maandag 24 september 2012

Groen Links

Na de verkiezingen vroeg een vriend me: ‘Wat is volgens jou de oorzaak van de enorme leegloop van GroenLinks?’

Mijn reactie: globaal bezien heeft elke partij:
a – een beperkt aantal vaste kiezers op basis van principes (bij Groen Links en de SP misschien genoeg voor misschien 1 of 2 zetels),
b – een grotere groep van min of meer vaste kiezers op basis van langdurige betrouwbaarheid in beleidskeuzes,
c – een flinke (grootste) groep zwevende kiezers die je wint op basis van een goede campagne, positieve media-aandacht etc.

De actuele feiten van Groen Links ten aanzien van deze drie punten zijn:

a – Groen Links heeft nauwelijks principes meer en heeft dus nog maar een beperkte vaste achterban,
b – gezwabber en gedoe ondermijnde de betrouwbaarheid van Groen Links,
c – zwevende kiezers gingen vooral naar PvdA.

Daardoor heeft Groen Links in alle drie groepen nauwelijks gescoord.
Zoiets? Mijn vriend kon zich hier goed in vinden.


Er zijn nog enkele kanttekeningen bij te maken, zoals:
1 – a en b vormen de basis van de stabiliteit van een partij. Als die verdwijnt zullen zwevende kiezers ook niet meer aangesproken worden en is er geen houden meer aan. Partijen zullen openlijk een ideologisch debat moeten blijven voeren, anders verdwijnt ‘a’ op den duur, vervolgens ook ‘b’.
2 – groep c kan worden onderverdeeld. Een deel gaat uit van sociale waarden en visies maar wordt mede door de media en prognoses diverse kanten op getrokken. Een ander deel gaat voor het vermeende eigen belang: wat heeft een partij mij te bieden. Helaas is dat laatste deel groter geworden.
3 – al is het schema globaal, het is waarschijnlijk tamelijk universeel. Een waarschuwing voor elke partij.



zaterdag 15 september 2012

Denkende dieren en ‘Weerspiegeling’


Sinds de grote filosoof Immanuel Kant zijn de termen ‘weerspiegeling’ en ‘afbeelding’ beladen. Kort gezegd kunnen we volgens Kant de wereld zelf niet kennen en is het denken voorgestructureerd naar de eigen aard van dat menselijk denken. Ofwel, de subjectiviteit bepaalt wat we zien en hoe we over de werkelijkheid denken.

Je kunt echter zeggen dat dit best zo zal zijn, maar waarom zou omgekeerd die werkelijkheid ook niet ons denken mede bepalen? Als je aldus vindt dat de werkelijkheid in ons denken een objectieve rol speelt, hoef je toch helemaal de subjectieve en mogelijk beperkende inbreng van dat denken zelf nog niet te ontkennen?
    Je kunt dan spreken over afbeeldingen van de objectieve werkelijkheid in ons denken, en ook over weerspiegelingsverhoudingen tussen dingen en organismen, zonder te miskennen dat daarbinnen vele vervormingen optreden en een eindpunt nooit wordt bereikt.
      Simpel gezegd, natuurlijk vergissen mensen zich en zijn kennis en inzicht moeilijk. Dat hoeft echter de begrippen weerspiegeling en afbeelding niet aan te tasten. Een afbeelding kan niet deugen, maar behoudt in haar ondeugdelijkheid noodzakelijk nog een relatie met de werkelijkheid.
      In mijn boekje ‘Dialectiek en Praktijk’  en al eerder in mijn proefschrift ben ik op deze kwestie ingegaan.

De meeste filosofen en uitleggers van de filosofie denken hier sinds Kant dus anders over. Zij zien weerspiegeling doorgaans louter als een simpele één-op-één-relatie. Aldus versimpeld wordt deze dan natuurlijk direct afgeschaft en zijn nadien ‘weerspiegeling’ en ‘afbeelding’ kennistheoretisch taboe. Mensen die er wel in geloven worden voor naïef verklaard. Men zegt bijvoorbeeld dat alle kennen (toch maar) subjectief is. Jazeker, maar is dat de hele waarheid?

Kort geleden las ik een al wat ouder artikel van Jan van Hooff, primatoloog en emeritus hoogleraar ethologie, met de aardige titel ‘Het benul van dieren’. Hij beschrijft onder meer hoe vroegere ethologen gedrag van dieren vaak opvatten als een stimulusresponsachtig schakelsysteem, terwijl men ook weet dat dieren vaak verkenningsgedrag uitvoeren als zij in nieuwe situaties komen. Sommige dieren kunnen snel inspelen op veranderde situaties.
      Dierlijk gedrag blijkt meer te kunnen behelzen dan routinematige schakelingen. Er zijn aanwijzingen dat dieren kenbeelden (cognities) vormen. Conclusie, sommige dieren, met name sommige primaten hebben kennis. Zij weten, willen nog meer weten en zelfs leren. Ook lezen we dat evolutionair gezien er levensvormen ontstaan die gaandeweg een beter antwoord geven op en een afspiegeling vormen van de leefomgeving.
      Overallconclusie voor de kennistheorie: de wetenschap is leuk en vreugdevol. Dat klinkt al heel wat vrolijker dan kennis opzadelen met een taboe met betrekking tot haar geldigheidsbereik.

Er is dus sprake van kenbeelden bij dieren, en termen als afbeelding en afspiegeling zijn aan de orde. Kenbeelden kunnen vrij adequaat of minder adequaat zijn, in een bepaalde context of ten aanzien van een bepaalde inhoud. Overigens zou een stimulusresponsschakeling ook nog een weerspiegelings- en interactierelatie inhouden. Er bestaan dus ontwikkelingsniveaus en variëteit in de vormen van afbeelding, en in de handelingen en bewegingen die daardoor kunnen worden gestimuleerd. En dit overal in de werkelijkheid, want waar stopt de interactie? Men moet er niet te primitief over denken.

Kant bewijst dan nog altijd zijn waarde voor de filosofie. Denken moet naïviteit overstijgen. Maar objectieve of realistische aspecten spelen altijd mee in het denken en de bewustzijnsvormen van mens en dier. Er worden steeds weer beelden van de werkelijkheid gevormd. Het kunnen moeizame en zelfs heel foute constructies zijn, een veelvormige mix van ‘subjectief’ en ‘objectief’. Toch kenbeelden of weerspiegeling. Denkende dieren leren ons heel wat.



 
Immanuel Kant




Bronnen:
- Jan A.R.A.M. van Hooff, Het benul van dieren, in Douwe Draaisma, Jaap van Heerden, Govert Schilling e.a., De vreugdeloze wetenschap, Waarom nieuwe inzichten weerstand oproepen, Sterpocket / Meulenhoff, Amsterdam 2004, pp. 97-106.
- Hans Heinz Holz, Dialektik und Widerspiegelung, Pahl-Rugenstein, Köln 1983.
- Jasper Schaaf, De dialectisch-materialistische filosofie van Joseph Dietzgen, Kok Agora, Kampen 1993.
- Jasper Schaaf, Dialectiek en praktijk, De creatieve tegenspraak, Damon, Budel 2005.


donderdag 6 september 2012

Machiavelli – Er zijn altijd twee stromingen


Verkiezingen. Volgende week weten we het: sociaal of liberaal? Wat misschien niet iedereen weet is dat hier een universele wet aan de orde is. Althans wanneer we Niccolò Machiavelli gelijk geven, en waarom niet?

Van Karl Marx is bekend dat hij de ontwikkeling van de cultuur ziet als een geschiedenis van klassenstrijd. Liefst wil hij die beëindigen met zijn socialistisch en communistisch ideaal. Vaker schrijft hij over de opheffing van de klassentegenstelling iets praktischer of wellicht realistischer. Het ‘loonsysteem’ moet definitief worden afgeschaft. In het boekje ‘Loon, prijs en winst’  roept Marx hiertoe op. De arbeidersklasse wordt definitief bevrijd als het systeem van uitbuiting wordt opgeheven.

Marx was niet uniek in zijn visie op klassenstrijd, het principiële gevecht van belangengroepen om macht, rechten, aanzien en rijkdom. Plato onderscheidt klassen en belangen, en wil ook een opheffing van destructieve tegenstellingen. Laat de filosofen de staat besturen, de wijzen. En Plato was beslist niet de eerste met zo’n idee. De oude Chinese filosoof Mozi riep op ‘de besten’ te kiezen als bestuurders van de staat. En als je naar Aristoteles kijkt, of later – als voorbeeld onder velen – naar Rousseau en Kant, er is flink nagedacht of fundamentele tegenstellingen binnen de staat en tussen staten oplosbaar zijn.
      En de invalshoek van deze oplossingen verschillen op hun beurt ook weer. Sommige ontstaan vanuit een sociaal perspectief, andere meer vanuit eigenbelang van een groep, klasse of natie.

Iets dat fundamenteel is, getuige het feit dat de vragen erover steeds terug komen, laat zich dus niet en zeker niet makkelijk oplossen. Vaak zijn er inderdaad niet alleen tegenstellingen herkenbaar maar ook een fundamentele tweeslag van posities, belangen en eigenschappen. Het gaat om macht, economische uitbuiting, moreel besef, of sociaal gevoel versus het voorop stellen van eigenbelang. Koning, adel en heersers versus het volk of voor het volk, eigen winst versus sociale welvaart, de ander als middel of vooral ook als doel, graaiende bankiers versus de kleine spaarder, enzovoorts.
      Soms zijn er scherpe tegenstellingen, soms meer gecamoufleerde en soms echt mildere tegenspraken van belangen. Sociaal of liberaal, socialisme versus liberalisme, met zijn actuele variant van het neoliberalisme, het gaat ergens om. Het kan inhalig egocentrisme versus sociaal besef zijn, of goedbedoelde accentverschillen. De richting doet er echter altijd veel toe, moreel en praktisch.

Niccolò Machiavelli (1469-1527) schreef niet alleen zijn beroemde boek ‘De heerser’. Even scherpe politieke analyses van de geschiedenis en van zijn tijd lees je in ‘Discorsi, Gedachten over staat en politiek’. Machiavelli geeft hierin onder meer een treffende kenschets van bovengenoemde fundamentele tegenstelling, wanneer hij het heeft over de strijd tussen adel en volk en over hen die deze strijd veroordelen. Machiavelli: ‘Zij (die deze strijd veroordelen) staan er niet bij stil dat er in elke staat twee stromingen zijn: die van het volk en die van de elite; en dat alle wetten die gemaakt worden in het belang van de vrijheid het gevolg zijn van wrijvingen tussen deze twee, zoals ook in Rome duidelijk het geval was.’
      De tweestrijd van posities en belangen is dus fundamenteel, dat wil zeggen, (vrijwel) onophefbaar. In alle staten is dit nu eenmaal zo, volgens Machiavelli. Hij geeft echter ook een oordeel dat verder gaat dan een feitelijke beschrijving. De tegenstelling is productief, leidt tot wetten, regels en vergroting van vrijheden.

Zolang de tegenstelling sociaal en liberaal niet opgeheven wordt of kan worden, moeten socialisten en liberalen elkaar dus vooral de maat nemen, elkaars posities aanvechten en hun rechten claimen. Nu het neoliberalisme zich afgelopen decennia zo onbeschaamd heeft kunnen laten gelden, is het hoog tijd voor een beweging de andere kant op.
      Het kan binnen en buiten Nederland nog een belangrijk, maar ook boeiend gevecht worden de komende tijd. Niet makkelijk, zeker met risico’s en met moeilijk voorspelbare resultaten. Met het helder onderkennen van de tegenstelling is niets mis.







Bronnen o.m.:
- Niccolò Machiavelli, Discorsi, Gedachten over staat en politiek, Vertaald en toegelicht door Paul van Heck, 5e druk, Ambo, Amsterdam 2007, p. 103.
- Karl Marx, Loon, prijs en winst, 8e druk, Pegasus, Amsterdam 1975, p. 80.