maandag 8 juni 2015

Slavoj Žižek op het verkeerde been


Van Slavoj Žižek is zojuist een nieuw boek in Nederlandse vertaling uitgekomen: ‘Event, Filosofie van de gebeurtenis’. Brachten Alain Badiou en Antonio Negri de gebeurtenis als revolutionaire verandering al naar voren, Žižek doet er graag een schepje bovenop. Over Badiou, toch ook niet de eerste de beste, zegt hij, dat diens opvatting over de gebeurtenis neerkomt op een ‘simpele verandering’. (pag. 165)
      De ‘gebeurtenis’ is het thema. De genoemde denkers concurreren in radicaliteit. Hier presenteert zich een denken dat de impasse van de crisis en de hernieuwde kapitalistische dominantie te lijf gaat met de authentieke gebeurtenis die zowel de realiteit als het totale denkkader met al zijn lagen en toepassingen omgooit. Hoe dit te denken en te doen?

.... Maar laat ik anders beginnen.

Als mij gevraagd zou worden een rijtje van drie van de grootste filosofen te presenteren en ik de tegenzin voor een dergelijke geforceerde keuze zou overwinnen, werd het waarschijnlijk: Aristoteles, Spinoza en Marx.
    Žižek toont hier geen gêne en lanceert zijn top drie: ‘Er zijn drie (en niet meer dan drie) werkelijk belangrijke filosofen in de geschiedenis van de westerse metafysica: Plato, Descartes en Hegel. Stuk voor stuk veroorzaakten ze een duidelijke breuk met wat vooraf ging: niets was nog hetzelfde nadat zij op het toneel waren verschenen.’ (pag. 75)
    Dit lijkt een heel ander rijtje dan dat van mij. Het is echter niet toevallig dat mijn rijtje bestaat uit drie filosofen die direct volgden op Žižeks helden. Die presenteerden een schokkend nieuw inzicht, en de mijne herstelden het evenwicht van dat schokkende nieuwe en het bestaande, dus inclusief de verwerking van dat nieuwe. De eerdere drie zijn de brekers, de navolgende drie de bouwers. Bij hun constructieve arbeid werd vaak weer volop gebruik gemaakt van restanten van het oude, maar hernieuwd, kritisch, en met nieuwe openingen voor een vervolg.
      Paradoxaal leverden de laatste drie – naar mijn mening – een grotere prestatie, een langer houdbaar beeld, en waren ze per saldo misschien wel de grootste vernieuwers. De eerste drie niet te na gesproken, eigenlijk kun je de filosofen niet op deze manier scheiden. Dat nu is echter juist wel een kernpunt van Žižeks idee. Niet de band, maar de breuk.
      Dus: het is geen toeval dat mijn rijtje in de tijd direct volgt op het andere. Schokkend inzicht moet ingevoegd worden, er is altijd weer een balans nodig, een beklijven van verhoudingen. De basis ervan is niet alleen het nieuwe, net zo goed ook het bestaande, dat tezamen gevormd tot een min of meer consistent beeld, dat vervolgens weer een poos mee kan gaan en misschien zelfs nooit helemaal verdwijnt.

Aldus de filosofie, en als we Žižek politiek vertalen – hij wil toch nog een soort van communist zijn, in eerste plaats een politiek revolutionair denker? – is er een directe relatie met de politieke praktijk. Žižek verwijt links geen antwoord te hebben op de crisis: ‘Wat echter opvallend achterwege blijft, is een consistent links antwoord hierop.’ (pag. 166) Maar zet hij zelf ‘kritisch links’ niet op het verkeerde been? Wil Žižek een consequente en sociale vernieuwer zijn, dan komt er toch iets na de gebeurtenis, de happening, het event, de daad, de schok, de revolutie, het openbrekende denkkader, het festival, het feest, het ontslag, de crisis, de provocatie, of hoe dat superauthentieke ook maar genoemd zal worden?
      Als je zo hard op zoek bent naar die schokkende breuk, is er dan tegelijk geen standpunt nodig dat naast de actie ook macht, democratie, welzijn en dergelijke belooft, wil het perspectief echt wenkend zijn en kunnen beklijven? Het vreemde bij Žižek is dat als hij in zijn boek over ethiek begint, het verhaal opeens ongelofelijk alledaags wordt. Maar hoe ligt bij hem dan de verbinding tussen de Grote Gebeurtenis met het alledaagse leven? Bij Žižek bekruipt je het gevoel dat hij naarstig zoekt naar de nieuwe authentieke gebeurtenis, die zo radicaal mogelijk moet zijn en waarvan hij zelf nog geen beeld heeft, maar tegelijk toch van ‘links’ al wel een alomvattend beeld wordt verwacht van de verwerking van die gebeurtenis. Links zou dus de uitkomst, de veelvormige synthese ervan al moeten weten, begrijpen en kunnen uitleggen, terwijl de beslissende aanzet tot die uitkomst nog geheel onbekend is. Dit is een vreemde volgorde, een verkeerd politiek algoritme, met op voorhand een dubieus resultaat.

Aristoteles en Spinoza schreven over de ‘conatus’, het streven tot voortbestaan, waaruit de noodzaak voor levende wezens volgt te zoeken naar wegen om daadwerkelijk te kunnen voortbestaan. Past ook bij Darwin, zou je kunnen toevoegen. En ook Marx zoekt daar op zijn manier naar, in het opheffen van de schokkende verdeeldheid tussen mensen in klassen, en tussen mensen in armoede, rijkdom en macht. Een zoeken naar een sociaal voortbestaan dat op de langere duur kansrijk is. Juist de verdeeldheid legt een dialectiek van discontinuïteit en continuïteit bloot. Discontinuïteit kan in de menselijke samenleving nooit absoluut zijn.
    Maar Negri, Žižek en ideëel verwanten: geven zij in hun ongedurigheid niet de moed op door het schrappen van de continuïteit? Zij willen geen postmodernist meer zijn, maar durven het grote verhaal ook niet meer aan. Toch is dat nodig, door denken, door vereniging, door democratische en vernieuwende machtsvorming.
      Dat laatste is het thema in mijn boek ‘Het speelveld van de vrijheid’, dat kritisch inspeelt op Negri’s hang naar de grote schokkende gebeurtenis die een grote politieke opruiming zou moeten realiseren. In dit boek – net als bij Žižek – staat het voorbeeld van de Arabische Lente. Anders dan Žižek, wil ik wijzen op het feit dat bij de snelle massamobilisatie met hedendaagse communicatiemiddelen een belangrijke schakel naar continuïteit ontbrak en voorlopig nog ontbreekt: democratische macht en sterke politieke organisatie. Dit niet als verwijt, maar wel als leerzame constatering. Er ontbrak de structurele macht die nodig was om de gebeurtenissen om te zetten in een definitief kader waarop goed voortgebouwd kon worden. Macht zonder organisatie kan moeilijk beklijven, en organisatie kan niet bestaan zonder inzicht, sociaal zelfbewustzijn en een zekere discipline. Die noodzakelijke continuïteit wordt weggedrukt in Žižeks ‘Filosofie van de gebeurtenis’.

‘Event’ biedt naast de kern van Žižeks betoog boeiende illustrerende cultuurfilosofische, psychologische en literaire beschouwingen, waarop in detail trouwens ook wel op af te dingen valt. Zoals op zijn kort-door-de-bocht analyse van het boeddhisme en zijn eenzijdig aanhalen van hersenwetenschappers over ‘de vrije wil’, waar ook andere namen en interpretaties goed denkbaar zijn.
      Bij hem is eigenlijk alles paradoxaal. Niets is wat het lijkt. De dialectiek van Hegel en Marx over de top. Alles wat bestaat is eigenlijk het tegendeel van wat gedacht wordt. Alles paradoxaal, alles heeft diepere lagen die slechts in de cultuurkritiek en psychoanalyse blootgelegd kunnen worden. Soms overhaastig wordt nauwelijks controleerbaar de halve wereldliteratuur besproken, maar wat is de bewijskracht hiervan voor de feitelijke harde actuele politiek?
      Toch komt er ook een beeld naar voren van kritisch nadenken over actuele vervreemding en diepe zorg over de economische en culturele crisis die het kapitalistische machts- en vervreemdingsmechanisme alleen maar heeft versterkt.

Niet alleen zou deze analyse verder verdiept en uitgewerkt moeten worden. Naar mijn idee moet niet alleen het antithetische denken als top drie worden vooropgesteld, maar evenzeer de wijze waarop syntheses ontstaan en kunnen beklijven. Ook daar kun je op vooruitlopen, al lijkt dat minder spannend dan het event. Inspiratiebronnen zijn dan bijvoorbeeld Hegel – waaruit al blijkt dat rijtjes hun beperkingen hebben – naast Aristoteles, Spinoza en Marx.
      Dit alles betreft niet slechts de filosofie. Het gaat om verbreding en versterking in de praktijk, in de politiek, de economie en de cultuur. Hier zijn naast vernieuwingen in veel verschijningsvormen klassieke middelen nog lang niet overbodig. De politiek vereist nog steeds, wellicht zelfs meer dan ooit: massale democratische machtsvorming, socialistische partijen, verschillende buitenparlementaire bewegingen en organisaties, en een sterke vernieuwde lokale en internationale vakbeweging. Wat natuurlijk geen mooie visie is in het huidige individualistische tijdsgewricht. Dat wordt hard werken in plaats van wachten op de gebeurtenis.

Al zijn pasklare antwoorden hiermee niet gegeven, naast nadenken kan een praktijk bestaan die heel wat meer voorstelt dan alleen maar wachten tot het hyperauthentieke event plaatsvindt. Of nog erger, dat de discussies hierover doorgaan tot in de lengte van dagen en de sociale en milieubewuste activist mismoedig afhaakt. Dit laatste is overigens geen pleidooi tegen filosofie, maar wel tegen een denken dat zijn grenzen niet meer overziet.




Bronnen:

Slavoj Žižek, Event, Filosofie van de gebeurtenis, Uitgeverij Boom, Amsterdam 2015, ISBN 9789089534637

Jasper Schaaf, Het speelveld van de vrijheid, Marx, Spinoza, overwegingen over vrijheid en macht, Uitgeverij Damon, Budel 2014, ISBN 9789460361937