dinsdag 1 juni 2021

Dirk Jan Struiks waardering voor Friedrich Engels’ natuurfilosofie


De voormalige Communistische Partij van Nederland (CPN, 1909-1991) maakt onderdeel uit van de parlementaire geschiedenis van Nederland. En meer dan dat, zij maakt ook deel uit van de internationale arbeidersbeweging, met historische relaties tussen haar en aanverwante partijen en bewegingen, en last but not least met de geschiedenis van de ontwikkeling van theorie. Zoals van de marxistische filosofie.
      Na de Val van de Muur in 1989 kwam er een vrij lange periode waarin in het openbare discours maar betrekkelijk weinig interesse overbleef voor die theorie, de politiek en de denkers van de socialistische arbeidersbeweging, zoals voor Marx en Engels. Het leek wel op een boekverbranding waarin alles van vóór die Val tot oninteressant, achterhaald, waardeloos of zelfs gevaarlijk werd verklaard.

Wat men vergat was het kaf van het koren te scheiden. Niet alles van het communisme en ook niet alle boeken waren van hetzelfde kaliber. Niet alleen rommel of dogma’s werden weggegooid zonder het nog een blik waardig te gunnen, ook interessante wetenschappelijke bijdragen, boeken, brochures, enzovoort. Interessant? Ja, zo waren er in het reële socialisme filosofische discussies gaande over kennis- en waarheidsfilosofie, met een inbreng waar men tegenwoordig als het om ‘nepnieuws’ gaat nog wat van zou kunnen leren.
      Nu, na diverse crises inclusief de Coronacrisis die velen aan het denken en spreken krijgen is dit wat veranderd en verandert dit nog steeds. Hopelijk ten goede, de politiek is een vat vol tegenstellingen. Er wordt weer meer gelezen, ook werken van Marx en Engels, zij het misschien mondjesmaat.

Nu oude taboes (deels) doorbroken worden en sommige mensen geïnteresseerd raken in socialistische theorie rijst de vraag of die nog bestaat, goed opgeslagen is, en nog verder ontwikkeld wordt, enzovoorts. Dan blijkt dat die oude hierboven genoemde CPN nog wel wat kan betekenen. Deze partij heeft gedurende de vele jaren van haar bestaan vrij veel gepubliceerd, per saldo een hele theoretische geschiedenis, inclusief ups en downs, inclusief wat ertoe doet en er niet meer toedoet. Speciale aandacht kun je dan besteden aan het tijdschrift ‘P & C’, voluit: ‘Politiek en Cultuur; marxistisch maandblad.’ Want in de vele jaren van publicatie van dit blad tekent zich een hele geschiedenis af.
    Dit theoretisch partijblad heeft lang bestaan en veel van de eigen geschiedenis van deze partij én de hele naoorlogse geschiedenis vind je in dit tijdschrift weerspiegeld. In totaliteit is het een geschiedenis op zich. Leerzaam, interessant, en natuurlijk ook met veel dat onjuist of niet meer ‘van deze tijd’ is. Of waar je heel verschillend over kunt denken.
      Intussen moet de belangstellende in deze geschiedenis vooral kijken in wetenschappelijke collecties of bij antiquariaten. Maar gelukkig heeft het internet veel te bieden en wordt er weer serieus onderzoek gedaan naar de betekenis van de werken van de grondleggers van het socialisme als theorie en praktijk. Zie ook de link onderaan deze blog.

Al met al biedt het tijdschrift ‘P&C’ door haar lange bestaan tot aan de opheffing van de CPN een mooi – wisselend interessant – overzicht van de geschiedenis van een groot deel van de communistische politiek in Nederland. Niet alleen wat de leiding te berde bracht, ook gewoon interessante stukken, soms nog heel leesbaar en actueel relevant.
    Dit tijdschrift doorbladerend, kijkend naar de oudere uitgaven, stuitte ik op een heel interessante tekst van de communist en wiskundige, hoogleraar Dirk Struik (1894-2000). Deze gaat over ‘Friedrich Engels en de natuurwetenschappen’, en is verschenen in het Maart-nummer van 1946. Het is een beschouwing over de dialectisch-materialistische filosofie in het algemeen en de natuurfilosofie in het bijzonder.

Dirk Jan Struik was niet ‘de eerste de beste’. Hij was een bekend wetenschapshistoricus die van meet af aan de Russische Revolutie steunde en dat ook in de Koude Oorlog, toen hij in de VS woonde en werkte, bleef doen. Als hoogleraar schreef hij verscheidene boeken over de geschiedenis van de wiskunde en de natuurwetenschappen, die vertaald zijn in verschillende talen.
    Struik schrijft in het Maart-nummer van P&C, jaargang 1946, over Friedrich Engels’ analyse van de dialectische wetmatigheden van de evolutie van de natuur. Het gaat hier om de kern van de marxistische (dialectisch-materialistische) natuurfilosofie en om filosofie in het algemeen. Daarin laat Struik de betekenis van Engels als denker zien, op een overtuigende wijze.

Genoeg uitleg vooraf over dit artikel: hieronder volgt Struiks waardering van Engels’ filosofie, de weergave daarvan door Struik, een deel van zijn tekst, in zijn woorden. De geciteerde tekstdelen zijn ontleend aan pagina’s 119-122 van dit P&C-nummer.

‘Onder de denkers van vroegere generaties vallen er enkelen op, wier gedachten zo scherpzinnig, wier blik zo helder was, dat de bestudering van hun werken een leidraad verschaft aan hen, die de principes willen begrijpen, die ten grondslag liggen aan de hedendaagse wetenschap. Leibniz was een van hen en Hegel, ondanks al zijn grillen, ook. Friedrich Engels behoort tot deze groep van uitblinkers.
    Men herdenkt Engels altijd in de eerste plaats als de medewerker van Marx en het is waar, dat hij het voorrecht bezat van een voortdurende, prikkelende aansporing door de grootste denker van de 19e eeuw. Het is ook waar, dat Engels zich altijd als nummer twee van het tweetal beschouwde. Dit leidt ertoe, de grote verdiensten van Engels zelf, als denker en als man van actie in de schaduw te stellen. Het is nog steeds nodig, de nadruk te leggen op het feit, dat Engels persoonlijk een denker van de allereerste rang was, wiens denkbeelden bestemd zijn niet alleen de wereldpolitiek, maar ook de filosofie der wetenschap voor vele toekomstige generaties te beïnvloeden.
    Het is misschien jammer, dat Engels de wereld nooit een groot, omvattend werk heeft geschonken, een fundamentele verhandeling als ‘Het Kapitaal’ van Marx of Spinoza’s ‘Ethica’. Zijn denkbeelden staan, zelfs meer dan die van Leibniz, verspreid in strijdgeschriften, in korte verhandelingen, in brieven en in beknopte aantekeningen. Veel van zijn fundamenteel werk is pas in de laatste jaren gepubliceerd in zijn ‘Dialectiek der natuur’.’ Tot zover dit citaat.

Struik vervolgt dan zijn betoog met een kenschets van de drie hoofdwetten van de materialistische dialectiek, die Engels zelf vrij beknopt beschrijft en in zijn nooit afgekomen ‘Dialectiek der natuur’ verder wilde ontwikkelen. Afgekomen is dat boek dan weliswaar niet, maar in zijn boek ‘Anti-Dühring’, enkele andere boeken en diverse half voltooide stukken is veel op te maken. Struik beschrijft aldus Engels’ genoemde drie hoofdwetten van de dialectiek. Deze drie worden aangeduid als ‘De wet van de omzetting van kwantiteit in kwaliteit en omgekeerd’, ‘De wet van wederzijdse doordringing van tegendelen’ en ‘De wetmatigheid van de ontkenning van de ontkenning.’
    Politiek gaat altijd over tegenstellingen, maar in de dialectisch-materialistische beschrijving van de ontwikkeling, de evolutie van de natuur, speelt de tegenstelling (tegenspraak, ontkenning) ook altijd een hoofdrol. De werkelijkheid in samenhang is altijd in ontwikkeling, en de tegenspraak, de interactie die veranderingen afdwingt is de motor ervan.

Na vrij uitvoerig de drie wetten van de dialectiek uitgelegd te hebben, schrijft Struik: ‘Bijna ieder proces in de natuur heeft de tendens tegengestelde processen te ontwikkelen om het te doen ophouden en in dit proces van tegenhouden ontwikkelen zich nieuwe en vaak meer omvattende processen. De evolutie van de levende materie van primitieve organismen tot de zoogdieren toe volgt zulk een weg en eveneens de vorming van bergketens zowel als de groei van een individueel wezen. Zelfs de evolutie van de materie zelf volgt, zoals wij het nu beginnen in te zien, dergelijke dialectische processen. De moderne natuur- en scheikunde is knap geworden in het ontdekken van dergelijke ketens van tegenspraken, die elkaar ontkennen, zoals in de tegenstelling van de theorie van het licht van Newton, die van atomen, tegenover de theorie van Huygens, die van golven uitgaat. Beide theorieën worden thans in de kwantentheorie van het licht ‘ontkend’.’
Tot zover dit citaat; ‘thans’ is dus: 1946.

De wetenschapshistoricus Struik ziet Engels aldus als een uiterst praktisch filosoof die het wetenschappelijk inzicht dienstbaar is. Terwijl het tegelijk om theorie gaat die bij Marx en Engels de kern van hun reflectie is. Sinds Marx en Engels de filosofie van Ludwig Feuerbach bestudeerden – ongeveer in het jaar 1843 – en daarover ook kritisch oordeelden omdat Hegels dialectiek door Feuerbach te rigoureus aan de kant gezet leek te worden, hebben ze daarmee een kernpunt behouden die in heel hun werk, in tal van geschriften, weer opdook.
      Het gaat om het reële materialisme dat kritisch is, dat de beweging, de ontwikkeling als kern blijft zien. Dat je daarvan de structuren kunt destilleren, deze algemeen kunt verwoorden, bewijst Engels’ half uitgewerkte aanzet tot het beschrijven van de dialectische processen in de hele natuur.
    Struik biedt de lezer van ‘P&C’ een mooie, didactisch sterke inkijk in deze kern van de marxistische (dialectisch-materialistische) filosofie. Een vruchtbare kern, die ook nu tot denken en analyse uitnodigt. Door nog eens naar zo’n oud nummer uit 1946 te kijken kun je in één klap zowel Engels als Struik rechtdoen, en ook het eigen creatieve denken een ‘boost’ geven.
    Bovendien is het boeiend te zien hoe de P&C-redactie in 1946 de lezers hier flink aan het studeren zette.

De draad die soms een knoop lijkt, de gefundeerde eenheid van de wetenschappen – hier de politiek, sociologie en de natuurwetenschappen – is soms een lastige zaak. Engels, nuchter als altijd, pakte die draad vaak weer op, wat inderdaad zo waardevol is als Struik het beschrijft. Dat is in de huidige tijd waar nepnieuws en warboel groeien en bloeien een uiterst waardevol inzicht.





Om verder te lezen over Engels’ Dialectiek van de natuur en andere teksten over dialectiek, natuur en politiek, zie onder meer de website ‘Marxists.org’. Zie https://www.marxists.org/nederlands/
De Engelstalige versie vind je ook via Marxists.org.

Over de drie hoofdwetten van de materialistische dialectiek heb ik eerder en uitgebreider geschreven in mijn boek ‘Dialectiek en praktijk, De creatieve tegenspraak. Uitgegeven en nog verkrijgbaar bij Uitgeverij Damon, zie https://www.Damon.nl
In dit boek, zie met name de hoofdstukken 2 en 5.

Je kunt bij vragen ook mailen naar JasperSchaaf@gmail.com.




 
Dirk Jan Struik (1894-2000)












 

vrijdag 21 mei 2021

Rechtvaardig? Geef de Palestijnen hun grond terug



Deze blog is de letterlijke herhaling van de weblog van 6 oktober 2020, vanwege de recente gebeurtenissen in Palestina en Israël.



Rechtvaardig? Geef de Palestijnen hun grond terug

‘Ik zou liever hebben dat wij een redelijk akkoord met de Arabieren sluiten waarin wij stellen dat wij vreedzaam naast elkaar willen leven dan dat wij een Joodse staat zouden stichten.’

Albert Einstein 1942


Nederland vindt zichzelf vaak erg humaan, vrij en democratisch. Dat ben je echter pas als je consequent ook anderen hun vrijheid, welvaart en rechten gunt. Sterker nog, dat je solidair bent en anderen helpt hun rechten te verwezenlijken.
    En dan blijkt Nederland zo vrij nog niet, soms eerder beperkt en egoïstisch. Vanuit gebrekkige kennis en soms schaamte over wat Hitler de Joden aandeed en de passiviteit van Nederland toentertijd, vinden veel Nederlanders het vanzelfsprekend de Joodse staat Israël te steunen. Steun aan mensen die een rechtvaardige strijd voeren of aan onderdrukking lijden is natuurlijk hoogstnoodzakelijk, maar wat betreft de geschiedenis van het ontstaan van de Joodse staat houdt de interesse die strijd goed te begrijpen veel te voorbarig op. Die geschiedenis is echter uiterst problematisch.

Men denkt soms dat pas bij de beëindiging van de Tweede Wereldoorlog het conflict tussen Joden en Palestijnen ontstond. Dat klopt niet. In 1896 schreef Theodor Herzl het boek ‘Der Judenstaat’ waarmee hij een grondslag legt voor de zionistische ideologie. Mede vanwege de vele Jodenvervolgingen pleit hij voor een exclusief eigen Joodse staat. Die zionistische ideologie gaat heel ver en claimt het recht in de nieuwe staat de bestaande bevolking weg te jagen. Dat standpunt is nog steeds de achtergrond van veel van de Israëlische politiek, een grondslag van de hedendaagse houding van de staat Israël.

In 1923 schreef de journalist en schrijver Vladimir Jabotinsky een artikel over de door hem voorgestane strijd voor een nieuw land voor de Joden. Hij stelde hierin: ‘Wij zullen alle zionistische kolonisatie, ook een heel beperkte, ofwel moeten opgeven, ofwel zullen wij ze moeten doorzetten tegen de wil in van de oorspronkelijke bevolking. Daarom kan onze kolonisatie zich alleen ontwikkelen onder de hoede van een grootmacht die niet omziet naar wat de lokale bevolking wil, zodat het mogelijk wordt om ons van die bevolking af te scheiden met een ondoordringbare ijzeren muur …’ (Citaat ontleend aan Catherine)

In deze passage herken je een scherp inzicht in wat de aarde, de grond, de woonplaats betekent voor volkeren. En nog steeds is dat de grondtoon bij kolonisaties in Israël, steeds als we weer horen van een nieuwe Joodse kolonie in Palestijns gebied. Het is het misbruik daarvan en de bijbehorende ideologie die bij de grote groep scherpslijpers in Israël nog altijd leidend is. Dit is dus ook niet zozeer een naïeve opvatting maar een egoïstisch, zelfzuchtig en racistisch idee. Qua ontstaansgrond misschien begrijpelijk vanuit de geschiedenis, maar daarmee beslist niet te rechtvaardigen.
      Ieder volk telt, maar het geciteerde zionistische idee gaat alleen van een vermeend eigenbelang uit, en op basis daarvan het zoeken naar de noodzakelijk bijbehorende ondersteunende militaire grootmacht. Waarbij je momenteel natuurlijk denkt aan de Verenigde Staten, en wat betreft de periode van rond de Tweede Wereldoorlog vooral aan Groot-Brittannië.

In Palestina woonden voor, tijdens en na de oprichting van de staat Israël (in 1948) een aanvankelijk vrij kleine minderheid van Joden en een overgrote meerderheid van Arabieren. Onder deze Palestijnen bestonden weer meerdere bevolkingsgroepen, religies en tradities.
    Naast de verschillende directe oorlogen, waarin de Israëli’s ruimschoots door het westen van wapens werd voorzien, bestond en bestaat de bejegening van de Palestijnen vooral uit wegjagen, treiteren en moorden. Waarbij de Palestijnse grond, de landerijen en de tuinen verpest werden en vervolgens ingepikt. Door er nieuwe exclusief Joodse kolonies te vestigen.

Hoe de definitieve oplossing van het Palestina-conflict ook zal zijn, als die een echte rechtvaardigheid wil benaderen, moeten de Palestijnen ‘de helft’ van hun grond en democratische machtsposities terugkrijgen. Nou ja, de helft, ik bedoel dit niet als laatste exacte afweging, maar als richtinggevend, misschien moet het wel meer dan de helft zijn.
      Het gaat om het land, het leven, de waarden en de toekomst, met als achtergrond de herinnering aan de vele doden, die voor hun soms kleine stukjes land moesten strijden tegen een grote overmacht.
    Dit perspectief kan alleen wat betekenen wanneer de Israëli’s echte humane waarden zouden willen laten gelden. En wanneer de wereld – de grote en de kleine machten –, in hun politiek niet hun (vermeende) eigenbelang, maar dat van de Palestijnen zouden laten prevaleren. Alle machten tellen hierin mee, ook de relatief kleine macht van de Nederlandse politiek en economie. Niemand kan wegkijken goedpraten.

Het wegpesten van Palestijnen en de kolonisaties gaan nog steeds door. Het Palestijns grondgebied is danig verkleind en de resten schrompelen stukje bij beetje verder in. De website The Rights Forum Nieuwsoverzicht van 22 september jl. besteedt hier ‘voor de zoveelste keer’ aandacht aan. Voor de zoveelste keer, omdat het nodig is de pesterij en het geweld te blijven noemen en daar hardop tegenin te gaan.
      In dat artikel worden tweets aangehaald van de Palestijnse Unie van Landbouwkundige Werkcomités, die gaan over het Palestijnse dorp Qaryut. In dit dorp zijn gewassen en landbouwgronden vernield doordat er onbehandeld rioolwater vanuit omliggende illegale Joodse kolonies het dorp is ingestroomd. Met opzet dus. En bij het dorp Burin zijn door Joodse kolonisten landbouwgrond en een groot aantal olijfbomen in brand gezet.

De vernietiging van vruchtbaar areaal van Palestijnen wordt systematisch ondersteund door Israëlische instanties. Soms spreekt men trots over tienduizenden bomen die door Palestijnen waren geplant en door Joodse kolonisten ontworteld zijn. Het leger speelt dan een andere destructieve rol: het in beslag nemen van honderden landbouwmachines van Palestijnen.
    De strijd om de macht, onderdak, levensonderhoud, cultuur en de waardigheid van de bewoners gaan samen met de strijd om de grond. De zionistische ideologie heeft dat goed gezien, maar het is hoe dan ook totaal in strijd met de menswaardigheid, de mensenrechten van de Palestijnse bevolking, en meer nog, ook in strijd met de belangen van de mensheid als geheel.

Dat laatste brengt ons bij andere geluiden uit de geschiedenis. Terwijl in de Tweede Wereldoorlog de zionisten steun wierven in de Verenigde Staten sprak Albert Einstein een wijzer woord: ‘Ik zou liever hebben dat wij een redelijk akkoord met de Arabieren sluiten waarin wij stellen dat wij vreedzaam naast elkaar willen leven dan dat wij een Joodse staat zouden stichten …’ (Citaat ontleend aan Catherine)
    Als naar hem geluisterd was had dit vele duizenden mensenlevens kunnen sparen. Niet alleen in Palestina, maar ook in het hele Midden-Oosten met zijn uiteen waaierende gewelddadige conflicten, die voor een deel hun oorzaak vinden in de restanten van de koloniale cultuur. Als het gaat om de kwestie Palestina moeten stemmen als die van Einstein, desnoods tegen alle verdrukking in, blijven klinken. De moed behouden en terugwinnen, solidair blijven ook waar het heel moeilijk is.
    Dat geldt ook voor Nederland, dat keer op keer weigert resoluut te zijn over de grove mensenrechtenschendingen wanneer het een schijnbaar vrije en democratische staat betreft. Het lijkt alsof de regering zich keer op keer als een klein kind laat beetnemen door een paar mooie woorden, maar ook Nederland maskeert door die houding de moedwillige schendingen. Hier bestaat een onvermijdbare verantwoordelijkheid.
    Rechtvaardig en vrij? Geef de Palestijnen met hun grond hun waardigheid terug.




Voor ‘The Rights Forum Nieuwsoverzicht’ zie https://rightsforum.org/

Bijzonder informatief boek: Lucas Catherine, Palestina, De laatste kolonie? Uitgeverij EPO, Berchem 2002.
De citaten van Jabotinsky en Einstein vind je op de pagina’s 7 en 74.
Er is een herziene uitgave van 2017, Palestina, Geschiedenis van een kolonisatie. Ook verschenen bij Uitgeverij EPO.









 






zaterdag 15 mei 2021

Samenlevingsopbouw, de betutteling voorbij

 

Vroeger had je overal in Nederland het opbouwwerk, met aan het roer de opbouwwerker. Een duizendpoot moest’ie zijn. Je had er ook opleidingen voor, zoals afstudeervarianten in het ‘sociaal-cultureel werk’.
      Deze duizendpoot lijkt in veel plaatsen na zijn pensioen niet meer opgevolgd, maar vergis je niet, de functie bestaat in openlijke en meer beschaamde vorm. Namen waarin opbouwwerkers voortleven zijn bijvoorbeeld: buurtwerker, bewonersondersteuner, bemiddelaar, participatiedeskundige, wijkregisseur, wijkcoördinator en de Engelstalige varianten waarin de wijk de community is, zeg maar, de gemeenschap of buurtgemeenschap. En er zijn natuurlijk koppelingen in naamgeving mogelijk en benoemd tussen de wijk, de gemeente, de zorg, de verbouwingen van de buurt, stadsvernieuwing, enzovoort. Dat betekent ook dat de min of meer onafhankelijke positie van de opbouwwerker kan verschillen, openlijk of meer indirect.

Een sluitende benaming blijft lastig, juist doordat het veelal ging (gaat) om echte duizendpoten, mensen met initiatief, met inzicht, met een verhaal dat verteld kon worden en zoveel respect afdwong dat er ook geluisterd werd. En die vooral ook zelf konden luisteren en adequate reacties konden geven. Zo’n functie kan op verschillende manieren uitgedrukt worden.
    Maar bij de rigide neoliberale politiek door de regering(en) en de transities in zorg en welzijn stond vaak in de gemeente direct het opbouwwerk, of ‘de samenlevingsopbouw’ onder druk. Al in de democratiseringsbewegingen van zeventiger en tachtiger jaren speelden dergelijke bezuinigingen, en de restanten werden bij de rigide stopzetting van de Vogelaar-Wijkaanpak in ca. 2011 verder afgebroken. Waarna vervolgens in de zogeheten transities in de zorg nog een vervolgstap werd gedaan en veel van de sociale wijkwerk overgelaten werd aan de (zogenaamde) zelf verantwoordelijke wijkbewoner.
      Of simpeler gezegd. De wijk, de sociale gemeenschap moest haar eigen boontjes maar doppen. De uitvoering van de samenlevingsopbouw werd ‘over de schutting’ gekieperd. De burger centraal? Dat kan helaas ook leiden tot veel eenzaamheid en gebrek. Hoe men ook probeert dat weg te praten in beleidsnota’s en fraaie woorden in verkiezingsprogramma’s.

Wat nu echter nodig is, is bezinning wat er nu eigenlijk verdwenen is en wat ervan terug zou moeten komen. Dan is het goed toch weer eens naar de rol van de opbouwwerker te kijken. De invulling van zijn taken verschilde in de praktijk per locatie enorm, en bij die verschillen zijn ook verschillende beoordelingen en waarderingen mogelijk.
    Zo had je opbouwwerkers die bewoners het initiatief uit handen namen en bij gemeente soms het woord voerden in plaats van dat over te laten aan de wijkbewoners en gebruikers zelf. De betuttelende variant.
    Zo had je ook opbouwwerkers die alle initiatief en uitvoering bij bewoners legden, en zichtzelf dus in feite overbodig maakten. Dit kan trouwens verschillend worden gewaardeerd: als met enige distantie de bewoners en gebruikers zelf met hun vragen aan de slag gaan, kan dit goed werken, maar ook een te zware opgave vormen.
    Daar tussenin staan werkers die communicatief sterk waren, bewoners steunden waar dat gewild en gewenst was, bewoners schoolden, en die in hun rollen ‘dynamisch’, op meerdere wijzen actief waren.

Zo’n laatste functie is nog altijd heel waardevol. De werker, die zijn rol professioneel invult, moet zijn plek kennen, en deze op basis van wijkbehoefte invullen en uitwerken. Er liggen kasten vol evaluaties over projecten waarin alle mogelijke ‘do’s en don’ts’ naar voren komen. Opbouwwerk kan het samenleven in de wijk versterken zonder te betuttelen. Het vergt weer het oppakken van draden van het verleden, maar dan wél volledig toegesneden op het heden. En niet alleen doen, maar ook laten, de momenten leren kennen.

Dit pleidooi bedoelt niet – nu neoliberale bezuinigingen terecht aan veel kritiek bloot staan – het verleden weer klakkeloos op te tuigen. Vroeger was niet alles beter. Maar er zijn zoveel velden van welzijn en zorg – denk aan de wijkgezondheidszorg, het jeugdwerk en de jeugdzorg in de wijk, en participatieprojecten – waar mensen die echt kunnen verbinden enorm gewenst zijn. En dan is facilitering en scholing soms bijkomstig, maar vaak veel meer dan dat. Daarom moeten er weer voldoende middelen beschikbaar komen voor het sociale werk in steden, dorpen, wijken en buurten.

Vaste werkmodellen zijn meestal niet nodig. Kies liever brede vormen van uitwisseling van leermomenten. Een wijk, bewoners en werkers die eens op bezoek gaan elders kunnen veel opsteken dat voor de eigen behoeften van belang is. Dat soort dingen zijn in feite oude methoden, maar als de mensen van nu dit goed invullen, hun ogen de kost geven en er veel directe contacten zijn, is er niets gedateerds aan.

Samenlevingsopbouw, misschien is het wel een verouderde term, maar wat zou het. Het gaat erom in steden, dorpen, wijken en buurten inderdaad samenlevingsvormen op te bouwen. Bouwen, metselaars gezocht, leren stevige cohesie te krijgen zonder betutteling. De kritische dingen aanpakken, de leuke vormen omhelzen en buurten mogen vrolijk van elkaar afkijken.
      Wijken en buurten hebben daarvoor vaak momenten van steun nodig, en actieve personen. Dat is niet erg, zolang de vragen herkend en stevig opgepakt worden en aan de goede contacten wordt vastgehouden.













dinsdag 11 mei 2021

Een heel goede vraag


In zijn boek met gebundelde weblogs ‘De andere kant’ stelt José Saramago de vraag: ‘Hoe ziet iets eruit wanneer je er niet naar kijkt?’ (pag. 53)
      Als je niet uitkijkt stroomt je hoofd nu vol met antwoorden. Net zoals altijd? Alsof je weet hoe iets er altijd uitziet. De vraag is politiek, sociologisch en nog een heleboel meer. Bij Saramago is het ook een appèl voor denken en actie. Over de werkelijkheid? Voor of tegen wat?

Het is een filosofische vraag. De kennistheorie veronderstelt meestal de waarneming, maar juist die valt weg bij deze vraag. Of de geschiedenis van de waarneming. Maar zelfs de alledaagse geschiedenis is een tocht met vele fouten en beperkingen.
    Het is een politieke vraag, dat is in Coronatijd wel zeker, want als je niet kijkt is het er nog sterker, getuige de vele meningen in kranten en op de sociale media. De complotdenker weet het wel, denkt hij, maar de vraag gaat toch niet over denken, maar meer over weten? En je weet het juist niet. Want in de moeilijk te beoordelen gedeelde halve waarheden zit nog steeds ergens de waarheid verpakt. Gaat de vraag gaat niet vooral over het relationele, meer dan over relativisme?
    De andere kant van de werkelijkheid heeft evenveel mogelijkheden voor waarheden en onwaarheden als wat je gewoon ziet. Als je erover nadenkt. Als je er mee speelt. Als je stopt het verder in te vullen. Of juist als je het invult en daar nog eens goed over nadenkt. Al is dat ‘iets’ in de vraag dan zo foetsie.

Het is een buitengewoon intrigerende vraag. Geen einde, maar een beginnetje. Kritisch, maar misschien nog meer dan dat. Vanzelfsprekendheden aan de orde gesteld. Denken over denken, en dan mét het halve antwoord dat denken constructie inhoudt en daar ruimte voor moet bestaan.
      En ook sociaal. Het ‘iets’ is ook de ander, de ethiek, de honger, het geweld, de maatschappij, de zorg, de politiek, de wereld buiten jezelf die slecht gekend toch begrepen moet worden. Het gaat niet alleen om de filosofische twijfel. Het andere, de ander en de vele anderen vragen om meer dan twijfel of de wirwarren van de luide dagelijkse meningen en de echo’s daar weer van.
      De slecht gekende werkelijkheid vraagt ondanks alles om actie. Er bestaat meer dan reflectie. Echt leren kijken en handelen bijvoorbeeld.