dinsdag 31 januari 2017
Heeft u dat ook wel eens …?
…. dat je emoties als het ware een beetje opgeschort worden? Dat je bijvoorbeeld in de krant leest dat Trump zich permanent laat influisteren door de fascist Bannon? Dat je als reactie rationeel als altijd denkt, ja, dat wisten we al? En dat als even later de kraan in de douche drupt je in woede ontsteekt? De drup heeft dat heus niet gedaan.
Zo’n opgeschorte emotie bereikte me pas ook toen het Onderwijsblad van eind januari net had gelezen. In dit blad van de AOb staat een grondige analyse van het vele overwerk dat de leraren in het onderwijs structureel treft. Wie wil er nog leraar worden, klagen de media. Nou, als je de werktijden ziet, kun je je voorstellen dat de leraar wel heel gemotiveerd moet zijn, wil hij/zij het nog even volhouden.
Terwijl ik al jarenlang pleit voor flinke arbeidstijdverkorting en die ook hier van pas zou komen, nam ik het onderzoek maar even voor kennisgeving aan. Natuurlijk is het goed werk, en natuurlijk moet er actie komen, en natuurlijk moet de politiek ingrijpen, maar het is allemaal niet de eerste keer dat dit speelt. Zou een proportionele actie er nu echt komen?
Maar dan, er zit ook nog een bijlage bij datzelfde Onderwijsblad. Bijna weggegooid, een commercial van de zogeheten Dyade Academy.
Wat lees je hier? Je kunt voor zo’n € 500,- binnen één enkele dag je professionaliseringsbudget opsouperen. Een glossy vol slogans en ongein moeten de leerkracht hier naar toe lokken. Leraren maken het verschil. Maak je niet druk, heb het druk. Van werkdruk naar excellent onderwijs. Druk, druk, druk (alsof het feest is). Druk hoort bij presteren. En nog veel meer zulke koppen. ‘Het is ook druk in het onderwijs.’
Deze hersenspoeling, leve de drukte, wordt gegeven door de internationaal veelgevraagde (en dan uitgekotste?) trendwatcher Adjiedj Bakas. Ook een cabaretier doet mee, onze voormalige zwarte piet Heerschop, die aangekondigd wordt met: ‘Als geliefd BN’er was Peter Heerschop onder andere actief in de programma’s als ‘Ik hou van Holland.’’ En dit alles gaat dagvoorgezeten worden door een Mystery Guest. Enzovoorts, enzovoorts.
Ja, dan komen de emoties wel over de werkdruk. Hoe kan de vakbond in plaats van met alle leraren de straat op te gaan tegen het uit de hand gelopen overwerk er in trappen zulke vervreemdende lulkoek te verkopen? Voor een paar centen reclamegeld de leraar, de docent op het verkeerde been zetten?
O, ja, in de glossy brochure van deze professionaliseringsprut staat één mogelijk goede zin: ‘En nu gaan we het anders doen!’ Ik geef er maar mijn eigen interpretatie aan, dat lucht op, bij zo’n verlate emotie.
Anders doen, de straat op, de arbeid verkorten, de leraar ruimte geven en de bureaucratie verbieden. Het kan wel anders, ja!
vrijdag 27 januari 2017
Dietzgens kritiek op een religieus restant in Haeckels monisme
Gebrek aan originaliteit en lef kun je de ‘arbeidersfilosoof’ Joseph Dietzgen (1828-1888) niet ontzeggen. Een mooi punt om deze korte serie blogs over natuur, actuele politiek en Joseph Dietzgen voorlopig maar even af te ronden, is zijn kritiek op de darwinistische bioloog en monistisch filosoof Ernst Haeckel (1834-1919).
Haeckel heeft Darwin aan de man gebracht. Haeckel doet zelf onderzoek waarbij hij uiterst creatief te werk gaat. Hij ontdekt nieuwe aspecten van de evolutie van de natuur, maar gaat in volle vaart ook ver er een en ander bij te verzinnen. Wat toen en veel later nog tot heel wat discussies leidde. Is hij een groot man of een charlatan?
Haeckel publiceert prachtige tekeningen over embryo’s van verschillende dieren en de mens, afgebeeld in verschillende ontwikkelingsstadia, om aan te tonen dat een levend wezen in zijn ontwikkeling in het klein de hele evolutie doormaakt.
Een idee dat niet bleek te kloppen, en waarbij werd ontdekt dat die tekeningen ook wat in het voordeel van Haeckels idee waren bijgewerkt. Is dat onderzoeksfraude? Dat mocht toen al niet. Haeckel is echter heel assertief en verdedigt die creatieve bijwerking als pedagogisch noodzakelijk. De zogeheten vereenvoudigde afbeeldingen maken de moeilijke materie immers veel begrijpelijker? Presenteren kan Haeckel als geen ander, en aan ijdelheid ontbreekt het hem ook maar weinig.
Zo is er meer gedoe bij en kritiek op Haeckel. Maar vooral is hij nooit bang om consequenties van Darwins evolutieleer te benoemen en uit te dragen. Dat is een creatieve wetenschappelijke impuls, leidend tot mooie hypothesen, die soms echter gelijk maar als bewezen waarheid worden gebracht. Ook speelt later het verwijt dat bij Haeckel de evolutieleer een nationaalsocialistische trek krijgt, op basis van de idee van rassenverbetering en de ‘survival of the fittest’, waarbij in de geschiedenis ‘fittest’ vaak niet zozeer als ‘de best aangepaste’, maar als ‘de sterkste’ wordt geïnterpreteerd.
Voor een deel zal dit een waarheid achteraf zijn. Anderzijds past dit wel bij Haeckels aanpak werkelijk alles in één wereldbeeld te willen gieten, waarbij hij eigen aanpassingen en wenselijkheden niet schuwt. Met die aanpak als voorbeeld geeft hij ook anderen interpretatieruimte om de evolutieleer naar believen in te vullen. Een slecht voorbeeld dus voor wetenschappelijke integriteit. Positief blijft dat zijn boeken, populair geschreven, bij duizenden worden verkocht. Niemand in zijn tijd draagt zo sterk bij de evolutieleer uit te leggen en aannemelijk te maken.
Die verkondiging gaat ver bij Haeckel. Hij maakt van de biologische evolutieleer een nieuwe filosofie, een darwinistisch en materialistisch natuurmonisme. Deze was en is omstreden vanuit de christelijke hoek, want de totale eenheid der dingen, in ontwikkeling zonder schepper of stuurman, getuigt van een streng atheïsme. Goddeloos, het materialisme ten voeten uit.
En daar is Dietzgen het niet helemaal mee eens. Hij vindt dat Haeckels atheïsme en materialisme niet consequent zijn. Haeckels werk kent ook romantische trekken, een hang de totaliteit mooier of zelfs ‘metafysischer’ te maken dan die is. Misschien was het die trek die hem ver doet gaan in zijn filosofie en een idee doet verkondigen waarvan Dietzgen zegt: kijk liever eerst eens goed naar de verworvenheden van de geschiedenis van de filosofie in plaats van zo maar een nieuw idee er boven te stellen.
Waar valt Dietzgen over? Haeckel schrijft dat ‘bij de huidige stand van de organisatie van onze hersenen de laatste oergrond van alle dingen niet kenbaar is.’ Haeckel baseert zich hierbij niet alleen op de biologie, maar ook op de filosofie van Immanuel Kant en het neokantianisme. Die gaan ervan uit dat het ‘ding op zichzelf’ onkenbaar is. De mens verwerkt concrete verschijnselen die hij waarneemt maar die kennis blijft altijd een onoverbrugbare scheidslijn houden met de absolute werkelijkheid, de werkelijkheid zelf, ofwel de diepste bestaansgrond.
Dietzgen nu vindt dat deze formulering en bijbehorende redeneerwijzen de resultaten van de geschiedenis van de filosofie miskent, met name ook de inbreng van Georg Hegel. Daartegenover meent Dietzgen dat alle kennis met de dingen zelf samenhangt, dat er altijd een relatie is en geen scheiding met de werkelijkheid. Kennis is altijd in ontwikkeling, zo ook in een ontwikkelingssamenhang met de werkelijkheid zelf. De formulering van het ene (ons denken op het ontwikkelingsniveau van onze hersenen) en de kloof met het andere (de absolute grond van de werkelijkheid, bijvoorbeeld god) is onwetenschappelijk en filosofisch te beperkt, niet realistisch en niet dialectisch.
In het benoemen van zo’n oergrond en daarmee van een scheiding, een kloof, dus de suggestie dat je ooit een absoluut begin en een mogelijk apocalyptisch einde zou kunnen, moeten of willen vinden ziet Dietzgen een religieus restant. Je maakt het nagestreefde denken dan – idealistisch? – groter dan het is en tegelijk ook kleiner, omdat een onmacht wordt genoemd en belangrijk gemaakt op een punt zonder echte betekenis. De wijze van formuleren is een verkapte religie, al zullen christenen die van de schepping uitgaan en ook nog een ‘einde der tijden’ verwachten Haeckel al erg genoeg vinden.
Dietzgen wijst de laatste religieuze trekken in het beperkte materialisme en darwinisme af. Eigenlijk relativeert hij daarmee ook zijn eigen religiekritiek. Religie is overbodig, op de wereld is al genoeg te doen. Hier speelt dan bij hem de invloed van Ludwig Feuerbach, die het ‘jenseits’ radicaal omwisselde voor het ‘diesseits’, deze wereld. De belangstelling voor het ‘jenseits’, het totaal andere of de hemel, neemt daarmee alleen maar af.
Denk maar nuchter, ontwikkel de wetenschap, en inderdaad zijn de evolutieleer een grote stap vooruit en de uitleg en propaganda daarvan een grote verdienste van Haeckel.
Leert Dietzgen zelf genoeg van Darwins ontdekking? Je zou denken dat het evolutiemechanisme van variatie, natuurlijke selectie en overerving voor de ontwikkeling van de dialectiek gezichtspunten oplevert die verdere reflectie waard zijn. Ook Hegel probeert de wetenschapsontwikkeling toe te passen in zijn filosofie. En ook later, bijvoorbeeld in het sociaaldarwinisme en ideeën over ‘survival of de fittest’, blijken meerdere politieke, ethische en filosofische consequenties van belang. Van belang, positief of negatief.
Dietzgen maakt hier geen apart thema van. Een idee dat de wereld schokt, zoals de evolutieleer, raakt onvermijdelijk andere terreinen, zoals de kennisleer zelf, de ethiek en de politiek. Dat laat zowel Haeckels natuurmonisme als Dietzgens dialectisch materialisme goed zien, maar het vraagt ook om nadere uitwerking. Niet voor niets zien we bij latere Dietzgen-aanhangers zoals Ernst Untermann en Anton Pannekoek ook de dubbele interesse in Dietzgens denken en Darwins evolutieleer, zij het niet altijd in een geslaagde presentatie.
Dietzgen zelf noemt Darwin vaak als wetenschappelijke inspiratiebron en ongetwijfeld mist hij kansen meer uit te werken. Maar dat hij scherp is op voorbarige uitspraken op dit vlak getuigt van visie.
De ‘arbeidersfilosoof’ oordeelt onverschrokken over een grote naam van zijn tijd. En dat is Haeckel. Zo bestaat er inderdaad bij deze al te creatieve darwinist een restant van wonderbaarlijke onbegrijpelijkheid met een vage belofte dat hier ooit nog wat aan kan worden gedaan.
Filosofie in een blog? Uiteraard is over deze onderwerpen meer te zeggen. Ook vanuit de bij deze blog gebruikte bronnen:
- Joseph Dietzgen, Briefe über Logik (1880-1884) en Streifzüge eines Sozialisten in das Gebiet der Erkenntnistheorie (1887). Voor deze teksten gebruik ik Joseph Dietzgen, Schriften in drei Bänden, Akademie Verlag, Berlin (DDR) 1961-1965. Dit is de meest uitgebreide uitgave van Dietzgens werken, maar bevat niet al zijn artikelen. Mogelijk antiquarisch te vinden.
- Jasper Schaaf, De dialectisch-materialistische filosofie van Joseph Dietzgen, Kok Agora, Kampen 1993.
- Alexander Reeuwijk, Darwin, Wallace en de anderen, Evolutie volgens Redmond O’Hanlon, 3e druk, Uitgeverij Atlas, Amsterdam, Antwerpen 2012.
zondag 22 januari 2017
Kant, Marx, pimpelmees
Toen ik gisteren de blog over Dietzgens filosofie had gepost, schoot me de pimpelmees te binnen. Hoe dat zo?
In de blog staat: ‘Immanuel Kant meende dat kennis geplooid wordt naar de menselijke kennismogelijkheden. Marx stelde dat de kennis zich vooral ook sterk plooit naar de objectieve werkelijkheid en historische ontwikkeling. Wetenschappelijke kennis impliceert een zo reëel en bewust mogelijke verklaring daarvan. Een dialectisch monisme moet dan de interactie van deze verschillende werkingen benoemen.’
En dan denk ik aan de pimpelmees…
Vroeger dacht men wel eens dat pimpelmees-mannen en vrouwen identiek zijn. Ze lijken sprekend op elkaar, ook al beweert men wel dat het vrouwtje iets valer is gekleurd is. Je moet het maar zien …
Tegenwoordig weten we dat deze mezen zelf wel onderscheid maken, dat zij ultraviolet licht kunnen waarnemen. ‘Ik zie ik zie wat jij niet ziet’, kan de mees tegen ons zeggen. Het vrouwtje ziet heel goed wat een mannetje is, ze verschillen. Objectief.
Maar de mens heeft zich niet bij zijn onmacht neergelegd. Met de huidige kennis bestaat al lang de uitdaging het direct onzichtbare desnoods met een omweg wel zichtbaar te maken. Daar maken we apparatuur voor. De techniek helpt de waarneming en zó het denken.
Kant laat in zijn filosofie het – zijns inziens beperkte – kader van het kijken en denken zien. De subjectiviteit bepaalt veel van de kennis, de wijzen van zien, de manieren om dit verder te ontwikkelen, enzovoorts.
Marx en zijn kennistheoretische navolgers leggen meer nadruk op de objectieve wereld, de uitdaging die te ontdekken ‘zoals die is’. Tijdens de inzet de wereld te veranderen ontwikkelt zich ook de kennis ervan.
In feite spelen de subjectiviteit en de objectiviteit beide een rol, van beide kanten gaat een werking uit, een invloed, mogelijk creatief of juist inperkend, bijvoorbeeld een rem om ‘alles’ te zien of te weten. In de veelvormige en gelaagde interactie(s) ontstaan steeds weer nieuwe mogelijkheden. Wat we niet weten, maar al bijna denken te weten, daagt uit.
De objectieve werkelijkheid is hierin ook ‘als het ware’ actief, daagt uit, legt nieuwe mogelijkheden bloot, enzovoorts. Natuurlijk zijn er grenzen, maar principieel? Altijd kijkt men dan weer wat er met ‘die grens’ aan de hand is, tot hij verdwijnt of als praktisch reëel gegeven geaccepteerd moet worden.
Het zou onzin zijn Marx’ materialisme hier zonder meer boven Kants subjectivisme te stellen. De subjectiviteit moet ook bereflecteerd en gekend worden, niet alleen als feitelijk gegeven, maar ook als actieve werking. De Duitse idealistische filosofie stelde vanuit de aandacht voor de subjectiviteit ook de vraag naar de objectiviteit. En via Hegel, Feuerbach en ‘naturalisten’ als Von Humboldt en Darwin kon het materialisme zich verder ontwikkelen, subtieler, gedifferentieerder en nauwkeuriger dan voorheen.
Dietzgen staat hierin als het ware halverwege. Maar wat is halverwege? Op deze weg bestaat geen ‘halverwege’. Het gaat gewoon om een stap naar de verdere maatschappelijke en wetenschappelijk ontwikkeling. Zonder een rijke werkelijkheid en een creatieve geest zou die niet mogelijk zijn.
Over de zintuigen van pimpelmezen vindt je meer in: Tim Birkhead, De zintuigen van vogels, Hoe voelt het om een vogel te zijn? Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2013, ISBN 9789023477242
zaterdag 21 januari 2017
Aspecten van Dietzgens denken
De ‘arbeidersfilosoof’ Joseph Dietzgen (1828-1888) formuleert zijn filosofie in de eerste plaats als kennistheorie: ‘Onze wereldbeschouwing, die de waarheid niet bekijkt vanuit een hogere of lagere geest, maar in de oneindige materialiteit, is – voor zover ze nieuw is – een nieuwe kennistheorie.’ Dietzgen vraagt hierin niet alleen naar de aard en reikwijdte van de kennis. Door het proces van kennisverwerving te beschouwen in het grotere verband van de materialistisch geïnterpreteerde werkelijkheid en de vraag te stellen naar de aard van die werkelijkheid betreedt hij ontologisch terrein.
De dringende vraag die hem voortdrijft is hoe uit de hem bekende filosofie tot een ‘proletarische logica’ te komen, die geldigheid voor de toekomst heeft. Het gaat hem om een filosofie, een wereldbeschouwing van de arbeidersklasse. Maar ook gewoon om een nuchtere filosofie die de werkzaamheid van het denken – ingebed in een materiële wereld – niet ontkent, maar vrij maakt van het religieuze bijgeloof . De mens moet niet langer onderdanig denken.
Tijdens het ontwikkelen van zijn ideeën bouwt Dietzgen voort op de filosofische opvattingen van Ludwig Feuerbach en Karl Marx. Ten dele ook op de kantiaanse terminologie, terwijl hij zich tegelijk resoluut afzet tegen de kantiaanse idee dat de werkelijkheid ‘zoals die is’ onkenbaar zou zijn. Kennis betreft de werkelijkheid zelf, ook wanneer die kennis nog in ontwikkeling is.
In die zin ziet hij het denken als weerspiegeling. Het denkvermogen is een ‘instrument als een spiegel’. Waarbij we overigens niet moeten vergeten dat je je kunt vergissen als je in de spiegel kijkt. Over die rol van weerlegging, vergissing en concreet optredende beperkingen schiet Dietzgens uitwerking ongetwijfeld tekort.
Dietzgen ontwikkelt een eigen dialectische denkwijze wanneer hij onherroepelijke, metafysisch verstarde waarheden afwijst. Naar zijn mening is alleen de ‘totaal-samenhang’, die in voortdurende ontwikkeling is, absoluut. Deelwaarheden zijn relatief, zijn slechts waar onder bepaalde verhoudingen of in een bepaalde relatie. Elke onwaarheid draagt een waarheid in zich.
Zoekend naar het bepalende in de verhouding van ‘zijn en denken’ wil Dietzgen zowel idealistische als mechanische materialistische posities vermijden. Beide gaan zijns inziens uit van een dogmatisch, of zoals hij het noemt ‘überschwenglich’ standpunt. Deze term ‘überschwenglich’ gebruikt Dietzgen vaak. Deze heeft bij hem een sterke geladenheid in de betekenis van overdreven, bovenmatig, buitensporig, maar dat heel letterlijk genomen: los van of naast de realiteit staand, boven de realiteit uitgaand, dus irreëel. Daartegenover wil Dietzgen de materiële samenhang, de eenheid vertolken.
Het eerste hoofdwerk van Dietzgen, ‘Het wezen van de menselijke hoofdarbeid’ (1869) is een analyse van het denken als kennisactiviteit, waarvan het vormen van algemene begrippen op basis van bijzondere zintuiglijke gegevens de essentie vormt. De mogelijkheid om tot kennis te komen bestaat in de noodzakelijke en reëel bestaande vaardigheid op te stijgen van het bijzondere naar het algemene.
Dit brengt de vraag met zich mee in hoeverre zijn filosofie zich onderscheidt van een zuiver empiristisch standpunt, dat in strijd zou zijn met de eigen kenschets van zijn filosofie als dialectische theorie. Daarom formuleert hij een filosofische eenheidsleer met als uitgangspunt de materialistisch opgevatte totale werkelijkheid, ‘das Weltall’. Dit monisme ligt volgens Dietzgen in het verlengde van zijn kennistheorie.
Dietzgens kortere kentheoretische stukken gaan in op het opkomende neokantianisme en vormen van agnosticisme, wanneer deze richtingen ook in discussies binnen de arbeidersbeweging meer vaste voet aan de grond krijgen. In die zin loopt zijn werk vooruit op de polemiek die Wladimir Lenin later met agnostische filosofen zal voeren, waarbij deze zijn materialisme deels op Dietzgens denken zal stoelen.
Dietzgen ziet in het standpunt van ‘onkenbaarheid van de laatste dingen’ het risico van terugval op bijgeloof. Dat past zijns inziens niet in een benadering van het socialisme op basis van de wetenschap. Het ‘onbegrijpelijke’ kan volgens hem niet bestaan, het is een non-begrip.
Wanneer Dietzgen filosofische vragen op eigentijdse wijze probeert te beantwoorden, introduceert hij termen die anderen toentertijd nog niet of weinig gebruikten. Al vroeg noemt hij het moderne socialisme ‘wetenschappelijk socialisme’ Binnen de marxistische traditie spreekt hij als eerste of als een der eersten letterlijk over ‘kennistheorie’. En vrijwel zeker is Dietzgen de eerste die de filosofie van het wetenschappelijk socialisme – dus van de sociaaldemocratie van zijn dagen – ‘dialectisch materialisme’ noemt.
Friedrich Engels schrijft in 1888 in zijn boek ‘Ludwig Feuerbach en het einde van de klassieke Duitse filosofie’ dat het zo opmerkelijk is dat de materialistische dialectiek niet alleen door Marx en hemzelf, maar nadien ook door Dietzgen werd herontdekt. En dat dit onafhankelijk van hen en zelfs van Georg Hegel gebeurde.
In feite heeft deze herontdekking echter niet volledig onafhankelijk van hen plaatsgevonden. Zo las Dietzgen in Marx’ ‘Kapitaal’ veel over diens filosofische vooronderstellingen. Maar hij toont inderdaad een prachtig voorbeeld hoe door eigen inspanning een bijdrage kan worden geleverd aan de ontwikkeling van het dialectisch-materialistisch denken, en in dit geval zelfs door een half autodidacte proletariër.
Dietzgens denken kent zeker wel aspecten die toen en later nader uitwerking verdienden. Zijn inductieve benadering verdient meer uitwerking, waarin de rol van meer algemene begrippen verder kan worden bekeken. Zijn materialisme zou ook meer kunnen zeggen over hoe de objectieve werkelijkheid het denken bepaalt, gefaseerd in de kennisontwikkeling en geconcretiseerd naar bepaalde kennisgebieden en historische situaties.
Immanuel Kant meende dat kennis geplooid wordt naar de menselijke kennismogelijkheden. Marx stelde dat de kennis zich vooral ook sterk plooit naar de objectieve werkelijkheid en historische ontwikkeling. Wetenschappelijke kennis impliceert een zo reëel en bewust mogelijke verklaring daarvan.
Een dialectisch monisme moet dan de interactie van deze verschillende werkingen benoemen. Het is deze puzzel die Dietzgen beroert, die hij wellicht niet altijd glashelder verwoordt, maar waarin hij deze uiterst belangrijke thematiek van de verhouding(en) van ‘zijn en denken’ ontdekt en uitlegt. In deze uitleg tracht hij voor de arbeiders begrijpelijk te blijven. Dat is een sterke ideologisch kracht, die soms echter ook een nadeel kan zijn wat betreft de precieze verklaring. Soms zijn er aspecten die Dietzgen benoemt, maar toch ook om meer uitleg vragen.
Dietzgen begrijpt dat de arbeiders die hij wil bereiken vaak gewend zijn aan een heldere en stellige taal, zoals die waarin de religie zich altijd presenteerde. Daarom presenteert hij zelf zijn ‘proletarische wereldbeschouwing’ soms als ‘De religie van de sociaaldemocratie’, opgebouwd in ‘Kanzelreden’, dus in preken. Maar het blijft bij hem een serieuze zaak, heel populistisch maakt hij het nooit.
Het is jammer dat in de jaren die volgden in discussies over Dietzgens denken het vaak eerder ging om een positie ‘voor of tegen Dietzgen’ of ‘uiterst belangrijk versus helemaal niet van belang’, in plaats van zijn creatieve en vaak diepgaande benadering verder uit te werken. Dat was dus in feite weer zo’n ‘überschwengliche’ benadering, die Dietzgen zelf bestreed. Wat dit betreft is Engels’ loftrompet nog altijd terecht. Het is een erkenning van een blijvende waarde, die sommige ‘navolgers’ niet zagen omdat ze vaak meer bezig waren zichzelf met een maar half begrepen Dietzgen op te poetsen. Dit stond haaks op Dietzgens eigen houding, hij pretendeerde niet uniek te zijn.
Welbeschouwd is de gedachte van een ‘proletarische logica’, een onbevangen zoektocht naar de waarheid, toch helemaal niet zo’n gek idee? Niet onderdanig denken.
Omslag van de brochure
Die Religion der Sozialdemokratie
Abonneren op:
Posts (Atom)


