donderdag 2 april 2020
Boris Johnson, Albert Camus en José Saramago
‘Om niet een van hen te zijn die zwijgen, om te getuigen ten gunste van deze slachtoffers van de pest, om tenminste een herinnering achter te laten aan het onrecht en het geweld dat hen werd aangedaan en om eenvoudig te vertellen wat men in plagen leert, namelijk dat er meer bewonderenswaardige dingen in de mens zijn dan verachtelijke.’
Albert Camus, De pest
Drie mannen, hebben ze iets gemeen? ’t Is maar hoe je het bekijkt, en de coronacrisis bewijst dat veel dingen van nóg meer kanten bekeken kunnen worden. Wat staat er niet op z’n kop? De sociale strijd? Nou, die toch ook wel, of anders wel de economie.
Opeens krijgt recent onderzoek de aandacht waaruit blijkt dat de arbeid die als het zwaarst ervaren wordt en waarop het meest bezuinigd is, precies dat werk betreft waar in deze crisis iedereen van afhankelijk is en de werkers opeens lof toegezwaaid krijgen. Dat dit zo is , is niet zo opmerkelijk, de volle aandacht wel. Opmerkelijk en toch zo logisch, zo basaal.
Oja, dit rijtje, ze passen er alle drie in. Zij hebben ze met de corona te maken. Johnson ‘heeft het’. Hoogwaardigheidsbekleders zijn net zo kwetsbaar als iedereen. Het virus is een democraat, iedereen moet en doet mee.
En de twee schrijvers schreven over de epidemie, zoals over de democratische, politieke implicaties. Dat hebben er nog betrekkelijk weinig gedaan, voor zover ik weet. De literatuur biedt genoeg over rampen en oorlogen, maar boeken over epidemieën? Dat zijn er nog maar een stuk of wat. Dat zal binnenkort wel anders worden.
Dat het virus heel de maatschappij, de zorg, de economie, de verhoudingen van arm en rijk, van oost-west-noord-zuid, het kleine en grote niveau van ellende, bezorgdheid en compassie blootlegt, is zo duidelijk als wat.
Wordt de wereld daarna weer zoals die was? Na de kredietcrisis van 2008 hebben heel wat schrijvers, journalisten, politici, economen en psychologen achteraf gezegd dat dát ‘een momentum’ was voor grote maatschappelijke veranderingen, en dat dát gemist is, een gemiste kans. Het volgende momentum zou beter voorbereid moeten worden om tot veranderingen te kunnen leiden?
Het volgende momentum? Alsjeblieft, hier is het, wie heeft zich voorbereid? Waarop precies?
Inmiddels kan iedereen dit weten, het ‘momentum’ is nu vooral nog een leegte die van tal van kanten ingevuld gaat worden, en zo een nieuw gedifferentieerd strijdtafereel oplevert. Dat voelt of weet ieder die een beetje nadenkt. Al verschillen de woorden die gezegd worden.
Maatschappelijk rechts is er als de wiedeweerga bij de meest ernstige risico’s te kanaliseren. Nou, ja, dat is het enige niet, dat is te negatief, er bestaan veel betrokkenheid en hulpacties met een enorme inzet, met daarachter dan de oplaaiende discussie over het gevaar van economische crisis. En zie de idiote Nederlandse weigering om in Europa financieel bij te dragen aan de armere landen nu het erom spant. Per saldo bestaat een ingewikkelde mix van echte solidariteit en een inzet het maatschappelijk systeem en de eigen belangen zonder al te veel kleerscheuren uit de crisis te redden.
De lering die getrokken wordt uit de crisis kan heel verschillende kanten opgaan, ook al is er eerst een flinke unanimiteit over de noodmaatregelen. Gaat Nederland socialer worden nu blijkt dat dit nodig is? Meer solidair, lokaal en internationaal?
Er is echte bezorgdheid over de maatschappelijke gevolgen, maar er bestaat ook egoïsme, inhaligheid in plaats van de bereidheid te delen. Daar tegenover vormen zich in kracht toenemende progressieve geluiden, bereidheid te leren, klimaat-bewust, sociaal tot en met socialistisch. De roep om actie klinkt. Voor wat precies is echter vaak minder duidelijk, het blijft nogal algemeen.
Daar hoort bij niet alleen naar het nu van ‘het momentum’ te kijken maar ook naar het verleden, de geschiedenis. In Nederland en Europa is dat een geschiedenis van versplintering van de macht. Leren we daarvan?
Vaag klinkt nog de echo van de roep in de media om progressieve eenheid, een pleidooi van een paar weken geleden. Dat was echter slechts een roep om linkse parlementaire eenheid. Die kan nuttig zijn, maar beklijft niet als het slechts om incidenten of een verkiezingsprogramma gaat. Bijna vergeten alweer.
Wat dat betreft kan er politiek wel ‘een momentum’ bestaan, maar wees er zuinig op, smeedt de eenheid aan de basis, en van de basis naar de top, visa versa. Respecteer allerlei standpunten zolang de sociale verbetering, de lokale en internationale solidariteit, de zorg op korte én lange termijn, de sociale macht die het grote kapitaal aan banden legt en de klimaatacties de expliciete centrale punten zijn.
Laat argument en actie hand in hand gaan. Breng meningen en massa bij elkaar. Verenig je. Vergroot niet de verschillen uit, maar de overeenkomsten. Wat lang duurt en klein begint is niet per se slecht.
Dit was toch een rijtje van drie? Met als eerste de ‘democratie’ van het virus dat alles en iedereen raakt en staatslieden velt. En hoe zit het met Albert Camus en José Saramago? Zij zijn twee van de schaarse schrijvers die over ‘de epidemie’ schreven. Zij laten in hun verhaal zien dat de epidemie het sociale aspect diep raakt. Ook de fasering van de solidariteit die onder druk staat wanneer de epidemie lang duurt. Dan zie je de bewonderenswaardige dingen in de mens en zijn verachtelijke kanten. Niet verkeerd dit nogmaals te lezen in crisistijd.
Camus schreef ‘De Pest’, het verhaal van de epidemie die alle lagen van de bevolking raakt, ook de notabelen. De epidemie roept allerlei vragen over identiteit en betrokkenheid op, het ego en het sociale, de groep en de persoon, het leven en de dood.
Saramago schreef ‘De stad der blinden’, het verhaal van een epidemie waarin iedereen in de stad blind wordt, uitgezonderd één persoon, die als een spiegel laat zien wat voor sociale processen hier ontstaan, de menselijkheid die niet vanzelf lijkt te spreken.
Zowel bij Camus als Saramago klinkt de sociale kritiek. Bij Camus lijkt de pest op het fascisme, een alles doortrekkend negatief scenario. Bij Saramago wordt het doorgeslagen, blinde consumentisme en individualisme getoond, en treden er politici op die ‘een momentum’ gebruiken irreële stokpaardjes te berijden. De twee auteurs tonen de belangrijke en onvermijdelijke rol van de staatsmacht bij epidemieën. Die rol kan sociaal zijn maar ook dictatoriaal.
Deze boeken zijn aan te bevelen wanneer je nu toch binnen moet zitten. Bij beide kritische schrijvers speelt het sociale engagement. Inderdaad moet er veel gebeuren, betrek de mensen bij het veranderingsproces en bedenk dat je inderdaad de coronacrisis van veel kanten kunt bekijken en er veel van kan leren. Nog lange tijd zal dat het geval zijn. Argument en actie hand in hand, een voorwaarde! Een momentum van de lange duur.
Slaat de verwoeste natuur terug? Dan wel met behulp van de mens die niet wilde weten wat die deed en heel wat waarschuwingen in de wind sloeg.
donderdag 19 maart 2020
Solidariteit. Zich bekommeren om heel de wereld
‘De materialistische leer van de verandering van de omstandigheden en van de opvoeding vergeet, dat de omstandigheden door de mensen moeten worden veranderd en de opvoeder zelf opgevoed moet worden.’
Karl Marx, Uit de Derde these over de filosofie van Ludwig Feuerbach
In dagen waarop heel de wereld zich meer dan ooit om de waarheid en objectiviteit van de wetenschap bekommert, denk ik nóg aan Marx’ visie. De samenhang, dus ook de algehele biodiversiteit, lijdt onder de hoogmoed van de mens. De wetenschap wordt gedwongen haar wijsheid weer te veroveren, al snappen de Wilders & Co. dit nog niet helemaal. De natuur serieus nemen, alles hangt samen.
Wat het ons ook leert is dat een sociale staat veel kán reguleren. Prima, dat is broodnodig en er valt ook hier nog veel te leren. Deel de dingen op, vooral de grote instituties en concerns, help de wereld praktisch hanteerbaar, begrijpelijk en solidair te maken. Solidariteit, een vorm van biodiversiteit en evolutie.
Bestond er ooit geen claim van wetenschappelijk socialisme? Laten we het nog een keer proberen, en dan beter.
Bron: Karl Marx’ Thesen over de filosofie van Feuerbach vind je in veel boeken over Marx. Hier is geciteerd uit Friedrich Engels, Ludwig Feuerbach en het einde van de klassieke Duitse filosofie, Derde verbeterde druk, Uitgeverij Pegasus, Amsterdam 1973, p. 87.
dinsdag 10 maart 2020
Nu dan maar die wereld veranderen? Samenwerken, maar niet blindelings
Al het maatschappelijke leven is in wezen praktisch. Alle mysteries, die de theorie aanleiding geven tot het mysticisme, vinden hun rationele oplossing in de menselijke praktijk en in het begrijpen van die praktijk.
Karl Marx, Achtste these over de filosofie van Ludwig Feuerbach
De vorige blog ging over Marx’ elfde stelling over de filosofie van Feuerbach. Samen met de andere stellingen komt hier een heel wereldbeeld naar voren. Revolutionair, politiek, maar ook kennistheoretisch bezonnen. De wereld veranderen is een leerzame aangelegenheid. Terwijl verandering zonder reflectie, zonder visie, armoedig is. Vaak leidt dat tot een poging te veranderen ‘van niets’. Zó weer weg!
De hierboven genoemde achtste stelling versterkt dat beeld. Alles is praktisch, daarmee komt het handelen centraal te staan. Doen! Maar gelijk op blijven reflecteren, denken. Zie maar in deze stelling, het belang van ‘… het begrijpen van die praktijk.’
Dus Marx eist, veronderstelt een hoger reflectieniveau. Blijven leren, niet zomaar, maar ook midden in het gekrakeel van de politiek. Verlies de structuur van het handelen, van de wereld, van het denken, van de ideologie en van het kapitaal niet uit het oog.
Steeds weer die opgave, het begrijpen ‘van die praktijk’. Gericht weten wat je doet, argumenteer en mobiliseer. Het momentum is nu, niet morgen, wanneer het lukt de praktische daad te begrijpen. Eenheid van praktijk en theorie.
Krakeel van de politiek? Dat is er genoeg. Gisteren, maar ook vandaag.
Nu, maar ja, ‘gisteren’ ook al, en hebben we er genoeg van geleerd? Noem het maar ‘gisteren’, toen op 8 februari de onderzoeker Peter Kanne in de Volkskrant aan de hand van kiezersprofielen pleitte voor een fusie op links, namelijk van GroenLinks en PvdA.
Daarop schreef ik een door de Volkskrant niet geplaatste reactie. Ik schreef dat ik in mijn boek ‘Actief socialisme en vrijheid, Pleidooi voor hechtere linkse samenwerking’ (2018) pleit voor meer en gedurfder samenwerking van alle linkse groeperingen en partijen. Want inderdaad, zoals Kanne zegt, de urgentie van een klimaatcatastrofe en de kloof tussen arm en rijk wordt heel breed gevoeld.
Ik pleit – vervolgde ik – echter niet voor een fusie als uitgangspunt of startpunt. Fusie heeft het risico vooral te leiden tot veel gedoe, slappe compromissen en teleurstelling, terwijl bij partijen die nauw willen samenwerken de leden vrij zijn scherpe en inspirerende discussies te voeren en nieuwe actieve aanhangers te werven. Dat kan bij verkiezingen de basis opleveren de gezamenlijke vuist te maken die zo nodig is.
Tot zover mijn briefje van een maand geleden.
De Volkskrant lijkt vooral de discussie te willen regisseren en heeft sindsdien gepleit, in verschillende varianten, voor een parlementair samengaan van PvdA en GroenLinks. Van daaruit volgt dan weer de reactie, die zoals zo vaak luidt dat de leiders van de twee genoemde partijen zelf hopen met de winst en de eer te gaan strijken. En gemakshalve besteedt de Volkskrant in deze discussie maar nauwelijks aandacht aan de SP, laat staan aan andere linkse en progressieve groepen, sociale en milieu organisaties, comités, vakbonden, partijen en personen.
Het laatste is van essentiële betekenis. De discussie en organisatie aan de basis. Het al dan niet duurzame karakter van samenwerking aan de basis.
Parlementaire coalities kunnen een flinke vooruitgang zijn en ook meer kiezers opleveren. Dat is niet gering, maar een echte duurzame beweging vraagt om veel meer. Houdt het geheel in de gaten, de structuur, de rol van het kapitaal, de noden van de mensen, de ongelijkheid. Terecht stelt de PvdA bij de vorige crisis (2008 en nadien) grote politieke fouten te hebben begaan. Maar dat was niet alleen inhoudelijk, vrijwel alle contact met de basis, het volk ging verloren, enkele uitzonderingen daargelaten. Zie bijvoorbeeld – een voorbeeld uit vele! – het totaalverlies van het sociaaldemocratische gezicht op het gebied van de volkshuisvesting. Wat een schade voor bewoners en buurten!
Begin waar het begin ligt. Nadenken en doen, allemaal nú. Koester het ‘begrijpen van die praktijk’, zou Marx toevoegen. Voor de zoveelste keer alleen naar de verkiezingen kijken en naar de mannetjes en vrouwtjes die daarbij optreden, dat is volstrekt onvoldoende.
Zet liever de activisten van deze groepen, partijen en bonden bij elkaar. Organiseer een massaal volkscongres of iets dergelijks, en laat iedereen aan het woord. Creëer een stevige brede democratische basis van actie, handelen en denken. Lokaal en verderop.
Wat nu te doen? Creëer een basis voor méér. Geen koudwatervrees. Laat niet de media bepalen wat interessant is. De wereld nu is interessant, en die wacht nog altijd op verdere verandering. Doen, en blijven begrijpen wat je doet.
Bron: Marx’ Thesen over de filosofie van Ludwig Feuerbach vind je in veel boeken over Marx. Hier is geciteerd uit Friedrich Engels, Ludwig Feuerbach en het einde van de klassieke Duitse filosofie, Derde verbeterde druk, Uitgeverij Pegasus, Amsterdam 1973, p. 89.
woensdag 4 maart 2020
Marx’ idee de wereld te veranderen
In zijn jonge jaren schreef Karl Marx enkele aantekeningen waarin hij dóórdacht over Ludwig Feuerbachs filosofie en wat daaraan mankeerde. Marx heeft weliswaar veel waardering voor Feuerbachs fundamentele religiekritiek en zijn vernieuwing van de filosofie, maar zijn ideeën zijn onvoldoende filosofisch sluitend en vooral te weinig praktisch. Kort en treffend formuleert Marx een revolutionaire kritiek in elf stellingen. Deze worden na zijn dood door Friedrich Engels gepubliceerd.
De elfde hiervan is beroemd en duidt op een onlosmakelijke eenheid van praktijk en theorie.
In drie vrij uitgebreide blogs – je moet er even goed voor gaan zitten – volgen hier drie reflecties over, achtereenvolgens:
1 – De verstrekkende filosofische visie achter Marx’ ‘Elfde these over Feuerbach’.
2 – Aspecten van ‘Verandering’ in de huidige politieke discussie: ‘Wat nu te doen?’
3 – Filosofie, biodiversiteit en de eenheid van de natuur en wetenschap.
Hieronder de eerste blog. Deze ‘overwegingen’ bij Marx’ ‘Elfde Feuerbachthese’ zijn eerder verschenen in Jasper Schaaf, Godsdienstkritiek, respect en actieve tolerantie, Feuerbach herlezen, Uitgeverij Damon 2010. Als bijlage in dit boek op pp. 133-138, met een vrij uitgebreid notenapparaat, dat hier achterwege blijft, op pp. 147-148.
Twintig overwegingen bij Marx’ elfde Feuerbachthese
De filosofen hebben de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd; het komt erop aan haar te veranderen.
Karl Marx
1 – Revolutionaire omwenteling van de maatschappelijke verhoudingen is noodzakelijk. Uitbuiting, armoede en onderdrukking vragen hierom. Marx accentueert de politieke praktijk.
2 – In de ‘Praxis’, in de praktijk van de inspanning veranderingen teweeg te brengen, komt de waarheid omtrent de werkelijkheid en over de mens meer en meer aan het licht. Grenzen van waarheid en onwaarheid worden zichtbaar. Grenzen worden vervolgens opgeheven. Oneindige beweging van leven en van verkenning van de werkelijkheid. Het accent op de politieke praktijk is dus zowel praktisch als theoretisch van vérstrekkende betekenis.
3 – De waarheid komt vooral aan het licht tijdens en na het veranderingsproces. Wat vooraf koffiedikkijkerij was, is erna waarheid of onwaarheid. Handelen en waarheid staan in één verband. Na het kritisch verder ontwikkelde denken vanaf Hegel en Feuerbach kan de mens deze eenheid reflectief doorgronden en wint hij aan zelfkennis. Hierbij begrijpt hij zichzelf als denkend en handelend, en als afhankelijk van de materiële werkelijkheid. Deze eenheid is nu de welbewuste eenheid van de mens in de werkelijkheid die hij omvormt tot zijn wereld.
4 – Deze welbewuste eenheid, een stap op weg naar opheffing van de vervreemding van de mens, is niet direct een publiek, massaal begrepen zelfbewustzijn. Het is eerder nog een abstract (theoretisch) begin, hoe concreet deze ook gedacht en beschreven wordt door de theoreticus. Het ingrijpen, het revolutionair veranderingsproces moet nog altijd worden voltrokken om het menselijk begrip tot begrip van de mensheid te laten uitgroeien.
Met andere woorden, vervreemding kan niet direct worden opgeheven. Een lang maatschappelijk proces van omvorming kan mogelijkheden creëren om blokkades die tot vervreemding leiden, op te heffen.
5 – In het actieve handelen, gebed in het totale levensproces van de mensheid, ontstaat steeds differentiatie. Het differente, het bijzondere is er niet zomaar, maar moet steeds weer ontstaan. Bij de groei van materiële mogelijkheden en een groei van het zelfbewustzijn kan de persoonlijkheid zich vormen, zich onderscheiden binnen het grotere geheel van de samenleving. De individualiteit, de persoonlijkheid is een historische verworvenheid.
6 – Marx zet de filosofen met beide benen op de grond. Ga deelnemen aan het veranderingsproces, zet je in voor concrete verbetering. Concreet betekent dit strijd tegen de uitbuiting van de arbeider en de koloniale onderdrukking van volkeren. De productieve arbeid is op zich al het veranderen van de wereld. De vervreemding van de arbeid moet daarom ook worden opgeheven.
7 – Met beide benen op de grond, jawel. Toch veronderstelt deze op de wereld gerichte actie juist een hoger theoretisch reflectieniveau en wordt het denken erdoor gestimuleerd.
8 – De elfde stelling houdt verband met de andere tien, waarin Marx (onder meer) de positie van Feuerbach onder de loep neemt. Een (zuiver) afstandelijke beschouwing van de verandering houdt een nog onopgeloste tegenstrijdigheid in, omdat daarin de menselijke activiteit (praxis) zelf niet voldoende als eenheid van subjectiviteit en objectief ingrijpende activiteit begrepen kan worden. Vanuit een observatiepunt buiten het veranderingsproces kan men niet ten volle die verandering begrijpen, zeker niet direct. Doorbreek de afstand van het maatschappelijk gewoel. Deelnemen!
9 – Deelnemen aan de verandering, midden in de beweging staan, houdt ook theorievorming in voor de welbewust denkende activist, arbeider of filosoof. De veranderende wereld impliceert permanente grensverlegging van de kennis. Steeds ontstaan weer confrontaties met vele nieuwe gebeurtenissen, feiten, meningen en reflecties. Deelnemen houdt daarom een creatieve kennisontwikkeling in. Praktijk en theorie zijn inniger verbonden dan tevoren. En zo vermag het denken heel wat.
10 – De omgekeerde weg: creatieve abstrahering. Nieuwe kennis moet ook een – tijdelijk – welbewust nieuw afstand-nemen inhouden. Kennis moet worden verwerkt, actief denkend tot theorie worden omgevormd, doorgrond, geformuleerd, getoetst en geherformuleerd. De innige band, de wisselwerking van praktijk en theorie moet echter steeds worden bewaard, steeds worden hervonden. Permanente herontdekking.
11 – Praktijk en theorie in het veranderingsproces houden een welbewuste disciplinering in. Deelnemen aan de beweging is deelnemen met anderen. Dit betekent een zekere disciplinering binnen een groepsproces, een collectief proces. En uit de consequenties van de actieve deelname theoretische gevolgtrekkingen maken, houdt actief denken in, disciplinering van de geest. Oude opvattingen moeten aan de hand van de praktijk en de theoretische ontwikkeling worden opgeheven, op een hoger, een meer waar niveau worden ontwikkeld. Een meer waar niveau, de hoogst bereikbare waarheid binnen de voorhanden en zich ontwikkelende verhoudingen.
12 – Wanneer meer waarheid verkregen kan worden in en aan de hand van het veranderingsproces van de maatschappij, wordt duidelijk dat Marx’ these een weerspiegelingsopvatting, een weerspiegelingstheorie veronderstelt. Afstandelijke reflectie, hoe waar ook, wordt opgeheven, wordt ontwikkeld tot een reflectie met een inniger band met de werkelijkheid. Die werkelijkheid bepaalt de kennisontwikkeling. Waarheid wordt in een actief creatief, in een niet vanzelfsprekend proces ontwikkeld vanuit de werkelijkheid. Zo wordt de werkelijkheid in het praktisch handelen door de mensheid onvermijdelijk gekend en onderkend, en neemt de theorie tegelijk onvermijdelijk afstand om de moeilijke waarheid nader te onderzoeken. Bovendien dienen wetenschap en filosofie de noodzakelijke band met de werkelijkheid steeds weer te herstellen. Ook zo bestaat de dialectiek.
Juist in dat licht is Marx’ these zo kritisch ten aanzien van filosofen die de laatstgenoemde stap (kennisontwikkeling als eenheid met maatschappelijk handelen) miskennen. Hun waarheid lijkt ‘hoger’ te zijn, maar is dat niet. Een eenzijdig-afstandelijke filosofie kan nooit (blijvend) op een grondige, welbewuste manier de werkelijkheid weerspiegelen, ook al houdt het filosoferen zelf distantie, de abstraherende beweging in.
13 – Aldus leert de mens de werkelijkheid én daarmee zichzelf echt kennen, hoe beperkt in de praktijk misschien nog. Dat zegt iets over de zintuiglijkheid van de mens. De mens moet zintuigen hebben om een vorm van weerspiegeling te vinden, die op haar beurt essentieel is om te kunnen bestaan. Zonder een vorm van redelijk adequate (wederzijdse) afstemming van leven en materiële wereld, kan een levensvorm er niet zijn. Weerspiegelingsprocessen – waaronder kennis als weerspiegeling en bijvoorbeeld óók het handelen als reactie op de werkelijkheid – vormen een noodzakelijke basis van elke materialistische filosofie die de handelende en denkende mens als specifiek leven erkent. Weerspiegeling is daarmee een ontologisch-kentheoretische categorie.
De dialectische filosofie die de zintuiglijkheid van de mens erkent, ontkent geenszins de noodzaak tot verder denken. Ook abstract denken is noodzakelijk om de werkelijkheid denkend te leren beheersen, te begrijpen.
Deze erkenning van de zintuiglijkheid laat onverlet Marx’ vijfde these over Feuerbach, waarin hij stelt dat de zintuiglijkheid als praktische, menselijk-zintuiglijke activiteit moet worden begrepen. Erkenning van zintuiglijkheid hoeft niet het standpunt van de afstandelijke beschouwing in te houden, dus geen scheiding van subject en object.
14 – In de erkenning van de zintuiglijkheid bij Marx is, anders dan bij Feuerbach, de praktijk als ‘Tätigkeit’ inbegrepen, als deel van een omvangrijk veranderingsproces waarin de mens zich bevindt, het initiatief moet nemen en dus kennis van de werkelijkheid nodig heeft.
15 – De elfde these, Marx’ politieke stelling, impliceert niet slechts een kentheoretische en ‘metafysische’ opvatting (zie de hierboven genoemde dertiende overweging). Hij legt er een fundament mee van het historisch materialisme en van de sociologie als wetenschap, die zich bewust zijn van hun (letterlijk) ingrijpend karakter en de noodzaak onderkennen van verdere reflectie op dat ingrijpen. Dit historisch materialisme is in laatste instantie hetzelfde als Marx’ materialistische dialectiek. Marx reflecteert het praktijk-begrip theoretisch, consequent historisch, inhoudelijk materialistisch en dialectisch. De menselijke ingrijpende activiteit is materieel bepaald – in bepalende zin economisch en sociaal, omdat de mens moet leven –, maar juist door het kritische doelbewuste ingrijpen kan de mens boven zijn maatschappelijk ‘noodlot’ uitstijgen. De mens kan zowel zichzelf leren begrijpen, als ellende, honger en uitbuiting opheffen op een solidaire wijze.
16 – Dit zelfbegrip kan in de eenentwintigste eeuw ook op de verhouding van mens en milieu worden toegepast, ook al viel die verhouding destijds nog buiten de kern van Marx’ reflectie. Immers, het gaat om zelfkennis, waarbij de mens zichzelf als denkend en handelend, en als afhankelijk van de materiële werkelijkheid begrijpt. Dit laatste heeft grote consequenties.
17 – Marx’ thesen impliceren een sociaal mensbeeld. De praktisch-omvormende werkzaamheid is een wezenlijk kenmerk van de mens. Deze werkzaamheid is tevens bepalend voor zijn denken, dat op zijn beurt de wijze van ingrijpen en omvormen beïnvloedt, alsmede de verdere menselijke ontwikkeling. Vanuit de historische gang van zaken is het een gegeven dat de mens moet handelen en zijn werkelijkheid vormgeven. Met andere woorden, de mens moet samen met andere mensen handelen door arbeid te verrichten en met hen economisch verkeer te onderhouden, en moet de wetenschap ontwikkelen om dat te kunnen blijven doen. Het daarmee bereikbare hogere reflectieniveau en grotere vrijheden worden op deze wijze in sterke mate sociaal en economisch bepaald. Op zijn eentje, zonder anderen en zonder deel uit te maken van economische verhoudingen kan de mens niet bestaan en zich niet ontwikkelen.
Marx’ dialectiek: de mensheid bevindt zich principieel in een veranderingsproces waarin hij zelf geen passieve toeschouwer of alleen maar gedwongen deelnemer is, maar waarin de mens door zijn handelingsmogelijkheden en rationaliteit mede vorm geeft aan dit proces, en mede de sociale en morele uitkomst ervan bepaalt.
18 – Het komt erop aan doelgericht de wereld te veranderen. Alleen in het welbewust praktisch handelen zijn subject en object – als interactieve eenheid op een steeds hoger, ingewikkelder reflectieniveau – in beweging op initiatief van de mens zelf. Immers, beweging bestaat altijd. Zonder de inspanning van het denken en doelgerichte actie is de mens gedoemd passief de maatschappelijke trend te volgen, dus zonder zijn vervreemding op te heffen.
19 – De elfde these betekent dus niet: houd op met denken! Het is geen verklaring van het einde van de filosofie.
20 – De elfde these betekent ook niet, dat de mens ooit op moet houden ingrijpend te handelen wanneer hij een nu nagestreefde verandering ooit heeft voltrokken.
De filosofen hebben de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd; het komt erop aan haar te veranderen.
Abonneren op:
Posts (Atom)


