zondag 1 november 2020

Immanuel Kant een ‘Foute Denker’? Framing? Meer nuance a.u.b.!


In Filosofie Magazine van deze maand wordt filosoof Immanuel Kant (1724-1804) in ferme koppen neergezet als een ‘foute denker’. Hij zou een groot deel van zijn leven seksist en racist geweest zijn, en zijn pleidooi voor gelijkwaardigheid en vrijheid van de mens slaat niet of slechts in geringe mate op vrouwen. Ook staat er dat het helemaal niet vanzelf spreekt dat we Kant nog langer gaan gebruiken.
    Kortom, er is, zeker nu, maar ook in historisch perspectief stevige kritiek op Kant mogelijk. Enkele genoemde punten in dat blad onderbouwen dit, maar in Kants werk moet je er wel naarstig naar zoeken. Want Kant is en blijft een denker die het Verlichtingsdenken en de strijd voor eendracht tussen de volkeren flink vooruit heeft geholpen. Niet als enige, zo uniek was hij niet, wel als een van de politieke ideologen van een denken dat vooruit wil.

Filosofie Magazine wijdt dus terecht aandacht aan Kant, maar benadrukt in de koppen van dit nummer Kants beperkte blik op de vrouwenemancipatie en zet hem neer als een omstreden denker. In de koppen vallen de termen: omstreden denker, racist, seksist, en ‘foute denkers’. Het artikel hierover wordt gedrukt in pikzwarte bladzijden.
      Nog helemaal los van de details – die ik hier achterwege laat – rijst dan de vraag of je zo een belangrijk Verlichtingsfilosoof op zijn nummer kunt zetten. Of is dit goedkoop scoren in een tijd van snel conclusies trekken, snel framen, snel verwijten en snel vergeten?
      Naar mijn mening gaat het vooral om het laatste, een tijdverschijnsel. De tekst legt het verder wel uit en politieke kritiek op Kant is terecht, maar hij wordt zinloos zwart gemaakt, overdreven.

Moet je dan geen kritiek hebben? Ja natuurlijk, een feit, uitspraak, idee of theorie die heden als verkeerd, fout, onjuist, onwaar etc. beoordeeld wordt mag – ook al is die van honderden jaren geleden, en dus stamt uit een andere maatschappelijke context als het heden – nog steeds als fout benoemd worden. Mits voldoende beargumenteerd en uitgelegd.
      Maar dan moet vooral ook gezien worden dat het denken een strijd is, emancipatie nooit zwart-wit op één ding gericht is. Dat theorievorming vallen en opstaan betekent, het bekende ‘trial and error’, en dat juist de tegenstrijdigheden in de theorie vaak de drijfveer worden om een (nog) betere te vinden.

Grote filosofen zijn foutenmakers. Zeker achteraf gezien. Met gemak kan ik bij vrijwel alle ‘denkers’ die men in bladen als Filosofie Magazine regelmatig noemt wel uitspraken vinden die hen in diskrediet zouden brengen als we van (enkele) bijzondere feiten ‘snel’ doorredeneren naar algemene conclusies. Dus een nauwkeuriger logica even terzijde schuiven.
    Voorbeelden, pakkende maar dubieuze uitspraken zijn van toen en nu, van Heraclitus tot en met Heidegger, makkelijk te vinden. Of de filosofen nu Plato, Aristoteles, Machiavelli, Rousseau, Kant, Fichte, Hegel of Marx heten. Gewoon lezen en goed zoeken in het talrijke vroegere of latere werk of anders wel in de latere commentaren van dit werk, dan vind je zo iets dubieus.
    Inderdaad vanaf Heraclitus? Om met hem te beginnen, 500 voor Christus? Nu, in de overgeleverde fragmenten die aan deze filosoof worden toegedacht, lees je bijvoorbeeld: ‘Onder de apen is de mooiste nog lelijk in vergelijking met de menselijke soort.’ (fragment 82)
      Wat is dit, ijdelheid? In ieder geval kan de Partij voor de Dieren of een filosoof die gespecialiseerd is in dierenrechten hier geen genoegen mee nemen. Maar dit is ook een kans een start te maken met een filosofie over de menselijke soort! Dat lijkt nuttiger en interessanter dan die oude Heraclitus te framen, terwijl we niet eens zeker weten wat hij bedoelde.

Natuurlijk mag je de term ‘foute denker’ – zij het met mate – gebruiken als hij of zij dat echt is. Een denker die zich bij Hitlers partij aansloot en daar nooit echt van terugkomt, is een fout denker, een kwalificatie die dan ook verder reikt dan de context van zijn tijd, gezien de historisch geaccepteerde menselijke grondbeginselen die nog altijd aan de orde zijn.
      Helder uitgelegde kritiek op Kant, op concrete foute uitspraken, los of je ook van plan bent je in zijn kennistheorie en ethiek te verdiepen, mag en is goed. Dan heet dat ‘Kritiek op Kant’ en niet ‘… de niet meer onomstreden Kant’. De vorm van de laatste formulering is ‘framing’ ofwel een ‘moralistische etikettering’.

Filosofie leeft van kritiek, de beste theorie zal op den duur blijken nog onvoldoende, ontoereikend of onaf te zijn. En kleine details, zelfs als een uitzonderlijke verspreking van de denker, moeten of mogen meetellen. Maar noem dat dan ook zo. Een verdergaande, meer algemene uitspraak moet je dan ook zó benoemen. Aangeven hoever de kritiek gaat, welke kern wordt geraakt. Maar Kant verpakken in zwarte bladzijden, en een beschuldigend ‘niet onomstreden’ filosoof, en dan nog een kopje met ‘foute denkers’ leidt af van de waarheid, de analyse van die vermeende foute inhoud.

Het probleem dat hiermee aan de orde komt heeft een verdere strekking dan Kants vermeende seksisme of racisme. Tal van filosofen, in alle culturen, hebben ook ingespeeld op de machtsverhoudingen van hun tijd. En daarnaar geschreven alsof ze die verhoudingen accepteerden, misschien niet eens moreel of religieus, maar wel als voldongen feit.
    Met Kant zet de Westerse filosofie een stap vooruit, met zijn kennistheorie, esthetica, ethiek en politiek denken, en vooral door de poging de samenhang daartussen te verwoorden. Hij geeft een grondslag voor de verdere ontwikkeling van het Duitse idealisme waar Fichte, Schelling, Hegel, Marx en anderen op voortbouwen, wat zij trouwens ook niet doen zonder vallen en opstaan.

Van al deze denkers zijn wel slordige, ongepaste, foute of achterhaalde uitspraken te vinden, die op zich al interessant kunnen zijn, omdat het denken én handelen zich ook door fouten en de maatschappelijke weerstand daartegen ontwikkelen.
      Het zou onjuist zijn een verdere kennisname en beoordeling daarvan alleen moralistisch op te pakken. Dat zou slechts een fundering voor de huidige overmatig moralistische tijd zijn, op den duur historisch kritisch niet echt interessant. Een vette kop lijkt heel wat, maar is nog geen echte overwinning van een (vermeend) fout standpunt.

Concreet is bij Kant interessant hoe discutabele termen van hem samenhangen met niet-problematische. Kan dat? Welke spanning riep of roept dat op, en wat daarmee te doen? En wanneer en hoe overwinnen zijn neokantiaanse navolgers sommige van de gemaakte fouten? Wat brengt Kant nu precies teweeg?
    Van grote denkers als Aristoteles of Marx kan vandaag de dag de vraag opkomen of de waarde van hun werk nog wel voldoende gezien, gelezen en bestudeerd wordt. Geef zo’n voortijdig afhaken bij Kant geen kans! Kijk wél naar de nuance: zijn goede punten en zijn fouten, maar bestudeer hem echt. Dat kan leiden tot veel meer kritiek dan Filosofie Magazine nu geeft, naast de positieve beoordeling van zijn filosofie en de tegenstrijdigheden die over blijven.

De kern is: kan de filosoof tegenstrijdigheden van zijn tijd benoemen en helpen oplossen, in progressieve zin of misschien juist niet? Dat probeert Kant en afwegend – ondanks zijn fouten en beperkingen – is het goedkoop hem als ‘foute denker’ neer te zetten.
      De inspanning van het denken gaat met strijd en tegenstrijdigheden gepaard. Altijd weer. En grote denkers moeten steeds weer zoeken naar een afgewogen formulering van de strekking en consistentie van hun theorie. Dat blijft ook zo. In de kritiek moet daarom de leuze zijn: radicaal, eerlijk, volledig en transparant beoordelen
      Transparant vooral: Verstop interessante filosofen als Kant niet achter Foute Koppen. Ook al zijn grote filosofen ook grote foutenmakers. Stel bij de kritiek ook de vraag ‘Waar blijft de nuance?’




Filosofie Magazine, november 2020, zie de pagina’s 4 en 26-31.

Bron citaat van Heraclitus: Heraclitus, Spreuken, vertaald, ingeleid en toegelicht door Cornelis Verhoeven, Uitgeverij Ambo, Baarn 1993, ISBN 9026311915, pagina 27.






Immanuel Kant (1724-1804)

 

 

 








 

woensdag 28 oktober 2020

‘Zoals die man schrijft …’ António Lobo Antunes

 ‘… maar ik snap het niet, en dus schrijf ik maar weer pillen, pillen en nog eens pillen voor, als iemand die het rinkelen van een telefoon smoort onder een stapel kussens.’


In een blog van alweer vijf jaar geleden (15 oktober 2015) schreef ik over de complexe Portugese schrijver António Lobo Antunes. Complex, in zijn boeken schrijft hij vaak over verschillende gebeurtenissen, emoties, ideeën, confrontaties enzovoort die allemaal met elkaar verbonden zijn en het ene verhaal steeds meerdere andere verhalen oproept. Gelijkertijd, dat moet dus gelijktijdig klinken.

Om die samenhang, een heleboel geschiedenissen, te laten zien worden in vele passages de gebruikte zinnen aan elkaar gesmeed. De zin begint, is nog niet uitgesproken of deze pakt er al een andere lange zin bij die op zijn beurt weer door verwijst en doorwerkt en dan wordt de eerste zin een stukje verder weer opgepakt.
      Een gebeurtenissen staat immers nooit op zichzelf en als het om indringende psychische en psychiatrische kwesties gaat moet een goede weergave de verschillende niveaus van ervaring gelijk formuleren. De rationele gedachten en net zo goed de dromen en wanen. Wat snap je er anders van? De mentale werkelijkheid heeft vele lagen, en om die te proberen te snappen moeten die samen worden opgevoerd.
      Dat maakt een verhaal moeilijk, diepgaand, en nog lang niet af, maar ja, toch inderdaad diepgaand.

In die blog van vijf jaar terug wees ik op dergelijke moeilijkheden bij het lezen van Lobo Antunes. Hoe komt je in zijn verhaal? Maar schreef ik: …. ‘eenmaal binnengekomen, wat schrijft die man mooi.’
    En dat is een feit, hoe subjectief dit verder ook mag zijn. Zo las ik nog een keer ‘Reis naar het einde’, een deels autobiografisch boek, maar dat is dan net zo goed ook de biografie van Portugal dat de trauma’s van de koloniale oorlogen en de dictatuur moet verwerken. Wat de hoofdpersoon doormaakt, maakt de Portugees door. Op maatschappelijk niveau en ook in de thuissituatie waar gekwetste mensen weer met elkaar moeten leven, met alle depressies die dan kunnen ontstaan.
      Zware kost misschien, maar ook denk ik dat de Portugezen met dit soort werk uiteindelijk misschien wel beter de misstanden van hun kolonialisme kunnen verwerken dan landen waar nog altijd taboes rusten op dergelijke thema’s. Ze geen pen vinden om de diepere emoties en ervaringen te verwoorden.

In tegenstelling tot de uitwerking lijkt het verhaal op zich heel simpel. De hoofdpersoon rijdt met zijn auto in de avond en de nacht van de Algarve naar Lissabon, Benfica, en plaatsen onderweg roepen herinneringen op van gebeurtenissen, de oorlog in Angola, de psychiatrie waar hij als arts, psychiater heeft gewerkt, maar ook het perspectief van hem als ziek psychiatrisch geval, conflicten en scheiding met zijn familie enzovoort. Een leven trekt zo voorbij, maar niets staat in de verleden tijd. Het verhaal is het heden.
    Dat is dan algemeen de inhoud, daar gaat de schrijver dan tot op het kleinste niveau op in. Talloze herinneringen, duiding ervan, en een reis die toch niet goed afloopt. Lang niet alle herinneringen zijn verwerkt, het einde wordt eigenlijk niet bereikt.

Dit soort literatuur verdient om haar inhoud al de volle aandacht. De waarheid over de psychiatrie en de toestanden in Angola, van dichtbij beschreven. De schrijfstijl verdient die aandacht zeker ook. Juist die vermengingen van reflectieniveaus van bewustzijn in elkaar, hoe samen te leven na de oorlog, de harde oorlog zelf, de onopgeloste zoektocht naar een te herwinnen identiteit, psychiater of eerder patiënt? Noem maar op, de vele invalshoeken maken het zo indringend.

Het ineenvlechten van zinnen op verschillende niveaus vormt per saldo dus een indringende schrijfstijl die leidt tot veel detaillering en verbeelding. Zoals de kleinste details, de geuren, stank, de kleur van tegels, de bomen op de binnenplaats van de kliniek, vogels namelijk merels en mussen, beeldend maar beklemmend gedrag van uit hun dak gaande psychiatrische patiënten en daartegenover het tegengestelde gedrag van de klassieke, maar nog springlevende psychiatrie. Waarin opsluiten en beheersing de voornaamste functies zijn.

De psychiatrie, vanuit verschillende invalshoeken bezien, staat centraal. En als in de tijd van de oorlog in Angola in Europa de kritische ‘antipsychiatrie’ populair is, prikt Lobo Antunes ook daar doorheen, met name ook de freudiaanse restanten ervan en populaire ‘marxistische’ toevoegingen. Het platspuiten van mensen lost niets op, maar mooie verhalen er omheen verzinnen ook niet, die betekenen juist een vlucht.

De hoofdpersoon spreekt meermalen buitengewoon kritisch over de droevige stand van zaken in de psychiatrie. Wegkijken en platspuiten zijn de norm. En hij stelt: ‘Ik lachte bij het denken aan de absurde argumenten waarmee ze het marxisme en de psychiatrie met elkaar probeerden te verzoenen, dat wil zeggen de vrijheid en hun cipiersfunctie, ik lachte om de dingen die ze verzonnen om hun geweten te sussen, Sociale Psychiatrie, Decentralisatie, Democratische Psychiatrie, Antipsychiatrie, om hun rechtvaardigingen en hun smoesjes, …’

De koloniale oorlog in de Portugese kolonies vormt de historische achtergrond. Een generatie jongeren wordt er totaal door misvormd, en de vrijheid van de zwarte bevolking wordt verhinderd. Deze misvorming is totaal. De wreedheid wordt door Lobo Antunes gedetailleerd weergegeven en ook nog gekoppeld aan seksuele terreur. En gedetailleerd over hoe de misdaden verdoezeld worden. Enkele zwarte mensen zijn zwaar mishandeld, maar die ontaarding mag niet bekend worden: ‘Heb je gezien hoe ze eraan toe zijn? Wat doen we nu met die lui?’ Antwoord: ‘Gewoon een koffieplanter bellen om ze de kogel te geven,’ antwoordde ik schuddebuikend.’
    Het oorlogstrauma en de rollen die gespeeld werden komen voortdurend terug.

Door de schrijfstijl wordt het massieve thema in stukjes en korrels uiteengelegd. Stevig, hard soms, maar deze schrijfstijl roept ook een beeld op. Zeker als je Portugal wat kent is het verhaal soms ook alledaags, alsof je thuis bent, en dat is natuurlijk uiteindelijk ook zo voor de hoofdpersoon, die zijn thuis en leven weer moet vinden, en dat probeert te doen.
    Die beelden zijn sterk, soms zo dat zelfs de vogels weer in het verhaal rondvliegen of dat vermijden. Zoals de observatie dat zelfs de mussen het totaal uitgeleefde psychiatrische ziekenhuis mijden, de viezigheid ontvluchten: ‘Zelfs mussen willen niks te maken hebben met het gekkenhuis,’ zei de vent, ‘nou dan weet je het wel. Geen mussen, geen duiven, geen merels. Geen enkele soort.’

Het beeld van de arts in de auto die rijdt van de Algarve naar ‘huis’, naar Lissabon helpt mee tot een einde te komen. Een verhaal dat geen einde kent of misschien wel; meerdere eindes.
      Je kunt zeggen dat boeken die zo complex zijn – zoals al Lobo Antunes’ boeken – moeilijk een aanrader kunnen zijn. Maar in dit geval geldt eerder de aanrader de boeken eens vaker dan één keer te lezen, omdat ze echt de moeite lonen. Zowel de taal als het thema.
      Inhoudelijk lijkt elke bladzijde een boek vol. En tot in den treure de herhaling, de herhaling, de herhaling van de psychiatrische gang van zaken, het spuiten, het separeren en het niet-luisteren in de werkelijkheid waarin de hoofdpersoon zich gevangen voelt.
    De sociale werkelijkheid is gelaagd. Een taal die dat goed wil uitdrukken moet de gelijktijdigheid van vele verhalen uitdrukken. Dat roept de spanning op die het werk van Lobo Antunes bijzonder maakt. En realistisch.




Boek: António Lobo Antunes, Reis naar het einde, roman, vertaald en van een voorwoord voorzien door Harrie Lemmens, Uitgeverij Ambo-Anthos, Amsterdam 2016. Het boek is al wat eerder geschreven, ca. 1980, De vier citaten respectievelijk op de pagina’s 126-127, 120, 194 en 75.

Tip: dit boek is ook nog wel tweedehands verkrijgbaar, zie bv. Boekwinkeltjes.nl.





António Lobo Antunes











vrijdag 16 oktober 2020

Ameland, een dag met een goed gehumeurde zee

    



Wel eerder op deze blog heb ik mijn interesse voor schelpen en andere zee-vondsten genoemd. Interessant en ontspannend te zien wat er zoal op het strand aanspoelt. En bij meer zeldzame schelpensoorten is het altijd de aardige puzzel wat het nu precies is. Enkele van deze vondsten laat ik op de blog zien, soms, als het bijzonder en leuk is.
    In dat kader zijn er weer enkele leuke recente waarnemingen te melden. Van 4 oktober jl. van Ameland. Op één dag deden we een paar bijzondere vondsten.

Plaats van de vondsten, tussen Paal 19 en 20. Strandovergang: Meindertspad. Weer: harde aflandige wind, ca. kracht 6. Waterstand: inzettende eb. Schelpen die aanspoelden: zichtbaar vooral de talloze Amerikaanse zwaardscheden, in de volksmond vaak ‘mesjes’ genoemd (Ensis leei). En veel kapotte witte schelpen en restanten ‘zeeklit’, van dat zachte witte spul.
      Dat geheel resulteerde in: een boel schuim, een stevige vrij woeste aanlandige eblijn, met het even snel daarover heen waaiende zand dat elke nieuwe eblijn in enkele minuten slecht zichtbaar maakte. Vooral in die dynamische rand zaten we te koekeloeren.

Maar ook iets hoger, bij een vloedlijn, en daar vonden we al snel een paar aardige stukjes barnsteen. Leuk, en nog aardiger, enige tijd daarna, ook in de rand van het hard wordend zand en de zandstorm eroverheen, waren nog wat schelpenrandjes zichtbaar. Daarin vond mijn partner een prachtige Pelikaansvoet (Aporrhais pespelicani).
    Een Pelikaansvoet op het Noordzeestrand van de Wadden is op zich al zeldzaam, maar met zo’n mooie volgroeide vlag is dit heel zeldzaam. Dat moet dus even geshowd worden.

Nog iets later, dit alles binnen een tijdsbestek van zo’n anderhalf uur, deden we nog een heel bijzondere vondst. In de aanstormende eblijn, tussen ‘mesjes’, kapotte brokken zeeklit en wit gruis vonden we een klein exemplaar, onvolgroeid, van de Slanke noordhoren (Colus gracilis).
    Onvolgroeid zo te zien, want slechts 4 cm lang en zo’n schelp kan twee keer zo lang worden, maar wel oud en geblutst. Deze schelp is echt zeldzaam, al kan zo’n kleine witte schelp ook makkelijk over het hoofd worden gezien.

Toen ik deze kleine Noordhoren opraapte vond ik deze nogal bol, en dacht aan een andere variant, de Gezwollen slanke noordhoren (Colus jeffreysianus). Om er zeker van te zijn is de nieuwgevonden schelp naast een eerder gevonden gaaf exemplaar gelegd en zijn alle lijntjes, ribben en andere kenmerken vergeleken. Vooral heb ik hierbij steun gehad van de adviezen van drie zeer ervaren schelpenliefhebbers, malacologen (weekdierdeskundigen). Met behulp van gemailde foto’s.
    Na enig wikken en wegen is de conclusie: het is waarschijnlijk een ‘gewone’ Slanke noordhoren, en omdat door de beschadiging het niet helemaal zeker is dat het geen C. jeffreysianus is noemen we hem Colus gracilis of Colus cf. gracilis. De vorm en conditie van deze schelp laat niet toe er iets anders (‘mooiers’) van te maken. De toevoeging ‘cf.’ laat zien dat het om de vastgestelde vorm gaat van de genoemde schelp, maar wordt de mogelijkheid dat het een andere variant betreft ook genoemd.
      Een heel bijzondere vondst blijft het. Eerder vond ik enkele keren een volgroeide Slanke noordhoren op Schiermonnikoog, maar zo’n kleine, beschadigde, met toch een heel mooie vorm, blijft bijzonder.

Zo gaf Ameland, of liever de Noordzee, weer enkele van haar rijkdommen prijs. Van Barnsteen en de Pelikaansvoet tot en met de Slanke noordhoren. Zie de foto’s.
      De rest bespaar ik de lezer. Ga er maar vanuit dat er altijd meer kan liggen dan het eerst lijkt. Vergt het veel geduld? Het is vooral een mooie en leerzame ontspanning en met de steun erbij van enkele malacologen op afstand leidt dit ook nog tot een mooie communicatie.




Pelikaansvoet


Slanke Noordhoren






Wil je meer weten over mariene weekdieren en schelpen? Pas verscheen een prachtige nieuwe veldgids: Rykel H. de Bruyne, Veldgids Schelpen, Zeeschelpen en weekdieren uit ons Noordzeegebied, KNNV Uitgeverij, Zeist 2020, ISBN 9789050116862.









zondag 11 oktober 2020

Pleidooi voor linkse Basisgroepen – Tegen individualisering van de collectieve actie


‘Dit is de individualisering van de collectieve actie’, dát schoot me van de week te binnen, toen ik voor de zoveelste keer in korte tijd een petitie ondertekende. ‘Dank je dat je in actie komt’, meldt de ontvangstmail.
    ‘Nou ja, actie’, gaat er door me heen. Twee minuten actie of zo. En meestal zal geen mens weten of kijken wie er allemaal meedoen aan deze actie.

Moet je ze dan maar niet ondertekenen, ook als het om een echt prima of zelfs noodzakelijk doel gaat, en ze bovendien opgezet en ondersteund worden door respectabele linkse, socialistische of groene organisaties, of door activisten voor vrede en internationale solidariteit?
    Ik blijf ze (meestal) steunen, maar tegelijk vrees ik voor de individualisering van de collectieve actie, de solidariteit. Waar is de nodige massaliteit van de macht?
      Kortom, er spelen veel tegenstrijdigheden in de hedendaagse politiek, zeker ook uitgelokt door de dwang van de digitalisering. En dat wordt te weinig aan de orde gesteld.

In mijn boek ‘Actief socialisme en vrijheid – Pleidooi voor hechtere linkse samenwerking’ concludeer ik als perspectief: ‘Laat organisaties structureel, hechter en veelzijdiger samenwerken dan nu regel is, zonder rigide te zijn.’ (pag. 155)

‘Zonder rigide te zijn.’ Dat moet er om twee redenen beslist bij worden gezegd. De linkse en socialistische beweging moet leren van 200 jaar geschiedenis en in samenwerkingsvormen veel meer dan vroeger het lef tonen verschillende uitgangspunten te accepteren van elkaar. Vanuit verschillende politieke idealen was elkaar verketteren vaak meer gangbaar dan samenwerken. Rigide dus.
      En hoe moeilijk dat ook zal zijn, nog veel meer rigide is hoe de media voorstellen tot samenwerking altijd alleen weer oppikken en beoordelen in hun zelf gefabriceerde ‘frame’. Kranten en tv denken bij samenwerking alleen maar in termen van verkiezingen, te behalen zetels en kabinetsformaties. Niet onbelangrijk natuurlijk, maar veel te rigide. Ze hebben geen enkele serieuze interesse voor goede politieke initiatieven aan de basis.

‘Aan de basis’, daar is het me om te doen. In de jaren zestig en zeventig had je op het gebied van milieu, onderwijs, universiteit, de zorg, leefbaarheid in de buurten, huuracties, vredesacties en de lokale politiek tal van zogeheten ‘Basisgroepen’ of actiecomités waarin actieve, meestal linkse mensen vanuit verschillende achtergronden samenwerkten.
      Zonder te beweren dat dit makkelijk terug kan komen, kan met een vergelijkbare beweging veel lokale en basale macht worden opgebouwd, met een creatieve uitstraling naar de verdere politiek. Waarbij organisaties, partijen, vakbonden en personen hun eigen identiteit kunnen behouden en zelfs versterken.

Op het gebied van sociale actie en het klimaat zouden nieuwe basisgroepen in dorpen en steden kunnen bijdragen mensen te verenigen onder het oude adagium ‘Eenheid in verscheidenheid’. Zeker kan dit nuttig zijn op plaatsen met een omvang die aparte organisatie van partijen en bewegingen moeilijk maakt. Deze groepen kunnen best van elkaar verschillen, met een mix van diverse grondgedachten of (partij)programma’s. Niet de identiteit voorbarig opgeven, maar eerder deze goed verder ontwikkelen in een leerzame kritische dialoog.

Dan nog kun je gerust je handtekening zetten en verder actief zijn. Maar zo help je een sociale toekomst aan een helderder perspectief, met mogelijk een welbewuste eenheid van lokaal en centraal. En ook nog van nadenken en actief handelen, actievoeren.






Boek: Jasper Schaaf, Actief socialisme en vrijheid, Pleidooi voor hechtere linkse samenwerking, Doorbreek de vanzelfsprekendheid, Uitgeverij Damon, Eindhoven 2018, ISBN 978 94 6340 142 5.

Het boek is te koop bij de boekhandel of via internet bij de uitgever.
Ook bij ‘ondergetekende’ via een mailtje: jasperschaaf@gmail.com