vrijdag 6 december 2019

De toekomst van het individu als sociaal wezen


Weblog Tijdelijk Anders Nummer 9
In deze ‘tijdelijke serie’ blogs presenteer ik twee oude artikelen en de boeken die ik schreef.
Hier het boek De toekomst van het individu als sociaal wezen, Een sociale cultuurkritiek, uit 1996.





De toekomst van het individu als sociaal wezen gaat kritisch in op een reeks van maatschappelijke en politieke tijdsverschijnselen. Met veel voorbeelden, zoals het mondiale aantal internetgebruikers. Dat was in 1995 zo’n 50 miljoen. Dat getal, vergeleken met nu, maakt begrijpelijk dat veel van dit boek gedateerd overkomt. Maar de vragen over ongelijkheid zijn dat zeker niet. In die zin kan het nuttig zijn over een langere periode eens de sociale tijdsverschijnselen, alsmede de kritiek erop, naast elkaar te leggen.
    Individualisme is niet hetzelfde als persoonlijkheidsontwikkeling. Ontwikkeling van individualiteit kan pas goed slagen als de maatschappelijke ontwikkeling niet stagneert. Dit boek geeft een reeks van samenhangende beschouwingen over individualisering met als centrale tegenspraak ‘Nieuwe kansen versus sociale armoede’.
    Er zijn nieuwe kansen voor een door het humanisme geïnspireerd zelfbewust leven. Tegelijk trekken veel mensen zich terug in een beperkt privédomein en leidt een doorgeslagen individualisme tot een diepgeworteld gevoel van ontevredenheid.

Zo bestaat een spanningsveld dat in dit boek concreet bezien wordt op het gebied van arbeid, onderwijs, sociale zorg en politiek. En komen de materiële verhoudingen aan bod waarin beperkingen bestaan, waardoor positieve verworvenheden bij lange na niet binnen ieders bereik liggen.
    De voorbeelden in dit boek zijn soms wat gedateerd, de rode draad is dat niet.


Uit de inhoud

-  Individualisering versus persoonlijkheidsontwikkeling

-  Sociale en persoonlijke vervreemding

-  Maatschappelijke tweedeling als rem op de persoonlijkheidsontwikkeling

-  Flexibilisering en vervreemding

-  Onderwijs als individualiseringsproces

-  De noodzakelijke toekomst van een sociale zorg

-  Weg met cynisme en overdreven relativisme

-  Ethische tegenbeweging als beweging van het sociale

-  Een mooi CV garandeert nog geen persoonlijkheid


De toekomst van het individu als sociaal wezen, Een sociale cultuurkritiek. Uitgeverij Van Gorcum, Assen 1996, ISBN 978 90 232 3139 2.
Het boek is te koop voor € 2,- plus verzendkosten.
Belangstelling? Mail naar jasperschaaf@gmail.com.










zondag 1 december 2019

De filosofie van de handwerker Joseph Dietzgen


Weblog Tijdelijk Anders Nummer 8
In deze ‘tijdelijke serie’ blogs presenteer ik twee oude artikelen en de boeken die ik schreef.
Hier het eerste boek, De dialectisch-materialistische filosofie van Joseph Dietzgen.





Joseph Dietzgen (1828-1888) was leerlooier en filosoof. Marx noemt hem op het Haagse congres van de Internationale in 1872 ‘onze filosoof’ en heeft eens gezegd dat Dietzgen een van de geniaalste arbeiders was.
    Dietzgen formuleert een omvattende filosofie: kennistheorie, ontologie en een sociale filosofie. Toen aan het begin van de 20e eeuw veel van de filosofische geschriften van Marx en Engels nog ongepubliceerd waren, ontstond in de arbeidersbeweging discussie of Dietzgens denken een filosofische basis voor het marxisme kon vormen.
      Over hem schreven onder meer Wladimir Iljitsch Lenin, en in Nederland Anton Pannekoek, Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst.
    Friedrich Engels schreef : ‘Deze materialistische dialectiek, die sedert jaren ons (Marx’ en Engels’) beste instrument en ons scherpste wapen was, werd merkwaardigerwijs (…) onafhankelijk van ons en zelfs van Hegel, nog eens ontdekt door een Duitse arbeider, Joseph Dietzgen.’


Uit de inhoud van het boek

-  Leven en werk van Dietzgen

-  Moeilijkheden bij het beoordelen van Dietzgens filosofie

-  Feuerbach en Marx – De historische grondslag van Dietzgens denken

-  Dialectische ontologie als vrucht van kennistheoretische beschouwingen

-  Moraal en theologie als ideologisch vraagstuk

-  De betekenis van Marx’ economisch werk voor Dietzgens filosofie

-  Joseph Dietzgens politieke ideeën en het marxisme binnen de Duitse en Amerikaanse arbeidersbeweging

-  Dietzgen bij Nederlandse denkers


Later kwam ik vaker op Dietzgen terug, zoals in het boek over Feuerbach en de godsdienstkritiek uit 2010. Onder meer over wat Dietzgen vindt van beeldende taal in de propaganda. Hieronder een fragment uit dit boek.


Zeg de waarheid in homeopathische hoeveelheden

Beeldende taal en de vorm van de preek komen terug bij veel revolutionaire sprekers. De preek kan ook bewust als communicatiemiddel worden ingezet. De momenteel in de vergetelheid geraakte leerlooier en ‘arbeidersfilosoof’ Joseph Dietzgen ontwikkelt mede op basis van het werk van Feuerbach en Marx een dialectisch-monistische en materialistische visie. Om deze begrijpelijk te presenteren maakt hij bewust gebruik van de preek. Hij start in 1870 een artikelenserie onder de titel De religie van de sociaaldemocratie. Dit werk is opgebouwd in preken, zoals Dietzgen ze zelf noemt. Deze vorm spreekt het volk aan, de werkman is eraan gewend. De arbeider leest niet, hij luistert. De preek is een krachtige vorm van overdracht. De nieuwe revolutionaire leer – daarmee bedoelt Dietzgen de revolutionaire sociaaldemocratie – moet met preken worden uitgedragen.
      Dietzgen heeft veel waardering voor Marx’ Het kapitaal en schrijft als een der allereersten er een grondige recensie over. Maar hij zegt ook in een brief aan Marx in 1868: ‘Jouw leer is te sterk voor deze bekrompen wereld en moet daarom in homeopathische hoeveelheden worden uitgedragen.’ De waarheid is te complex om in één keer te vatten, en kan daarom maar beter in aansprekende deelwaarheden worden verbeeld.



De dialectisch-materialistische filosofie van Joseph Dietzgen
. Uitgeverij Kok Agora, Kampen 1993, ISBN 9039105634. Proefschrift. Het boek is te koop voor € 2,- plus verzendkosten.
Belangstelling? Mail naar jasperschaaf@gmail.com.











dinsdag 19 november 2019

Het RSV, de SDP en Zimmerwald (aflevering 4)


Weblog Tijdelijk Anders Nummer 7

Deze blog is het vervolg over de Zimmerwalder beweging en de invloed daarvan op de Nederlandse en internationale politiek, met name op de revolutionair-socialistische politieke en vredesbeweging tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Het is de laatste van de vier afleveringen van dit artikel, dat oorspronkelijk geschreven, althans gedateerd is op 27 mei 1980.
Voor toelichting over deze opzet, zie de blog van 26 oktober 2019.


De demobilisatie-eis

Groot was onder de revolutionair-socialisten de verontwaardiging toen praktisch alle sociaaldemokratische parlementariërs in de meeste landen van Europa voor de mobilisatie en de oorlogskredieten stemden. Die verontwaardiging leidde tot nieuwe eenheid onder de, vaak kleine, linkse groepen. Zo werkte  de SDP samen met de anarchisten, waaronder Domela Nieuwenhuis, de syndicalisten en de anti-militaristen in de SAV, de Samenwerkende Arbeidersverenigingen, waarbij na Zimmerwald de RSV kwam.
    Elke organisatie die optreden wilde tegen de godsvrede en de oorlogskredieten moest wel een standpunt innemen ten aanzien van bewapening en de landsverdediging. In Herman Gorters in de SDP invloedrijke brochure Het imperialisme, de wereldoorlog en de Sociaal-Demokratie konkludeert hij dat het proletariaat ‘alle credieten voor Militarisme en Imperialisme (moest) weigeren, ook in het geval van oorlog.’ (Noot 49. Gorter, brochure, p. 116.) Voor de SDP werd de krachtig wervende demobilisatie-leus één van de belangrijkste die ze in de oorlog voerde. (Noot 50. Zie De Liagre Böhl, pp. 140 e.v.)

Dat wil niet zeggen dat de SDP op een burgerlijk pacifistisch standpunt stond. De SDP streed tegen militarisme en imperialisme en was tegelijkertijd voor ‘volkswapening’, voor een volksleger dat de arbeidersklasse mee moest helpen de macht te veroveren en te behouden. (Noot 51, Zie De Liagre Böhl, p. 141.) Op het 6e kongres van de SDP in 1915 verwierp de SDP ook het volksleger ter verdediging van de onafhankelijkheid of van de neutraliteit.
    Dit besluit was gebaseerd op Gorters analyse van het imperialisme. Nederland was een koloniale mogendheid en daarom had het Nederlandse leger een imperialistisch karakter. Van afweeroorlogen was volgens Gorter bij de grote mogendheden geen sprake en zo moest ook Nederland afzien van de landsverdediging.
    Afzien van landsverdediging betekende volgens Gorter niet een afzien van ‘volkswapening’ ter verdediging van de revolutie. De SDP was dus niet principieel voor elke ontwapening, hoewel ze dat naar buiten toe, bijvoorbeeld door de samenwerking met de anti-militaristen die feitelijk pacifistisch waren, soms wel suggereerde.

Ook Roland Holst hield zich nadrukkelijk met het demobilisatie-probleem bezig. Haar standpunt komt in deze periode in grote mate overeen met dat van de leiders van de SDP, ook al vertrouwde Wijnkoop haar marxistische argumentatie ten aanzien van haar ondersteuning van de dienstweigeringsaktie niet. (Noot 52. Zie Lademacher, deel 2, p. 331.)
    Roland Holst waarschuwt tegen de volksleger-eis als deze neer komt op de bestendiging van het nationalisme en als zo’n volksleger gebruikt zou kunnen worden voor de landsverdediging. (Noot 53. Zie De Nieuwe Tijd, jaargang 1915, p. 160.) Tegelijk sluit ze niet het optreden van een ‘werkelijk volksleger’ uit in de proletarische revolutie. Zij wijst in dit verband op de revolutionaire rol van sommige onderdelen van het Russische leger tijdens de revolutie van 1905.

In het eerste nummer van De Internationale licht Roland Holst toe waarom het revolutionaire socialisme in die situatie, van de wereldoorlog, voor demobilisatie moet zijn. Ze ziet de nationale verdediging als niets dan het mom van de van de imperialistische wil tot heersen en uitbuiten.
    Wolda gaat in het zelfde nummer op het Nederlandse imperialisme in, en beoordeelt in dat licht de mobilisatie-lobby die door koloniale militairen, oud generaal-gouverneurs, oud-ministers en uiteraard industriëlen wordt gevoerd. (Noot 54. Zie De Internationale, pp. 23 e.v..)
    Als Roland Holst het Manifest van Sympathie met eventuele dienstweigeraars ondertekent heeft zij als marxiste deze daad te verdedigen. Zij wijst er op dat individuele dienstweigering kan omslaan in massale dienstweigering en ziet dienstweigering als uiting van verzet van een deel van de revolutionaire arbeiders tegen het militarisme. In die situatie ziet zij de veroordeling van individuele dienstweigering door marxisten als dogmatische verblinding. (Noot 55. Zie De Internationale, oktober 1915, p. 102.)
    Doordat de RSV en SDP uiteindelijk zowel praktisch als theoretisch op het standpunt staan dat men in het imperialistische tijdperk de landsverdediging moet verwerpen en alle uitgaven voor het militarisme – zo ook het volksleger in nationalistische zin – moet afwijzen, wordt deze kwestie één van de belangrijkste bindende elementen die de fusie tussen beide organisaties helpt bewerkstelligen.

Het zelfbeschikkingsrecht van de naties

Een samenhangend centraal diskussiepunt in de internationale arbeidersbeweging was dat van het zogeheten zelfbeschikkingsrecht van de naties. Wijzend op het karakter van het imperialisme wijst men landsverdediging af. Als dan het manifest van Zimmerwald wel het zelfbeschikkingsrecht erkent wordt deze eis binnen RSV en SDP als imperialistisch opgevat, omdat de oorlogvoerende landen onder het motto van hun recht en de vaderlandsverdediging de oorlog voeren. De meerderheid van de leden van de RSV, de niet-SDPers die overblijven, worden via Roland Holst door Grimm ervan overtuigd dat de eis van het zelfbeschikkingsrecht niet burgerlijk-nationalistisch is bedoeld, maar dat dit recht slechts door de strijd van de arbeidersklasse afgedwongen kan worden. (Noot 56. Zie Lademacher, deel 2, p. 127.)

De SDP laat zich minder makkelijk overtuigen. In zijn artikel in De Nieuwe Tijd schrijft Wijnkoop dat de ‘proletarische klassenstrijd in werkelijkheid onverenigbaar is met het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren als strijdleus.’ (Noot 57. De Nieuwe Tijd, jaargang 1916, p. 54.) Lenin dacht hier heel anders over. Hij wijst op Gorters inkonsekwentie als deze het zelfbeschikkingsrecht van Nederland feitelijk ontkent, terwijl hij die van het toenmalig Nederlands Indië wel erkent. (Noot 58. Zie Lenin, Werke, bijvoorbeeld deel 23, p. 10, en zie vooral ook A.S. De Leeuw, Het socialisme en de natie, Amsterdam 1939, pp. 200 e.v.)
    Voor Lenin was dit recht juist een hoofdzaak en hij probeert deze kwestie op de agenda te krijgen van de bijeenkomsten van de Zimmerwalder instanties. Reeds in 1914 had hij er een uitgebreide verhandeling over geschreven, waarbij hij onder meer het recht op afscheiding van naties uit een bestaand staatkundig verband erkende.
    Elke natie heeft volgens Lenin de zelfde rechten en alleen echt zelfstandige volkeren kunnen werkelijk internationaal samengaan.

Uiteindelijk is ook dit meningsverschil geen belemmering geweest voor samengaan van RSV en SDP, want, zoals Roland Holst dat voor de fusie formuleerde, zagen beide het vraagstuk van de vrijheid van de volkeren in het licht van de strijd tegen imperialisme en ‘sociaal-patriottisme’.
    De beweging van Zimmerwald is van grote betekenis geweest, die er in bestaat dat de revolutionaire socialisten internationaal opnieuw de handen ineensloegen om strijd te leveren tegen imperialisme en voor vrede en socialisme.
    Mede door Zimmerwald kon deze strijd ook in ons land aanzienlijk versterkt worden. Hierin ligt tevens het belang van het RSV. Deze organisatie wist aan het begin van de wereldoorlog een voor Nederlandse verhoudingen aanzienlijk aantal socialisten te mobiliseren in de strijd tegen de oorlog. Daarvan uitgaande kreeg de Zimmerwalder beweging vaste voet op Nederlandse grond. Bovendien kon door de fusie tussen RSV en SDP de enige overgebleven marxistische partij van betekenis haar eerste grote ledenuitbreiding krijgen.







Karl Liebknecht
 
'Burgkrieg, nicht Burgfriede'










maandag 18 november 2019

Het RSV, de SDP en Zimmerwald (aflevering 3)


Weblog Tijdelijk Anders Nummer 6

Dit is het vervolg van het artikel over de revolutionair-socialistische politieke en vredesbeweging tijdens de Eerste Wereldoorlog, de derde van vier afleveringen.


De RSV en Zimmerwald

In haar herinneringen schrijft Roland Holst dat zij binnen het RSV er met grote moeite in slaagde de oppositie te overtuigen haar een mandaat te geven voor de konferentie van Zimmerwald. Na de konferentie verdwijnt in de gereorganiseerde RSV de laatste schroom.
    Zoals Wolda het formuleert is het alsof ‘de Zimmerwalder oproep, deze opeising van het proletariaat voor de onverzoenlijke nationale en internationale strijd tegen het imperialisme, ineens de praktische, zowel als de theoretisch-taktische spinnewebben uit de hoofden heeft weggevaagd.’ (Noot 32. De Internationale, p. 111.)

In De Internationale wordt veel aandacht besteed aan de praktische strijd tegen oorlog en imperialisme, vóór het manifest van Zimmerwald. Zo wordt uitvoerig verslag gedaan van de eerste massale stakingen die onder leiding van de bolsjewiki in Rusland ontstaan, en van het besluit van de Russische arbeiders om niet deel te nemen aan de oorlogs-komitees.
    Om in eigen land de beweging los te maken worden openbare vergaderingen belegd waar steeds een resolutie wordt besproken die Zimmerwald ondersteunt. Sprekers zijn vooral Roland Holst en de Barchemse dominee Van Wijhe.
    Voor de Amsterdamse meeting probeert Roland Holst Grimm naar Nederland te krijgen en als die niet kan komen komt Käte Duncker als derde spreker. Zij was naast Luxemburg en Mehring lid van de Duitse linkse groep de Internationale, die opereerde binnen de Duitse sociaaldemokratie. Op deze vergadering die op 31 oktober gehouden wordt is ook Wijnkoop aanwezig, die daarna aan Van Ravesteyn schrijft  dat hij met ‘de edele dame’ over Zimmerwald gediskussieerd heeft.

Het januari-nummer van De Internationale geeft in extenso de opvattingen van de Zimmerwalder Linke weer. (Noot 33. Zie De Internationale, pp. 168-177.) Roland Holst verklaart daarbij nog eens waarom ze niet met hen meestemde en zegt tegelijk het wel met de gedachtegang eens te zijn en zich te rekenen tot de linkerzijde. Ook de RSV als geheel gaat deze koers steeds meer volgen.
    Op de algemene vergadering van de RSV die op 2 januari te Amsterdam wordt gehouden besluit de vereniging zich officieel bij de ISK aan te sluiten. In de daartoe aangenomen resolutie verklaart de vereniging zich theoretisch en praktisch tegen het ‘sociaal-patriottisme’ en tegen de overgebleven halfslachtigheid van Zimmerwald. Daardoor plaatst de RSV zich onmiddellijk bij de linkerzijde van Zimmerwald. (Noot 34. Zie De Internationale, p. 203.)
    Ter vergadering wordt er op gewezen dat de RSV het manifest zowel moest verdedigen tegenover Het Weekblad van de SDAP, als tegenover De Tribune. Dat laatste neemt niet weg dat de vereniging door zich letterlijk tegenover het centrum-marxisme van Kautsky c.s. te plaatsen toch weer een schrede naar de SDP doet.

In februari 1916 treden RSV en SDP voor het eerst gezamenlijk op, en wel op internationaal niveau. Zij bieden bij de ISK, die op 5 februari bijeenkomt, een gezamenlijke verklaring aan, die de ISK zou moeten publiceren. Opvallend hierbij is dat een niet aangesloten organisatie, de SDP, deze verklaring mede-indient.
    Deze konsept-verklaring somt een waslijst van maatregelen op die onmiddellijk na de oorlog genomen zouden moeten worden. (Noot 35. Zie De Internationale, pp. 245-246.) Lenin ziet dit program als een bont samenraapsel van punten, waaraan de ISK zijns inziens terecht bijna geen aandacht schenkt. (Noot 36. Lenin, Zie Werke, deel 23, p. 3.)

Na dit gezamenlijk optreden blijken de laatste barrières voor de fusie binnen de RSV gemakkelijk genomen te kunnen worden. Voornamelijk een meningsverschil ten aanzien van ‘het militarisme’ scheidt beide organisaties nog. Nadat Roland Holst aan de leden van de RSV verklaard heeft dat het meningsverschil op een misverstand berust, omdat ook de SDP op een konsekwent anti-militaristisch standpunt staat en dat de resterende verschillende opvattingen bijzaken betreffen, kan de fusie plaatsvinden. (Noot 37. Zie De Internationale, pp. 263-264.)
    Op 26 maart besluit de RSV met 7 tegen 3 stemmen (van de 10 aanwezige afdelingen) voor de fusie. Tijdelijk wordt dan De Tribune door beide organisaties uitgegeven en op het mei-kongres van de SDP te Amsterdam wordt de fusie voltrokken. (Noot 38. Het is opvallend hoe snel de fusie voltrokken wordt terwijl kort daarvoor er nog geen sprake van is. Wellicht is een nader onderzoek naar de verschillende fusiebesprekingen interessant.)
    Voor de Nederlandse politiek heeft dit onder meer het belangrijke gevolg dat de SDP voor het eerst een groei van betekenis kent, namelijk van 500 naar zo’n 700 leden.

De SDP en Zimmerwald

Heel wat minder enthousiast, vergeleken met de RSV, reageert de SDP vooralsnog op Zimmerwald. Niet alleen weigert Wijnkoop op de konferentie aanwezig te zijn, maar tot vlak voor de fusie worden de resultaten van Zimmerwald openlijk aangevallen. Argumenten tegen Zimmerwald die genoemd worden door Wijnkoop zijn dat Zimmerwald niet duidelijk een konferentie van de uiterste linkerzijde is, dat er ook mensen aan deelnemen die voor de oorlogskredieten hebben gestemd als Ledebour en Grimm. Verder worden de zinsneden die gaan over het zelfbeschikkingsrecht der volkeren opgevat als zelfbedrog, als middel om de volkeren ter beschikking te stellen van de nationale bourgeoisieën. (Noot 39. Zie De Tribune, 2 oktober 1915.)
    Wijnkoop vindt het nationalistisch karakter te sterk en wil meer nadruk leggen op de internationale eenheid van het proletariaat. In De Tribune haalt Wijnkoop de drie eisen aan die Lenin stelde, voorafgaande aan de konferentie van Zimmerwald: uitgesproken strijd tegen het toestaan van oorlogskredieten, strijd tegen sociaal-chauvinisme en voor revolutionaire massa-aktie. (Noot 40. Zie De Tribune, 25 september 1915.)
      Het niet bij voorbaat gegarandeerd zijn van de inwilliging van deze eisen vond Wijnkoop voldoende om zich tegen Zimmerwald uit te spreken. Bovendien stelt hij de eis ‘ogenblikkelijke ontwapening’ als voorwaarde.

Als Zimmerwald en de strijd van de Zimmerwalder Linke invloed beginnen te krijgen wijt Wijnkoop het resultaat van deze strijd aan andere oorzaken: ‘… Als op één punt Zimmerwald gefaald heeft, dan zeker hierin (de weigering van de oorlogskredieten), ondanks het feit dat op 21 december een twintigtal leden van de Duitse Sociaaldemokratische Rijksdagfraktie, waaronder Ledebour, tegen het nieuwe oorlogskrediet hebben gestemd. Een heugelijk feit zeker, maar meer getuigend voor de beginnende opstuwende kracht van onderop, waardoor de parlementariërs eindelijk aarzelend gaan handelen, dan voor de revolutionaire stuwkracht en het inzicht van Zimmerwald.’ (Noot 41. De Nieuwe Tijd, jaargang 1916, pp. 56-57.)
    Waarmee Wijnkoop wel heel erg makkelijk één en ander van elkaar scheidt. Het feit dat juist Liebknecht zich wel openlijk voor de konferentie uitsprak en dat de linkerzijde van Zimmerwald Ledebour c.s. feitelijk zover krijgt zich te Zimmerwald tegen de kredieten uit te spreken, laat hij niet zwaar wegen. Wijnkoop stelt ‘het principe’ absoluut voorop en beweert dat dit in overeenstemming is met de opvattingen van Lenin in de brochure Socialisme en oorlog. (Noot 42. Zie De Nieuwe Tijd, jaargang 1916, p. 60.) Het verschil blijft dat Lenin en Zinoviev wel aan Zimmerwald meedoen, het principe ook hoog houden, maar tegelijkertijd de strijd tegen opportunisme in de sociaaldemokratie in de praktijk voeren.

Naast openlijk uitgesproken politieke motieven spelen ook andere een rol. Wijnkoop is bang dat ook Troelstra aan de konferentie deel zal nemen en wellicht is hij er bang voor, net als Pannekoek die Wijnkoop over de konferentie schrijft, dat zij niet toegelaten zullen worden, hoewel ze uitgenodigd zijn. (Noot 43. Zie Lademacher, deel 2, p. 96) Tegenover Van Ravesteyn spreekt Wijnkoop  uit dat hij Lenin, die bij de Zimmerwalder Linke een grote rol speelt, niet geheel en al vertrouwt. (Noot 44. Zie Lademacher, deel 2, p. 114.) De SDP weigert om deze redenen ook het manifest van Zimmerwald te onderschrijven.

Binnen de SDP ontwikkelt zich echter een oppositie die niet buiten de Zimmerwalder beweging wil blijven. In een geruchtmakend artikel levert H.W.J. Sannes, op solidaire wijze, flinke kritiek op de houding van Wijnkoop. (Noot 45. Zie De Nieuwe Tijd, jaargang 1915, pp. 703 e.v.) Hij schrijft: Wij verwachten zulks (dat de SDP met Zimmerwald gaat meedoen), want ons vertrouwen in de partij, welke sedert 1909 in Holland de enige is geweest, die de revolutionaire sociaaldemokratie heeft gediend, is niet geschokt door de voorlopige afwijzende houding door hare bestuurderen aangenomen.’ (Noot 46. De Nieuwe Tijd, jaargang 1915, p. 718.) Sannes konkludeert na een uitvoerig betoog dat de SDP niet aan de kant kan blijven staan.

Tot die konklusie kwam Wijnkoop zelf ook al snel, zij het niet van harte, namelijk al in oktober 1915. (Noot 47. Zie Lademacher, deel 2, p. 181.) Terwijl hij naar buiten toe de ‘halfheden’ van Zimmerwald in felle bewoordingen aanvalt, niet het manifest wil ondertekenen en niet aan de instanties van Zimmerwald mee wil doen, bereidt Wijnkoop zich voor op de volgende konferentie.
    Daar zal hij echter nooit aanwezig zijn omdat aan de Nederlanders, dus ook aan Roland Holst, verdere visa voor de tocht naar Zwitserland worden geweigerd.
    Ook de SDP groeit, juist door Zimmerwald en met enige tegenzin, naar de RSV toe. Gezamenlijke voorbereiding door Wijnkoop, Gorter en Roland Holst van de ‘Erweiterte Kommission’ van het ISK leidt tot verdere toenadering. (Noot 48. Zie Lademacher, deel 2, pp. 432-433.)



Er volgt nog een laatste aflevering van dit artikel in de volgende blog, met meer over inhoudelijk eisen en strategieën die in het geding waren. Zie: ‘Weblog Tijdelijk Anders Nummer 7’.






Wladimir Iljitsch Lenin