zondag 15 oktober 2017

De collectieve sector als sluitpost van het kapitaal


Zorg, het zal me een rotzorg zijn? Zo is het niet helemaal. Ook in een kapitalistische maatschappij bestaat een collectieve sector, die tal van voorwaarden voor het voortbestaan van het economisch stelsel vervult. Maar als het kan graag op een koopje!
      Niet een stelsel van zorg staat centraal met een bijbehorende economie die daartoe de middelen verschaft, maar een stelsel dat zich richt op winstmaximalisatie. Daarbij zijn nu eenmaal werkers en consumenten nodig (nog wel!) die begrijpelijkerwijs dus voorzieningen nodig hebben. Een vervelende kostenpost. Dat kapitalistische idee wordt tot op de dag van vandaag royaal gesteund door de overheid, door de zorg te kortwieken en voor de bedrijven belastingen te verlagen.
      Dat per saldo aan mensen nodige ondersteuning wordt onthouden en tegelijk de ongelijkheid tussen personen en groepen ermee in stand wordt gehouden, wordt op de koop toe genomen. Het (neo)liberalisme heeft immers voldoende machtsposities dit voorlopig zo te doen.

De collectieve sector bestaat niet alleen uit zorg, zoals ieder weet. En crisissituaties bestaan niet alleen bij wijkverpleging en bijvoorbeeld ziekenhuizen, maar ook bij politie en leger. Opmerkelijk afgelopen periode te zien, dat daar waar bezuinigingen zover zijn doorgeschoten dat het systeem eronder kraakt, er afgedwongen kwaliteitsimpulsen nodig waren om de ellende echt goed aan de orde te stellen.
      Dus niet het tijdig goed afgewogen rationele argument telt, niet de redelijke kennis die ruimschoots voorhanden is, maar eerder een situatie die om een onvermijdelijke kwalitatieve input vraagt of een incident met zo’n impact dat het wel besproken móét worden. Zie deze voorbeelden van zo’n niet meer te vermijden input:

Input 1: de nationale politie. Het smeermiddel voor de overhaaste reorganisatie in de ‘persoon’ van de omgekochte (?) Centrale Ondernemingsraad werkte te buitensporig, onwettig. Werd er iets toegedekt? Dat roept een hele discussie op over het beperkte succes en het falen van de nieuwe politieorganisatie.

Input 2: het leger. Argumenten tegen de bezuinigingen waren er al lang, vertolkt door overtuigde en welbespraakte militairen. Spot viel het leger eerder ten deel, poefpoef, maar dat hielp niet. Een incident met dodelijke slachtoffers was nodig om de zaak echt op scherp te stellen.
      Hoe je ook over de veiligheidspolitiek van de Nederlandse natie mag denken, je stuurt geen jongens het veld in met onvoldoende middelen, dat is evident moreel verwerpelijk.

Input 3: de zorg. De zorg kent tal van facetten. De bezuinigingen en het door de nationale regering over de schutting kieperen van verantwoordelijkheden, de vele ontslagen, het riep acties, verzet, het mooie initiatief voor een Nationaal Zorgfonds, en ook nog tal van ijzersterke argumenten op.
      Het hielp nauwelijks, ondanks alle informatie en argumenten. Tot onder druk en misschien op een moment van onoplettendheid de ‘geniale zet’ werd gedaan om het Zorginstituut Nederland naar de verpleeghuiszorg te laten kijken. Om een bindende uitspraak te doen. En ja, als het gewoon om echte, haast vanzelfsprekende kwaliteit gaat, deugt het allemaal niet.
    Resultaat: meer dan 2 miljard extra voor de (intramurale) verpleeghuiszorg. De dwang van een echte en beslissende kwaliteitseis, dus op inhoud gericht, doet wonderen. Redelijkheid met macht, dat blijkt de goede combinatie.

De nieuwe rechtse regering wil het hier natuurlijk niet bij laten. Ze wil dat de ambulante zorg voor jong en oud, geestelijke gezondheidszorg, de ziekenhuizen en andere zorgvoorzieningen nieuwe miljarden ophoesten. Twee miljard extra naar de verpleeghuiszorg? ‘Dan pakken we dat elders wel weer af’, lijkt men te denken. Met het smoesje erbij dat deze financiële opgave weliswaar moet, maar er natuurlijk nog wel zorgconvenanten moeten worden afgesloten. Als dat gebeurt wordt de zorgverlener ook nog medeplichtig gemaakt.
      De inhoud en kwaliteit komen dus weer ver achter het financiële verhaal aan. Redelijkheid zonder macht. Eerst de wurggreep, dan pas de kwaliteit, de inhoud. En zonder verassende ingreep – zoals bij de drie genoemde punten – en zonder massale actie, zal de discussie over kwaliteit niet zoveel voorstellen. Bijvoorbeeld door de angel uit het parlementaire debat te halen door onderzoeksvoorstellen te doen en echte antwoorden op de dringende vragen door te schuiven naar Sint Juttemis.
      Het gaat om zorg en welzijn voor de bevolking, maar het blijkt zo ook een strijd tussen kwantiteit en kwaliteit.

Allemaal het oude liedje? Terecht steken de linkse partijen, vakbonden, ouderenbonden en allerlei burgerorganisaties de koppen bij elkaar om macht te vormen tegen de nieuwe verslechteringen die ingrijpen in het dagelijks leven.
    Het zou mooi zijn die nieuwe samenwerking vast te houden, uit te breiden, de visies op alles wat politiek niet deugd verder uit te diepen, alternatieven te bedenken, en een stelsel te bevorderen waarin het rijke Nederland in de eerste plaats goede zorg biedt waar dat nodig is. Een gewone prioriteit.








het Nationaal Zorgfonds, een goed initiatief!













woensdag 11 oktober 2017

Friedrich Engels, zelfstandig denker naast Marx


Friedrich Engels (1820-1895) is vanaf hun eerste samenwerking in 1844 tot aan diens dood in 1883 nauw bevriend met Karl Marx (1818-1883). Boezemvrienden, in dagelijkse briefwisselingen aan elkaar verbonden, in theorie en in politieke strijd. Toch wordt Marx vaak gezien als de geniale trekker en Engels als zijn medewerker. Dat is toch niet de goede verhouding, hoe vaak Engels zelf ook heeft benadrukt dat Marx duidelijk de grote wetenschapper van hun beiden was.

Inderdaad systematiseert Marx zijn visie op de geschiedenis en de kritiek op de kapitalistische economie, en geeft zo een zekere afronding aan hun strijd en werk. Maar in alle fasen van hun samenwerking draagt Engels veel meer dan een steentje bij. Helemaal aan het begin, in 1844 schrijft Engels het artikel ‘Schetsen van een kritiek op de nationale economie.’, terwijl Marx nog druk doende is zich van de laatste idealistische restanten van Hegels dialectiek los te maken. Dat artikel van Engels is het begin van de rode draad waarvan Marx’ ‘Das Kapital’ een veel latere fase vormt. Marx bouwt echt verder op Engels’ insteek van 1844.

Tal van situaties zijn nadien te noemen waarin Engels initiatief neemt, strijdt, kritiseert en partijen verbindt. Ook theoretisch. Zijn boek uit 1845 ‘De toestand van de arbeidende klasse in Engeland’ is een eerste sociologisch empirische en materialistische studie naar de concrete gevolgen van de diepe tegenspraak tussen kapitaal en arbeid, en over de verloedering van de arbeiders en hun gezinnen. Zo zet hij de toon. Ook emotioneel trouwens, Engels is verontwaardigd over de positie van het gewone volk.
    Of veel later. Terwijl Marx kritiek krijgt van Eugen Dühring – een soort socialistische professor die meent alles beter te weten dan Marx – reageert niet de laatste, maar juist Engels met een zeer uitgebreide reactie. Waarom hij? Omdat hij vindt dat Marx verder moet werken aan ‘Das Kapital’. Engels neemt Marx dus werk uit handen. Er zijn daarna wel mensen geweest die dat boek van Engels, de ‘Anti-Dühring’, van Marx’ visie proberen los te maken. Maar dan wordt over het hoofd gezien dat Marx wel meeschrijft aan dit boek en een deel ervan direct van zijn hand is.
      En nog veel later. Na Marx’ dood is van ‘Het Kapital’ slechts één volledig deel geschreven en eigenlijk is dat nog niet eens af. Verder ligt er een berg van concepten, tekstfragmenten of half afgemaakte hoofdstukken. Engels slaagt erin – en hij is de enige die  dit op dat moment kon – om vanuit die berg aantekeningen de verdere delen van ‘Das Kapital’ te publiceren. Tegenwoordig hoor je hier wel eens een schampere opmerking over, als zou Engels dat niet 100% goed hebben gedaan, dat redactionele werk. Maar let op, waar Marx zijn halve leven aan heeft gewerkt maakt Engels in enkele jaren af, voor zover dat kan. Kritiek nu, precies 150 jaar na het verschijnen van het eerste deel van ‘Das Kapital’, klinkt als gemakkelijk praten, hoe goed het nu ook is alsnog meer kritische reconstructies van alle materiaal te maken en alle aspecten nader te onderzoeken.

Over Engels valt veel meer te zeggen. Hij is vaak praktisch ingesteld en schuwt het politieke avontuur niet, zoals blijkt in het revolutiejaar 1848. En hij bestrijdt vooroordelen. Bij het eerste opkomende georganiseerde antisemitisme, waar sommige socialisten gevoelig voor blijken te zijn, pleit Engels hier resoluut tegen. En ten aanzien van het kolonialisme stelt hij met Marx dat een land nooit vrij kan zijn zolang het een ander land onderdrukt.
    Engels bestrijdt ook de gedachte dat socialisme voor elk land en in elke situatie hetzelfde betekent of dat socialisten altijd dezelfde werkwijzen moeten hanteren. Hij schrijft expliciet ‘dat het onzin is de beweging in alle landen dezelfde vorm te geven.’ (In Brief aan August Bebel, 1892, in MEW, deel 38, p 518.) Een idee waar veel hardnekkige latere socialisten wat van hadden kunnen leren.

Engels heeft humor. Wat is er mooier dan wat ironie in de politiek? Wanneer Marx’ eerste deel van ‘Das Kapital’ uitkomt wil Engels hier wel wat publiciteit aan geven voor de verkoop. Marx is op dat moment helemaal niet zo bekend, en net als tegenwoordig zit niet iedereen op een uitvoerige analyse van de hele economie te wachten. Liever wil men een kant-en-klaar idee hoe de betere wereld, de hemel op aarde bereikt kan worden. En dat je dat allemaal precies moet kunnen uitleggen. Daar speelt Engels ironisch en provocerend op in, een kritiek op utopisme.
    Hij schrijft dan over het net verschenen ‘Kapital’: ‘Dit boek zal menig lezer zeer teleurstellen. Al vele jaren wordt, van bepaalde kant, op het verschijnen ervan gewezen. Want hierin zou eindelijk de ware socialistische geheime leer en haar wondermiddel worden onthuld. En menigeen zal zich hebben voorgesteld, toen hij het boek eindelijk zag aangekondigd, dat hij hier nu zou ervaren, hoe het dan eigenlijk in het communistische duizendjarige rijk eruit zal zien. Wie zich op dit genoegen heeft verheugd, heeft zich grondig vergist. Hij ervaart hier echter hoe de dingen er niet uit moeten zien, en weliswaar wordt hem dit met een zeer duidelijke hardhandigheid 748 pagina’s lang uiteengezet, en wie ogen heeft om te zien, die ziet hier de eis van een sociale revolutie duidelijk genoeg gesteld. (…) Het gaat hier om de afschaffing van het kapitaal überhaupt.’ (in Rezension des Ersten Bandes ‘Das Kapital’ für die ‘Düsseldorfer Zeitung’, verschenen op 16 november 1867, in MEW, deel 16, p. 216.)

Wat Engels bedoelt is nogal wat. De duizendjarige hemel op aarde kan men wel vergeten, maar liever moet men zich inzetten het hele kapitalistische stelsel te revolutioneren. Dat is een hele klus. Niets gaat vanzelf. De arbeiders zullen moeten studeren en zich organiseren, dat laatste is een thema dat ook in Engels’ latere geschriften vaak opduikt.
    Of door zo’n aansporing van Engels in 1867 velen direct het boek kopen, is natuurlijk de vraag. Engels weet zelf ook dat niet iedereen gelijk de hele analyse zal willen volgen. Misschien was hij hierin wel realistischer dan Marx. Het boek verkoopt de eerste jaren niet goed. Dat duurt even. De eerste vertalingen en een tweede Duitse druk verschijnen vanaf 1872/73.

Alles overziende zijn Engels en Marx keer op keer kritisch en opbouwend in elkaars theoretische en praktische bijdragen. Behalve boeken getuigen honderden brieven hiervan. Voorbeelden te over, inclusief hun belangrijke coproductie ‘Het communistisch manifest’. Een langere periode van verwijdering is er – zover ik weet – nooit geweest.
















zaterdag 23 september 2017

Nog nooit iets van José Saramago gelezen? Lees dan nu 'Hellebaarden'!


‘Vandaag de dag heerst er rust, sociale rust bedoel ik, Die is nooit te vertrouwen, zei de oude man, dat is stil water, schijn, meer niet.’


De grote schrijver José Saramago (1922-2010) schreef vlak voor zijn dood nog een boek. Het is niet afgekomen, maar wel een boek, alles wat hij wilde zeggen staat er in. Dat denk ik. Hellebaarden is geen neutrale roman.’ Niets bij Saramago is neutraal. Leeft een mens echt, dan is hij niet neutraal, maar verantwoordelijk.
    Dat klinkt zwaar, en inderdaad zitten Saramago’s boeken vol met woede en waarlijk communistische maatschappijkritiek. Maar zelden wist iemand zijn verhalen zo leesbaar, ironisch en met zoveel humor en absurditeit te schrijven als Saramago.

Saramago heeft veel sociale thema’s in zijn boeken verwerkt. Vrij kort voor zijn dood bedacht hij toch nog een boek te willen schrijven. Hij vroeg zich af: ‘Zou er ooit gestaakt zijn in een wapenfabriek?’ Ja, dat kun je je ook moeilijk voorstellen, althans dat zal dan toch problemen geven, wanneer bestond er ooit een wereld zonder wapens en hoe kan de oorlog dan nog worden gevoerd?
    Van zijn vraag maakt Saramago een ironisch verhaal met een reële kern. Over de politiek en de mens in het algemeen, en over de Spaanse Burgeroorlog.

Een recensent die Hellebaarden netjes besprak vond het vooral mooi voor de bestaande liefhebbers van Saramago. Alleen die zullen dit boek aanschaffen, dacht hij.
      Dat lijkt me nu een verkeerd idee. Voor iedereen is dit leesbaar, mooi en niet-verkeerd moralistisch. Veel zinnen hebben ogenschijnlijk bijkomstige uitstapjes die wel aan het denken zetten, prachtig verwoord.
      Dat van het eigenlijke boek dan maar ongeveer 70 bladzijden klaar gekomen zijn, is helemaal geen probleem. Ieder kan die met plezier drie keer lezen en er steeds genoeg nieuws in ontdekken. De taal alleen al.

Na de eigenlijke tekst staat er – samen met illustraties van Günter Grass – een interview in met Saramago’s vrouw Pilar del Río. Zij zegt: ‘Hij stelt het bestaan van wapenfabrieken ter discussie.’ En: ‘… de realiteit wijst uit dat de wapenproductie de productie van conflicten eist.’ Zo onweerlegbaar waar dat bijna niemand dit beseft? Saramago’s woede is begrijpelijk.

In het boek zelf laat Saramago de algemeen directeur van de ‘bekende wapenfabriek belona bv’ zeggen: ‘Alle landen, wat ze ook mogen zijn, kapitalistisch, communistisch of fascistisch, fabriceren, kopen en verkopen wapens, en niet zelden gebruiken ze die tegen hun eigen inwoners.’




Hellebaarden is uitgegeven bij Meulenhoff, ISBN 978-90-290-9196-1
In het boek staat het verhaal voor zover het klaar was, enkele aantekeningen van José Saramago over dit verhaal, een toelichting van de vertaler Harrie Lemmens, een interview met Pilar der Rió en tekeningen van Günter Grass. Waardig uitgegeven!


Ben je ook kritisch over wapens, wapenproductie en wapenhandel? Kijk eens op de website: www.stopwapenhandel.org/















woensdag 20 september 2017

‘Niet meer weg te denken’ – Is dit nu een drogreden of niet?


Argumenten en valse argumenten, ze wisselen elkaar makkelijk af. Heel veel van de politiek draait op het snijvlak van beide. Ondanks de veelgeroemde democratie. Goede redenen, slechte redenen, wat is het nu precies?

Pas, begin september, liep de overleg tussen de vakbonden en de werkgevers, de bedrijfsbazen vast. Flexibilisering en ontslagrecht, beide volledig uit de hand gelopen, was het breekpunt. De werkgevers lijken dat wel prima te vinden.
    Een woordvoerder van de werkgevers zei in de media dat ‘flexibele arbeidsrelaties niet meer weg te denken zijn’.
    Laat dat maar eens bezinken. In mijn gedachten zijn ze prima weg te denken. Wat is dit nu precies, iets wat niet weg te denken is? Is het een visie op de wereldgeschiedenis? Misschien wel, inderdaad hebben werkgevers door de neoliberale hegemonie afgelopen twee decennia heel veel bereikt wat ze de eeuw ervoor waren kwijtgeraakt, de bijkans algehele macht over hun ‘personeel’. Over de werknemers, de arbeiders. In die zin is het echt ‘Historisch’. Het was gewoon lange tijd niet gelukt en nu wel, door de wind van het neoliberalisme en gesteund door de paniek van de crisis. Dit wilden en willen kapitalistische werkgevers altijd! Crisis is voor ondernemers niet alleen een risico, maar ook een kans.
    Maar dan nog, kan het argument kloppen? Je hoeft dan niets meer te doen, want wat niet weg te denken is heeft nu ook een reëel eeuwig bestaan. Of niet?
    Het gaat vooral om een wens, de ‘selffulfilling prophecy’. Je denkt het pas weg als het ook niet meer op tafel mag komen. En dat deden de vakbonden dus wel en dus beter. Spelbrekers van de drogreden. En natuurlijk bestaat er internationale concurrentie, ook zo’n veelgehoord argument. Maar daarom moeten vakbonden ook internationaal opereren en samenwerken. Inderdaad is er nog wat dat niet meer weg te denken is.
    Het is politiek en dat is wat anders dan een mystiek tijdverschijnsel. Het is kennelijk niet wat het lijkt, zoals zo vaak. De schijngestalte is slechts een klein deel van de waarheid.

En ook pas, dezelfde septembermaand. Er ontstaat een discussie in Groningen over de eventuele sloop van het bekende Cultuurpaleis ‘De Oosterpoort’.
      De plaatselijke krant getuigt van het ontluikend debat met gelijk al de nodige krachtargumenten of argumenten met een (mogelijk) misleidende nadruk. Kennelijk zijn er sloopliefhebbers die zich hier of daar al weer een nieuw cultuurpaleis voorstellen, dromen. ‘De Oosterpoort’, dat al meer dan 45 jaar niet onaardig functioneert blijkt heel goed weg te denken. Als heel de politiek het wegdenkt, is het gebouw zo gesloopt. Alleen nog even wachten op de vervanging.
    Eigenlijk zou een ware democratie vereisen dat bij het ongetwijfeld bouwkundig, duurzaamheidkundig en een beetje cultureel onderbouwde plan voor sloop verplichte tegenvisies worden geformuleerd. Wat is immers een afweging zonder alternatief? Er is sprake van een drogreden, wanneer een goed mogelijke afweging taalkundig wordt weggepoetst.

Hele en halve drogredenen, waarin de historie bij beide voorbeelden een rol speelt. Ten gunste van ‘nooit meer weg te denken’ bij de werkgevers, of van juist ‘zo snel en radicaal mogelijk wegdenken’ bij de sloop van een cultuurcentrum.

Wat nu dan te doen? Juist als het niet een-twee-drie duidelijk is, en je hopelijk al op je voelsprieten merkt dat er iets niet helemaal lijkt te kloppen, is het goed nog eens naar de argumenten te kijken.
    Vaak is het vrij makkelijk een werkwijze te vinden die de ‘ware argumentatie’, met zowel de onwenselijke als wenselijke gevolgen, blootlegt.

Bij de werkgeversbaas? Het gaat hier zeker ook om een krachtargument of wat daar tegenaan schuurt. Gewoon actie voeren dan maar, dan komen er reeksen van zwakke en sterke argumenten aan bod. Kracht van het woord aanpakken door de doelgerichte kracht van andere woorden, die voor veel mensen er écht toedoen. Wat er echt toe doet kan niet worden weggedacht.
      Dus: wég met de flexibilisering! Wég met door de werkgevers eenzijdig opgelegde arbeidsvoorwaarden! Je zult zien dat er heel wat ‘weg te denken’ is, waar sommige werkgevers alleen zo nu en dan nog maar een nare droom over hebben.

Bij de discussie over een nieuw cultuurpaleis? Wat is nu creatief tegenover het zo stellige afbraakwoord? Bijvoorbeeld dat de gemeente of raadsfracties een serieuze prijsvraag uitschrijven met als opdracht aan architecten en ingenieurs de mooiste, betaalbaarste, duurzaamste en anderszins prachtigste verbouwing te ontwerpen. Het slimste, mooiste en creatiefste antwoord verdient de hoofdprijs. De discussie gaat dan vast alras verder op een heel ander niveau, want dan staan er twee echte alternatieven tegenover elkaar.