – niets van bekend. Deze vindplaats wordt niet zó druk bezocht, maar in de periode van de zomervakantie zijn er echt wel meer schelpenzoekers.
    Of  kun je zeggen: ‘Het is helemaal geen toeval.’ Daar kun je ook voor pleiten, immers de schelp past in mijn zoekbeelden, en ik heb er buiten Portugal wel meer gevonden, ook op Terschelling en op de Zandmotor tussen Ter Heijde en Kijkduin.
    Dat de twee stukjes bij elkaar aansluiten is ook weer niet zo vreemd als je bedenkt dat, zoals genoemd, de breuklijnen vaak ongeveer hetzelfde of in ieder geval vergelijkbaar zijn.

Geconcentreerd, al typend aan het mailtje bedacht ik de definitieve oplossing van de determinatie van het kleine fragmentje. Door de vergelijking van de fragmenten weet ik nu zeker dat het twee maal een Eierschelp-restant betreft. Zo gaat de wetenschap (een beetje) vooruit.
    Misschien is iemand het niet met deze ‘definitieve’ determinatie eens. Prima, kom maar kijken. En het toeval, bestaat het nu wel of niet? Het onverbiddelijk natuurverloop in en na de interglaciale periode van het Eemien heeft een aantal (fossiele) soorten opgeleverd waarvan een deel onvermijdelijk gevonden moet worden. ‘Niets toevalligs aan.’
    Vanuit schelpenzoekersperspectief is het wel heel toevallig dat tussen de duizenden brokken en brokjes op verschillende tijdstippen op vrijwel dezelfde plek twee stukjes liggen die als een puzzeltje bij elkaar passen. Heel toevallig. Het past en toch net niet.
      Die ‘twee tijdstippen’ zeggen echter weer niet zo veel, want er schuiven heel wat schelpen op het strand dagenlang heen en weer voor ze wellicht hoger op het strand een meer vast plekje vinden. En in zee lijken schelpen en andere objecten als veen, hout en barnsteen ook vaak redelijk dicht bij elkaar te blijven, in dezelfde stroming wellicht.

Is hiermee een antwoord gegeven op de vraag waarmee deze blog startte? Kan één persoon in een tijdbestek van 70 dagen twee helften van dezelfde schelp oprapen? In het algemeen kun je zeggen dat de kans hierop uiterst klein is. Onmogelijk is het echter niet. Alhoewel: in de vraag staat ook dat de schelp gevonden zou kunnen worden wanneer die door een wandelaar in tweeën in getrapt. Flink trappen op de dunschalige schelp levert echter meer dan twee stukjes op, dus wat dat betreft kan het weer niet. Enzovoorts. Er is veel meer zinvol te overwegen bij deze vraag.

In het totale natuurverloop hoef je alles wat er verandert natuurlijk niet als toeval te duiden. Het zijn net zo goed ‘kansen’ in een bepaald kader die deterministisch ‘benut’ worden. Voor de zoekende mens daarentegen bestaan vormen van toeval wel. Je kunt niet alles kennen of vinden. En opeens vind je een mooi passend iets waar je dat helemaal niet verwachtte. Het menselijke perspectief leidt dan tot de reactie: ‘Wat een toeval!’
    Tegelijk speelt iets mee dat geen toeval (meer) is, namelijk gegroeide kennis. Sinds ik weet hoe deze schelpen er uit zien, zie ik ze ook vaker. Kennis bepaalt mede de waarneming.
    En wat je er verder ook bij verzint: dat van een schaars schelpje op vrijwel dezelfde plek twee aardig bij elkaar passende stukjes worden gevonden door dezelfde persoon, is echt een mooi toeval.
      Leuk toeval. Toeval blijkt vooral ook een beleving.



Als uitzwaaier van dit grote thema bij een kleine schelp nog een laatste foto. Gewoon twee recente exemplaren uit de Algarve. Best mooi schelpje.









‘Bronnen’:

- Als je op Schiermonnikoog komt en je wilt meer weten over de schelpen van de Wadden bezoek dan zeker het Schelpenmuseum Paal 14.

Internet:
- Op internet is heel veel te vinden. Zie bijvoorbeeld de websites van:
- Nederlandse Malacologische Vereniging: www.spirula.nl/
- Stichting Anemoon: www.anemoon.org/
- Schelpenmuseum Paal 14, Schiermonnikoog: www.schelpenmuseum.nl/

Boeken:
Standaardwerk over de Wadden: R.H. de Bruyne en Th. W. de Boer, Schelpen van de Waddeneilanden, Gids van de schelpen en weekdieren van Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog, Fontaine Uitgevers, ’s Graveland 2008.
Standaardwerk over de huidige stand van zaken van de levende schelpdieren van de Noordzee: Rykel de Bruyne en anderen (red.), Schelpdieren van het Nederlandse Noordzeegebied, Ecologische atlas van de mariene weekdieren (Mollusca), Tirion Natuur (Utrecht) en Stichting Anemoon (Lisse), 2013.















vrijdag 7 september 2018

Hogere lonen en een heel algemene actie


Actie, staking, actie! Boeiend dat PO in Actie een heel logische stap bedenkt: werkers in collectieve sector moeten niet slechts alleen actievoeren, maar allemaal samen. De hele sector, de onderwijzers, de thuiszorgwerkers, de verpleegkundigen, de brandweer, de politie en heel het leger. Wie had het kunnen verzinnen?
      Simpel, iedereen had het kunnen verzinnen, het is logisch, voor de hand liggend.

Had dat dan niet wat eerder bedacht kunnen worden? En waarom niet? Meer dan een tipje van de sluier wordt opgelicht in het interview dat FNV-voorzitter Han Busker een week eerder gaf (De Volkskrant, 1 september). Daarin schort het wat aan actielogica. Omdat de werkgevers het verdommen iets meer van hun winsten af te staan nu het hen goed gaat, en acties voor hogere lonen en goed vast werk nog maar mondjesmaat lijken te lukken, worden veel te ingewikkelde argumenten verzonnen, zo zelfs dat men erin verstrikt raakt.

Kern is dat als het moeilijker wordt dan gedacht, je lef moet tonen. Hoge looneisen zeggen ook iets – neen juist heel veel! – over het recht op werk en een sterke eigen positie van de werker binnen dat werk.
      En wat doet de vakbond, te vaak, men stelt eigen eisen tegenover elkaar in plaats van gewoon naast elkaar. Dan ondermijnen ze elkaar. Een sterke positie in en over je werk drukt zich uit in vaste contracten én in een fatsoenlijk salaris. Een salaris dat omhoog moet gaan en niet naar beneden. Met een contract dat zekerheden moet bieden en de weg naar de uitgang moeten sluiten in plaats van wijd open te laten staan. Als je dat, en bijbehorende eisen, tegenover elkaar stelt, verzwak je enorm de eigen positie. Het hoort bij elkaar, dus knip niet alles in verpieterde brokjes.
    Dus de eisen tegen flexwerk en hoger loon horen gewoon naast elkaar te staan. Dat is logica, een heel praktische. Eén die de ondernemers heel goed snappen, vaak beter dan de vakbond dat schijnt te doen. Als dat zo is kan dat heel helder zijn en leiden tot stappen vooruit. Zoals een algemene staking en acties in de hele collectieve sector organiseren.

Naast elkaar. Zo logisch dat PO in Actie nu zegt: in de hele collectieve sector moeten we ook gewoon de eisen stapelen, naast elkaar en op elkaar. Want alles hoort bij elkaar en wordt bedreigd door het integraal falende overheidsbeleid.
      Klinkt dat egoïstisch? Niet als je het heel goed uit kunt leggen. Zelfs dat is nauwelijks nodig omdat de werker in de praktijk heel goed merkt dat een zwakke positie leidt tot zowel flexwerk en slechte werkomstandigheden als tot een laag loon. En aangezien de problemen in samenleving stapelen, zoals het gebrek aan werkers die het ‘vuile’ werk op straat, in de zorg of voor de klas voor zo weinig geld en met zoveel werkdruk nog willen of kunnen doen, is het allemaal heel begrijpelijk.

Dan is het dus ook logisch dat de vakbonden mee gaan doen met de nieuw aangekondigde grote brede acties. Niet in de kramp schieten en organisaties tegen elkaar uitspelen, niet traineren in vergaderingen over wie nu welke rol moet spelen of voorop mag lopen. Niet concurreren nu samenwerking nodig is.
      Erkennen dat samenwerken moet en acties en stakingen nodig zijn. Dat de hoofdzaken van de strijd voor ieder dezelfde zijn.

Nieuwe bewegingen en organisaties met eigen initiatief en eigentijdse vormen zijn nodig. Bestaande organisaties blijven ook nodig. Omdat met de sociale media massa’s makkelijk op te trommelen zijn, maar de resultaten ook moeten beklijven. Beklijven in vastgelegde vaste contracten, gegarandeerde hogere lonen en sterke sociale regelingen.

Niet in de kramp schieten maar meedoen. In de collectieve sector moet meer worden verdiend, korter worden gewerkt, veel meer (mede)zeggenschap komen over het eigen werk en moeten de kinderen, de mensen die zorg behoeven en de veiligheid in de hele samenleving echt centraal staan. In alle hoeken en gaten.
      Dat alles hoort op het kwaliteitsniveau dat in een ontwikkelde solidaire maatschappij past. Dat niveau is veel hoger dan wat nu in de praktijk bestaat.










zaterdag 1 september 2018

Hypatia van Alexandrië


Hypatia van Alexandrië (ca. 355-415). De eerste vrouwelijke filosoof? Wie zal het zeggen. Of beter, zeg dat maar niet, de filosofie kent geen begin en geen einde.

Maar als je het zegt en het gaat over Hypatia, zeg het dan maar hardop, dat ieder het kan horen. Want het gaat hier om zelfstandig denken! Dat is dan tegelijk een correctie op oudere standaardgeschiedenissen, zoals Hans Joachim Störigs ‘Geschiedenis van de filosofie’, waarin de naam Hypatia niet voorkomt.

Wat we zeker weten is dat echte filosofie, zelfstandig denken gevaarlijk kan zijn. Dat blijkt maar al te vaak. Hypatia, in het Alexandrië van haar tijd, dacht zelfstandig, bemoeide zich met de politiek van het Oost-Romeinse Rijk en de opkomende christelijke kerk met al haar scheuringen en intriges, en werd om haar rol vermoord. Een christelijke meute trok haar uit haar koets of wagen, sleurde haar door de straten van Alexandrië, stenigde haar en verbrandde haar lichaam. De kerk dacht toen wel zo materialistisch dat vooral ook haar lichaam kapot moest, in volle openbaarheid.

Zij werd aldus vermorzeld tussen de strijdmachten van enerzijds het gezag van de keizer en zijn lokale prefect Orestes en anderzijds de kerk, hier bisschop Cyrillus, die elkaar de politieke en religieuze macht betwistten.
      Daarmee net zo goed vermorzeld door een monotheïsme dat maar één mening en bijbehorende manipulatiemogelijkheden toelaat. En net zo goed vermorzeld door een klassenstrijd waarin groepen tegen elkaar opgezet worden. In haar geval lijkt een groep ‘monniken’ de horde aangevoerd te hebben die haar rol diende uit te wissen. Niet alleen ideëel, ook fysiek. Daar gebruik ‘je’ dan op hol geslagen, opgehitste massa’s voor. En zijn de tijden veranderd?

Zoals zo vaak zijn we met de filosofie hier op een onzeker terrein. Lang niet alles uit deze periode is overgeleverd en bronnen spreken elkaar soms tegen. Dus uitkijken geblazen voor een betrouwbare filosofische geschiedenis.
    Zeker is echter wel dat Hypatia het zelfstandig denken koesterde en daarmee kritisch stond tegenover dogmatisme. Zij was filosoof, astronoom en wiskundige, die graag de wetenschappelijke vragen van haar tijd kritisch besprak. En dát tekent toch de filosofie en mede daarom hoort zij thuis in elke geschiedenis van de filosofie die pretendeert een goed overzicht te bieden.

Van Hypatia, neoplatonist(e), zijn geen inhoudelijke geschriften of debatten overgeleverd of ze zijn nog niet goed bekend en onderzocht. Met wie zij echt was en hoe ze precies dacht moet je dus voorzichtig zijn. Dat laat dat wat wel bekend is onverlet. Zoek haar op (internet) en lees het na.
      Dat zij de eerste vrouwelijke filosoof was kun je nooit stellig zeggen. Hoeveel vrouwen en mannen zullen voor het jaar 415 iets geschreven hebben dat verloren is gegaan? Ook de term neoplatonisme zegt niet alles, want deze filosofie kent na Plotinus (203-270) ook haar varianten.

Wat resteert aan inzichten is toch veel: kritisch denken, klassenstrijd en onderdrukking, strijd om de macht, intriges en slecht begrepen eigenbelang, én de inzet van religieuze opvattingen voor politiek en materieel gewin. Ja dat is inderdaad heel wat. Dat hoort allemaal thuis in de geschiedenis, ook van de filosofie. Zowel de inhoud, de politieke rol, de kritiek als de strijd tegen misbruik.







Zoek je interessante en grondige literatuur over deze tijd? Lees bijvoorbeeld:
- Wim Jurg, De vierde eeuw, Of hoe het christendom staatsgodsdienst werd, 2e druk, Uitgeverij Damon, Budel 2014.
- Theun de Vries, Ketters, Veertien eeuwen ketterij, volksbeweging en kettergericht, Uitgeverij Querido, diverse drukken en jaartallen. Antiquarisch nog makkelijk verkrijgbaar.















maandag 27 augustus 2018

Hoe het volk echt over de opvang van vluchtelingen denkt


Wat dacht je? Als je sommige media moet geloven denken de mensen massaal negatief over de opvang van vluchtelingen. Maar klopt dat wel?

Dit ligt veel genuanceerder dan wel wordt aangenomen. Mensen maken zich zorgen hoe dat moet, met al die mensen. Aangezien de aantallen echter meevallen, is daar een heel rationeel gesprek over mogelijk. Rationeel, dat wil niet zeggen dat de emoties niet meetellen, maar dat je je niet hoeft laten te leiden door impulsen alleen, en dat over de bezorgdheid die er is gesproken moet worden.

Het onderscheid tussen politieke en oorlogsvluchtelingen enerzijds en economische vluchtelingen anderzijds lijkt vaak goed bekend. Maar de schijn bedriegt. Mensen ontvluchten de armoede en werkloosheid, maar daarmee ook veel conflicthaarden.
      Of nog belangrijker, idee hebben van economisch vluchtelingen betekent niet dat het alleen maar gaat om de opvang in het hier en nu. En opvangen in de regio? Dat is pas vaag  als je er verder niets over zegt. Of dit blijkt een vluchtgedrag waarin alle risico’s op de vluchteling worden afgewenteld.
      Denk eens beter na over de economische mogelijkheden elders. Wanneer een flink deel van de productie, dus van productief werk, van Europa overgeplaatst zou worden naar Afrika, kan wellicht heel de economische én bevolkingsproblematiek in een ander, positiever en duurzamer daglicht komen te staan. Is dit een bizarre suggestie? Neen, kijk wat de Chinezen in Afrika doen, dat kan toch ook vanuit meer invalshoeken, zonder de Afrikanen uit te buiten?

De vakantie is weer ongeveer voorbij. Dan zal het politieke preken weer beginnen. Wat moet nu echt hardop of zelfs luidkeels worden gezegd? Datgene waar mensen door mediadruk iets anders lijken te verwachten dan wat reëel waar is en waar tegelijk het leven van veel mensen in het geding is. Zoals hoe er echt over politieke en oorlogsvluchtelingen wordt gedacht. Wat dacht je hoe dit zit?
    Het CBS stelde (zie Volkskrant 27 maart jl.) dat 77% van de Nederlanders vindt dat deze vluchtelingen in Nederland onderdak moeten krijgen.
      77% is heel veel, een groot draagvlak. Hoeveel lastige politieke kwesties zijn er waar 77% (ongeveer) gelijk over denkt? Waarschijnlijk is dat vergelijkbaar met alle zaken die spelen rondom de (ouderen)zorg en het onderwijs. Het lijkt erop dat veel mensen dit soort vragen – de sociale ‘softe’ thema’s (?) – juist belangrijk vinden.

Laat je niet verleiden door een vals beeld. Veel mensen willen een sociaal beleid. Meer dan vaak wordt gesuggereerd. Als vluchtelingen welkom zijn moet de schroom worden overwonnen dat hardop te zeggen. En de echt lastige kwesties worden onderscheiden van de goed oplosbare. Om op beide soorten vragen adequaat te kunnen reageren.









vrijdag 24 augustus 2018

Vrij, vrijer, vrijst


De vrijheid is maar een vreemd ding. Eeuwig en oneindig, maar als er om vrijheid gestreden wordt blijkt het altijd weer om concrete vrijheden en onvrijheden te gaan. Grenzen bepalen, beperkingen overwinnen, onrecht of bepaalde meningen verafschuwen of juist niet, al dat soort dingen.
    Toch is de vrijheid geen ding, maar een verhouding tot iets, tot heel veel. Daarom zal de vrijheid altijd bevochten worden en nooit perfect bereikt.
      Wel kun je een heel eind komen. Wat de wereld aan vrijheden al heeft opgeleverd is ongeveer even rijk én soms problematisch, als alle beperkingen, onvrijheden en ideologisch en fysiek geweld.
    De vrijheid is aldus altijd in het geding, wel soms explicieter dan een andere keer, en hoeveel definities van de vrijheid er ook bestaan – goede en domme – er hangt vaak een sfeer van verwarring en misleiding om de vrijheid heen.

Een verhouding dus. Nooit klaar, want datgene waartoe de vrijheid zich verhoudt is evenzeer in beweging. Vrijheid van meningsuiting? Jawel, tot iets gezegd wordt dat mogelijk niet deugt. Zoals iets dat geweld en doodslag oplevert, een effect heeft dat veel groter is dan het fijne gevoel dat je je nu eens echt kunt uitspreken.
    Gelukkig blijft ook dat een momentopname van de verhouding van vrij en onvrij. Wat vandaag niet kan, kan morgen wel. Of anders, wat nu kan, kan soms met reden morgen niet meer.
    Dit is nog abstract natuurlijk, vul het allemaal maar in. Keuzevrijheid? Jawel, maar de uitleg past bij wat nu mogelijk is en voorzien wordt, en dat raakt maar ten dele de werkelijke toekomst waarop de vrijheid zich wil oriënteren.

Vrijheid heeft geen begin en geen eindpunt. Dat wordt ook duidelijk als je ziet hoe concreet vrijheden en onvrijheden gevoeld worden, reëel worden of juist weer worden opgeheven. Misschien niet eens zozeer opgeheven door een verbod, maar als relevant punt. Vrijheid waar niet voor gevochten hoeft te worden is een vrijheid van niets. Daar praat men allang niet meer over. Soms blijkt dat dan weer te weinig.

Geen begin en eindpunt. Concreet en oneindig hebben een verband. Zo is het ook in de geschiedenis. Pas las ik het boek over De Wadden van Mathijs Deen, over het gebied dat voor mij een heel concrete vrijheid betekent.
    In dat boek veel geschiedenis, glashelder en boeiend gepresenteerd. Alsof je erbij bent. Ook de geschiedenis blijkt hier – zo als altijd – om vrijheid te draaien.
    Deen beschrijft onder meer hoe de Waddeneilanden aan het begin van de 20e eeuw met toerisme te maken krijgen. (Zie pag. 305-306) En dan: ‘Schiermonnikoog was de eerste waddengemeenschap die deze breuk met het vrije, afgezonderde verleden te verwerken kreeg. Dat bracht geld en beweging, maar ook onvrede. Soms drong er iets van dat verdriet door tussen de verder positief gestemde berichtgeving in de kranten.’

Het citaat zegt heel veel. Een lokale situering, een klein moment uit de geschiedenis. Maar altijd levert verandering nieuwe vrijheden op, hier ook verbonden aan een toenemende welvaart. Deze vrijheid kent echter ook een prijs, hier het verlies aan rust en de noodzaak het idee los te laten dat niemand zich met je bemoeit. Nieuwe dimensies van vrij en afhankelijk zijn van je fysieke en maatschappelijke omgeving. Oude feiten komen in een nieuw perspectief te staan. Daarbij vooral: meestal is er geen weg terug, bestaat vrijheid dus ook in een zekere dwang of afhankelijkheid.

Over dit voorbeeld valt veel te zeggen, het heeft universele trekken. Vrijheid, nieuwe verantwoordelijkheden en bepalingen, ze gaan ook samen met verlies. Immers, totale vrijheid is te groot en bestaat dus niet, ondanks dat er mensen zijn die daarnaar hunkeren.

Op de volgende boot naar Schiermonnikoog zal ik hier nog eens over nadenken. De boot die op tijd vaart, dus vastligt in de orde van de dienstregeling. Die ons brengt naar een klein, maar schier oneindig eiland. Een plek waarop de drukte van belang veel groter is dan honderd jaar geleden en je toch, als de meeste badgasten weer weg zijn, eindeloos kunt lopen zonder iemand tegen te komen.
    Dit plaatje, dit opgeroepen beeld, is echt niet zo anders dan al die politieke discussies waarin te pas en te onpas de term vrijheid wordt gemanipuleerd. Wiens vrijheid wordt groter, wiens vrijheid staat onder druk? Vrijheid is algemeen en tegelijk heel concreet gebonden. Vrijheid is meer dan een relatie, het is een heel netwerk van veel relaties, met anderen en met de natuur, ook ver buiten de deur.
      Denk daar maar even aan, wanneer je de vrijheid inbrengt in het gesprek of het debat.




Boek: Mathijs Deen, De Wadden, Een geschiedenis, Uitgeverij Thomas Rap, 9e druk, Amsterdam 2015.






















zondag 19 augustus 2018

Klimaatalarmisme en sussende woorden


Al heeft het veel te lang geduurd, het klimaat is eindelijk een groot politiek en maatschappelijk thema geworden. En veel meer dan dat natuurlijk, want een echt thema was het al lang, maar veel te vaak vooral slechts voer voor specialisten en activisten versus een onwillig luisterend oor.

Maar de klimaatproblemen hebben grenzen overschreden, ze zijn zichtbaar geworden. Politiek hardhorende politici kunnen er niet meer omheen, opiniebladen, tv en sociale media ook niet.
    En de mooie hete zomer. Wie niets van politiek wil weten merkt wel de warmte. Dat doet je wat. En de andere verschijnselen, stijgende zeespiegels, enorme afvalproblemen, plastic soep, uitstervende diersoorten en bijvoorbeeld enorme vervuiling door de bewapening en een stuk vreedzamer maar net zo ernstig de CO2-uitstoot door het vele vakantievliegverkeer. Enzovoorts.

In de media wordt nu alarm geslagen op vele manieren. Beter laat dan ooit? Of is het te laat? Alarm!
    Maar daar kan een volk niet mee leven. Een probleem dat te groot is om goed te begrijpen leidt tot cynisme en zeker tot wegkijken. Dan schiet het alarm nog niet op, leidt het niet tot actie, maar tot angst of egoïstische brutaliteit. Waarop kranten dan weer schrijven dat ondanks de hete zomer en de problemen je jezelf geen schuldgevoel hoeft aan te praten. Dan eindigt een reeks van reacties aldus in sussende woorden.
    Ja, dan loopt de politiek inderdaad vast, wat feitelijk eindigt in verdere verdieping van de klimaatproblemen én scheidslijnen tussen arm en rijk, tussen arme en rijke landen of tot oorlogen om de verdeling van de nog beschikbare ruimte, grondstoffen en dergelijke. De macht die wegkijkt, al probeert men dat met nieuwe mooie woorden te verdoezelen.

De werkelijke oplossingen zijn veel genuanceerder, maar soms ook hard, want de nodige diepgaande maatregelen moeten wél uitgevoerd worden. Schuldgevoel dat tot verlamming leidt en waarmee je anderen als schuldigen kunt aanwijzen heeft geen zin. En wanneer de schuld louter leidt tot individuele acties, die hoe belangrijk misschien op zich ook, nog weinig oplossen, kun je inderdaad je afvragen of problemen en acties hier zich wel passend tot elkaar verhouden.

Het probleem is voor het grootste deel politiek. Als voor mensen, betrokken burgers, een vraagstuk te groot is om te behappen, moet een overheid en de politiek volledig de verantwoordelijkheid nemen. Door het vraagstuk in totaliteit te analyseren en met oplossingen te komen, en door vervolgens delen van die oplossingen begrijpelijk te presenteren en uit te werken, zodat de bevolking op dat niveau daar wél grondig bij wordt betrokken.

Niet elkaar de vliegen afvangen maar oplossingen bieden, geen te moeilijke vragen zoals waar precies alle windmolens moeten staan ‘Hupsakee’ op het bordje van de burger gooien, maar doordachte stevige ideeën en uitwerkingen aanbieden. Ook waar nodig impopulaire maatregelen durven voor te stellen en uit te voeren. Daarbij grondig sociaal verantwoorden wat er nodig is.

De politiek moet staan voor de grote vragen die zich aandienen. Ook erkennen dat er dreigt dat weer de armen elders met de door het Westers kapitalisme veroorzaakte klimaatproblemen worden opgezadeld, ook erkennen dat de ongelijkheid bij fout beleid alleen maar toeneemt, vooral daarom een sociale politiek verbinden aan een klimaat- en vredespolitiek. Dat laatste onder meer om het afschuiven van de verantwoordelijkheid tussen landen en volkeren te vermijden.
    Geen sussende woorden, geen verantwoordelijkheid afschuiven. Wanneer grote problemen zo groot worden dat niemand ze individueel kan oplossen, moet de politiek tijdig doen wat nodig en (nog) mogelijk is. Dat sluit acties en initiatieven vanuit de basis geenszins uit, in tegendeel.

Schuldig of niet, de integrale vragen vereisen naast deeloplossingen vérstrekkende maatregelen. Partijen moeten deze voorstellen en hierop worden uitgedaagd. Niets doen is geen optie, weinig doen bij grote vragen ook niet.
      Schuldvragen mogen niet leiden tot verlamming, wat echter maar al te vaak nog wel het geval is. Dat kun je voorzien, dus daar kun je op inspelen.











zondag 29 juli 2018

Evolutie, taal en de teleologische redenering – Over preadaptatie


Een mooi begrip om over na te denken: preadaptatie. Over de logica van de evolutie. In het buitengewoon leerzame en leesbare boek van Menno Schilthuizen ‘Darwin in de stad’  loopt de auteur met een andere bekende bioloog, Geerat Vermeij, door de fietsenstalling van station Leiden. (p. 79 e.v.) Deze fietsenstalling blijkt de ideale biotoop van de huismus (Passer domesticus).
      Ideaal, niet zozeer omdat de mussen zich aangepast hebben aan fietsenstallingen, maar dat zij in hun vroegere bestaan, levend in het kreupelhout, al een set van eigenschappen hadden die nu in de fietsenstalling van pas komen. Ze kunnen leven in een ‘woud van spaken’ dus in de ruimte die onderverdeeld is in duizenden kleine dingen, bochtjes, randjes, kleine ruimtes met de nodige herrie, enzovoort. Dat kunnen veel vogels helemaal niet.
    Het verleden van de mus leidde al tot eigenschappen die in het heden van nut zijn. De fietsenstalling was nog lang niet uitgevonden toen de mus er al had kunnen leven. De eigenschappen waren er eerst al, nu nog de maatschappelijke, menselijke uitvinding van de fietsenstalling.

Een set van eigenschappen die toekomstig van nut zijn wordt ‘preadaptatie’ genoemd. Vermeij noemt het ‘voorbeschikt zijn’. Je zou het ook ‘voor-geschikt’ kunnen noemen. Geschikt zijn voor een situatie die er nog niet is, en die dus ook pas echt blijkt als die er – door wat voor oorzaken dan ook – nog komt. Adaptatie, aangepast zijn, in dit geval al op een moment dat het nog niet nodig lijkt, althans niet voor het leven in een fietsenstalling en zolang het kreupelhout nog bestaat en voldoet. Of er nog vergelijkbare alternatieven bestaan die eerst nog de voorkeur krijgen.
      Schilthuizen stelt dat preadaptatie ‘een beetje een mysterieus en controversieel concept (is) in de evolutiebiologie.’ (p.80) Dat is begrijpelijk, we zijn hier beland op het omstreden vlak van de teleologische argumentaties, die uitgaan van een zekere doelgerichtheid of doeloorzakelijkheid in invloeden, in causale verbanden van veranderingsprocessen. En met het woord doel kun je verschillende kanten op.

Er kan iets gerealiseerd worden dat er nog niet is, door een nog te voltrekken interactie van oorzaken. Er staan als het ware mogelijkheden (gesteldheden, oorzaken, invloeden) klaar die nog niet interacteren omdat nog niet alles daarvoor aanwezig is of omdat de noodzaak ervan niet groot is. In een latere fase wordt (mogelijk) de interactie gerealiseerd. Zo blijkt de dynamiek van de evolutie, waarin veel (alles) mogelijk is, maar lang niet alle mogelijkheden benut hoeven te worden.
    Tegelijk spreekt de dynamiek van de menselijke taal, die makkelijk afwisselend denkt en schrijft vanuit de objectiviteit óf juist vanuit de subjectieve beleving. Hier dus ook teleologisch: alsof een doel bereikt moet worden. En zo zijn er ook passende subjectieve uitdrukkingen: een set van eigenschappen moet om een verandering teweeg brengen als het ware ‘in vruchtbare aarde’ vallen, er moeten voldoende factoren die in dezelfde richting werken meespelen.
      Hoezo ‘vruchtbare aarde’? Dit is maar een manier van uitdrukken die in meer teleologische argumenten een rol kan spelen. En het meer objectieve begrip niche is natuurlijk niet zo anders als de subjectieve ‘vruchtbare aarde’. Moet elke niche ‘opgevuld’ worden? Van wie? En wanneer? Hier treedt minstens taalkundig een spanning op: de niche vraagt toch om ‘actie’?

Teleologisch, moet er een doel worden bereikt? Als dat doel geen wens van een mens is, maar gewoon een passende situatie, klinkt het direct minder beladen. Als het doel – zoals vroeger en soms nu nog gebruikelijk – vanuit een religieuze bepaling als een hoger doel dat bereikt moet worden wordt omschreven, begeef je je op het gladde ijs van de religie. Dan wordt inderdaad het mysterie meegedacht, is dat zelfs bepalend. Zo ontstonden de grote controverses. Wat weet de mens nu van de wil van de goden?
    Maar dat in de geschiedenis steeds nieuwe situaties nieuwe geschikte ‘dingen’, situaties, oorzaken aan de orde komen of actueel gemaakt worden, die vervolgens op elkaar inwerken, dat kan gewoon empirisch onderzocht worden.

Grofweg gezegd zou je zowel Aristoteles die de teleologische oorzakelijkheid erkent, als Spinoza die slechts uitgaat van een strikte causaliteit – tot op zekere hoogte – gelijk kunnen geven. Een bepaalde gesteldheid kan eerst nog geen werkende oorzaak zijn en in een latere situatie wel. Die potentiële oorzaak kan als het ware uitdagen, er moet iets bijkomen, maar deze oorzaak kan, onder bepaalde condities, wel werken, wel effecten sorteren. Dan – door de uitdaging, het aantrekken – past de formulering van Vermeij, het ‘voorbeschikt zijn’. Tegelijk kan de spinozist zeggen dat de werking, de interactie, de veroorzaking pas actueel speelt als aan voldoende eisen wordt voldaan. Dat sommige gesteldheden hiervoor al lang bestonden voegt daaraan niets toe.
      Een bepaald metaal kan al sinds mensenheugenis geschikt zijn om in computers verwerkt te worden, het wachten was wel op die computer. Maar ook: dat dit metaal ‘spannende’ eigenschappen heeft, kan ook voor de mens de uitdaging versterken de materie eerder te onderzoeken en toepassingen te ontdekken. Waarom zouden vergelijkbare mechanismen in de verdere natuur niet voorkomen? Daar bestaat geen enkele bekende ‘algemene’ of wetmatige reden voor.

De taal, het begrip preadaptatie is ongetwijfeld voor kennis over de evolutie, en ook politiek als het gaat om klimaatbeleid, van grote betekenis. De taal kan echter ook verleiden tot overdreven speculatie, zoals bijgeloof. Maar dat een begrip een zekere speculatie inhoudt kan ook uitdagen verder te kijken dan voorheen gebeurde.
    De huismus zal het een zorg zijn? Niet helemaal waar. De fietsenstalling leert ook heel wat over het woongenot van de huismus. Zijn er inmiddels ook geen geschikte plekken verdwenen? Is dat wenselijk? En ja, dan spelen doelen, de teleologische argumentaties op een ander vlak toch ook weer mee.

Het boek van Schilthuizen ‘Darwin in de stad’  zit vol met nieuwsgierig makende verbanden. Soms kun je zelf even kijken of het klopt, in je eigen buurt, zoals met de huismus. Is die er nog? Wat zegt dat?
      Biologisch, evolutionair, maar er zijn ook sociale en politieke consequenties. Deze aandacht voor anderhalve pagina van dit boek laat zien dat zorgvuldigheid ten aanzien van de feiten, de verbanden tussen feiten, de kennis en over de taal hierover belangrijk is. Niet alleen dat, het is ook leuk meer te weten over het bonte leven van de stad. Niet alleen ver weg kijken, ook dichtbij.










De huismus onder de mensen






Bronnen:

- Menno Schilthuizen, Darwin in de stad, Evolutie in de urban jungle, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam, Antwerpen 2018.

- Menno Schilthuizen, Waarom zijn er zoveel soorten? De oecologie van de biodiversiteit, KNNV Uitgeverij, 2010.
Wil je dit boek aanschaffen: er is een latere geactualiseerde uitgave, zie internet.

- Geerat Vermeij, Schelpen en beschaving, De evolutionaire zienswijze van Geerat Vermeij, Nieuw Amsterdam Uitgevers, Amsterdam 2011.

- Jasper Schaaf, Dialectiek en milieubeleid, Teleologische aspecten van ecologische verhoudingen, in Dialectiek en praktijk, De creatieve tegenspraak, Uitgeverij Damon, Budel 2005, pp. 103-110. Met als ‘Terzijde’: Ruimte om een toekomst open te houden.

Zie ook mijn blog van 1 december 2012, Evolutie en het teleologisch argument.













vrijdag 27 juli 2018

Ismail Kadare over macht, misdaad en ijdelheid


Jean-Claude Juncker en Donald Trump regelen het wel even. De hele handel op z’n kop. Het staat in alle kranten geschreven. Is het waarheid of ijdelheid? Als het niet waar is, wordt ieder voor de gek gehouden, terwijl er wel wat op het spel staat. Is dat een daad of misdaad?
    En andere types die zoveel beloofden en nu hun volk eerder knechten, helaas ook Nicolás Maduro en Daniel Ortega. Of wordt er teveel over één kam geschoren? Waarom houden machthebbers er niet gewoon mee op, als ze de toekomst toch niet hebben. Gewoon klaar, wegwezen. Hup, de vergetelheid in! Ga liever iets nuttigs doen.

Het zit zo diep in de menselijke natuur. Is dat de reden het maar zo te laten? Kritiek is er genoeg. De Albanese schrijver Ismail Kadare schreef toen Enver Hoxha de alleenheerschappij nog bekleedde al (vrij) kritisch over macht en misdaad. In zijn latere verhaal ‘De opvolger’  staat: ‘Er waren misschien nieuwe regimes aan de macht gekomen, andere gewoontes ontstaan en nieuwe kathedralen gebouwd, maar de misdaden die de mensen begingen, waren in wezen dezelfde. En altijd was het zo dat de naijver die daaraan ten grondslag lag, snel scheen te zijn vergeten, maar onderhuids voortwoekerde om op een gegeven moment weer in alle hevigheid tot uitbarsting te komen.’

Macht, naijver, praalzucht, gaat het om unieke inzichten? Eerder is dit een van de grote thema’s van de literatuur én van veel religieuze vermaningen.
      Voorbeelden te over, zoals bij tijdgenoten Niccolò Machiavelli en Desiderius Erasmus. Machiavelli schrijft bijvoorbeeld in ‘De heerser’: ‘Want de mensen zijn nu eenmaal slecht, en ze worden pas goed als een of andere omstandigheid hen daartoe dwingt.’ (171). En ook: ‘Want het doel dat het volk nastreeft, is hoogstaander dan wat de aanzienlijken beogen, aangezien deze laatsten willen onderdrukken en het volk alleen maar niet onderdrukt wil worden.’(102)

Leidt het gedrag van de heerser of politicus tot eeuwige roem? Nauwelijks. Noem de namen van machthebbers van weleer en de meeste mensen zullen je glazig aankijken. Tenzij ze iets blijvends voortgebracht hebben, dat verder reikt dat een bronzen standbeeld. Hoe groot je je ook voordoet, vergetelheid zal voor de meesten het lot zijn.
      Erasmus schrijft in de ‘Lof der zotheid’: Is niet de oorlog de bron van alle heldendaden en het veld van eer? En wat is er nou dwazer dan om willekeurige redenen zo’n strijd aan te gaan waar voor beide partijen altijd meer ellende dan goeds van komt? Degenen die sneuvelen, komen niet in het verhaal voor.’ (pag. 80-81) Hoogmoed sleept een volk mee in de val van de heerser.

Er wordt er veel strijd aangegaan die uiteindelijk vooral verliezers oplevert. Ook bestaat echter het omgekeerde, dat de strijd schijnbaar wordt vermeden, maar de geboden oplossing slechts uiterlijk vertoon is. Om ook maar snel te vergeten.






Bronnen:
- Ismail Kadare, De dochter van Agamemnon en De opvolger, Van Gennep, Amsterdam 2007, p. 222.
- Niccolò Machiavelli, De heerser, Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 2009, pp. 171 en 102.
- Desiderius Erasmus, Lof der zotheid, in Verzameld werk, deel 2, Lof en Blaam, Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 2004, pp. 80-81.














maandag 23 juli 2018

De zeespiegel stijgt ook in de vakantie


Tuvalu, Vlieland en Cacela

Ken je Tuvalu? Dat land bestaat uit een archipel van dunbevolkte eilanden in de Stille Oceaan. Meer dan honderd eilanden. Door de opwarming en het smelten van het ‘permanente’ ijs dreigt het hele land te verdrinken. De regering van het onderlopende land zoekt een nieuwe woonplaats voor haar bewoners. Maar niet alles kan, er is te weinig geld zomaar ergens anders voldoende land of een nieuwe staat te kopen. En waar staat nog een land te koop?
    Maar dit is belachelijk. Als de zeespiegel stijgt, stijgt die met mogelijk minimale verschillen overal. En die opwarming, hebben de bewoners van Tuvalu die veroorzaakt? Smelten door hun toedoen de ijskappen? Moeten zij hun eigen boontjes maar zien te doppen?

Neen, dat hebben ‘wij’ gedaan. Het blinde kapitalistische systeem, dat doorwerkt tot het niet meer kan en ergens vastloopt. Misschien moet het rijke Nederland maar een eiland afstaan, bijvoorbeeld Vlieland. In de republiek Vlieland mogen dan ook nog wat Nederlanders wonen, zodat ‘Dokter Deen’ door kan gaan.
    Deze oplossing is misschien onzin, de verplichting te ‘zorgen’ voor volkeren waarvan hun land onder water loopt is dat niet. Daar mag geen financiële beperking bestaan. Bijvoorbeeld ook niet voor het dichtbevolkte Bangladesh.

Stijgt de zeespiegel? Ja, je kunt het zelfs zien. Kijk naar de Nederlandse Waddeneilanden. Daarvan heeft alleen op Schiermonnikoog nog nooit een zandsuppletie plaatsgevonden. En voor Rijkswaterstaat is het inmiddels een normale zaak permanent stukken kust op te hogen. Ze hebben er een uitgebreid draaiboek voor ‘kustonderhoud’ voor ontwikkeld.
      En als het ophogen niet met een zekere overkill aan zand gebeurt, spoelt door de steile vooroever het hele zwikkie zo weer de zee in. Vandaar dat Nederland experimenteert met de Zandmotor bij Ter Heijde en de Hondsbossche Zeewering veranderd heeft in een nieuw duingebied. Mooi, nieuwe natuur, maar de aandacht dit te behouden wordt een permanente dure opgave. Betaalt ‘de vervuiler’ dit?

Ja, je kunt het goed zien als je er oog voor hebt. Pas nog, op vakantie in Portugal. In het zuiden heb je het beschermde natuurgebied Ria Formosa. Na de heftige winterstormen is men ook hier nu bezig de ‘waddeneilanden’ op te hogen. Op diverse plaatsen, zoals het Ilha de Tavira.
      Het gaat hier om lage smalle zandeilanden, een waddengebied vóór de rotsachtige hogere kust. Net zo mooi en soortenrijk als onze ‘eigen’ wadden.
      Zie de foto’s. Vanuit een hoog punt van Vila Nova de Cacela kun je op enkele eilanden kijken. Je ziet hier twee punten van eilanden bij Praia de Fabrica. Een aantal jaren geleden was hier nog een doorlopende kuststrook. Bij deze punten zie je hoe smal deze eilanden zijn. De kleine onderbroken groene strook is het restant van de eerdere ononderbroken duinstrook.

Zo ongeveer. Het ziet er fraai zomers uit, maar is ongelofelijk kwetsbaar. Hogere zee en heftige stormen, de mix voor een geweld dat zal leiden tot ingrepen die de kust in plaats van natuurlijk meer kunstmatig maken.
      De zee gaat niet met vakantie. Als je er oog voor hebt kun je grote veranderingen zien die zich voltrekken. Denk dan aan Tuvalu, het ligt vlakbij. Er bestaan hier grote verantwoordelijkheden, ook voor Nederland.








 
Dwergstern, strandbroeder in Ria Formosa















dinsdag 17 juli 2018

Immanuel Kant en een bezoekje van Trump en Poetin aan Helsinki


‘Alles is verloren, wanneer de empirische en derhalve toevallige voorwaarden voor de uitvoering van de wet tot voorwaarden van de wet zelf worden gemaakt.’

Immanuel Kant, 1793


Daar zitten ze dan. Trump en Poetin voor een boel rood-wit-blauw vlagvertoon in Helsinki. Aan de andere kant de wereldpers. Trump lult er onbekommerd op los en Poetin, je ziet hem ‘smilen’, ingehouden, maar kijk maar eens goed.
    De hele wereldorde wordt ter discussie gesteld. Is hier over nagedacht of zijn het toevallige woorden? Er lijkt met het grootste gemak ook heel wat anders gezegd te kunnen worden. Gewoon toeval? De Franse president Macron dacht pas Trump te kunnen paaien, maar die liefde is alweer vervluchtigd. Het toevallige domineert kennelijk. ’t Kan zus en ’t kan zo.
    Dit is levensgevaarlijk, voor de wereldorde, voor de vrede, voor rationele afspraken die over handel, kernbewapening, oorlogsvoering en armoedebestrijding bestaan. Gevaarlijk voor het welzijn van duizenden, met het risico dat veel werkenden hun werk kwijtraken als er geen werkelijke leiding en langeretermijn-beleid meer bestaat. Overdreven? De Verenigde Staten gooit jaarlijks duizenden bommen in landen waar ze officieel niet eens mee in oorlog zijn. Rusland is eenzelfde ‘ongeleid’ projectiel.
    De complexe wereld en de strijd om een sociaal waardig en beter bestaan vragen om heel wat anders, om leiding en rationeel ingrijpen ten gunste van de volkeren van deze landen en elders.

De grote idealistische filosoof Immanuel Kant (1724-1804) pleitte voor een hoge morele en strenge staatsvisie, waarin volkeren rationeel samenwerken. In die historische fase waarin de burgerlijke staten zich ontwikkelden werden vele staatsvisies geformuleerd. Dat was vruchtbaar. In de discussies en strijdschriften tekenden de nieuwe mogelijkheden van democratie en de beperkingen ervan zich af.
      Van Kants bekende ethiek wordt niet altijd beseft dat hij daarmee zeker ook een bewust moreel handelen op staatsniveau wilde bepalen. Daaruit ontstaat zijn pleidooi voor een ‘eeuwige vrede’, met een idee voor een samenwerking van alle volkeren.
      Kant schreef over het politieke thema ook in een wat minder bekend klein geschrift met de fraaie titel ‘Over de gemeenplaats: Dat kan in theorie wel juist zijn, maar deugt niet voor de praktijk’. Een soort pamflet. Hierin komt hij nadrukkelijk over ‘het toeval’ in de politiek en wetgeving te spreken. Hij is er vernietigend over, logisch want hij zoekt een balans op basis van een hoge en goed gefundeerde moraal. Kant schrijft: ‘Alles is verloren, wanneer de empirische en derhalve toevallige voorwaarden voor de uitvoering van de wet tot voorwaarden van de wet zelf worden gemaakt.’
      Alles? Is dat niet overdreven? Kant ziet hier echter vér vooruit. Het is goed zijn woorden te overwegen, als je de huidige politieke grabbelton ziet.

Mag het feit dat iemand verkozen is elk fundament loslaten? Het lijkt misschien democratisch, maar is het niet, wanneer de macht los van alle sociale voorwaarden, wetgeving en voorgeschiedenis wordt ingezet om eng kortetermijn-eigenbelang en ijdelheid te dienen. Of om de bevolking te vlijen met valse beloften. Sommigen menen wellicht bediend te worden door de praatjesmaker, maar kunnen op den duur alle grond onder de voeten kwijtraken.
      De grote staatsfilosofen uit de geschiedenis pleitten voor balans. De strijd de komende jaren zal sterk mede gericht zijn op het behoud en herstel van een sociaal evenwicht in de complexe machtsstructuren. Zeker in deze tijd van nauwelijks bij te benen technologische en biologische ontwikkeling. Dat is hoognodig ten gunste van de volkeren, de onderdrukten, de planeet, dus uiteindelijk van iedereen.




Boek: Immanuel Kant, Over de gemeenplaats: Dat kan in theorie wel juist zijn, maar deugt niet voor de praktijk, Ingeleid, vertaald en geannoteerd door Prof. dr. B. Delfgaauw, Kok Agora, Kampen 1987, pag. 35.




Immanuel Kant 1724-1804







N.B. - Over de betekenis van een sociale en politieke balans in machtsverhoudingen en de noodzaak voor socialistische en linkse organisaties zich ook hiermee bezig te houden, schrijf ik in mijn nieuwe boek dat dit najaar verschijnt onder de titel: Actief socialisme en vrijheid. Pleidooi voor hechtere linkse samenwerking – Doorbreek de vanzelfsprekendheid. Dit boek is onder meer op het denken van Karl Marx gebaseerd, met als inhoudelijk uitgangspunt dat er een continue machtsvorming nodig is om een socialistische politiek vorm te geven en de sociale belangen van ‘gewone mensen’ te bewaken.















donderdag 28 juni 2018

De gulden regel in Europa vandaag de dag


‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook de ander niet.’ De gulden regel van de ethiek in de populaire, volkse formulering. Eén van de vele formuleringen. Het perspectief van de ander, de medemens als moreel en politiek uitgangspunt nemen.
    Stel, je woont in Nederland en wilt een heleboel vluchtelingen liever niet in je eigen land opvangen, dan dump je die in een armer land, bijvoorbeeld Tunesië. En geeft er een zak geld bij. Maar helaas, de gulden regel bepaalt dat vóór je dat doet, je eerst nog eens goed moet overwegen of je het zelf ‘leuk’ zou vinden dat er op deze wijze met Nederland zou worden omgegaan. Dus inclusief het risico van een totale verloedering van de infrastructuur en een groot sociaal lijden. In Tunesië zit toch niemand daar op te wachten? Neen, dus doe je dat niet.
    De gulden regel is een sociaal beginsel op klein en groter schaalniveau. Een garantie voor een sociale structuur. Talloze culturen kennen het in een of andere vorm. Het is echter ook een beginsel dat in tijden van spanningen ter discussie komt. Je moet je rug recht houden, anders wordt het een loze kreet.

Vandaag gaan de Europese leiders (ja, … ‘leiders’) soebatten over hoe ze van de migranten af kunnen komen. De instroom is momenteel weliswaar gering, maar het rechts populisme doet de massa van de halfzachte middenmoot buigen. Het leiderschap van Rutte en vele andere politici komt dan ook neer op meebuigen.
    Maar kun je het Tunesië of vergelijkbare landen aandoen geprest te worden vluchtelingen en migranten op te nemen die naar Europa willen? Omdat deze ‘leiders’ vroeger op school met aardrijkskunde geleerd hebben dat Tunesië ook in Afrika ligt, en de Afrikanen kennelijk in Afrika moeten blijven, en eigenlijk liefst ook de Syriërs uit het verre Azië?
    Hier is de gulden regel in het geding. Gaan we anderen zo behandelen zoals we zelf behandeld zouden willen worden? En waar komen alle vluchtelingen, migranten eigenlijk vandaan? Treft bovendien ook Europa geen schuld? Zijn er hier wapens verhandeld bijvoorbeeld en is het kolonialisme al helemaal vergeten? Wil je zelf graag geen schuld dragen terwijl je dat wel hebt, maar gun je anderen die vermeende onschuld niet?
      ‘Ach het zijn gelukzoekers’ hoor ik sommigen en ook sommige politici zeggen. Heel simpel vraag ik met dan af: ‘Hebben wij recht op geluk en zij niet?’ Is er iets tegen geluk? Besef je nog wel wat dat eigenlijk is?

Bekijk het eens op kleiner niveau. Zouden wij zelf zo willen worden bejegend dat je geprest wordt de problemen van anderen oplossen? Is dat naastenliefde?
      Ja, de naastenliefde, daar moet ik aan denken. De christelijke Hongaren die zo graag voor hun naasten in de bres springen. Mooi christendom, maar met een heel valse ondertoon.
    Naastenliefde, een eeuwige waarde die het misschien toch niet overleeft. Anders gezegd, de gulden regel van de moraal, is dat echt goud? Ja er is een moreel principe in het geding, dat weliswaar vaker in het geding was, maar ook steeds weer een uiting was van diep inzicht en een hoge moraal. Gaat de Europese Unie dat te grabbel gooien? Denk liever eerst eens na.

De gulden regel is oud. Wanneer de regel onder druk eens niet wordt toegepast, wordt die vrijwel zeker daarna weer uitgevonden. De gulden regel bestaat altijd en overal weer en in vele vormen. Er zijn talloze culturele uitingen van vele volkeren, overal ter wereld, waar het inzicht van ‘helpt elkaar, zoals je zelf behandeld wilt worden’ bestaat. Eigenlijk overal.
    Er ligt een diep inzicht onder. Een cultuur kan er niet zijn als mensen elkaar niet ondersteunen. Personen, mensen moeten worden bezien vanuit het gezichtspunt waar je zelf aan hecht. Het gezichtspunt van de ander is het gezichtspunt van de mensheid. De christenen hebben hier geen abonnement op. Dus als ‘christelijk landen’ (vandaag) de naastenliefde in de uitverkoop doen, blijven tal van denkers hun betekenis houden, met betrekking tot hetzelfde principe.

De geschiedenis van de filosofie getuigt ervan dat het morele perspectief van de ander steeds weer opduikt. Of het nu intuïtief of rationeel is, of door een god op het bordje van de mens is gelegd, er zijn waarden die met eeuwigheid behept lijken te zijn. Een kleine greep uit deze geschiedenis.
    De regel is waarschijnlijk veel ouder dan de geschreven en overgeleverde taal. Maar in de eerste overgeleverde teksten duikt deze al op. De Chinese wijsgeer Confucius gebruikte al dezelfde termen als je nu nog hoort, waarin het perspectief van de ander bepalend is. Wat is menselijkheid? Antwoord: ‘Een ander niet aandoen wat je voor jezelf niet wilt.’ Hij pleit hij voor ‘shu’, voor wederkerigheid.
    Een andere Chinese filosoof was Mozi. Deze meende: ‘Als men het land van anderen zou beschouwen als het eigen land, wie zou dan nog opstaan om het land van anderen aan te vallen?’ Zo kan de vrede worden bewaard.
    In het boeddhisme, al in de eerste geschriften speelt de compassie een grote rol, niet alleen voor de mensen, maar voor de hele natuur. Van het christendom, hier welbekend maar lang niet altijd consequent bemind, moeten de bijbelse tien geboden uit het hoofd worden gekend. ‘Hebt uw naaste lief als uzelf.’ Mooi om elke dag te overwegen, ook in Hongarije.

In de sociale en staatsfilosofie van het Westen duikt het principe van wederkerigheid en het morele perspectief van de ander herhaaldelijk malen op.
    Thomas Hobbes is een grote naam in de staatsfilosofie. In zijn boek ‘Leviathan’  citeert hij ook letterlijk ‘Wat gij niet wilt dat U geschiedt, doet dat ook een ander niet.’ Dat is bij hem veel meer dan een herhaling van wat ieder al weet: deze regel vereist een sterke staatsvorm. Er is politieke organisatie nodig om de ethiek te garanderen. De regel zelf ziet Hobbes als een natuurwet, maar deze vereist dus een stevige garantie die weliswaar moeilijk te geven is.

Die laatste twijfel duikt ook bij Benedictus de Spinoza op. In zijn ‘Politieke verhandeling’  staat: ‘Hoewel overigens allen ervan overtuigd zijn, dat de godsdienst daarentegen leert, dat ieder zijn naaste als zichzelf moet liefhebben, dat wil zeggen dat hij het recht van de ander als zijn eigen recht moet verdedigen, hebben wij aangetoond dat deze overtuiging toch weinig vermag tegen de aandoeningen.’ Dat is niet niets. De godsdienstige onderbouwing alleen is te zwak, er is een politieke, staatkundige organisatie nodig. Daarom is de grondslag van de seculiere staat, de democratie en het recht zo wezenlijk. Het aspect van recht en wederkerigheid moet verankerd worden.

Een beroemde en misschien wel meest diepgaande poging tot zo’n verankering vinden we bij Immanuel Kant. Hij formuleert een ‘categorische imperatief’, een strikte eis bij moreel handelen uit te gaan van het standpunt van algemene wetgeving voor ieder. Niets doen dat je niet zou willen als wet die jezelf raakt.
    Bij tal van denkers komen sindsdien, net al voorheen, de noodzaak van sociale wederkerigheid naar voren. Bij John Stuart Mill, die in zijn liberale vrijheidsfilosofie de wederkerigheid van het recht en de vrijheid als voorwaarde ziet. Om de waarheid te leren kennen moet je je volgens hem verplaatsen in het gezichtspunt van de ander. Bij Karl Marx die stelt dat een volk nooit vrij kan zijn als het een ander volk onderdrukt.

Dan hebben we het nog niet eens over andere grote namen gehad. Over de vroege kerkvader Augustinus en later over Jean-Jacques Rousseau en Johann Gottlieb Fichte met hun pleidooi voor gelijkheid en vrijheid voor iedereen, of veel recenter over Emmanuel Levinas, die de hele antropologie, ethiek en visie op ‘waarheid’ fundeert op het perspectief van de ander.
    Jawel, men spreekt zo makkelijk over Westerse waarden. En ze zijn er, al zijn ze helemaal niet zo uniek Westers als soms wordt beweerd. Maar te grabbel gooien kan wel, zie de Hongaarse machthebbers van vandaag.
      Toch zal een echte politieke en economische solidariteit met Afrika, Azië en het Midden-Oosten de betere, de echte oplossingen moeten bieden voor concrete problemen. Radicaal rechtse praat kan gemakkelijk opkomen, zoals de huidige tijd leert, het verzet er tegen is echter een krachtige continue historische lijn, veel meer dan in de filosofie alleen.







NB – Deze blog is wat sneller geschreven dan gebruikelijk. Mogelijk wordt deze nog een keer verder en nauwkeuriger uitgewerkt, inclusief bijbehorende bronvermeldingen. Zeker met de kerkvaders erbij, vervolgens de grondleggers van de burgerlijke staat en de latere sociale alternatieven, is dat een interessante ethische en politieke exercitie. Nuttig voor vandaag de dag.













vrijdag 22 juni 2018

De grutto laat zich nog niet uit het veld slaan


Er is veel te doen om de grutto’s en andere weidevogels. De soort is sterk uitgedund en dat leidt tot flinke discussie over de inrichting en het beheer van de weilanden, en over de landbouw en veeteelt zelf. Dat laatste niet alleen om de vogels, voor alle duidelijkheid.
      Dan de predatie. Soms zie ik op mijn racefietsje grutto’s en tureluurs, en dan in hetzelfde weiland een dikke kat sluipen. Misschien is hier een ophokplicht in het voorjaar nodig. Alle katten verplicht drie maanden binnenblijven. In de stad ook trouwens, dat is dan weer goed voor de merels.
    Zo zijn er nog veel discussies nodig, maar laat die alsjeblieft niet te lang duren. Hoog tijd voor doeltreffende actie om de grutto te redden.

De grutto’s, ze horen op paaltjes te zitten, net als de tureluur. Een grutto op een paaltje, zag je die vroeger niet vaker dan nu? Ik ken diverse gruttogebiedjes rondom de stad. Als je daar langs komt lijkt het toch dat er weer minder vogels zijn. Enkele exemplaren, waar je vroeger wat meer bij elkaar zag. Maar goed, mijn waarneming is geen precieze telling, eerder een globale bevestiging van observaties van anderen.

De grutto laat zich echter niet zomaar uit het veld slaan. Kijk, toch een op een paaltje, abstracte kunst hoe hij daar staat met de lichtgroene achtergrond, op zijn ranke donkere poten. Hij kijkt ook nog de andere kant op. Logisch, hij staat met de wind mee als het ware. Weigert zich naar me om te draaien. Misschien wil hij gewoon niets zien.
      Nu waait het vandaag inderdaad hard. Dus zit ik ook in mijn langzame modus en zie op verschillende plekken grutto’s.

Ze zijn er dus nog. Op deze dag waarop ook tientallen huiszwaluwen, wat minder boerenzwaluwen en wel talloze gierzwaluwen laag bij de grond vliegen. Gewoon vlak over je heen, voor en achter je langs. En kijk, op een tweede paaltje, verder het land in vliegt een gierzwaluw vlak om een andere grutto heen. Een wat lichtgekleurd dier dat er net is gaan zitten. Misschien een jonge grutto? Niet helemaal goed te zien. Zeker een stuk lichter dan de grutto vooraan. Zou een jong kunnen zijn, zo eind juni, lijkt me. Maar misschien zijn gewoon zijn veren wat verwaaid.

In de langzame modus heb ik mijn fototoestel bij me. De grutto’s laten zich een kwartiertje bekijken, tot ze het welletjes vinden. Verder op in het weiland landen er nog enkele. Geen grote aantallen, maar ze zijn nog niet uit het veld te slaan dus. En nog niet van de paaltjes. Ik ben erg voor paaltjes in het land.





Op de foto’s zie je de grutto, hij kijkt eerst weg, want het waait, hij staat met de wind mee. Omgedraaid kijkt hij met enige interesse terug zonder weg te vliegen. Intussen is een eind verderop nog een grutto op een paal van een hek geland. De half mislukte foto laat een gierzwaluw zien die vlak om de grutto vliegt. Deze grutto oogt lichter, misschien een jong dier, ik kan het niet met zekerheid ervan maken. Op de laatste foto staat weer de grutto vooraan.