zaterdag 21 januari 2017

Aspecten van Dietzgens denken


De ‘arbeidersfilosoof’ Joseph Dietzgen (1828-1888) formuleert zijn filosofie in de eerste plaats als kennistheorie: ‘Onze wereldbeschouwing, die de waarheid niet bekijkt vanuit een hogere of lagere geest, maar in de oneindige materialiteit, is – voor zover ze nieuw is – een nieuwe kennistheorie.’  Dietzgen vraagt hierin niet alleen naar de aard en reikwijdte van de kennis. Door het proces van kennisverwerving te beschouwen in het grotere verband van de materialistisch geïnterpreteerde werkelijkheid en de vraag te stellen naar de aard van die werkelijkheid betreedt hij ontologisch terrein.
    De dringende vraag die hem voortdrijft is hoe uit de hem bekende filosofie tot een ‘proletarische logica’ te komen, die geldigheid voor de toekomst heeft. Het gaat hem om een filosofie, een wereldbeschouwing van de arbeidersklasse. Maar ook gewoon om een nuchtere filosofie die de werkzaamheid van het denken – ingebed in een materiële wereld – niet ontkent, maar vrij maakt van het religieuze bijgeloof . De mens moet niet langer onderdanig denken.

Tijdens het ontwikkelen van zijn ideeën bouwt Dietzgen voort op de filosofische opvattingen van Ludwig Feuerbach en Karl Marx. Ten dele ook op de kantiaanse terminologie, terwijl hij zich tegelijk resoluut afzet tegen de kantiaanse idee dat de werkelijkheid ‘zoals die is’ onkenbaar zou zijn. Kennis betreft de werkelijkheid zelf, ook wanneer die kennis nog in ontwikkeling is.
    In die zin ziet hij het denken als weerspiegeling. Het denkvermogen is een ‘instrument als een spiegel’. Waarbij we overigens niet moeten vergeten dat je je kunt vergissen als je in de spiegel kijkt. Over die rol van weerlegging, vergissing en concreet optredende beperkingen schiet Dietzgens uitwerking ongetwijfeld tekort.

Dietzgen ontwikkelt een eigen dialectische denkwijze wanneer hij onherroepelijke, metafysisch verstarde waarheden afwijst. Naar zijn mening is alleen de ‘totaal-samenhang’, die in voortdurende ontwikkeling is, absoluut. Deelwaarheden zijn relatief, zijn slechts waar onder bepaalde verhoudingen of in een bepaalde relatie. Elke onwaarheid draagt een waarheid in zich.
    Zoekend naar het bepalende in de verhouding van ‘zijn en denken’ wil Dietzgen zowel idealistische als mechanische materialistische posities vermijden. Beide gaan zijns inziens uit van een dogmatisch, of zoals hij het noemt ‘überschwenglich’ standpunt. Deze term ‘überschwenglich’ gebruikt Dietzgen vaak. Deze heeft bij hem een sterke geladenheid in de betekenis van overdreven, bovenmatig, buitensporig, maar dat heel letterlijk genomen: los van of naast de realiteit staand, boven de realiteit uitgaand, dus irreëel. Daartegenover wil Dietzgen de materiële samenhang, de eenheid vertolken.

Het eerste hoofdwerk van Dietzgen, ‘Het wezen van de menselijke hoofdarbeid’ (1869) is een analyse van het denken als kennisactiviteit, waarvan het vormen van algemene begrippen op basis van bijzondere zintuiglijke gegevens de essentie vormt. De mogelijkheid om tot kennis te komen bestaat in de noodzakelijke en reëel bestaande vaardigheid op te stijgen van het bijzondere naar het algemene.
    Dit brengt de vraag met zich mee in hoeverre zijn filosofie zich onderscheidt van een zuiver empiristisch standpunt, dat in strijd zou zijn met de eigen kenschets van zijn filosofie als dialectische theorie. Daarom formuleert hij een filosofische eenheidsleer met als uitgangspunt de materialistisch opgevatte totale werkelijkheid, ‘das Weltall’. Dit monisme ligt volgens Dietzgen in het verlengde van zijn kennistheorie.

Dietzgens kortere kentheoretische stukken gaan in op het opkomende neokantianisme en vormen van agnosticisme, wanneer deze richtingen ook in discussies binnen de arbeidersbeweging meer vaste voet aan de grond krijgen. In die zin loopt zijn werk vooruit op de polemiek die Wladimir Lenin later met agnostische filosofen zal voeren, waarbij deze zijn materialisme deels op Dietzgens denken zal stoelen.
    Dietzgen ziet in het standpunt van ‘onkenbaarheid van de laatste dingen’ het risico van terugval op bijgeloof. Dat past zijns inziens niet in een benadering van het socialisme op basis van de wetenschap. Het ‘onbegrijpelijke’ kan volgens hem niet bestaan, het is een non-begrip.

Wanneer Dietzgen filosofische vragen op eigentijdse wijze probeert te beantwoorden, introduceert hij termen die anderen toentertijd nog niet of weinig gebruikten. Al vroeg noemt hij het moderne socialisme ‘wetenschappelijk socialisme’ Binnen de marxistische traditie spreekt hij als eerste of als een der eersten letterlijk over ‘kennistheorie’. En vrijwel zeker is Dietzgen de eerste die de filosofie van het wetenschappelijk socialisme – dus van de sociaaldemocratie van zijn dagen – ‘dialectisch materialisme’ noemt.
    Friedrich Engels schrijft in 1888 in zijn boek ‘Ludwig Feuerbach en het einde van de klassieke Duitse filosofie’ dat het zo opmerkelijk is dat de materialistische dialectiek niet alleen door Marx en hemzelf, maar nadien ook door Dietzgen werd herontdekt. En dat dit onafhankelijk van hen en zelfs van Georg Hegel gebeurde.
    In feite heeft deze herontdekking echter niet volledig onafhankelijk van hen plaatsgevonden. Zo las Dietzgen in Marx’ ‘Kapitaal’ veel over diens filosofische vooronderstellingen. Maar hij toont inderdaad een prachtig voorbeeld hoe door eigen inspanning een bijdrage kan worden geleverd aan de ontwikkeling van het dialectisch-materialistisch denken, en in dit geval zelfs door een half autodidacte proletariër.

Dietzgens denken kent zeker wel aspecten die toen en later nader uitwerking verdienden. Zijn inductieve benadering verdient meer uitwerking, waarin de rol van meer algemene begrippen verder kan worden bekeken. Zijn materialisme zou ook meer kunnen zeggen over hoe de objectieve werkelijkheid het denken bepaalt, gefaseerd in de kennisontwikkeling en geconcretiseerd naar bepaalde kennisgebieden en historische situaties.
      Immanuel Kant meende dat kennis geplooid wordt naar de menselijke kennismogelijkheden. Marx stelde dat de kennis zich vooral ook sterk plooit naar de objectieve werkelijkheid en historische ontwikkeling. Wetenschappelijke kennis impliceert een zo reëel en bewust mogelijke verklaring daarvan.
      Een dialectisch monisme moet dan de interactie van deze verschillende werkingen benoemen. Het is deze puzzel die Dietzgen beroert, die hij wellicht niet altijd glashelder verwoordt, maar waarin hij deze uiterst belangrijke thematiek van de verhouding(en) van ‘zijn en denken’ ontdekt en uitlegt. In deze uitleg tracht hij voor de arbeiders begrijpelijk te blijven. Dat is een sterke ideologisch kracht, die soms echter ook een nadeel kan zijn wat betreft de precieze verklaring. Soms zijn er aspecten die Dietzgen benoemt, maar toch ook om meer uitleg vragen.
      Dietzgen begrijpt dat de arbeiders die hij wil bereiken vaak gewend zijn aan een heldere en stellige taal, zoals die waarin de religie zich altijd presenteerde. Daarom presenteert hij zelf zijn ‘proletarische wereldbeschouwing’ soms als ‘De religie van de sociaaldemocratie’, opgebouwd in ‘Kanzelreden’, dus in preken. Maar het blijft bij hem een serieuze zaak, heel populistisch maakt hij het nooit.

Het is jammer dat in de jaren die volgden in discussies over Dietzgens denken het vaak eerder ging om een positie ‘voor of tegen Dietzgen’ of ‘uiterst belangrijk versus helemaal niet van belang’, in plaats van zijn creatieve en vaak diepgaande benadering verder uit te werken. Dat was dus in feite weer zo’n ‘überschwengliche’ benadering, die Dietzgen zelf bestreed. Wat dit betreft is Engels’ loftrompet nog altijd terecht. Het is een erkenning van een blijvende waarde, die sommige ‘navolgers’ niet zagen omdat ze vaak meer bezig waren zichzelf met een maar half begrepen Dietzgen op te poetsen. Dit stond haaks op Dietzgens eigen houding, hij pretendeerde niet uniek te zijn.
    Welbeschouwd is de gedachte van een ‘proletarische logica’, een onbevangen zoektocht naar de waarheid, toch helemaal niet zo’n gek idee? Niet onderdanig denken.









Omslag van de brochure
Die Religion der Sozialdemokratie














maandag 16 januari 2017

Joseph Dietzgens marxisme en anarchisme


Van sommige oude socialisten kun je heel wat leren. Vorige blogs gingen over Joseph Dietzgen (1828-1888). Nu er zoveel gesproken wordt over de zwakte en leegte van links, en dat er toch vooral moet worden samengewerkt, laat deze werkman en filosoof iets bijzonders zien. Marx’ oproep tot de vereniging van de proletariërs van alle landen neemt hij serieus, maar van een leegte is bij hem helemaal geen sprake. Je kunt prima samenwerken en je eigen principes hooghouden. Ook als de druk groot is.
      Samenwerken houdt per definitie toch in dat je dat doet met mensen die er verschillen op nahouden? Samenwerken met volledig gelijkdenkenden heet toch heel anders?

Wat liet Dietzgen dan zien? De vorige blog liet iets van zijn leven zien. In 1884 besloot hij voor de derde en laatste keer te emigreren naar de Verenigde Staten. Hij woont dan tot 1886 in Hoboken bij New York en daarna in Chicago. Met de leiding van de Amerikaanse socialistische arbeiderspartij, veelal geëmigreerde Duitse arbeiders, botst het keer op keer. Hierin verdedigt Dietzgen een revolutionaire marxistische koers, vooral tegenover een nogal beginselloos socialisme, dat de schijn ophoudt dat het zich zo goed aan de theorie houdt.
    Korte tijd nadat hij in Chicago is komen wonen, zijn hier grote demonstraties voor de achturendag en tegen politierepressie. Deze zijn georganiseerd door de vooral anarchistisch-socialistische en syndicalistische arbeidersbeweging. Op 4 mei 1886 wordt een bom gegooid, waarop de politie het vuur opent en vervolgens verschillende arbeidersleiders en redactieleden van de arbeiderskranten arresteert.

Acht arbeidersleiders, waaronder Albert Parsons en August Spies, komen voor het gerecht. Er wordt geen bewijs van schuld geleverd, maar toch worden zeven van de acht ter dood veroordeeld. Twee van hen zien hun vonnis veranderd in levenslang. Een van de ter dood veroordeelden sterft in zijn cel. Vier anderen worden daadwerkelijk opgehangen.

Wanneer op het hoogtepunt van deze strijd de arbeidersbeweging en de arbeiderspers in Chicago door de massale arrestaties van haar leiding is beroofd, biedt Dietzgen aan de redactie van drie anarchistisch georiënteerde kranten bladen op zich te nemen. Hij doet dit in het volle besef dat zijn eigen marxistische opvattingen verschillen van de ideeën van de gearresteerde arbeiders. Toch aarzelt hij geen moment in deze bres in de arbeidersbeweging te springen, ook al is hij normaal gesproken zelf meer met de filosofie bezig, dan met de dagelijkse strijd.

Deze daad van Dietzgen getuigt van veel moed en wordt door de politie met openlijke repressie tegen zijn gezin beantwoord. Maar ook leidt deze daad tot de nodige discussie. Temeer omdat Dietzgen bij de verdediging van zijn tactiek sommige verschillen tussen zijn marxistische visie en het anarchisme naar de achtergrond schuift, waardoor zijn eigen stellingname in het geding lijkt te komen. Maar hij is resoluut en wordt hierin gesteund door zijn vriend Friedrich Adolph Sorge, die sterk met Marx en Engels is bevriend.
    Marx gaf Sorge de leiding van de Eerste Internationale, toen het bestuur daarvan naar de Verenigde Staten verhuisde, na Marx’ conflicten met Michael Bakoenin. Sorge staat vierkant achter Dietzgen op dit moment van de klassenstrijd, terwijl Friedrich Engels Dietzgen wel wat ver vindt gaan. Sorge en Dietzgen kijken in deze kwestie ongetwijfeld breder.

Van hun kant verdedigen redactieleden van de anarchistische bladen Dietzgen tot aan zijn dood. Dit is het geval wanneer Dietzgen wordt aangevallen door Johann Most, die was overgegaan van de sociaal-democratie naar het anarchisme.
    De redactie van de anarchistische ‘Chicagoer Arbeiter-Zeitung’ schrijft dan: ‘Maar  wanneer de heer Most of zijn vrienden op zo’n manier argumenteren, dan willen wij hen tenminste erop wijzen, dat de heer Dietzgen reeds voor het socialisme streed en leed, toen de heer Most nog in zijn wieg lag. De heer Dietzgen heeft voor de zaak van de arbeiders de afgelopen veertig jaar minstens evenveel en waarschijnlijk nog veel meer gedaan dan de heer Most, met dit verschil, dat de heer Dietzgen zelfs zijn beste vrienden niets daarover vertelt.’

Joseph Dietzgen – op ’t laatst veramerikaanst tot Josef D. – sterft op 15 april 1888. Hij wordt begraven op een ereplekje, naast het monument voor de vermoorde arbeidersleiders, de zogeheten ‘Martelaars van Chicago’. Zijn graf is op het Friedhof Waldheim nog altijd te vinden vlak bij het voor hen opgerichte monument.

De gebeurtenissen te Chicago staan bekend als de ‘Haymarket Affair’ en hebben duidelijke sporen nagelaten: de strijd voor de verkorting van de arbeidstijd, de internationale viering van de 1e mei, en toch ook Dietzgens voorbeeld hoe je op het passende moment moet staan voor de eenheid in de strijd. En dat verschillen van ideeën daarvoor geen belemmering hoeven te zijn.

Dietzgen schreef eens dat als de sociaaldemocratische partij zo slap geworden zou zijn dat nog maar een klein groepje de rode vlag wil redden, hij zeker bij dat groepje zou zijn. Dat was niet zo maar een kreet. Dietzgen liet zien dat ook in moeilijke omstandigheden de socialistische doelen én de eenheid bevochten moeten worden.
      Blijvend, er niet voor weglopen. Dat liet hij zelf zien, en zo was hij in zijn vermeende radicalisme in Chicago op dat moment ongetwijfeld zowel strijdbaarder als verstandiger dan die socialisten die slechts van afstand aan het dogma vasthielden.







 Monument van de Martelaars van Chicago



Graf van Joseph Dietzgen















maandag 2 januari 2017

Wie was de arbeidersfilosoof Joseph Dietzgen?


Joseph Dietzgen (1828-1888) was leerlooier, een vakman die ook een bedrijf kon organiseren, maar hij werd vooral bekend als ‘de arbeidersfilosoof’. Gedeeltelijk autodidact las hij veel filosofie. Zoals het werk van Ludwig Feuerbach en bij Karl Marx signaleerde hij ‘tussen de regels door’ in diens ‘Kapital’  een doorwrochte filosofie. Dietzgen formuleert zelf een filosofie zonder te claimen origineel te zijn. Hij richt zich in de eerste plaats op de kennistheorie, polemisch gericht tegen de neokantianen. Deze schatten volgens hem de kennismogelijkheden van de mens niet goed naar waarde en stellen die beperkter voor dan ze in werkelijkheid zijn. Dat neokantianisme vervult daardoor een negatieve ideologische functie in de bewustwording van de arbeidersklasse.

Dietzgen werd druk gelezen door de socialisten van zijn tijd, door Wladimir Lenin, door de Duitse sociaaldemocraten en in Nederland onder meer door Henriëtte Roland Holst en Anton Pannekoek. Herman Gorter schreef in 1931 zelfs een lovend gedichtje over Dietzgen in zijn bundel ‘De arbeidersraad’. Dit gedichtje luidt:


Dietzgen

Dietzgen, die ’t wezen van het denken leerde
Als het zien van het algemene in
’t Bijzondere. Dat dus het absolute
Ondenkbaar is


Wie was Dietzgen? Hieronder volgt een korte levensschets van deze propagandist van het revolutionaire marxisme.

Peter Joseph Dietzgen wordt geboren in Blankenburg nabij Keulen op 9 december 1828 in een familie van leerlooiers. Hij blijft, trouw aan de familietraditie, het leerlooiervak beoefenen. Later schrijft hij handarbeider te zijn. Tevens is hij in verschillende perioden eigenaar van kleinere en voor die tijd middelgrote leerlooierijen. Na de lagere school bezoekt Dietzgen korte tijd enkele middelbare scholen, maar is verder in sterke mate autodidact. Tijdens het werk in de leerlooierij bestudeert hij in zijn werkplaats Goethe en Schiller, daarnaast economie, socialistische literatuur en filosofie. Hij leest er werken van Aristoteles, Kant en Fichte. Wat betreft de filosofie noemt Dietzgen later in een brief aan Marx zichzelf autodidact. Zo kenschetst hij zijn eerste hoofdwerk ‘Das Wesen der menschlichen Kopfarbeit’ als ‘meine autodidaktische Gedanken’.

Op enkele uitzonderingen in actuele situaties na, houdt Dietzgen zich het liefst ver van het drukke praktische politieke werk. Zelf meent hij dat het vele ‘Unterhandeln, Disponieren und Befehlen’ dat bij het politieke werk hoort, hem niet de rust geeft te schrijven en de daarbij benodigde stof te zoeken. Als het echter nodig is toont hij zich bereid politieke taken te aanvaarden. Op 20-jarige leeftijd wordt hij ten tijde van de Duitse revolutie van 1848-1849 in zijn dorp Uckerath politiek actief. Deze activiteiten bepalen mede zijn groeiende filosofische interesse.
    Het werk van Feuerbach en Marx leert hij al vrij vroeg kennen. Van Marx leest hij in 1848 stukken in Die Neue Rheinische Zeitung en iets later, in 1852 wordt het ‘Manifest der Kommunistischen Partei’  bestudeerd. Op 6 juni 1849 vertrekt Dietzgen, mede vanwege de repressie in Duitsland, voor de eerste keer naar Amerika. Daar leeft hij als leerlooiergezel, schilder en leraar. Hij reist als `tramp' rond, te voet of per schip, om in 1851 weer terug te keren naar Uckerath. In 1853 trouwt hij en begint een kruidenierszaak annex bakkerij annex leerlooierij, alweer in de omgeving van Keulen, in Winterscheid.
    In 1859 gaat Dietzgen opnieuw naar de Verenigde Staten. Vanaf dat moment krijgt hij meer connecties in communistische kringen zoals met Friedrich Adolph Sorge. Ook ontstaat hernieuwd contact met zijn jeugdvriend Albert Komp, die op zijn beurt Wilhelm Weitling kent.

In 1861 schrijft Dietzgen het eerste van hem bewaard gebleven artikel, dat gaat over het vraagstuk van de slavernij in de Verenigde Staten. In datzelfde jaar keert hij weer naar Duitsland terug om zijn vaders leerlooierij over te nemen. Hij bestudeert nu nieuwe methoden in de leerlooierij en deze deskundigheid maakt het hem mogelijk om van 1864 tot 1868 als ‘technisch leider’ in de ‘Wladimirsche’ leerfabriek te St.Petersburg te gaan werken. Hier slaagt hij erin de productiecijfers in korte tijd drastisch te verhogen door het invoeren van nieuwe productietechnieken.
    In Rusland publiceert Dietzgen politiek-economische artikelen in een blad van de Duitse emigrantenvereniging Palme. Hierin verwerkt hij Marx’ economisch werk en al snel na verschijnen ook ‘Das Kapital’. Tijdens zijn verblijf in Rusland schrijft Dietzgen zijn bekendste boek, ‘Das Wesen der menschlichen Kopfarbeit’. Dit komt in 1869 uit, nadat hij het manuscript eerst aan Marx en Engels heeft laten lezen. Overigens had hij reeds in 1855 een manuscript klaar, over de aard van de moraal, dat hij Feuerbach zond. Deze tekst is niet bewaard gebleven.

Dietzgen zet zich zijn leven lang in voor de socialistische arbeidersbeweging. Afgezien van Friedrich Engels is hij de eerste die een recensie schrijft over ‘Das Kapital’, verschenen in het Demokratisches Wochenblatt. Dietzgen zou nadien nog in veel socialistische tijdschriften schrijven. Sinds 1867 heeft Dietzgen contact met Marx. Van de periode 1867 tot 1882 zijn een dertiental brieven van hem aan Marx bewaard gebleven.
    In september 1869 bezoekt Marx Dietzgen, die inmiddels uit Rusland weer naar het Rijnland is teruggekeerd. Hij werkt te Siegburg in de van zijn oom geërfde leerlooierij. Dietzgen richt hier een kleine sectie van de Eerste Internationale op en is actief in de Sozialdemokratische Arbeiterpartei. In 1872 neemt hij als afgevaardigde deel aan het Haagse congres van de Internationale. Bij die gelegenheid stelt Marx hem voor als ‘onze filosoof’, waaraan hij mede zijn naam als ‘arbeidersfilosoof’ dankt.

Vlak voor het invoeren van de Duitse ‘socialistenwet’, in 1878, wordt Dietzgen drie maanden gevangen gezet vanwege zijn ‘opruiende’ toespraak: ‘Die Zukunft der Sozialdemokratie’. Ondanks zijn karaktertrek zich het liefst ver te houden van het dagelijkse partijwerk, laat hij zich in 1881 kandidaat stellen voor een Rijksdagzetel. Hij wordt niet verkozen.
    Aan het eind van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig is Dietzgen een gewaardeerd partijlid. Bovendien trekt zijn filosofie belangstelling, bijvoorbeeld van studenten uit Bonn die hem komen opzoeken. Economisch gaat het hem echter bergafwaarts. Een belangrijke oorzaak hiervan is de opkomst van de grote industrie, waardoor zijn middelgroot bedrijf in een steeds moeilijker concurrentiepositie komt.
    Daarom besluit Dietzgen voor de derde keer naar de andere kant van de oceaan te emigreren. Hij vertrekt in 1884, woont tot 1886 in Hoboken bij New York en daarna in Chicago. De laatste jaren van zijn leven houdt Dietzgen zich bezig met de praktische strijd voor de verkorting van de arbeidstijd in Chicago. Maar zeker ook intensief met de filosofie. Zo schrijft hij nog twee werken die de kern van zijn denkbeelden goed verwoorden: ‘Das Akquisit der Philosophie’  en ‘Streifzüge eines Sozialisten in das Gebiet der Erkenntnistheorie’. Hij sterft op 15 april 1888 en laat meer dan honderd geschriften na: enkele boeken, diverse reeksen brieven, artikelen, ‘preken’ en veel korte krantenartikelen.






Bron van het gedicht: Herman Gorter, De arbeidersraad, Bussum 1931, p. 15.


Deze tekst is een deel van de inleiding van het proefschrift: Jasper Schaaf, De dialectisch-materialistische filosofie van Joseph Dietzgen, 1993.
Voor € 6.- (inclusief verzendkosten in Nederland) te bestellen bij: jasperschaaf@gmail.com

















woensdag 28 december 2016

Joseph Dietzgen vergelijkt Marx met Von Humboldt


Hink-stap-sprong, van Naomi Klein naar Alexander von Humboldt en – hup – daar komen we bij Joseph Dietzgen terecht. Zie de vorige twee blogs, die eindigden met de vraag of en waarom Alexander von Humboldt vaak zo relatief onbekend lijkt. Humboldt die de eenheid van de wereld zoekt in de samenhang van bijzondere dingen, in de specifieke verschijnselen. Geen ding bestaat op zichzelf. Alles is er in relatie tot de omgeving en wat daarin werkzaam is.

Humboldt onbekend? Dat was in de 19e eeuw wel anders. Zie bijvoorbeeld Joseph Dietzgen (1828-1888), leerlooier, handwerker en autodidactisch filosoof, een tijdlang bekend onder socialisten, zeker in Nederland.
      Dietzgen kende de ‘Kosmos’ van Humboldt goed en noemt dit boek in zijn kennistheoretische geschriften. Hij ziet dat Humboldt een naïef inductivisme overstijgt door te trachten de eenheid van de wereld begripsmatig te vatten, niet op basis van een speculatief idee, maar op basis van hypotheses die op de feitelijke juistheid getoetst worden.
      Met Humboldt in de hand, zou je kunnen zeggen, probeert Dietzgen een materialisme te formuleren, waarin de grotere idee een rol moet spelen, zonder dus weer in een filosofisch idealisme te vervallen. Dietzgens formuleringen zijn dan soms die van de evenwichtskunstenaar op het slappe koord. Een woord te veel de ene of de andere kant op, en het komt weer op een te plat materialisme of op (te) speculatief idealisme uit. En beide te vermijden is nu precies Dietzgens inzet. Want zowel het mechanisch materialisme als het speculatief idealisme zijn eenzijdig en daarmee onjuist.

Dietzgen is dan geïnspireerd door Von Humboldt en vergelijkt hem met de universele geest Aristoteles, wat niets minder is dan een monument voor Humboldt. En dat in een artikel met de fraaie titel ‘Es gibt kein Universalgenie’ (1886). Inhoud en titel geven samen een grens aan. Je kunt een universele geest zijn, maar geen mens kan alles weten. De grootste ontdekking is nog maar een stukje van de wetenschap überhaupt, schrijft Dietzgen.
    Dietzgen kent nog een andere soort ‘universeel genie’. Zij het niet op het vlak van de biologie en geologie, maar in de sociale wetenschappen en economie. Hij bedoelt Karl Marx en vooral ‘Das Kapital’. Dat is voor Dietzgen een grote inspiratiebron, niet alleen politiek-economisch, maar ook als voorbeeld van hoe de wetenschap zich moet ontwikkelen. Marx is een grote inspiratiebron voor zijn filosofie. Niet toevallig dat Dietzgen – afgezien van Friedrich Engels – de eerste is die een recensie schrijft over ‘Das Kapital’. Waarvoor Marx hem zeer waardeerde.

Het is dan ook niet vreemd dat Dietzgen in 1872 in een polemiek Marx verdedigt door ‘Das Kapital’  kortweg met Humboldts ‘Kosmos’  te vergelijken. Hij schrijft tegen Heinrich von Sybel. Deze professor had in een voordracht over socialisme en communisme Marx’ stijl bekritiseert. Sybel vond die maar wijdlopig, en dat kwam volgens hem omdat Marx als hegeliaan een ongehoord grote massa feiten terug wil redeneren tot een enkel grondbegrip. Alle feiten moeten passen in de gesloten redenering.
    Dat is een discussie waard, en voor Dietzgen zeker een kritiek. Want het raakt de kern van zijn visie op theorievorming, waarin feiten recht moeten worden gedaan en tegelijk de eenheid, de samenhang der dingen moet wordt gevonden en dus benoemd.
      Dit brengt hem bij Humboldt. Hoe kan, zegt hij, het nu een verwijt zijn bij een wetenschappelijke verhandeling dat ‘massa’s van een stof’ tot een grondbegrip worden teruggevoerd? Want was het niet Humboldt die in de inleiding van zijn ‘Kosmos’ als kern van de wetenschap zag in de menigvuldigheid van de natuur een systematische eenheid te ontdekken? Dus, in de theorie uitgedrukt, de menigvuldigheid als ontwikkelingsmomenten van een grondbegrip?

Zo ongeveer, een beetje vrij weergegeven, en het gaat maar om enkele termen uit een langer artikel. Het zegt echter iets over een wetenschap die streng empirisch wil zijn en veel meer behelst dan een optelsom van fragmenten, meer verbanden onderzoekt, en dan inderdaad er soms veel bij moet halen. Het gaat er volgens Dietzgen dan kennistheoretisch om niet stil te staan bij inductie alleen én niet te speculeren buiten de feiten om.
      Met andere woorden gaat het om zowel de feiten als het denken, dus de – mogelijk gewaagde – theorievorming recht te doen. Dan tellen denkers als Aristoteles, Humboldt en Marx die in hun tijd met hun kennis meer deden dan ordenen, die hoge eisen stelden, en met hun inzichten nog jaren nadien zorgen voor debat, discussie en het aanzwengelen van de verdere wetenschapsontwikkeling.

Dan kun je nog toevoegen dat het hier ook nog gaat om zo’n eigenzinnige autodidactische leerlooier die zijn inzichten over filosofie en wetenschap met de arbeiders wil delen. Om hen te verheffen, om oude vooroordelen te bestrijden, en om hen via de theoretische invalshoek te wapenen voor de proletarische strijd. Kennis en zelfbewustzijn als proletarische macht.
      Dit is durven denken, door de grote geesten en de vakman, de leerlooier.






Genoemde werken/bronnen:

- Joseph Dietzgen, ‘Das Kapital’ von Karl Marx, in Schriften in drei Bänden, Band I, Berlin (DDR) 1961, pag. 1-14.
Oorspronkelijk verschenen in Demokratisches Wochenblatt, Leipzig, augustus-september 1868.

- Joseph Dietzgen, Offener Brief an Heinrich von Sybel, in Schriften in drei Bänden, Band I, pag. 270.
Oorspronkelijk in Der Volksstaat, 17 april 1872.

- Joseph Dietzgen, Es gibt kein Universalgenie, in Joseph Dietzgen, Schriften in drei Bänden, Band II, Akademie Verlag, Berlin (DDR), 1962, pag. 439.
Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Der Sozialist, New York, 3 april 1886.