vrijdag 15 juni 2018

We gaan wel naar Den Haag!


Vorige week zat ik met nog 400 Groningers op de publieke tribune van de Tweede Kamer. Het zoveelste gasdebat. In kleurige optocht erheen.

Op naar de preek van minister Wiebes. Zijn simpele logica van de politieke causaliteit. Geen gas meer, dan ook zo weinig mogelijk meer betalen. Logisch toch? Liever de boel slopen en opnieuw bouwen dan al die peperdure versterkingsverbouwingen. Logisch toch? Ja, logisch in de portemonnee van het kapitaal dat zegt te betalen, maar geen zin dat daadwerkelijk te doen. De allang ingeboekte winsten wil men graag houden. Vanuit dat gezichtspunt ook niet zo onlogisch.
    Groningers weten echter ook: wij willen ons huis en onze mooie woonomgeving behouden. Geen flutoplossingen.

Dat resulteert in een taaie strijd waarbij sommige media de demonstranten uitdagend vragen: ‘Houd je dit nog vol? Het helpt toch allemaal niet?’ Want nieuws gaat over een verandering van de situatie, en die zou inderdaad veranderen als de moed zichtbaar en massaal wordt opgegeven.
    Natuurlijk geven sommigen een keer op, soms tijdelijk, soms definitief. Maar anderen zullen weer opstaan en doorgaan.
    En dat is niet tegen beter weten in. Strijd is lastig, maar nodig. De resultaten zouden nu al heel anders zijn als de strijd al was opgegeven.

Dan preekt Wiebes in de kamer. Lang van stof dit keer, hij gaat maar door zijn mantra te herhalen: ‘hij weet het eventjes niet.’ De Groningers op de tribune moesten intussen hun actiekledij en spandoeken bij de voordeur van de Tweede Kamer achterlaten. Dom van de overheid, het kan wel een regel zijn, maar geloof maar dat Wiebes nu nog duidelijker heeft gevoeld dat al die keurige mensen op de tribune elk woord van hem op een goudschaaltje wegen en geen smoes accepteren. Ook als het wel heel veel woorden zijn die de minister vandaag nodig heeft.
    En dat geeft druk, vooral omdat – zoals bekend – er nog duizenden achter de 400 aanwezig Groningers staan, zoals tijdens de demonstratie van 19 januari jl. in de stad Groningen zo’n 12000 demonstranten lieten zien. Heeft het dus zin? Ja, heel veel.

Bij elk woord dat hij uitspreekt wordt Wiebes’ logica op de proef gesteld, en …. valt hij door de mand. Hij weet het niet meer, dat wordt wel duidelijk. Hij kan naar zijn achterban misschien maar moeilijk verkopen dat in Groningen de geldkraan open moet staan, terwijl er toch minder of geen gas meer wordt gewonnen.
    Maar aan de Groningers heeft zijn logica van vandaag ook niets te melden. Het ‘wordt gewoon te duur’ is immers onzin. Ook een hoog bedrag is uiteindelijke gewoon een geldbedrag dat misschien op dat moment ten koste van iets gaat, maar ten gunste van het sociale belang er gewoon kan zijn. En er is niets dat hard kan maken dat het verloren geld zou zijn als toekomt aan het oplossen van een groot probleem van de bevolking. Ook niet als het tijdelijk van iets anders afgaat.
      Zo’n verdeling is enerzijds maar betrekkelijk, anderzijds natuurlijk ingebed in een strijd van belangen. Dan mag je ook ‘gewoon’ het belang van mensen die lijden onder de destructieve gaswinning voorop stellen. Dat is dan een politieke uitkomst waar niets mis mee is. Het draait om de politieke wil en de machtsverhoudingen.

Een minister zal vrijwel nooit voor de publieke tribune zijn toezegging doen, want dat ervaart hij als gezichtsverlies. Hij kan lang spreken over ‘knopen in zijn buik’, maar hij vergeet echt niet dat er meer zijn met knopen in hun buik, ook al liggen hun actie-T-shirts bij de voordeur. Hij zal de politieke druk ervaren, daar doet een lang verhaal niets van af.

Er zal een oplossing komen. Er zal druk zijn van acties. Het drama jarenlang in de ellende te zitten mag geen dag langer duren. Maar zonder strijd en tegendruk zal Den Haag traag zijn als een slak, praatjes blijven verkopen en zich verschuilen achter half-affe onderzoeksrapporten. Elke actie schiet een beetje op, hoe weinig concreet ook nog. Het verhindert dat de hele provincie als slechts een voorbijgaande kwestie technocratisch wordt ‘opgelost’ en de mensen tegen elkaar uit worden gespeeld.
    We gaan wel weer naar Den Haag. Solidair. Misschien met 500, desnoods met 300. Het heeft zin. Elk huis dat versterkt moet worden, moet dat ook daadwerkelijk worden. Logisch toch? Je moet elkaar bij de les houden. Dat is nu eenmaal zo bij zo’n langdurige kwestie. Dat doe je dan toch?




Veel informatie vind je op de website van de Groninger Bodembeweging:
https://www.groninger-bodem-beweging.nl/






















dinsdag 12 juni 2018

Bijna het eeuwige leven, net als de Noordkromp


Het eeuwige leven bestaat niet, behalve misschien voor alles wat bestaat bij elkaar, het heelal. Geen dag hetzelfde. Tegenover dat dynamische heelal geven religieuze voorstellingen van het hiernamaals vaak een vrij star beeld van dát bestaan, precies dat wat ik geen leven zou noemen, laat staan het eeuwige.
      Elke dag hetzelfde? Een griezelbestaan. Waarom zou de eeuwigheid altijd één en hetzelfde moeten zijn?

Misschien is een klein beetje eeuwigheid wel een stuk spannender dan alles tegelijk. En net zoals er een dier is dat het snelste is, en dat zelfs bestaat in Nederland, de Slechtvalk (Falco peregrinus), is er een beest dat het langste leeft. Nederland blijkt best wel rijk bedeeld met de top, de snelste en ook met de langstlevende.
    Het is geen eeuwig leven, kun je zeggen, maar lijkt er al een beetje op. Dat dier dat het langste leeft is de Noordkromp (Artica islandica). Althans, van de dieren in de met het blote oog zichtbare alledaagse wereld. Waarbij dan niet zichtbare ‘beesten’ als micro-organismen buiten beschouwing blijven. Microben schijnen duizenden jaren oud te kunnen zijn.

Dat wel zichtbare langlevende beest is een weekdier. De schelp ervan spoelt aan op onze Noordzeestranden, zij het voornamelijk op de noordoostelijke eilanden en dan vooral op Schiermonnikoog. Een tweekleppige, die tamelijk fors kan worden.
    Een beetje vreemd misschien voor een schelpdier met twee kleppen, er spoelt vooral de helft ervan aan, veel meer linkerkleppen dan rechter. Wel 7 of 10 keer zoveel linkerkleppen, die met de bolle kant naar boven in de top naar links wijzen. Waarschijnlijk komt dit door een combinatie van de vorm van de schelp en de stromingen waarmee deze voortgestuwd wordt op de zeebodem en voor het strand. Of iets dergelijks. Er is onderzoek naar gedaan en daarin spelen dit soort aspecten mee.
    In noordelijke en koudere streken wordt dit weekdier soms ouder dan 400 jaar. Die hier aanspoelen, althans de schelpen ervan, zijn meestal wat jonggestorven, bijvoorbeeld al na 150 jaar. De leeftijd is af te tellen van de groeilijnen aan de bolle kant, vergelijkbaar met die van bomen. Hoe dan ook, het is het langstlevende ‘gewone’ dier.

400 jaar, een mooi getal. Is Schiermonnikoog het einde van de wereld waar de Noordkromp te vinden is? Het leek ons leuk om nog wat oostelijker te gaan kijken, op Borkum, daar een Noordkromp te vinden en te zeggen dat deze 400 jaar oud geworden is: ‘Tel de groeilijntjes maar!’
      En daar dan deze blog over te schrijven. Dit is namelijk de 400ste.

Dus gezellig naar Borkum afgelopen zaterdag en naar de schelpen kijken. Op dat stukje Duitsland aanbeland zie je in de verte Rottumerplaat en Schiermonnikoog liggen. Dat is dus vlakbij. Toch blijkt al snel dat op Rottum heel andere schelpen domineren. Het barst er bijvoorbeeld van de Afgeknotte Gapers (Mya truncata) en verschillende soorten Tapijtschelpen, vooral de Gewone Tapijtschelp (Venerupis senegalensis). Maar ook een vrij vers uitziende Paardenmossel (Modiolus modiolus) is zo gevonden. Meerdere exemplaren. Deze soort vind je op Schier echt niet zomaar. Borkum is geen Schier, of omgekeerd.
    Ja, zul je denken, dat kan allemaal toeval zijn, wat zegt zo’n ene zaterdag in juni nou? Met zo’n momentopname kun je toch niet zomaar twee eilanden helemaal met elkaar vergelijken? Zelfs niet als je bedenkt dat de diepe Eems ertussen ligt. Maar sommige soorten van Borkum liggen er zo wijd verspreid dat ze er over een hele periode terecht moeten zijn gekomen. In de oudere lagen en in de recente eb- en vloedlijnen kom je dezelfde soorten tegen. Dat zegt wel wat.

Borkum is geen Schier. Op Borkum vinden strandbroeders rust, dat zijn vogels die bij uitstek op het strand of op schelpenbanken broeden. Zoals op Borkum de Dwergstern (Sterna albifrons) en waarschijnlijk ook wel de Strandplevier (Charadrius alexandrius).
      De eerstgenoemde broedt er zeker. Hij laat zich goed horen. Net op het strand aangekomen zien en horen we ze. Dat typische krijsen. Op het strand, naast de geultjes, zitten ze soms in kleine groepjes bij elkaar. Hun broedgebied is op Borkum afgezet met een touwtje, dat schijnt in dat land voldoende te zijn.
      Fraai! Heb je wel eens een Dwergstern gezien! Die onthoud je wel. Onderstaande foto van Dwergsterns is overigens niet van Borkum, maar van Portugal.

Leuk dus, maar de Noordkromp zagen we niet. Je kunt speculeren dat hij er moet liggen, maar hij deed niet mee. Toch is met de speculatie is niet alles mis. We meenden ook dat hier wel barnsteen te vinden zou moeten zijn. En inderdaad, enkele kleine stukjes, barnsteentjes hebben we wel gevonden. En nog andere leuke dingen, zoals een kleine, beschadigde, maar desondanks mooie Gekielde Noordhoren (Neptunea despecta).

Aardig was twee schelpen te vinden met een opmerkelijke vorm. Zo vonden we een Afgeknotte Gaper met een flink uitgeboord gat, ongetwijfeld gemaakt door een roofslak, die erop uit was het weekdier te verorberen.
      Maar dieren kunnen vaak veel, zoals zich goed verweren. In dit geval was het flinke gat door het weekdier van binnenuit weer dichtgemaakt. Knap, een bekend  fenomeen, maar opmerkelijk dit zó te zien, bij zo’n groot gat. Zie de foto, de buitenkant heeft een gat, van binnen is de schelp dichtgemaakt.
     Even opmerkelijk was een helemaal plat Muiltje (Crepidula fornicata). Muiltjes nemen altijd de vorm aan van het object waar ze op zitten, zoals op een ander muiltje. Maar bijna helemaal plat zie je ze zelden of nooit.

Tja, het ging natuurlijk helemaal niet om de 400-jarige slak of om de 400ste blog, maar om de mooie dag. Met de trein naar de Eemshaven, en je bent zo is Borkum.
    Intussen kan bedacht worden of we op naar de 500ste blog moeten gaan. Voorlopig maar wel, in ieder geval tot mijn nieuwe boek over politieke filosofie verschijnt, dit najaar. Dus ook na 400 verder over filosofie, politiek en natuur, maandelijks circa vier keer. Daarna misschien een wat lagere frequentie, bijvoorbeeld twee per maand.
     Het eeuwige leven wordt er niet mee bereikt, nog een keertje wat meer vertellen, een kleine preek over een oeroude Noordkromp, zit er eerder in. Nooit steeds hetzelfde dus.





 Borkumse schelpen te drogen


Een linker- en rechterklep van de Noordkromp
 

Afgeknotte Gaper met uitgeboord gat


De binnenkant met litteken van het gat


Links het platte Muiltje naast 'normale' exemplaren


De binnenkant van de Muiltjes


De barnsteentjes, een Wenteltrap en de Gekielde Noordhoren

 
Dwergsterns

















woensdag 6 juni 2018

Een goede maatschappij heeft een naam – Angela Davis en Bernie Sanders


Gisteren was Jan Marijnissen in Groningen, liet zijn film over de Verenigde Staten zien en ging vervolgens uitgebreid op vragen in. Belangwekkende thema’s, ook voor de politieke ontwikkeling in Nederland en Europa. Over neoliberalisme en de strijd ertegen. Uiteraard werd er ook gevraagd naar het succes van Bernie Sanders. Hoe heeft hij dat voor elkaar gekregen?

Om dat te verklaren is een opmerkelijk punt dat in Verenigde Staten het felle anticommunisme en antisocialisme als expliciete rechtse aanval (soms) lijkt te zijn weggeëbd. Immers, De Muur is gevallen en het neoliberalisme heeft de almacht. Als tegengesteld effect kan daardoor soms makkelijker openlijk voor een socialistisch verhaal worden opgetreden.
      Daarbij is het overigens net zo opmerkelijk is dat de huidige generatie het socialisme of communisme nauwelijks meer kent, laat staan er zelf een strijdbare solidaire inhoud aan weet te geven.

Sanders, die openlijk spreekt als socialist, geeft nu weer woorden aan de vaak vage optie van ‘een betere maatschappij’. Dat brengt inhoudelijke discussie en profilering dichterbij. En vervolgens een kans voor een sterke socialistische organisatie.
      Dat alles is echter ook nog ver weg in het neoliberale Amerika. Maar toch, er over spreken is van enorme betekenis. Een goede maatschappij heeft een naam, en krijgt zo een identiteit, vorm en inhoud. Nog vage idealen zijn van belang, maar als je er geen vorm en inhoud aan geeft verdwijnen ze alras als sneeuw voor de zon.
      Sanders weet wat een woord doet en is helder in zijn socialisme.

Dit herinnert ook aan de strijd van Angela Davis, haar strijd tegen racisme en politieke onderdrukking en voor burgerrechten voor alle bevolkingsgroepen. In 1970-1971 werd ze gevangen gehouden en vals beschuldigd van moord. Massale acties voor haar bevrijding ontstonden, maar Davis heeft steeds volgehouden dat het niet om haar gaat, maar om iedereen. Ze zag dat zo in het kader van haar politieke standpunt toen, van een sociale communistische politiek. Het zijn precies de ideeën die de reactionaire overheid koste wat kost wilde vernietigen.
    Davis verbindt de strijd tegen segregatie en onderdrukking met klassenstrijd. Segregatie, uitbuiting, macht en klassenstrijd vormen één geheel. Dat standpunt, nadrukkelijk uitgedragen, wordt haar niet in dank afgenomen door de overheid.

In haar autobiografie ‘Zinnen op de vrijheid’  uit 1974 schrijft Davis: ‘De psychologische effecten van het anticommunisme op gewone mensen in Amerika zijn ontstellend. Er is iets aan het woord ‘communisme’ dat, voor wie niet beter weet, niet alleen de vijand oproept, maar ook iets immoreels, iets smerigs.’ Maar ook: ‘Ik ontdekte al gauw dat het anticommunisme in de getto’s, onder de arme en werkende zwarte mensen, niet bepaald diep geworteld was. (… Een broeder zei:) ‘Er moet iets goeds inzitten, anders zouden ze niet zo’n moeite doen om ons ervan te overtuigen dat het slecht is.’’
    Davis kiest voor heldere woorden. Standpunten kunnen zich ontwikkelen, steeds zul je de goede uitdrukking ervoor moeten vinden en noemen, die mensen in de strijd verbindt.

Socialisme, communisme, anarchisme, nog iets anders? Ben je voor een solidaire maatschappij? Aarzel niet deze een passende naam te geven. De weerstand die dat misschien oproept is een eerste aanzet voor een goed vervolg.






Boek: Angela Davis, Zinnen op de vrijheid, Een autobiografie, Eerste druk als Globe Pocket, Amsterdam 1993. De passages staat op pagina’s 279 en 280.

Voor wie dit interesseert: Deze titel is antiquarisch nog makkelijk verkrijgbaar voor weinig geld.














vrijdag 1 juni 2018

Een nauwelijks gestelde vraag (over kolonialisme en onvermijdelijkheid)


In een interessant boek, dat tal historische contexten boeiend beschrijft, en hier niet genoemd, laat staan besproken zal worden, lees ik een passage zonder veel context, die bij me blijft haken.
      ‘Blijft haken’, zeg je dat zo? In ieder geval denk ik dat de lezer op het eerste gezicht goed zal begrijpen wat er in deze passage wordt bedoeld en er toch iets helemaal niet klopt  in de gekozen formulering. Dat er een probleem en een antwoord worden opgeroepen dat toch niet helder wordt genoemd. Een vooronderstelling. Resultaat: de bestendiging van een vooroordeel? Of een stille, ongetwijfeld ongewilde beïnvloeding?

Deze passage luidt: ‘De oorspronkelijke bewoners van het van het Amerikaanse continent werden in de periode van 1492 tot het einde van de negentiende eeuw grotendeels uitgeroeid. Achteraf gezien lijkt deze uitkomst bijna onvermijdelijk. Het militaire en technologische overwicht van de Europeanen over de inheemse Amerikanen was van meet af aan enorm, en de door de Europeanen ingevoerde besmettelijke ziekten deden de rest.’

Wat is hier dan zo merkwaardig aan? De als conclusie of ‘bijna-conclusie’ gestelde zin: ‘Achteraf gezien lijkt deze uitkomst bijna onvermijdelijk.’ Het gaat me er dan nu even niet om dat iets wat gebeurd is achteraf altijd een zeker voorkomen van onvermijdelijkheid lijkt te hebben. Erger lijkt me de gesuggereerde veronderstelling dat een land of volk dat sterker is altijd zijn wil zal opleggen aan een militair zwakkere cultuur of natie.
      Alsof dat niet anders kan. Alsof het egoïsme zo sterk en onvermijdelijk is, zó sterk de enige beslissende drijfveer van de mens, dat wie sterk is nu eenmaal expansie realiseert, ten koste van anderen, van alles.
    Legt een sterke macht altijd en zonder meer zijn wil aan anderen op? Die vraag is in het geding, een nauwelijks gestelde vraag.

Natuurlijk lijkt dit vaak het geval te zijn, zie de politiek, de geschiedenis en zelfs het dagelijks leven. Vaak, maar altijd? De mens is ook een vat vol tegenstellingen. En hij kan zich ontwikkelen, meer primitieve drijfveren inkaderen en tot op zekere hoogte leren beheersen.
      Filosofen als Aristoteles en Spinoza laten zien dat egoïstische drijfveren en angsten weliswaar enorm sterk zijn, maar er ook tegengestelde krachten kunnen bestaan of ontstaan, die in totaliteit meer balans en meer sociaal leven opleveren. En dat die bovendien langdurig en diepgaand het vermeende ‘sterke volk’ tot voordeel kunnen strekken, namelijk dat het niet hoeft te vrezen voor de wraak of het verweer van anderen. Met per saldo een resultaat van welvaart, welzijn of zelfs geluk.

Wil een ‘sterk volk’ toch altijd overheersen, zoals gesuggereerd? Dat impliceert de noodzaak voor iedereen om zich verder te bewapenen en andere verdedigingslinies op te treken. Wil een sterke macht echter soms, maar niet altijd overheersen en bovendien verder niet alleen naar de eigen belangen maar ook naar die van anderen kijken, dan komen heel andere handelingswijzen in beeld. Zoals leren samenwerken, handel drijven, profiteren van elkaars kracht en inzicht.

Het is beter maar niet te snel te denken dat iets ‘bijna onvermijdelijk’ is. Wel te leren van het verleden en daardoor alert te zijn, maar niet te veronderstellen, ook niet een beetje, dat expansie en militaire kracht de enige opties waren en zijn. De onvermijdelijkheid van de geschiedenis zit in feit dat iets al gebeurd is, maar beslist niet zonder meer in de inhoud en eigenschappen (etc.) van dat inmiddels gepasseerde station, dat er toentertijd slechts één keuze of optie mogelijk was.
      Je hoeft de daders van toen niet met terugwerkende kracht op te knopen, dat is zinloos en misschien zelfs wel immoreel. Maar je kunt ook niet stellen dat ze beslist nooit anders hadden kunnen handelen. Ook al waren het geen ‘hedendaagse vrije individuen’ die makkelijk een alternatief hadden kunnen kiezen. Wat nu al moeilijk is was dat vroeger nog meer, maar daarmee nog niet totaal onvermijdelijk.
      Iets kan zo vanzelfsprekend lijken, maar het echt vanzelfsprekende hoeft meestal helemaal niet besproken te worden. Spreek liever over een bijna-vanzelfsprekendheid die vanaf nu dat niet meer zo zal zijn. Argumenten volop!