vrijdag 11 december 2015
De morele staat van de wereld
Mene, mene, tekel ufarsin
Het is lijstjestijd. Het loopt tegen kerst en het oude jaar maakt de balans op. Ingrediënten zat. Over de morele staat van ons leven is veel te zeggen.
Wat dacht je van een lijstje van tien om het daar maar even bij te laten?
Een Groninger chauffeur veroorzaakt een ongeluk, de bijrijder raakt gewond, stapt even uit en de chauffeur rijdt dan maar zonder zijn passagier verder.
Een fietser rijdt zonder licht, zwaait vrolijk naar een politieauto en niemand die het ziet want het is donker.
Minister Koenders is tegen Nederlandse bombardementen op Syrië en krijgt een brief uit Amerika die hem in enkele tellen van gedachten doet veranderen.
De Verenigde Staten bombarderen in Afghanistan een ziekenhuis van Artsen Zonder Grenzen maar ze wisten niet wat ze deden.
Onze martelende vrienden heten Saoedi-Arabië, de Islamitische Staat. Alles is relatief, het is maar hoe je het bekijkt.
Wanneer je wapens verkoopt zeg je dat ze er niet mee mogen schieten, de moraal van de gek.
Wanneer ieder helemaal voor zichzelf zorgt heet zelfs dat voortaan participatie, maar waarin is de vraag.
Het wordt warmer en warmer, het ijs smelt, het water stijgt, de bodem daalt, de Wadden verdrinken en de Nederlander mag van de VVD harder rijden op de autoweg.
De grutto’s krijgen zendapparatuur maar nog geen grazige weiden.
Onze kleinkinderen draaien voor de gevolgen op. O, heb je dan kinderen? Gelukkig Nieuwjaar.
Zie, de morele staat van de wereld. Schiet me wat te binnen. Pas was het druk op straat en iemand wilde dwars door me heen lopen. ‘Ik weet niet of dat past’, zei ik nog. Hij kwam er van achteren uit zo ongeveer en had geloof ik niets gehoord of gezien.
Schiet me te binnen. Een keer stopte iemand op de fiets toen ik het zebrapad over wilde steken en lachte me vriendelijk toe. Zoiets vergeet je nooit.
Je bent gewogen en te licht bevonden (Daniël 5: 25-27)
zaterdag 5 december 2015
Friedrich Engels’ kritiek van de jenever
Drank met een vieze smaak - Imperialisme en aardappelspiritus
Er zijn maar weinig onderwerpen waar Karl Marx en Friedrich Engels niet over hebben geschreven. De politiek-economische ontwikkelingen van hun tijd raakten alle facetten van het leven. De vormen die het dagelijkse leven kiest worden mede bepaald door de politiek-economische achtergrond. Omgekeerd laat voor de opmerkzame toeschouwer het dagelijkse leven de ingrijpende betekenis van veranderingen op de achtergrond zien, zoals de verhouding van rijk en arm, van macht en onmacht, en de in hun tijd toenemende strijd van de Europese staten om de wereldmacht.
Facetten van het dagelijks leven? Denk eens aan de roesmiddelen die het harde leven misschien soms verzachten, maar ook de kracht van het verstand en de actie-inzet ondermijnen. Je denkt in dit verband het eerst aan Marx’ beroemde – of beruchte? – uitspraak over ‘de religie als opium van het volk.’ Een prikkelende stelling om – net als Feuerbach deed – principieel na te denken over de functies en inhouden van de religie.
Over deze uitspraak is al heel wat afgediscussieerd. Hoe bedoelde Marx dit? Stond hij kritisch tegenover de godsdienst, hoe luidde die godsdienstkritiek precies, heeft opium ook niet de kant van een aangename roes, die de harde levenspraktijk kan verzachten, of helpt de roes alle kritische inzet om zeep? Of heel anders: helpt de roes misschien een droom van een beter sociaal leven vorm te geven?
Er is veel discussie mogelijk over dat citaat en de context ervan. Zelfs zoveel dat mogelijk wordt vergeten dat Marx en Engels in ieder geval het machtsmisbruik dat de staat en het instituut kerk van het geloof maakten en waarmee de kritiek van het volk vaak werd gekanaliseerd en ingekapseld, scherp afwezen.
Dat neemt niet weg dat religie kritische sociale ideeën kan helpen vormgeven. Marx wijst hierop bij datzelfde opium-citaat: ‘De religieuze ellende is tegelijk zowel de uitdrukking van de werkelijke ellende, als het protest tegen de werkelijke ellende.’ De religie ontstaat vanuit de werkelijke ellende waarin mensen zich bevinden en is ook een vorm van protest tegen die omstandigheden. Wel blijft dan nóg de kritiek op de religie overeind. Tegenover het illusoire geluk van de religie is werkelijk geluk nodig, op basis van een betere maatschappelijke toestand. Een betere sociale situatie heeft geen vlucht nodig in denkbeelden die van de realiteit wegvoeren.
De strijd tussen passieve gelatenheid en de actieve inzet van het protest vindt ook plaats binnen de ideologische vormen, zo ook binnen vormen van religiositeit. Want met de beeldspraak van de religie als opium én protest is de tegenspraak weergegeven van de roes of de lijdzame verzuchting versus de actieve inzet tot verbetering.
Roesmiddelen leiden vaker tot spanningsvolle verhoudingen. Veel minder bekend dan de uitspraak over de religie als roesmiddel, is dat Engels enkele keren uiterst kritisch over drank heeft geschreven. Het gaat dan over hoe de alcohol onder kapitalistische verhoudingen het dagelijks leven beheerst, het inkomen van het proletariaat opslokt en ook nog helpt de Pruisische monarchie van een economische basis te voorzien.
Door de kapitalistische massale alcoholproductie raakte het volk verslaafd. De verloedering en afstomping waren soms zelfs zo sterk dat delen van het proletariaat niet eens meer wisten wat land of religie eigenlijk was. Engels schrijft in ‘De toestand van de arbeidersklasse in Engeland’ van 1845 over verschillende groepen van het proletariaat. Over het leven van het mijnproletariaat in de kolenstreken van Engeland zegt hij: ‘Inderdaad treffen wij onder hen een onwetendheid in religieuze en wereldlijke zaken aan, waar tegenover de in eerdere voorbeelden uitgelegde toestand van vele industriearbeiders nog een kleinigheid is. De religieuze begrippen zijn hen slechts uit vloekwoorden bekend. Hun moraliteit wordt reeds door de arbeid vernietigd. Dat het onmogelijk zware werk in de mijnen de drankzucht onvermijdelijk moet maken, ligt voor de hand.’
De totale fysieke uitbuiting in de arbeid demoraliseert, zelfs zo dat elk breder moreel besef wegvalt. Drank is in dit verband louter negatief, een vlucht, een totale ondermijning van een moreel waardig leven en van een toekomstvisie. De alcohol draagt dan bij een verhouding van uitbuiting in stand te houden.
Wat drank mensen doet, maar ook de economische effecten van drank en drankproductie, houdt hem vaker bezig. De krant Der Volksstaat publiceert in 1876 in afleveringen Engels’ uitgebreide artikel ‘De Pruisische borrel in de Duitse Rijksdag’.
Deze titel lijkt op iets kleins te slaan. Het Duitse borreltje wordt als een soort understatement opgevoerd en vervolgens in koele zakelijkheid volledig geanalyseerd. Er blijkt dan heel wat mee te spelen. In Duitse Rijksdag speelt een interpellatie over de hoge belasting die Engeland en Italië heffen op de invoer van Duitse ‘Sprits’. Deze ‘Sprits’ is de van aardappelen gebrouwde spiritus, die als basis dient voor een omvangrijke drankproductie en van alcoholische mengseltjes.
De hedendaagse mixdrank blijkt niets nieuws onder de zon te zijn. Engels beschrijft in een historisch excurs hoe de kwalitatief goede ambachtelijk bereide graanjenever in Duitsland verdrongen wordt door een slecht gezuiverde, dus gifrijke spiritusproductie op basis van aardappelteelt op de armere gronden van Pruisen. Dit heeft geleid tot een weliswaar eenzijdige, maar uitgebreide economische expansie. Uitgebreid, maar eenzijdig, en dus een economisch kaartenhuis. Deze productie en uitvoer worden niet alleen bedreigd door de importbelasting van Europese landen, maar ook door een mogelijke nieuwe massale productie in het tsaristische Rusland van jenever op basis van graan. De drank kan daar goedkoper massaal worden geproduceerd dan in Duitsland en heeft toch een betere kwaliteit.
Die kwaliteit is belangrijk. Engels benadrukt de schaamteloze omvangrijke productie van ongezuiverde alcohol, die de arbeiders vergiftigt. Deze manier van produceren en winst maken toont bovendien de gebrekkige economische machtspositie van de Pruisische halfgrootgrondbezitters, de jonkers, die met deze aardappel- en spiritusproductie een nieuw soort vrijwel horige arbeidersklasse hebben geschapen. Het is een fragiel evenwicht van snelle rijkdom en bittere armoede, van macht en onmacht, waarin de arbeiders als vlucht de slechte alcohol consumeren. Ironisch schrijft Engels over Duitsland en Pruisen als de ‘Zentralschnapsfabrik der Welt.’
Het gaat om een vorm van vroeg imperialisme met een smalle basis. De Duitse alcohol wordt met allerlei Franse wijnen, Madeira, cognac en rum vermengd. Engels: ‘Wereldomvattend is de gezegende invloed van de Pruisische foezelolie, want met de aardappelspiritus vloeit die met ieder drankje binnen.’ In de hele wereld wordt er drank gedronken die vermengd is met Pruisische foezelolie, de onzuivere spiritusbasis. De belangen zijn dus groot: voor Pruisen om deze economische machtsbasis te behouden, voor het buitenland daarentegen om deze te ondermijnen.
Het Pruisische monarchistische Duitsland voelt zich door de Britse en Italiaanse importheffingen bedreigd. Er staat veel op het spel. Het voelt zich bovendien bedreigd door de toegenomen kracht van de socialistische arbeidersbeweging, temeer omdat die het kwaad van het roesmiddel van de goedkope alcohol onderkent. Deze toegenomen macht van de arbeidersbeweging zal Duitsland trachten te ondervangen door in 1878 de Socialistenwet uit te vaardigen. Deze wet verbiedt van 1878-1890 elke openlijke arbeidersorganisatie.
Zo ver is het nog niet op het moment dat Engels zijn analyse schrijft. Maar dit stuk van Engels, dat achteraf gelezen misschien vrij onschuldig oogt, wordt door de Pruisische machthebbers op zijn kritische waarde geschat. De regering Bismarck reageert getergd en verbiedt daarop de verspreiding van alle werken van Engels in Duitsland.
‘De Pruisische borrel in de Duitse Rijksdag’ is een zakelijke, wat onderkoelde beschrijving van de verdringing van de graanjenever door de groeiende massaproductie van aardappelspiritus. Allerlei relevante aspecten komen aan bod, zoals de grote economische en politieke belangen, de Pruisische positie binnen de Duitse staten, en de verder reikende vroeg-imperialistische interesses. De Duitse drank lijkt de wereldmarkt te beheersen. Dat roept strijd op, met Engeland voorop in het verzet, en met op de achtergrond het dreigende alternatief, hoogwaardige goedkope Russische wodka.
Het is ook een ander verhaal. Het belang van de land- en industriearbeiders kan nooit liggen in zo’n eenzijdige economie, en al helemaal niet wanneer de groei ervan hen in slavernij terugwerpt. Daarnaast het alcoholprobleem zelf. De goedkope slechte drank ondermijnt moraliteit en strijd. Het gaat dan niet alleen maar om een idee of men voor of tegen een roesmiddel is, maar wat dit concreet doet. Het gaat dan om rampzalige gevolgen.
Voor Engels is de alcohol een ouder thema. Als zoon van een industrieel deed hij wat weinigen deden: steeds weer zich mengen onder de arbeiders, de fabrieken en werkplaatsen ingaan en altijd zijn ogen de kost geven. Dat spreekt uit het hierboven genoemde boek ‘De toestand van de arbeidersklasse in Engeland’.
Veel eerder al publiceerde Engels over de gevolgen van de drankzucht. Hij groeit op in het Wuppertal, in Barmen en Elberfeld. Over wat hij daar ziet schrijft hij op 18-jarige leeftijd zijn eerste artikelen voor het maartnummer van 1839 van de Telegraph für Deutschland, onder de titel ‘Brieven uit het Wuppertal’. Hierin beschrijft hij de schrijnende toestanden van het vroege industrie- en mijnwerkersproletariaat uit dit gebied. Zoals de werkomstandigheden waarin arbeiders meer kolendamp en stof inademen dan zuurstof, en waarin alle levenslust op jonge leeftijd al is vergaan. Er heerst een ‘verschrikkelijke ellende onder de lagere klassen (niedern Klassen)’. Engels geeft veel voorbeelden, zoals het feit dat de proletariërs vluchten in mysticisme, maar even vaak in de brandewijn, of in beide tegelijk. Deze drank die de werklieden ernstig verzwakt, is mede de oorzaak van het feit dat in deze situatie op elke vijf personen er drie sterven aan tuberculose.
Sinds zijn jeugd herkent Engels de vieze bijsmaak van de drank. Hij houdt zijn ogen open, neemt waar, overziet de verbanden, analyseert de cijfers en trekt conclusies. Daarom verzet hij zich in het genoemde artikel van 1876 tegen de borreljonkheren, de ‘Schnapsjunker’, die de kern én de zwakten van het kapitalisme in zijn volle breedte etaleren in hun gedrag en belangen. Zijn conclusie: ‘Met de val van de brandewijnbranderij valt het Pruisische militarisme, en zonder dat is Pruisen niets.’ Met die voorziene val hoopt Engels dat dan de politieke verhoudingen van Duitse staten onderling en de Duitse economie als geheel in een evenwichtiger en politiek progressiever vaarwater zullen komen, als stap op de lange weg naar een sociale toekomst.
Bij dit artikel zijn diverse bronnen gebruikt. De voornaamste is Friedrich Engels, Preußischer Schnaps im deutschen Reichstag, in Marx-Engels Werke, deel 19, Berlin DDR 1976, pp. 37-51.
Dit artikel staat ook in mijn boek: Marx, zó gelezen. Verschenen bij Uitgeverij Damon. Dit bevat 27 korte stukken. Nog verkrijgbaar.
Meer boekpublicaties bij Damon, zie http://www.damon.nl/authors/30610-jasper-schaaf
Alle boeken, zie www.jasperschaaf.nl
Er zijn maar weinig onderwerpen waar Karl Marx en Friedrich Engels niet over hebben geschreven. De politiek-economische ontwikkelingen van hun tijd raakten alle facetten van het leven. De vormen die het dagelijkse leven kiest worden mede bepaald door de politiek-economische achtergrond. Omgekeerd laat voor de opmerkzame toeschouwer het dagelijkse leven de ingrijpende betekenis van veranderingen op de achtergrond zien, zoals de verhouding van rijk en arm, van macht en onmacht, en de in hun tijd toenemende strijd van de Europese staten om de wereldmacht.
Facetten van het dagelijks leven? Denk eens aan de roesmiddelen die het harde leven misschien soms verzachten, maar ook de kracht van het verstand en de actie-inzet ondermijnen. Je denkt in dit verband het eerst aan Marx’ beroemde – of beruchte? – uitspraak over ‘de religie als opium van het volk.’ Een prikkelende stelling om – net als Feuerbach deed – principieel na te denken over de functies en inhouden van de religie.
Over deze uitspraak is al heel wat afgediscussieerd. Hoe bedoelde Marx dit? Stond hij kritisch tegenover de godsdienst, hoe luidde die godsdienstkritiek precies, heeft opium ook niet de kant van een aangename roes, die de harde levenspraktijk kan verzachten, of helpt de roes alle kritische inzet om zeep? Of heel anders: helpt de roes misschien een droom van een beter sociaal leven vorm te geven?
Er is veel discussie mogelijk over dat citaat en de context ervan. Zelfs zoveel dat mogelijk wordt vergeten dat Marx en Engels in ieder geval het machtsmisbruik dat de staat en het instituut kerk van het geloof maakten en waarmee de kritiek van het volk vaak werd gekanaliseerd en ingekapseld, scherp afwezen.
Dat neemt niet weg dat religie kritische sociale ideeën kan helpen vormgeven. Marx wijst hierop bij datzelfde opium-citaat: ‘De religieuze ellende is tegelijk zowel de uitdrukking van de werkelijke ellende, als het protest tegen de werkelijke ellende.’ De religie ontstaat vanuit de werkelijke ellende waarin mensen zich bevinden en is ook een vorm van protest tegen die omstandigheden. Wel blijft dan nóg de kritiek op de religie overeind. Tegenover het illusoire geluk van de religie is werkelijk geluk nodig, op basis van een betere maatschappelijke toestand. Een betere sociale situatie heeft geen vlucht nodig in denkbeelden die van de realiteit wegvoeren.
De strijd tussen passieve gelatenheid en de actieve inzet van het protest vindt ook plaats binnen de ideologische vormen, zo ook binnen vormen van religiositeit. Want met de beeldspraak van de religie als opium én protest is de tegenspraak weergegeven van de roes of de lijdzame verzuchting versus de actieve inzet tot verbetering.
Roesmiddelen leiden vaker tot spanningsvolle verhoudingen. Veel minder bekend dan de uitspraak over de religie als roesmiddel, is dat Engels enkele keren uiterst kritisch over drank heeft geschreven. Het gaat dan over hoe de alcohol onder kapitalistische verhoudingen het dagelijks leven beheerst, het inkomen van het proletariaat opslokt en ook nog helpt de Pruisische monarchie van een economische basis te voorzien.
Door de kapitalistische massale alcoholproductie raakte het volk verslaafd. De verloedering en afstomping waren soms zelfs zo sterk dat delen van het proletariaat niet eens meer wisten wat land of religie eigenlijk was. Engels schrijft in ‘De toestand van de arbeidersklasse in Engeland’ van 1845 over verschillende groepen van het proletariaat. Over het leven van het mijnproletariaat in de kolenstreken van Engeland zegt hij: ‘Inderdaad treffen wij onder hen een onwetendheid in religieuze en wereldlijke zaken aan, waar tegenover de in eerdere voorbeelden uitgelegde toestand van vele industriearbeiders nog een kleinigheid is. De religieuze begrippen zijn hen slechts uit vloekwoorden bekend. Hun moraliteit wordt reeds door de arbeid vernietigd. Dat het onmogelijk zware werk in de mijnen de drankzucht onvermijdelijk moet maken, ligt voor de hand.’
De totale fysieke uitbuiting in de arbeid demoraliseert, zelfs zo dat elk breder moreel besef wegvalt. Drank is in dit verband louter negatief, een vlucht, een totale ondermijning van een moreel waardig leven en van een toekomstvisie. De alcohol draagt dan bij een verhouding van uitbuiting in stand te houden.
Wat drank mensen doet, maar ook de economische effecten van drank en drankproductie, houdt hem vaker bezig. De krant Der Volksstaat publiceert in 1876 in afleveringen Engels’ uitgebreide artikel ‘De Pruisische borrel in de Duitse Rijksdag’.
Deze titel lijkt op iets kleins te slaan. Het Duitse borreltje wordt als een soort understatement opgevoerd en vervolgens in koele zakelijkheid volledig geanalyseerd. Er blijkt dan heel wat mee te spelen. In Duitse Rijksdag speelt een interpellatie over de hoge belasting die Engeland en Italië heffen op de invoer van Duitse ‘Sprits’. Deze ‘Sprits’ is de van aardappelen gebrouwde spiritus, die als basis dient voor een omvangrijke drankproductie en van alcoholische mengseltjes.
De hedendaagse mixdrank blijkt niets nieuws onder de zon te zijn. Engels beschrijft in een historisch excurs hoe de kwalitatief goede ambachtelijk bereide graanjenever in Duitsland verdrongen wordt door een slecht gezuiverde, dus gifrijke spiritusproductie op basis van aardappelteelt op de armere gronden van Pruisen. Dit heeft geleid tot een weliswaar eenzijdige, maar uitgebreide economische expansie. Uitgebreid, maar eenzijdig, en dus een economisch kaartenhuis. Deze productie en uitvoer worden niet alleen bedreigd door de importbelasting van Europese landen, maar ook door een mogelijke nieuwe massale productie in het tsaristische Rusland van jenever op basis van graan. De drank kan daar goedkoper massaal worden geproduceerd dan in Duitsland en heeft toch een betere kwaliteit.
Die kwaliteit is belangrijk. Engels benadrukt de schaamteloze omvangrijke productie van ongezuiverde alcohol, die de arbeiders vergiftigt. Deze manier van produceren en winst maken toont bovendien de gebrekkige economische machtspositie van de Pruisische halfgrootgrondbezitters, de jonkers, die met deze aardappel- en spiritusproductie een nieuw soort vrijwel horige arbeidersklasse hebben geschapen. Het is een fragiel evenwicht van snelle rijkdom en bittere armoede, van macht en onmacht, waarin de arbeiders als vlucht de slechte alcohol consumeren. Ironisch schrijft Engels over Duitsland en Pruisen als de ‘Zentralschnapsfabrik der Welt.’
Het gaat om een vorm van vroeg imperialisme met een smalle basis. De Duitse alcohol wordt met allerlei Franse wijnen, Madeira, cognac en rum vermengd. Engels: ‘Wereldomvattend is de gezegende invloed van de Pruisische foezelolie, want met de aardappelspiritus vloeit die met ieder drankje binnen.’ In de hele wereld wordt er drank gedronken die vermengd is met Pruisische foezelolie, de onzuivere spiritusbasis. De belangen zijn dus groot: voor Pruisen om deze economische machtsbasis te behouden, voor het buitenland daarentegen om deze te ondermijnen.
Het Pruisische monarchistische Duitsland voelt zich door de Britse en Italiaanse importheffingen bedreigd. Er staat veel op het spel. Het voelt zich bovendien bedreigd door de toegenomen kracht van de socialistische arbeidersbeweging, temeer omdat die het kwaad van het roesmiddel van de goedkope alcohol onderkent. Deze toegenomen macht van de arbeidersbeweging zal Duitsland trachten te ondervangen door in 1878 de Socialistenwet uit te vaardigen. Deze wet verbiedt van 1878-1890 elke openlijke arbeidersorganisatie.
Zo ver is het nog niet op het moment dat Engels zijn analyse schrijft. Maar dit stuk van Engels, dat achteraf gelezen misschien vrij onschuldig oogt, wordt door de Pruisische machthebbers op zijn kritische waarde geschat. De regering Bismarck reageert getergd en verbiedt daarop de verspreiding van alle werken van Engels in Duitsland.
‘De Pruisische borrel in de Duitse Rijksdag’ is een zakelijke, wat onderkoelde beschrijving van de verdringing van de graanjenever door de groeiende massaproductie van aardappelspiritus. Allerlei relevante aspecten komen aan bod, zoals de grote economische en politieke belangen, de Pruisische positie binnen de Duitse staten, en de verder reikende vroeg-imperialistische interesses. De Duitse drank lijkt de wereldmarkt te beheersen. Dat roept strijd op, met Engeland voorop in het verzet, en met op de achtergrond het dreigende alternatief, hoogwaardige goedkope Russische wodka.
Het is ook een ander verhaal. Het belang van de land- en industriearbeiders kan nooit liggen in zo’n eenzijdige economie, en al helemaal niet wanneer de groei ervan hen in slavernij terugwerpt. Daarnaast het alcoholprobleem zelf. De goedkope slechte drank ondermijnt moraliteit en strijd. Het gaat dan niet alleen maar om een idee of men voor of tegen een roesmiddel is, maar wat dit concreet doet. Het gaat dan om rampzalige gevolgen.
Voor Engels is de alcohol een ouder thema. Als zoon van een industrieel deed hij wat weinigen deden: steeds weer zich mengen onder de arbeiders, de fabrieken en werkplaatsen ingaan en altijd zijn ogen de kost geven. Dat spreekt uit het hierboven genoemde boek ‘De toestand van de arbeidersklasse in Engeland’.
Veel eerder al publiceerde Engels over de gevolgen van de drankzucht. Hij groeit op in het Wuppertal, in Barmen en Elberfeld. Over wat hij daar ziet schrijft hij op 18-jarige leeftijd zijn eerste artikelen voor het maartnummer van 1839 van de Telegraph für Deutschland, onder de titel ‘Brieven uit het Wuppertal’. Hierin beschrijft hij de schrijnende toestanden van het vroege industrie- en mijnwerkersproletariaat uit dit gebied. Zoals de werkomstandigheden waarin arbeiders meer kolendamp en stof inademen dan zuurstof, en waarin alle levenslust op jonge leeftijd al is vergaan. Er heerst een ‘verschrikkelijke ellende onder de lagere klassen (niedern Klassen)’. Engels geeft veel voorbeelden, zoals het feit dat de proletariërs vluchten in mysticisme, maar even vaak in de brandewijn, of in beide tegelijk. Deze drank die de werklieden ernstig verzwakt, is mede de oorzaak van het feit dat in deze situatie op elke vijf personen er drie sterven aan tuberculose.
Sinds zijn jeugd herkent Engels de vieze bijsmaak van de drank. Hij houdt zijn ogen open, neemt waar, overziet de verbanden, analyseert de cijfers en trekt conclusies. Daarom verzet hij zich in het genoemde artikel van 1876 tegen de borreljonkheren, de ‘Schnapsjunker’, die de kern én de zwakten van het kapitalisme in zijn volle breedte etaleren in hun gedrag en belangen. Zijn conclusie: ‘Met de val van de brandewijnbranderij valt het Pruisische militarisme, en zonder dat is Pruisen niets.’ Met die voorziene val hoopt Engels dat dan de politieke verhoudingen van Duitse staten onderling en de Duitse economie als geheel in een evenwichtiger en politiek progressiever vaarwater zullen komen, als stap op de lange weg naar een sociale toekomst.
Bij dit artikel zijn diverse bronnen gebruikt. De voornaamste is Friedrich Engels, Preußischer Schnaps im deutschen Reichstag, in Marx-Engels Werke, deel 19, Berlin DDR 1976, pp. 37-51.
Dit artikel staat ook in mijn boek: Marx, zó gelezen. Verschenen bij Uitgeverij Damon. Dit bevat 27 korte stukken. Nog verkrijgbaar.
Meer boekpublicaties bij Damon, zie http://www.damon.nl/authors/30610-jasper-schaaf
Alle boeken, zie www.jasperschaaf.nl
zaterdag 21 november 2015
Onze gekielde loofslak (Hygromia cinctella)
Onze slak? Het zijn er meer dan een. De Gekielde loofslak (Hygromia cinctella) kruipt al zeker drie jaar door onze voor- en achtertuin. Ze lopen niet de voordeur in en de achterdeur uit, en aangezien we in een rijtjeshuis wonen kun je zo concluderen dat in onze buurt vermoedelijk heel wat meer van deze slakjes te vinden zullen zijn.
Is dit bijzonder? De Gekielde loofslak is een exoot, afkomstig uit Zuid-Frankrijk of daaromtrent. Ze rukken op naar het noorden. Waarschijnlijk lopen ze niet die afstand in korte tijd, maar liften ze vooral mee op planten die mensen van zuid naar noord meenemen. Door de opwarming kunnen ze vervolgens gedijen en voelen ze zich hier thuis. Een paar dagen terug, dus in de nog vrij warme november, kropen er nog enkele vrolijk rond. Misschien had ik ze met mijn werk in de tuin verstoord, maar ze zagen er levenslustig genoeg uit. Ook lagen er enkele losse huisjes van – zo te zien – volwassen exemplaren.
In mei 2014 heb ik de waarneming van de Gekielde loofslak aan Waarneming.nl gemeld. Niet na eerst enkele foto’s per mail voorgelegd te hebben aan malacoloog Henk Mienis, die in het blad ‘Spirula’ van de Nederlandse Malacologische Vereniging over deze slak had geschreven. Hij bevestigde de determinatie. Voor oostelijk Nederland was nog niet eerder een waarneming geregistreerd boven Nijmegen en omstreken, vandaar mijn melding.
De vondst in Groningen was dus wel aardig, althans voor de liefhebber. Deze vrij kleine slak schijnt echter aardig wat groen te kunnen eten, al valt dit in onze tuin tot nu toe reuze mee. Hoe die hier komt? Wellicht ook door iemand in de buurt ongemerkt met wat planten meegenomen uit zuidelijker streken of van Noord-Holland waar ze inmiddels meer voorkomen. Of tuincentra hier nog een onbedoelde rol kunnen spelen is mij niet bekend.
Wil je meer weten van rondkruipende slakken in je tuin of de natuur, dan is er goed nieuws. Zeer onlangs verscheen een prachtige veldgids ‘Slakken en mossels’, geschreven door Bert Jansen. Met per soort een mooi overzichtskaartje.
De vindplaats Groningen staat nog niet vermeld voor de Gekielde loofslak. Mijn eerder doorgegeven waarneming kwam kennelijk na het afronden van de flinke klus van het opstellen van de verspreidingskaartjes van deze gids.
Deze gids is voor de liefhebber echt een aanrader, heel compleet en duidelijk. Niet alleen de slakken met huisjes, ook de naaktslakken, waarvan er voor Nederland wel zo’n vijfentwintig soorten bekend zijn. Naast de landslakken worden ook de zoetwater en brakwater weekdieren en hun schelpen beschreven.
Als een vogelaar me vraagt hoeveel soorten vogels in onze tuin waargenomen worden, kun je zo een stuk of tien noemen. Minder bekend zal zijn dat onze tuinslakken niet alleen van die bruine sigaren zijn, waar de buren met zo veel plezier naar kijken, maar deze weekdieren in de eigen tuin – midden in de stad – vergezeld kunnen worden van een stuk of tien andere slakkensoorten. Zoals bij ons de grote Segrijnslak (Cornu aspersum) en een heel kleine Agaathoren (Cochlicopa spec.) van nog geen centimeter lang.
Mijn stelling luidt zoals wel vaker: de natuur ligt overal voor het grijpen.
De genoemde veldgids:
- Bert Jansen, Veldgids Slakken en mossels, Meer dan 200 soorten, Herkenning en verspreiding, Compleet voor Nederland, Land en zoet water, KNNV Uitgeverij, Zeist 2015.
Hieronder enkele foto’s: voorjaar 2014 en twee van een ‘huisje’ van de Gekielde loofslak, november 2015
vrijdag 20 november 2015
Monisme – Beeld en idee van eenheid van de wereld
Waarom zijn er eigenlijk maar zo betrekkelijk weinig mensen die openlijk zeggen dat ze filosofisch of wereldbeschouwelijk gezien een monist zijn? De oorzaak ligt waarschijnlijk voor een deel in de praktische beperkingen van ons verstand dat van de weeromstuit zichzelf of liever het denken in het algemeen groter of aparter wil voorstellen dan het is. Bovendien – net zo natuurlijk, maar ook paradoxaal – zal een oorzaak het feit zijn dat wij na ons leven tot stof vergaan en ons leven en denken dan slechts voortbestaan als herinnering bij anderen of bijvoorbeeld nog even door een bepaalde invloed die je gehad hebt, die net ietsje verder reikt dan de eigen generatie.
Dat laatste is dan een gelukje of bij sommigen misschien ook grote pech, bijvoorbeeld als ten onrechte een bepaald beeld over je blijft hangen. Veel last heb je er al niet meer van, maar dat kan voor je nageslacht anders liggen. Hoe kan echter iets verdwenen of tot ultieme passiviteit vervallen zijn waar je bij uitstek zo aan was gehecht, je identiteit en persoonlijkheid, je ‘eigen’? Veel mensen vinden dat toch wel onbevredigend. Anderen worden er zelfs angstig van.
Dit zijn wat bijkomstigheden die me te binnen schieten als ik het prachtige boek van Matthijs Schouten ‘Spiegel van de natuur’ lees en bekijk. Een boek waarin vanuit tal van invalshoeken blijkt dat zowel de natuur als ons denken in de kunst wordt weerspiegeld. En dat omgekeerd de kunst of de beelden die we zelf vormen van de natuur net zo goed in ons denken en emoties worden weerspiegeld. Kortom, alles weerspiegelt zich in het andere, vice versa. Dit schrijft Schouten niet precies zo, het zijn mijn woorden.
Wel schrijft hij over het hindoeïsme en Indiase wereldbeschouwingen: ‘Een cyclisch wereldbeeld vormt een wezenlijk bestanddeel van het Indiase denken. Het wiel van de tijd draait volgens de eeuwige kosmische wet en in iedere omwenteling ontstaat het universum opnieuw, om daarna ook weer uiteen te vallen.’ (p. 34)
Mooi beeld. Dat uiteenvallen is dus relatief, want de cyclus en dus de samenhang wordt als bepalend, algemeen overstijgend gezien. Een eenheidsleer, monisme of dialectiek staat aldus centraal. Daar passen de natuur en ook wij miljoenen met zijn allen dan in. En ieder die al kwam en nog komen moet. Als de mens de wereld zo opwarmt dat we ten slotte allen verloren gaan, dan verbeeldt dit optimisme ook nog een keer dat het universum zich opnieuw zal hergroeperen. Als de zon dan nog schijnt ongetwijfeld op den duur weer met allerlei min of meer weldenkende wezens.
Zo zijn er heel wat monisten, want de hindoes zijn met velen. Al zijn veel van hen niet helemaal consequent en geven ze ‘de ziel’ toch een aparte plek, los van de wereld. Zo zijn er aldaar ook vele dualisten. Dat was en is zo.
Er zijn ook ‘bij ons’ zowel veel dualisten als monisten in heel wat soorten en maten, met diverse veronderstellingen en overwegingen. Om er enkele bekende te noemen:
Dualisten? In ieder geval René Descartes die altijd weer vanwege zijn dualisme wordt genoemd en soms geroemd. Ook had je Immanuel Kant, met zijn wereld die bestaat maar onkenbaar is. Bisschop George Berkeley reduceerde alle bestaan tot de waarneming, bijna monistisch, maar is de wereld of God misschien toch nog ergens gebleven? Tal van religies gunnen de ziel een parkeerplek in het hiernamaals, al een beetje los van de wereld zelf, maar ook weer niet helemaal. Enzovoort.
Monisten? Dat zijn ook de geringsten niet. Na Parmenides kwam Aristoteles al zal deze indeling gelijk de nodige discussie opleveren. Benedictus de Spinoza: dat was een heel zuivere monist. En niet te vergeten de dialectische Georg Hegel. Bovendien eigenlijk toch ook zijn leerling Ludwig Feuerbach, die net als Matthijs Schouten de verbeelding betrok op de religie, ook bij hem vice versa. Dan had je nog Joseph Dietzgen, de arbeidersfilosoof, te onbekend, maar een monist die ten strijde trok tegen de netgenoemde kantiaanse onkenbaarheid en die overigens gewoon weer terugwijst naar Spinoza en Hegel. Als er slechts één geheel bestaat kun je logischerwijs toch geen enkel aspect principieel voor de kennis uitsluiten? Enzovoort.
O, ja, natuurlijk zijn er ook nog de vele monistische natuurkundigen die ondanks alle moderne benamingen voor de soms grillige vormen van samenhang en hogere wiskunde, altijd impliciet of expliciet veronderstellen dat alles wat bestaat elkaar veroorzaakt, vormt en dus eigenlijk ook weerspiegelt. Oerknal of niet, maakt niet uit. Anders zouden ze wel ophouden te zoeken, denk ik dan. Een idee dat ware kennis bestaat of ergens nog ontstaat, betekent helemaal niet dat alle gezoek ooit een eindpunt bereikt. Waarom zou het ook?
Monisme, alles bestaat in zowel een enkele als veelzijdige eenheid. Alle dingen, details en veranderingen, wat mooi is en wat niet klopt, maken deel uit van dat ene. Monisme staat tegenover talloze dualismen. Dat zijn allemaal schijnopvattingen volgens de monist. Omgekeerd is dat natuurlijk ook zo, en al die denkers opdelen in twee groepen lost in de filosofie ook niet erg veel op, want er zijn tal van uiteenlopende funderingen, accenten, uitwerkingen en bovenal nog heel wat inconsequenties, paradoxen en anomalieën.
De verschillende visies zullen bij wie er weer anders over denkt de nodige misverstanden oproepen. Een misverstand kan zijn dat in een monistische opvatting concreet onderscheid verloren gaat. Daar zijn genoeg voorbeelden van, maar het hoeft beslist niet. Zo was Spinoza bij uitstek de denker van de eenheid van de wereld én degene die concreter dan wie dan ook in zijn tijd de menselijke emoties en de al dan niet gemankeerde omgang met de wereld benoemde.
Monisme, de kunst is het specifieke te blijven ontdekken en te ontwikkelen, want een monistische visie kan vaag worden en dan slechts de schijnoplossing van te mooie woorden bieden. Abstraheren is niet verkeerd, maar je hebt er verkeerde abstracties tussen. Daarom is het zinvol woorden, begrippen én beelden vormen. Een beeld kan treffend uitdrukken wat woorden soms niet vermogen. Soms of zelfs heel vaak niet.
Het hindoeïsme – denk aan de hindoeïstische Vedanta-school – en ook het boeddhisme met zijn vele varianten geven vaak mooie beschrijvingen van het non-dualisme. Dat beelden daarbij een rol kunnen spelen is zeker zo. Denk aan het beeld van de eeuwige terugkeer van de zon, dat tal van beschrijvingen en emoties oproept. Of de eeuwige terugkeer van de seizoenen. Als het maar eeuwig terugkeert, lijkt het dan, maar dat geldt voor de mens misschien juist wel niet.
Het beeld van de natuur bepaalt dus de visie op het totaal? Maar ja, het dualisme bestaat nog altijd, het denken moet zich een plaats veroveren in het geheel, maar wil vaak zo graag ontsnappen en een eigen veilig plekje of een eigenzinnige positie creëren. Aan een gebrek aan creativiteit of fantasie zal het inderdaad niet liggen.
De wijze waarop dat plekje benoemd wordt of bijvoorbeeld in de kunst wordt verbeeld, neemt tal van vormen aan. Allemaal mooi geprobeerd en je kunt een sterke voorkeur hebben voor een ervan. Waarom ook niet? Blijft de genoemde vraag over waarom er betrekkelijk weinig mensen openlijk monist zijn, want daar passen even creatieve beelden bij. Zonder aparte hemel hoef je nog niets te missen.
Genoemde titel:
Matthijs G.C. Schouten, Spiegel van de natuur, Het natuurbeeld in cultuurhistorisch perspectief, KNNV Uitgeverij en Staatsbosbeheer, 1e druk, Utrecht 2005, ISBN 90-5011-206-4.
Over dialectiek en weerspiegeling schreef ik onder meer:
Jasper Schaaf, Dialectiek en praktijk, De creatieve tegenspraak, Een inleiding in dialectisch denken, Uitgeverij Damon, Budel 2005, ISBN 90-5573-646-5.
Abonneren op:
Posts (Atom)



