woensdag 4 maart 2020

Marx’ idee de wereld te veranderen


In zijn jonge jaren schreef Karl Marx enkele aantekeningen waarin hij dóórdacht over Ludwig Feuerbachs filosofie en wat daaraan mankeerde. Marx heeft weliswaar veel waardering voor Feuerbachs fundamentele religiekritiek en zijn vernieuwing van de filosofie, maar zijn ideeën zijn onvoldoende filosofisch sluitend en vooral te weinig praktisch. Kort en treffend formuleert Marx een revolutionaire kritiek in elf stellingen. Deze worden na zijn dood door Friedrich Engels gepubliceerd.
      De elfde hiervan is beroemd en duidt op een onlosmakelijke eenheid van praktijk en theorie.

In drie vrij uitgebreide blogs – je moet er even goed voor gaan zitten – volgen hier drie reflecties over, achtereenvolgens:
1 – De verstrekkende filosofische visie achter Marx’ ‘Elfde these over Feuerbach’.
2 – Aspecten van ‘Verandering’ in de huidige politieke discussie: ‘Wat nu te doen?’
3 – Filosofie, biodiversiteit en de eenheid van de natuur en wetenschap.


Hieronder de eerste blog. Deze ‘overwegingen’ bij Marx’ ‘Elfde Feuerbachthese’  zijn eerder verschenen in Jasper Schaaf, Godsdienstkritiek, respect en actieve tolerantie, Feuerbach herlezen, Uitgeverij Damon 2010. Als bijlage in dit boek op pp. 133-138, met een vrij uitgebreid notenapparaat, dat hier achterwege blijft, op pp. 147-148.



Twintig overwegingen bij Marx’ elfde Feuerbachthese


De filosofen hebben de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd; het komt erop aan haar te veranderen.

Karl Marx


1 – Revolutionaire omwenteling van de maatschappelijke verhoudingen is noodzakelijk. Uitbuiting, armoede en onderdrukking vragen hierom. Marx accentueert de politieke praktijk.

2 – In de ‘Praxis’, in de praktijk van de inspanning veranderingen teweeg te brengen, komt de waarheid omtrent de werkelijkheid en over de mens meer en meer aan het licht. Grenzen van waarheid en onwaarheid worden zichtbaar. Grenzen worden vervolgens opgeheven. Oneindige beweging van leven en van verkenning van de werkelijkheid. Het accent op de politieke praktijk is dus zowel praktisch als theoretisch van vérstrekkende betekenis.

3 – De waarheid komt vooral aan het licht tijdens en na het veranderingsproces. Wat vooraf koffiedikkijkerij was, is erna waarheid of onwaarheid. Handelen en waarheid staan in één verband. Na het kritisch verder ontwikkelde denken vanaf Hegel en Feuerbach kan de mens deze eenheid reflectief doorgronden en wint hij aan zelfkennis. Hierbij begrijpt hij zichzelf als denkend en handelend, en als afhankelijk van de materiële werkelijkheid. Deze eenheid is nu de welbewuste eenheid van de mens in de werkelijkheid die hij omvormt tot zijn wereld.

4 – Deze welbewuste eenheid, een stap op weg naar opheffing van de vervreemding van de mens, is niet direct een publiek, massaal begrepen zelfbewustzijn. Het is eerder nog een abstract (theoretisch) begin, hoe concreet deze ook gedacht en beschreven wordt door de theoreticus. Het ingrijpen, het revolutionair veranderingsproces moet nog altijd worden voltrokken om het menselijk begrip tot begrip van de mensheid te laten uitgroeien.
    Met andere woorden, vervreemding kan niet direct worden opgeheven. Een lang maatschappelijk proces van omvorming kan mogelijkheden creëren om blokkades die tot vervreemding leiden, op te heffen.

5 – In het actieve handelen, gebed in het totale levensproces van de mensheid, ontstaat steeds differentiatie. Het differente, het bijzondere is er niet zomaar, maar moet steeds weer ontstaan. Bij de groei van materiële mogelijkheden en een groei van het zelfbewustzijn kan de persoonlijkheid zich vormen, zich onderscheiden binnen het grotere geheel van de samenleving. De individualiteit, de persoonlijkheid is een historische verworvenheid.

6 – Marx zet de filosofen met beide benen op de grond. Ga deelnemen aan het veranderingsproces, zet je in voor concrete verbetering. Concreet betekent dit strijd tegen de uitbuiting van de arbeider en de koloniale onderdrukking van volkeren. De productieve arbeid is op zich al het veranderen van de wereld. De vervreemding van de arbeid moet daarom ook worden opgeheven.

7 – Met beide benen op de grond, jawel. Toch veronderstelt deze op de wereld gerichte actie juist een hoger theoretisch reflectieniveau en wordt het denken erdoor gestimuleerd.

8 – De elfde stelling houdt verband met de andere tien, waarin Marx (onder meer) de positie van Feuerbach onder de loep neemt. Een (zuiver) afstandelijke beschouwing van de verandering houdt een nog onopgeloste tegenstrijdigheid in, omdat daarin de menselijke activiteit (praxis) zelf niet voldoende als eenheid van subjectiviteit en objectief ingrijpende activiteit begrepen kan worden. Vanuit een observatiepunt buiten het veranderingsproces kan men niet ten volle die verandering begrijpen, zeker niet direct. Doorbreek de afstand van het maatschappelijk gewoel. Deelnemen!

9 – Deelnemen aan de verandering, midden in de beweging staan, houdt ook theorievorming in voor de welbewust denkende activist, arbeider of filosoof. De veranderende wereld impliceert permanente grensverlegging van de kennis. Steeds ontstaan weer confrontaties met vele nieuwe gebeurtenissen, feiten, meningen en reflecties. Deelnemen houdt daarom een creatieve kennisontwikkeling in. Praktijk en theorie zijn inniger verbonden dan tevoren. En zo vermag het denken heel wat.

10 – De omgekeerde weg: creatieve abstrahering. Nieuwe kennis moet ook een – tijdelijk – welbewust nieuw afstand-nemen inhouden. Kennis moet worden verwerkt, actief denkend tot theorie worden omgevormd, doorgrond, geformuleerd, getoetst en geherformuleerd. De innige band, de wisselwerking van praktijk en theorie moet echter steeds worden bewaard, steeds worden hervonden. Permanente herontdekking.

11 – Praktijk en theorie in het veranderingsproces houden een welbewuste disciplinering in. Deelnemen aan de beweging is deelnemen met anderen. Dit betekent een zekere disciplinering binnen een groepsproces, een collectief proces. En uit de consequenties van de actieve deelname theoretische gevolgtrekkingen maken, houdt actief denken in, disciplinering van de geest. Oude opvattingen moeten aan de hand van de praktijk en de theoretische ontwikkeling worden opgeheven, op een hoger, een meer waar niveau worden ontwikkeld. Een meer waar niveau, de hoogst bereikbare waarheid binnen de voorhanden en zich ontwikkelende verhoudingen.

12 – Wanneer meer waarheid verkregen kan worden in en aan de hand van het veranderingsproces van de maatschappij, wordt duidelijk dat Marx’ these een weerspiegelingsopvatting, een weerspiegelingstheorie veronderstelt. Afstandelijke reflectie, hoe waar ook, wordt opgeheven, wordt ontwikkeld tot een reflectie met een inniger band met de werkelijkheid. Die werkelijkheid bepaalt de kennisontwikkeling. Waarheid wordt in een actief creatief, in een niet vanzelfsprekend proces ontwikkeld vanuit de werkelijkheid. Zo wordt de werkelijkheid in het praktisch handelen door de mensheid onvermijdelijk gekend en onderkend, en neemt de theorie tegelijk onvermijdelijk afstand om de moeilijke waarheid nader te onderzoeken. Bovendien dienen wetenschap en filosofie de noodzakelijke band met de werkelijkheid steeds weer te herstellen. Ook zo bestaat de dialectiek.
      Juist in dat licht is Marx’ these zo kritisch ten aanzien van filosofen die de laatstgenoemde stap (kennisontwikkeling als eenheid met maatschappelijk handelen) miskennen. Hun waarheid lijkt ‘hoger’ te zijn, maar is dat niet. Een eenzijdig-afstandelijke filosofie kan nooit (blijvend) op een grondige, welbewuste manier de werkelijkheid weerspiegelen, ook al houdt het filosoferen zelf distantie, de abstraherende beweging in.

13 – Aldus leert de mens de werkelijkheid én daarmee zichzelf echt kennen, hoe beperkt in de praktijk misschien nog. Dat zegt iets over de zintuiglijkheid van de mens. De mens moet zintuigen hebben om een vorm van weerspiegeling te vinden, die op haar beurt essentieel is om te kunnen bestaan. Zonder een vorm van redelijk adequate (wederzijdse) afstemming van leven en materiële wereld, kan een levensvorm er niet zijn. Weerspiegelingsprocessen – waaronder kennis als weerspiegeling en bijvoorbeeld óók het handelen als reactie op de werkelijkheid – vormen een noodzakelijke basis van elke materialistische filosofie die de handelende en denkende mens als specifiek leven erkent. Weerspiegeling is daarmee een ontologisch-kentheoretische categorie.
    De dialectische filosofie die de zintuiglijkheid van de mens erkent, ontkent geenszins de noodzaak tot verder denken. Ook abstract denken is noodzakelijk om de werkelijkheid denkend te leren beheersen, te begrijpen.
    Deze erkenning van de zintuiglijkheid laat onverlet Marx’ vijfde these over Feuerbach, waarin hij stelt dat de zintuiglijkheid als praktische, menselijk-zintuiglijke activiteit moet worden begrepen. Erkenning van zintuiglijkheid hoeft niet het standpunt van de afstandelijke beschouwing in te houden, dus geen scheiding van subject en object.

14 – In de erkenning van de zintuiglijkheid bij Marx is, anders dan bij Feuerbach, de praktijk als ‘Tätigkeit’ inbegrepen, als deel van een omvangrijk veranderingsproces waarin de mens zich bevindt, het initiatief moet nemen en dus kennis van de werkelijkheid nodig heeft.

15 – De elfde these, Marx’ politieke stelling, impliceert niet slechts een kentheoretische en ‘metafysische’ opvatting (zie de hierboven genoemde dertiende overweging). Hij legt er een fundament mee van het historisch materialisme en van de sociologie als wetenschap, die zich bewust zijn van hun (letterlijk) ingrijpend karakter en de noodzaak onderkennen van verdere reflectie op dat ingrijpen. Dit historisch materialisme is in laatste instantie hetzelfde als Marx’ materialistische dialectiek. Marx reflecteert het praktijk-begrip theoretisch, consequent historisch, inhoudelijk materialistisch en dialectisch. De menselijke ingrijpende activiteit is materieel bepaald – in bepalende zin economisch en sociaal, omdat de mens moet leven –, maar juist door het kritische doelbewuste ingrijpen kan de mens boven zijn maatschappelijk ‘noodlot’ uitstijgen. De mens kan zowel zichzelf leren begrijpen, als ellende, honger en uitbuiting opheffen op een solidaire wijze.

16 – Dit zelfbegrip kan in de eenentwintigste eeuw ook op de verhouding van mens en milieu worden toegepast, ook al viel die verhouding destijds nog buiten de kern van Marx’ reflectie. Immers, het gaat om zelfkennis, waarbij de mens zichzelf als denkend en handelend, en als afhankelijk van de materiële werkelijkheid begrijpt. Dit laatste heeft grote consequenties.

17 – Marx’ thesen impliceren een sociaal mensbeeld. De praktisch-omvormende werkzaamheid is een wezenlijk kenmerk van de mens. Deze werkzaamheid is tevens bepalend voor zijn denken, dat op zijn beurt de wijze van ingrijpen en omvormen beïnvloedt, alsmede de verdere menselijke ontwikkeling. Vanuit de historische gang van zaken is het een gegeven dat de mens moet handelen en zijn werkelijkheid vormgeven. Met andere woorden, de mens moet samen met andere mensen handelen door arbeid te verrichten en met hen economisch verkeer te onderhouden, en moet de wetenschap ontwikkelen om dat te kunnen blijven doen. Het daarmee bereikbare hogere reflectieniveau en grotere vrijheden worden op deze wijze in sterke mate sociaal en economisch bepaald. Op zijn eentje, zonder anderen en zonder deel uit te maken van economische verhoudingen kan de mens niet bestaan en zich niet ontwikkelen.
    Marx’ dialectiek: de mensheid bevindt zich principieel in een veranderingsproces waarin hij zelf geen passieve toeschouwer of alleen maar gedwongen deelnemer is, maar waarin de mens door zijn handelingsmogelijkheden en rationaliteit mede vorm geeft aan dit proces, en mede de sociale en morele uitkomst ervan bepaalt.

18 – Het komt erop aan doelgericht de wereld te veranderen. Alleen in het welbewust praktisch handelen zijn subject en object – als interactieve eenheid op een steeds hoger, ingewikkelder reflectieniveau – in beweging op initiatief van de mens zelf. Immers, beweging bestaat altijd. Zonder de inspanning van het denken en doelgerichte actie is de mens gedoemd passief de maatschappelijke trend te volgen, dus zonder zijn vervreemding op te heffen.

19 – De elfde these betekent dus niet: houd op met denken! Het is geen verklaring van het einde van de filosofie.

20 – De elfde these betekent ook niet, dat de mens ooit op moet houden ingrijpend te handelen wanneer hij een nu nagestreefde verandering ooit heeft voltrokken.


De filosofen hebben de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd; het komt erop aan haar te veranderen.
 



















woensdag 19 februari 2020

Reageren op een blog?


Toen in 2011 deze serie blogs ‘Filosofie, politiek en natuur’ startte is er geen reactieformulier voor de lezer opgenomen.
    Dat was niet zonder reden. Wat nader bestuderen van verschillende blogs en sociale media liet overduidelijk zien dat lang niet alle reacties constructief zijn. En aangezien ik algauw geneigd ben altijd inhoudelijk te reageren en niet permanent de beoordeling wil maken of iets een serieuze reactie verdient, is de directe responsmogelijkheid op de blogs uitgezet.

Dat blijft zo, maar wil niet zeggen dat er niet gereageerd kan worden. Bij het persoonlijk profiel op de blog staat het e-mailadres jasperschaaf@gmail.com. Daar kun je met een mail(tje) reageren.
    Reageren, stellig of vragend, inhoudelijk of meer over de vorm, over meningen en analyses, over geschiedenis en actualiteit, of over een ander verzoek, het kan allemaal.
      Filosofie, politiek en natuur, serieuze mail hierover wordt beantwoord. Van interessante aspecten kunnen nieuwe blogs of een andere uitwerking worden gemaakt.

Reageren kan dus, per mail. Bij deze blogs is dat de weg. Er is geen directe reactiemogelijkheid met een formuliertje, Facebookpagina, Whatsapp of iets dergelijks. Dit kan bovendien betekenen dat de reactie terug ook even op zich laat wachten.
      Voor de ware filosofische bezinning in de vaak zo haastige wereld is dat geen punt.



Volgende keer weer een inhoudelijke blog.

jasperschaaf@gmail.com











zondag 9 februari 2020

Veel plastic op Schier


Dat wat de maag vult maar niet de honger stilt. Rara wat is het?
    Toen ruim een jaar geleden de vrachtgigant MSC Zoe een flink deel van zijn lading, verpakt in 342 zeecontainers verloor voor de kust van onder meer Schiermonnikoog, legden boswachters het uit: Van alle afval zijn vooral de fijne plastickorrels moeilijk allemaal op te ruimen en ze kunnen funest voor vogels zijn.
    Funest voor vogels, want die kunnen de korrels eten, vullen hun maag ermee, maar het is geen eten en verteert niet, dus de vogel kan een langzame hongerdood sterven.

Kleine korrels, grote gevolgen. Wat zijn het eigenlijk voor dingen? Lees de reclame op internet en je vindt een geweldig aanbod aan superieure kwaliteit plastic granulaat. Korrels waarmee je verzwaringsdekens, zitzakken en andere ongetwijfeld heel nuttige (?) producten kunt maken.
    De kleine korrel als halfproduct en als bulk vervoerd. En dus als de verpakking het begeeft is de ramp door dit superieure halfproduct niet te overzien en in ieder geval op Schiermonnikoog lastig op te lossen. Men zegt dat ca. 70% van deze hoogwaardige rommel is opgeruimd is, maar de rest?

Dit doet overigens wel denken aan klein plastic, miniplastics in het algemeen. Dat gooi je zo weg. Geen haan kraait ernaar, maar dat kan die beter maar wel doen, want al dat kruimplastic dat jaren achtereen zich tussen de grassprieten (enz.) verzamelt, wat voor effect heeft dat?
      Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan de kleine stickers die tegenwoordig op fruit geplakt zitten. Toch heel verleidelijk die zo even weg te gooien, als je je appel wilt eten? Worden die stickers verplicht door de Europese Unie? Foute maatregel.

Terug naar Schier. Dat deden mijn partner en ik vorige week ook. Onder meer een wandeling om de westpunt. Hoog opgestuwd water, dus lopen langs de rand. En daar lag het nodige aangespoelde strandmateriaal, resten van kwelderplanten, grassen en de nodige rommel. De vloedlijn. Wie er vaker komt kent het beeld direct.
    Een goeie vraag schoot ons te binnen. Zouden in het aanspoelsel ook Muizenoortjes te vinden zijn? Muizenoortjes (Myosotella myosotis), een longslak met een bruin of paarsbruin hoorntje van maximaal een centimeter groot. Klein, maar best mooi. Je vindt ze eigenlijk alleen als je echt in dat aanspoelsel gaat rondneuzen, aan de wadkant en soms aan de einden van de eilanden. Van dichtbij, want op afstand zie je ze makkelijk over het hoofd.

Dus even turen en woelen in het aanspoelsel. En ze lagen er, de Muizenoortjes, samen met de Wadslakjes (Peringia ulvae), behoorlijk veel Tere dunschaal (Abra tenuis) en misschien ook nog een enkele verweerde Opgezwollen brakwaterhoren (Ecrobia ventrosa).

Leuk dat je bij goed kijken veel ziet. Maar veel minder leuk waren de talloze plastic korrels, die massaal aanwezig bleken, en waarvan we in no time zo een stuk of 40 konden oprapen. Oppervlakkig bezien lijkt het maar een beetje, maar goed kijkend geeft het wadaanspoelsel een ander beeld. Wat liggen er nog veel plastic korrels!
     De boswachters hebben gelijk als ze de gevaren aanduiden. En de lichte plastic korrels zijn nog lang niet verdwenen. Eigenlijk moet iedereen nu maar Muizenoortjes gaan zoeken, ook op plaatsen waar ze niet liggen, en dan alle plastic meenemen, alle beetjes stukje bij beetje. Wat je ook stofzuigert en via andere moderne middelen opruimt, goed kijken en rapen blijft waarschijnlijk nog lang nodig.
    De vraag rijst of dergelijke plastic minikorrels wel nodig zijn, of vooreerst wat praktischer gedacht, hoe ze bij vervoer verpakt zouden moeten worden om ‘olierampen’ te vermijden.

De scharrelende vogels, de Drietenen, Steenlopers en andere, laten die alle plastic liggen? Vogels zijn slim genoeg, maar toch …, wat zetten wij hen voor? Dit kan anders, het kan veel beter! Het is overduidelijk: Dat het de maag vult maar niet de honger stilt.




Op de foto’s (deels onder microscoop) enkele impressies van opgeraapte plastickorrels, afbrekend plastic en plastic draadjes, waarschijnlijk uit de visserij. Daarbij een paar exemplaren Muizenoortje en Tere dunschaal, misschien al wat jaren oud, maar nu vers gevonden op Schiermonnikoog.























maandag 3 februari 2020

Verkeerde verbazing (De Zorg)


In 2016 vonden de grote transities in ‘De Zorg’ plaats. Zorg in brede zin. Jong en oud, gezond en gehandicapt, buurten, instellingen en gemeenten, ieder kreeg er mee te maken. Nieuwe regie, zo nodig oude in nieuwe verpakking, ook daar kregen velen mee te maken.
    En vooral dikke bezuinigingen op alles wat collectief is. Met de marktwerking die, bijvoorbeeld in de psychiatrie, winstgevende interventies aantrekkelijk maakt, maar mensen met grotere, complexe problemen soms volledig buiten spel zet. En de uitspraak dat de jeugd de toekomst heeft? Als je naar de Jeugdzorg kijkt vind je dit wellicht geen aansprekende leuze meer. Wat voor toekomst? Wie het weet mag het zeggen.

In onze rijke maatschappij, je zou je moeten verbazen. Helaas doe ik dat niet zo. Precies zes jaar geleden, in mijn weblog van 3 februari 2014, schreef ik:
    ‘Het hele welzijnsbeleid van de regering lijkt op het over de schutting gooien van verantwoordelijkheden. De jeugdzorg met de nieuwe Jeugdwet, overheveling van AWBZ-taken en de Participatiewet: de gemeenten ‘mogen’ het allemaal gaan doen, maar wel met jaarlijks totaal zo’n 2,5 miljard minder. Daar staat dan zogenaamd een investering van 50 miljoen tegenover. Steeds vaker duikt bij deze ‘discussie’ de term ‘over de schutting’ op. Ik herhaal dit ook maar, ik zet als het ware mijn handtekening tegen de onverantwoordelijke aanpak van VVD en PvdA.’

Aan deze uitspraak zat weinig verrassends. Tal van professionals op de uiteenlopende velden van de sector Zorg en Welzijn waarschuwden voor veel te rigoureuze en overhaaste verandering. Vele gedurfde vernieuwende werkvormen in buurten en wijken werden weliswaar omarmd, maar in wezen slechts op papier, irreëel, abstract en bureaucratisch, want de noodzakelijke bijbehorende middelen werden voor een groot deel opgeheven. Grote opdrachten voor de werkers, maar die stonden steeds meer met lege handen.
      En de gemeenten moesten dit alles maar managen, opeens tot deskundige gebombardeerd. Ook gemeenten die nauwelijks wisten wat er allemaal bij kwam kijken in de tot dat moment meer regionale aanpak.
    Ergerniswekkend. Slecht beleid. Stel liever de zorg weer centraal, de mens en niet de handel, noch de bureaucratie.

Bij het resultaat, de niet-verrassende stand van zaken van nu in de collectieve sector, zie je regelmatig een vreemd fenomeen. Vreemd omdat er groot nieuws wordt gepresenteerd dat in feite allang helemaal geen nieuws meer is. Dan melden kranten, opiniebladen en de tv dat gemeenten nu ontdekt hebben dat de jeugdzorg toch wel heel veel geld kost en dit dus tot grote problemen leidt met de zorg én de lokale begroting. En zie de ouderenzorg. En de verslaafdenzorg. Laat staan de dorpen en wijken die aandacht verdienen. Of er staat dat recent onderzoek aantoont dat er groepen worden vergeten. En dat dit in de toekomst voor nog meer mensen het geval zal zijn. Of dat zorgbedrijven zich vooral richten op ‘laaghangend fruit’, de gevallen waaraan te verdienen valt, en de rest wordt vergeten.

Nieuwe problemen of oude, herkauwde verhalen? Het quasi-verrassende is dat men doet alsof het nieuws is, net ontdekt wordt, niemand dit had zien aankomen, behalve wat zwartkijkers.
      Dat is een valse verbazing. Herhaalde inhoud, het eigenlijk al lang bekende resultaat als het nieuwste nieuws presenteren. Grote krantenkop, morgen weer vergeten. De krant moet gevuld, dus breng je het bestaande en reeds bekende als nieuws.
      De verantwoordelijkheid moet kennelijk afgewenteld worden, daarom wisten we hoegenaamd van niets. Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten niet, al heeft die wél uitvoerig met de regering onderhandeld over de transities. En ingestemd, zelf het verzet opgegeven en maatschappelijk verweer de wind uit de zeilen genomen.

Het oude als nieuws? Als verzet of als acceptatie? Het laatste overheerst als steeds weer het tekort wordt benadrukt, misschien verbetering wordt beloofd, maar de slotzang steeds is dat ‘We het niet kunnen betalen’. ‘We?’ Wie zijn dat?
      Kies liever gelijk voor een echt sociale begroting, met de mens als middelpunt in plaats van de markt. Dat durft of wil men niet. Wel praten over neoliberalisme, maar vervolgens een mist optrekken. ‘Het gaat goed in Nederland’, maar dan worden vooral de economische items genoemd, en zo goed zijn ook die niet.

In mijn ethiekboek over zorg en hulpverlening ‘Dilemma’s en keuzes’ wijd ik een hoofdstuk aan het volgende morele basisprincipe voor management: ‘Stuur nooit als leidinggevende je ondergeschikte op pad met een verkeerde of onmogelijke opdracht.’ Met als ethische uitwerking: ‘Zorg voor voldoende mogelijkheden voor de werkers en het team om hun werk echt goed te kunnen doen en communiceer daarover.’
      En er staat onder meer: ‘Wanneer de oorzaken van een misschien minder goed functioneren liggen in de bestaande beperkte mogelijkheden van het team, worden de problemen niet opgelost door de druk op dat team verder te vergroten. Dan ontstaat het risico van een crisis of ineenstorting van het team.’ Niemand met een onmogelijke opdracht opzadelen, dat geldt voor managers, maar natuurlijk ook voor de opperste leiding bij uitstek, de politiek.

Verbazing kan mooi zijn, maar gespeelde verbazing is wat anders. Dat kan een houding zijn die de werkelijkheid ontkent en problemen onderschat, verdoezelt of de verantwoordelijkheid ervoor wegschuift. ‘Onderzoek heeft uitgewezen dat …’ of ‘Gemeenten komen er achter …’. Ja, maar dat wisten we toch al een aantal jaren?
      Binnenkort moeten er weer verkiezingsprogramma’s worden geschreven. Misschien een goede suggestie om het genoemde ethische principe centraal te stellen. Dan moet de politiek de marktwerking als het leidende principe opgeven, en er moet meer regulering van de arbeidsmarkt komen om het personeel in de zorg goed op te leiden en altijd goed te faciliteren. En zó moeten leidinggevenden hun carrière dienstbaar maken aan het opstellen van sociale, uitvoerbare opdrachten. Bovendien kunnen zij daarbij zelf ook de handen uit de mouwen steken. Herstel de collectieve sector.





Genoemd boek: Dilemma’s en keuzes, Sociale ethiek in de actuele praktijk van welzijn en hulpverlening, Uitgeverij Damon, Budel 2002. ISBN 90 5573 278 8.
Hoofdstuk 16: Open communicatie en de paradox van de misplaatste flinkheid, Ethiek en management, pag. 209-215.