woensdag 5 mei 2021

Joseph Dietzgens eerste artikel, april 1861



Vertaling van Joseph Dietzgen, Schwarz oder Weiss, 1861.

Bron: Joseph Dietzgen, Schwarz oder Weiss, in Josef Dietzgens Gesammelte Schriften, herausgegeben von Eugen Dietzgen, drei Bücher in einem Band, vierte Auflage, Verlag von J.H.W. Dietz Nachf., Berlin 1930. Boek 3, pp. 63-66. Vertaling: Jasper Schaaf, 2021.

Vooraf:
- Deze tekst, waarschijnlijk van april 1861, behelst het slavenvraagstuk in de Verenigde Staten. Het is daarmee op vrijwel hetzelfde moment geschreven als de uitbraak van de al dreigende Amerikaanse Burgeroorlog. Het is het oudste overgeleverde artikel van de leerlooier en filosoof Joseph Dietzgen (1828-1888), echter niet tijdens zijn leven gepubliceerd. Daarna, vanaf 1866, schrijft Dietzgen regelmatig, wat resulteert in ongeveer honderd artikelen en enkele boeken. Kern van zijn analyse is de betekenis van kennistheorie voor de socialistische theorie en praktijk.
- Dietzgen is geïnspireerd door o.m. Ludwig Feuerbach en Karl Marx. Van de laatste kende hij in ieder geval ‘Het communistisch manifest’ (1848) en ‘Bijdrage tot de kritiek op de politieke economie’ (1859). De materialistische benadering en Marx’ visie op de historische verhoudingen van economie en bovenbouw kunnen in dit artikel van Dietzgen meespelen. Daarbij kan het voor onderzoek en discussie een interessante vraag zijn of het ideële en morele aspect voldoende recht wordt gedaan.


Joseph Dietzgen, Zwart of wit, 1861

Tot onze meest wezenlijke staatsaangelegenheden behoort zonder enige twijfel het slavenvraagstuk. Om hierover te beslissen is het niet de pers, niet het denkend verstand, maar het actieve leven, de wetgeving of het slagveld aangewezen. Dat besluit hoort voorgelegd te worden aan het forum van de praktijk, niet aan dat van de theorie. De mening dat de levensvragen van een tijdperk slechts waarachtig gekend hoeven te worden om al spoedig rechtmatig tot een besluit te kunnen komen, stamt uit het geloof, dat de gedachte de wereld heeft geschapen. Het is dat fundamentele misverstand van het menselijk kenvermogen, zich met het idee op te zadelen, dat waarheid en recht het eerste zijn dat we a priori kennen en dat we onze feitelijke verhoudingen aan de hand daarvan kunnen ordenen. De materie, het feit is het primaire, dat a priori gegeven is, met zijn veelzijdige verschijnselen die het verstand nodig heeft om te kunnen generaliseren. Wie deze regel miskent en met zijn rede of zijn verstand van zaken oordeelt over wat voor hem, zoals bijvoorbeeld bij het slavenvraagstuk van de Verenigde Staten, niet als feit, maar als hartstochtelijk belang voorligt, diens oordeel is noodzakelijk niet objectief, maar hartstochtelijk, betrokken. Zulke controversen zijn niets meer dan meer of minder beredeneerde gevoelsuitingen. De hele grote hoop in omloop zijnde gedrukte en ongedrukte redevoeringen over ons thema horen in deze rubriek, zij zijn meestal slechts declamaties, waarvan de hartstocht-vrije, objectieve kennis verloren is gegaan.
      Een goede weergave van de essentie van de argumentatie van beide antagonistische partijen, de pro-slavernij- en de abolitionistenpartij, wordt ons geboden in het voorwoord van het onlangs in New York verschenen werk: Negroes and Negro ‘Slavery’ van J.H. van Evrie:

‘God heeft deze witte mens, indianen en negers precies zo gemaakt, zoals ze werkelijk zijn: verschillende schepsels, verschillende soorten mensen, met verschillende lichamen, verschillend van geest en natuur, precies zoals we het overal om ons heen bij alle andere levensvormen zien. Waarom, of wanneer, of hoe de schepper, in zijn oneindige wijsheid en almachtige kracht, het voor doelmatig hield de dingen zo te ordenen, kunnen we nooit te weten komen, maar we hoeven ook niet meer te weten dan de vaststaande en eeuwige feiten, zoals ze ons gegeven zijn … De vijanden van deze door god gewilde glorieuze vrijheidsordening hebben het dogma of de veronderstelling van één enkele menselijke soort opgesteld, – zodat de neger dezelfde natuur heeft en dan ook natuurlijk het recht heeft op dezelfde vrijheid en op dezelfde rechten als de witte mens – en de regeringen van Europa, die Amerikaanse koloniën bezitten, hebben sedert meer dan een halve eeuw hard samengewerkt om deze tegennatuurlijke aanname op het ongelukkige volk dat zij besturen toe te passen.’

De slavenhouder of zijn advocaat verdedigt dus zijn met smaad overladen institutie door erop te wijzen hoe klaarblijkelijk de neger met zijn zwarte kleur, zijn wollig haar, zijn onintelligent gezicht en incapabel verstand een van het witte ras totaal verschillende creatie is; terwijl zijn tegenstander, de uitbuiter van de witte arbeidskracht, of diens advocaat de oorlog tegen de slavernij met het onmiskenbare feit grondvest, dat de zwarte absoluut zeker een mens is zoals de witte – met dezelfde aard, dezelfde behoeften, bekwaamheden, rechten en vrijheden, dat het aldus niet de kleur is die de mens als mens kenschetst en van de dieren onderscheidt.
    Wijden we aan deze uitspraken een nadere beschouwing die vrij van vooroordelen is, dan zie je dat beide tegenstanders gelijk hebben, ja zelfs dat in deze ogenschijnlijk elkaar tegensprekende beweringen helemaal geen tegenspraak bestaat. De ene zegt niet wat de ander bestrijdt, en de ander bestrijdt niet wat de ene zegt. Als de planter uit Carolina verzekert, dat de neger een andere en zelfs minder capabel mens als de witte is, zal geen fabrikant uit Massachusetts dit ontkennen, terwijl omgekeerd geen slavenhouder de abolitionist tegen zal spreken dat ‘uncles and aunts’ mensen zijn. In de wereld lijkt alles op elkaar en toch is geen druppel water gelijk aan een andere.
    We zien dus: het gaat in deze strijd niet om de woorden die over en weer gewisseld worden. Dat zijn slechts de gebruikelijke schermutselingen die aan het handgemeen gewoonlijk voorafgaan. De eigenlijke zaak waar de strijd om draait sluimert in de diepgaand uiteenlopende belangen van beide partijen.
    De slavenarbeid verhoudt zich tot de vrije arbeid, zoals het middeleeuwse gildeambacht zich tot de moderne industrie verhoudt. De op slavernij gebaseerde zwarte arbeid is kostbaarder, minder productief als de vrije witte, en daarom ook in de zuidelijke delen van de Verenigde Staten niet langer houdbaar, wanneer men daar door middel van politiek overwicht een lager toltarief geniet, die het technisch verder voortgeschreden buitenland – met name Engeland – bevoordeelt. Want dat gaat ten koste van de binnenlandse industriële ontwikkeling, namelijk die in de noordelijke staten. Niet ten onrechte zegt men, dat het met de neger meer naar tevredenheid, lichter, zorgelozer en beter is gesteld, dan met de witte arbeider van het noorden; net zoals in feodale tijden de sociale positie van de lijfeigen boeren meer naar tevredenheid, zorgelozer en lichter was als die van de moderne landarbeider. Wanneer men de woordvoerders van de slavernij de ellende van de vrije arbeidskracht met de gewaarborgde toestand van de aangekochte negers hoort vergelijken, gelooft men haast naar een Franse socialist te luisteren. Net als bij de Europese aristocraat, bevalt het ook de zuidelijke planter om met de ‘proletarische bedelzak als vlag in de hand te zwaaien, om het volk achter zich te verzamelen.’ (1) De met vrije arbeidskracht producerende bourgeois is voor beiden een gehate representant van een opkomende klasse.

‘De sociale toestand van Engeland’, schrijft G. Fitzhugh uit Virginia in De Bow’s Review, april 1861, ‘zou oneindig verbeterd zijn, wanneer de geringere arbeidersklasse slaven waren. Meesters zijn dan altijd aanwezig en oneindig humaner dan de opzichters van de huizen van de armen. De hele last van de maatschappij drukt op de zwakke, behoeftige en onwetende arbeidersklasse. Zij wordt zowel vanwege haar capaciteiten als door het kapitaal uitgebuit. De arbeiders zijn niet alleen de slaven van de grondbezitters, maar ook de slaven van de pachters, de geleerde beroepen, kooplui, kunstenaars en handwerkers, kortom, zij zijn de slaven van diegenen, die een hogere maatschappelijke rang innemen. Kapitaal en bekwaamheden zijn verenigd tot uitbuiting, tot het belasten en uitzuigen van de gewone arbeid tot op een minimum, dat voor het behoud van de menselijke existentie nauwelijks toereikend is. Onze slavernij daarentegen verlost het uitschot van de maatschappij, de gewone arbeiders, helemaal van de druk die anders op hen rust. Een zwarte slaaf is onder zijn witte meester het gelukkigste schepsel van de wereld, de witte slaaf daarentegen zonder gebieder de ellendigste, miserabelste en ongelukkigste van alle creaturen. Het is een feit, dat de slaven van het zuiden gelukkig zijn – niet melancholisch, niet ontevreden en levensmoe; de zelfmoord is hen onbekend, omdat zij van het heden niet te lijden en voor de toekomst niet te zorgen hebben. De hele moeilijkheid van de slavernij bestaat uit de vraag of zij de beste vorm van arbeid is voor de heersende klasse.’

Jawel! Deze slotzin van de man uit Virginia bevat de kern van de noot, die gekraakt moet worden. Het gaat er niet om, of de witte of zwarte vorm van de arbeid de meest humane is. Anders zouden wij wel voor de laatstgenoemde kiezen en daarbij stuitende onmenslijkheden via de juridische weg uit de weg ruimen. Het gaat erom of de belangen van de heersende klassen van het zuiden, de planters, of daarentegen de belangen van de bazen van het noorden, de ‘bosses’, de bourgeois, tot gelding gebracht zullen worden. Het einddoel van beide is de uitbuiting. In overweging echter dat de overwinning van de bourgeois de productiekracht zonder meer groter maakt, in overweging dat de vrije arbeid productiever is, grotere rijkdommen schept, spreken we ons oordeel uit tegen de slavernij. Lang leve de agitatie!


---------------
(1) Hier lijkt sprake van een citaat, waarvan Dietzgen echter geen bron noemt.


Vertaling Jasper Schaaf, 5 mei 2021

 




Joseph Dietzgen (1828-1888)










zaterdag 1 mei 2021

Joseph Dietzgen, de eerste mei en Amerikaanse politiek

 
Deze blog is een aanloop naar de volgende weblog, waarin ik een vrijwel onbekende tekst van de arbeidersfilosoof Joseph Dietzgen (1828-1888) in vertaling zal presenteren. Dietzgen is tegenwoordig geen bekend filosoof meer, dus een beknopte introductie – deels herhaling van een oudere blog – kan geen kwaad. Bovendien speelde Dietzgen – zonder het zelf te weten – een actieve rol bij het ontstaan van ‘1 mei’, de wereldwijde nog altijd bestaande 1-mei-viering. Destijds georganiseerd voor de strijd voor arbeidstijdverkorting, wat nog heel actueel is gezien de positie van de arbeid, de uitbuiting en de werkomstandigheden in de huidige samenleving.
    Dietzgen, leerlooier uit Duitsland, emigreerde één keer naar Rusland en drie keer naar de Verenigde Staten. In de VS volgde hij nauwlettend de politiek, en was ook actief onder de Duitse emigranten in dat land. De tekst die in de volgende blog geïntroduceerd gaat worden gaat daar ook over, over de dreigende Amerikaanse Burgeroorlog, over de slavernij en de door zwarte arbeiders verrichte arbeid. Dietzgen spreekt zich uit tegen de slavernij, maar vindt de argumenten die voor dit standpunt vaak genoemd worden ontoereikend. Daarover gaat ‘Zwart of wit’.

Dietzgen is autodidact, leerlooier en verdiept zich van jongs af aan in de filosofie. Wanneer hij persoonlijk met Marx kennismaakt, vanaf 1867, ontstaat tussen hen een briefwisseling en vriendschap. Op een congres van de Eerste Internationale stelt Marx Dietzgen voor als ‘onze filosoof’. Daarom wordt Dietzgen vaak ‘de arbeidersfilosoof’ genoemd. Voor Dietzgen is Marx’ werk, met name ‘Das Kapital’ een inspiratiebron, maar ook de theorie van anderen, zoals van Ludwig Feuerbach, speelt mee.
    Van sommige vroegere socialisten kun je veel leren. Dietzgen is iemand die de uitspraak uit het ‘Het communistisch manifest’: ‘Proletariërs van alle landen, verenig je!’ consequent probeert toe te passen. Zelf vooral geïnspireerd door Marx’ visie, werkt hij met andere richtingen samen wanneer de klassenstrijd en met name de strijd voor de achturendag dat noodzakelijk maakt. Dietzgen bewijst dat je kunt samenwerken en tegelijk je eigen principes hoog kunt houden en kunt uitdragen. Ook als de druk groot is.

In 1884 besloot hij voor de derde en laatste keer te emigreren naar de Verenigde Staten. Hij woont dan tot 1886 in Hoboken bij New York en daarna in Chicago. Met de leiding van de Amerikaanse socialistische arbeiderspartij, veelal geëmigreerde Duitse arbeiders, botst het keer op keer. Tegenover hen verdedigt Dietzgen een revolutionaire marxistische koers. Maar Dietzgen ziet bij deze emigranten een nogal beginselloos socialisme, dat vooral de schijn ophoudt van een actieve socialistische partij.

Korte tijd nadat Dietzgen in Chicago is komen wonen, worden hier grote demonstraties georganiseerd voor de achturendag en tegen politierepressie. Deze zijn georganiseerd door de vooral anarchistisch-socialistische en syndicalistische arbeidersbeweging. Op 4 mei 1886 wordt tijdens de bijeenkomst een bom gegooid. Daarna opent de politie het vuur en arresteert vervolgens verschillende arbeidersleiders en redactieleden van de arbeiderskranten. Van de kranten dus die op dat moment zo hard nodig zijn voor de acties. De kranten spelen immers een grote rol in de politieke agitatie.
    Acht arbeidersleiders, waaronder Albert Parsons en August Spies, komen voor het gerecht. Er wordt geen bewijs van schuld geleverd, maar toch worden zeven van de acht ter dood veroordeeld. Twee van hen zien hun vonnis veranderd in levenslang. Een van de ter dood veroordeelden sterft in zijn cel. Vier anderen worden daadwerkelijk opgehangen.

Wanneer tijdens de hitte van deze strijd de arbeidersbeweging en de arbeiderspers in Chicago door de massale arrestaties van haar leiding zijn beroofd, stelt Dietzgen aan drie anarchistisch georiënteerde kranten voor de redactie op zich te nemen. Hij doet dit in het volle besef dat zijn eigen marxistische opvattingen verschillen van de ideeën van de gearresteerde arbeiders. Toch aarzelt hij geen moment in deze bres in de arbeidersbeweging te springen, ook al is hij normaal gesproken zelf meer met filosofie bezig, dan met de dagelijkse materiële strijd.
    Deze daad van Dietzgen getuigt van moed en wordt door de politie met openlijke repressie tegen zijn gezin beantwoord. Maar ook leidt deze daad tot enige discussie, omdat Dietzgen bij de verdediging van zijn tactiek sommige verschillen tussen de marxistische visie en anarchistische ideeën naar de achtergrond schuift. Daardoor lijkt zijn eigen stellingname in het geding lijkt te komen. Maar hij is resoluut, verzaakt niet in de strijd en wordt hierin gesteund door zijn vriend Friedrich Adolph Sorge, de socialist die jarenlang nauw met Marx en Engels bevriend was.
    Deze Sorge speelt een bijzondere rol in de geschiedenis van de arbeidersbeweging, met name in Amerika. Marx gaf hem de leiding van de Eerste Internationale, toen het bestuur daarvan naar de Verenigde Staten verhuisde, na zijn conflicten met Michael Bakoenin. Sorge staat vierkant achter Dietzgen op dit moment van de klassenstrijd, terwijl Friedrich Engels aanvankelijk Dietzgen wel ver vindt gaan. Sorge en Dietzgen blijven dicht bij de strijdende arbeiders in de Verenigde Staten staan. Zij dienen het algemeen socialistisch belang, zoals dit op dat moment speelt.

Van hun kant verdedigen redactieleden van de anarchistische bladen Dietzgen tot aan zijn dood. Dit wordt vooral duidelijk wanneer Dietzgen wordt aangevallen door Johann Most. Deze Most, ook een Duitse Amerikaan, was overgegaan van de sociaal-democratie naar het anarchisme. De redactie van de anarchistische ‘Chicagoer Arbeiter-Zeitung’ schrijft dan: ‘Maar wanneer de heer Most of zijn vrienden op zo’n manier argumenteren, dan willen wij hen tenminste erop wijzen, dat de heer Dietzgen al voor het socialisme streed en leed, toen de heer Most nog in zijn wieg lag. De heer Dietzgen heeft voor de zaak van de arbeiders de afgelopen veertig jaar minstens evenveel en waarschijnlijk nog veel meer gedaan dan de heer Most, met dit verschil, dat de heer Dietzgen zelfs zijn beste vrienden niets daarover vertelt.’

Joseph Dietzgen sterft op 15 april 1888. Hij wordt begraven op een ereplekje, naast het monument voor de vermoorde arbeidersleiders, de zogeheten ‘Martelaars van Chicago’. Zijn graf is op het Friedhof Waldheim nog altijd te vinden vlak bij het voor hen opgerichte monument.
    De gebeurtenissen te Chicago staan bekend als de ‘Haymarket Affair’ en hebben duidelijke sporen nagelaten: de strijd voor de verkorting van de arbeidstijd, de internationale viering van de 1e mei, en toch ook Dietzgens voorbeeld hoe je op het passende moment moet staan voor de eenheid in de strijd. En dat verschillen van ideeën daarvoor geen belemmering hoeven te zijn.

De strijd in de Verenigde Staten voor kortere arbeidstijd, vooral de achturendag, staat in een breed kader. Want overal, in Europa, de Verenigde Staten en elders staat op dat moment in de klassenstrijd dit thema centraal. De lengte en vorm van de arbeid en de strijd tegen de armoede raken immers het hele leven van alle leden van de arbeidersklasse.
    Dietzgen ziet hoe centraal dit thema is. En hij is niet de enige. Kort na zijn overlijden, in 1889 wordt op een groot internationaal congres de Franse Revolutie van 100 jaar eerder herdacht door socialisten uit tal van landen. Op dit congres wordt besloten elk jaar van 1 mei de internationale strijddag te maken van de hele arbeidersbeweging in de brede zin van het woord, vooral ook gericht op het verwerven van de achturendag voor de hele arbeidersklasse. ‘Proletariërs aller landen verenig je.’ De nog altijd actieve oude Friedrich Engels was ontroerd over de toegenomen kracht en manifestaties van de arbeidersbeweging en schreef een jaar later, op 1 mei 1890, in een voorwoord van een nieuwe druk van ‘Het communistisch manifest’: ‘Stond slechts Marx nog naast me om dit met eigen ogen te aanschouwen.’

De Haymarket-gebeurtenissen speelden aan het eind van Joseph Dietzgens leven. Zijn werken zijn nu wat vergeten maar werden tot ca. 1920 vrij veel vertaald en gelezen, ook in Nederland. Bekende Nederlands socialisten als Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst waardeerden hem hoog. Gorter maakte zelfs een gedichtje over Dietzgens filosofie.
    Er zijn verschillende uitgaven van het werk van Dietzgen, zowel aparte titels als bundels. In één van de versies van zijn verzamelde werken (‘Sämtliche Schriften) bevindt zich een vrijwel zeker aan Dietzgen toe te schrijven artikel over het slavenvraagstuk in de Verenigde Staten. Dat is dan de oudste tekst die van hem is overgeleverd. Hoogstwaarschijnlijk geschreven in april 1861, wat precies óók het moment was dat de Amerikaanse Burgeroorlog losbarstte. Zeer actueel dus voor die tijd, maar er staan ook enkele thema’s in die nu van belang zijn om kennis van te nemen.
    Het artikel ‘Zwart of wit’ is dus de oudste overgebleven tekst van Dietzgen. Daarvoor, in 1855, heeft hij Ludwig Feuerbach een tekst over ethiek gestuurd die niet bewaard gebleven is. Na 1861 heeft hij nog ongeveer honderd teksten geschreven, enkele boeken en veel kortere stukken.

In de tijd waarop ‘Zwart of wit’, geschreven is kende Dietzgen van Marx in ieder geval ‘Het communistisch manifest’ (1848) en ‘Bijdrage tot de kritiek op de politieke economie’ (1859). Van Dietzgens interpretatie van deze teksten zijn in ‘Zwart of wit’ waarschijnlijk nog wel sporen terug te vinden. Daarbij kun je denken aan zijn materialistisch uitgangspunt, zijn visie dat kennistheorie nodig is om politieke verhoudingen en ideeën beter te begrijpen, en zijn basis-bovenbouw-idee dat kritisch is over een eenzijdig ethische benadering van het slavenvraagstuk.
    Van een oude tekst als deze kunnen de concrete feiten achterhaald zijn, terwijl bepaalde principes of benaderingen nog steeds het bespreken en overdenken waard zijn, inclusief de verschillende mogelijke conclusies daarvan. Daarbij moet je niet vergeten dat dit het oudste artikel van Dietzgen is dat overgebleven is, het is niet noodzakelijk zijn eindoordeel, want er zouden nog zo’n honderd stukken volgen, drie boekdelen vol ‘verzamelde werken’, verzameld niet eens per se compleet. In de volgende blog dus deze tekst, ‘Zwart of wit’.

Overigens, ook geen kleinigheid: Dietzgen was – afgezien van Friedrich Engels en de socialist Johann Baptist von Schweitzer – de eerste die een recensie schreef over ‘Het kapitaal’. Op verzoek van Karl Marx.

 


 
Het monument van de 'Martelaars van Chicago',
waar Dietzgen naast begraven is




Joseph Dietzgen (1828-1888)










vrijdag 16 april 2021

Het Groninger gasechec, een les over de rol van de staat


1  Leerzame ervaringen voor de aanpak van de klimaat- en biodiversiteitscrisis

In Groningen wachten sommige families al tien jaar op de versterking van hun woning na de aardbevingen. Een drama, ook voor de opgroeiende kinderen. Deze schande en de bureaucratie rondom het Groninger aardgas zijn leerzaam voor de aanpak van de klimaatcrisis. Leren van de fouten die in Groningen zijn gemaakt, door het hardnekkig volgen van de belangen en procedures van de NAM.

2  De aardbevingen in Groningen – enkele feiten

- In 1959 wordt de Groninger gasbel ontdekt. De NAM – Shell en Esso – wordt de eigenaar van het gas, de overheid krijgt gasbaten. Tot 2021 incasseert de staat ca. 400 miljard euro uit het aardgas.
 - 23 december 1983, aardbeving bij Assen. De NAM ontkent elk verband met de gaswinning.
- Op 16 augustus 2012 vindt de op dat moment krachtigste aardbeving plaats bij Huizinge. Deze is van 3,6 op de Schaal van Richter. Er volgen 2200 schademeldingen. In de jaren na ‘Huizinge’ volgen meer dan 100.000 schademeldingen.
- Van 1986 tot heden zijn er 1500 aardbevingen in Groningen.
- Actieve mobiliserende rol van de Groninger Bodem Beweging, het Groninger Gasberaad, linkse partijen en actiegroepen. Acties, demonstraties.
- In 2013 wordt de gaswinning opgevoerd van 49 naar 54 miljard kuub. Onduidelijk wie daarvoor toestemming gaf. Het Staatstoezicht op de Mijnen stelt dat pas bij 12 miljard de bevingen vermoedelijk zullen stoppen.
- Commissie-Meijdam stelt in december 2015 dat de overheid het kennelijk legitiem vindt dat industriële activiteiten schade aan woningen veroorzaken, en legt dit als vraag voor aan de regering en de Tweede Kamer. Deze reageren niet.
- 7 februari 2017: demonstratie in Groningen met 4000 deelnemers.
- 8 januari 2018: zware aardbeving bij Zeerijp, 3,6 op Schaal van Richter. Op 19 januari demonstratie met 12.000 deelnemers. Kantelpunt: de algehele stopzetting van de gaswinning wordt nu het centrale thema. Na deze beving: meer dan 5000 nieuwe schademeldingen.
- Mislukking van de ‘Dialoogtafel’ en de functie ‘Nationaal Coördinator Groningen’ doordat de regering afspraken negeert en achter hun rug om besluiten neemt.
- De NAM en de regering stellen de leveringszekerheid voorop. Dit in strijd met de belangen van de bewoners. Veiligheid wordt ondergeschikt gemaakt aan contracten en winsten.
- De Raad van State vernietigt in juli 2019 voor de tweede keer het ‘Gasbesluit’ van de regering, vanwege veiligheidsaspecten en de grondrechten van de Groningers.
- De afhandeling schademeldingen verloopt chaotisch, bureaucratisch en frustrerend. Maar het Centrum Veilig Wonen – opgetuigd door de NAM – maakt wél in één jaar 2 miljoen winst. Het vertrouwen van de bevolking in de overheid verdwijnt volledig.
- Vanaf 17 mei 2019 is de grote bemoeizuchtige rol van de NAM in de schadeafhandeling van woningen en gebouwen uitgespeeld. Eindelijk wordt de driedubbele pet afgezet, de rollen van aangeklaagde, beoordelaar en financier.
- Het als relatief veilig veronderstelde niveau van winning van 12 miljard kuub wordt in najaar 2019 bereikt, met zicht op de algehele stopzetting van het Groningen-veld.
- Heden: schadeopneming voor herstel en versterking van woningen is weer op gang gekomen, nog steeds traag. Er moeten nog ca. 30000 (!) ingediende meldingen worden afgehandeld. Intussen wachten tientallen gezinnen op het herstel van hun woning.

3  Lessen trekken bij het falen van de kapitalistische staat

Van het Groninger gasechec valt veel te leren over de macht en onmacht van overheden, energieconcerns, lokale bevolking, politiek en vakbeweging. Bij de klimaatcrisis en energietransitie spelen vergelijkbare kwesties. Wat speelt er al niet mee bij de realisatie van windmolens, zonneparken, dijkverhoging, landonteigening (enzovoorts). Het wonen, de vertrouwde woonomgeving, de afstand tot school en werk, veel komt in het geding. Dat leidt tot nieuwe belangentegenstellingen. Zie bijvoorbeeld de huidige strijdpunten van de ‘Warmtewet 2.0’, waarin grote warmteleveranciers worden bevoordeeld boven kleinere initiatieven.
    De aardbevingen en de afhandeling van de schade in Groningen bewijzen dat een regering die commerciële partijen de vrije hand geeft, zelf vastloopt. De staat had geen centrale regie toen het grondig mis ging. Chaotische procedures ontstonden en werden bij herhaling weer gewijzigd, terwijl intussen de NAM en de staat de leveringszekerheid en de winst centraal bleven stellen. Concrete gevallen van de schadeafhandeling leidden tot talloze conflicten en ellenlange geldverslindende procedures. Dat speelt nog steeds.

4  Het noodzakelijke minimumniveau van participatie en medezeggenschap

We kunnen gerust stellen dat uit de bovengenoemde feiten ondubbelzinnig gebleken is dat Nederland zo’n ‘groot project’ helemaal niet aankan, wanneer concerns alle ruimte krijgen en relevante groepen, zoals de bewoners, worden genegeerd. Er speelt niet alleen onwil, maar ook onbekwaamheid mee.
    Daar tegenover hebben in verschillende fasen uiteenlopende groepen, bewoners, organisaties, bedrijven, vakbonden, politieke partijen, gemeentebesturen (enzovoort) een rol gespeeld. Zoals was er deelname van FNV en CNV in het Groninger Gasberaad. De leefomstandigheden en het belang van de regio, zoals scholing en werkgelegenheid, zijn immers aan de orde.

De aanpak die nodig is om de klimaat- en biodiversiteitscrisis te bestrijden grijpt ook diep in, uitwaaierend in tal van ‘projecten’ over bijvoorbeeld werkgelegenheid, scholing en demografische veranderingen. Daarom is in het hele proces een eigen, actieve rol voor vakbeweging weggelegd. De vakbond kan een democratische massalijn voorstellen en ondersteunen. Op basis van het bewonersbelang opkomen voor speelruimte van hun organisaties. Geen inperking van medezeggenschap tot commentaar op kant-en-klare, gereedliggende plannen, maar partijen eerder laten deelnemen in het proces van besluitvorming, timing en uitvoering. Dit democratisch aspect kan in de klimaatcrisis nooit alleen aan de overheid worden toevertrouwd, vanwege zowel het gebleken gebrek aan kwaliteit als om de belangenverstrengelingen.

Bij grote veranderingen kan de weerstand groot en terecht zijn. Dus is betrokkenheid, initiatief en leiderschap nodig in een democratisch proces. Dan spelen ook de bekende valkuilen een rol, zoals de verbale zoektocht naar ‘draagvlak’. Die drukt vaak een ontoereikende en verkeerd geplande vorm van ‘mede beslissen’ uit. Dan bestaat eerder een vorm van repressieve tolerantie. Hetzelfde geldt voor de term ‘klankbordgroep’, waarmee overheden vaak niets anders bedoelen dan bewoners vrijblijvend ideeën te laten spuien.

Grote veranderingen die nodig zijn om de klimaatcrisis het hoofd te bieden vereisen meer dan steeds hetzelfde ontwikkelmodel toe te passen. Dat werkt immers niet, want er bestaan altijd relevante lokale verschillen. Over een minimumniveau van participatie en medezeggenschap valt echter wel wat te zeggen. Over dat wat noodzakelijk is:
1 – Permanent medebeslissingsrecht van de lokale bevolking. Direct of via vertegenwoordiging. Tijdens het hele proces, dus niet alleen bij de start of halverwege.
2 – Idem een permanente rol van milieuorganisaties, vakbeweging en de wetenschap.
3 – Een heldere regierol voor de overheid, rekening houdend met de democratische afspraken.
4 – Transparante technische inbreng van deskundigen in alle fasen van het proces.
      De hier gekozen volgorde van participanten is geen vergissing. Het ‘Groningen-gasveld’ leert dat juist de bewoners vaak de juiste processtappen voorzagen en een activerende, versnellende rol konden spelen, terwijl de regering niets te bieden had. Democratische participatie veronderstelt lokale allianties van de eigen organisaties van de bevolking, milieuorganisaties, vakbonden en lokale politiek. De krachten blijven bundelen.





Bronnen

Voor dit commentaar zijn artikelen gebruikt uit het Dagblad van het Noorden, publicaties van de Groninger Bodem Beweging en het Groninger Gasberaad.
Bovendien het boek van Herman Damveld, Gaswinning Groningen, Een bewogen geschiedenis, Versterking en perspectief: wens of werkelijkheid? Uitgeverij Profiel, Bedum 2020.

Deze blog is ook verschenen op de website Solidariteit.nl
















vrijdag 2 april 2021

Louise Michel (1833-1905) – Strijdster van de Commune van Parijs


- Louise’s strijdkreet: ‘Vrouwen voorop!’ en haar standvastige houding onder de groeiende kwellingen van het beleg deden enorm veel voor de moraal van de gewone mannen en vrouwen. –

Theun de Vries over Louise Michel


150 jaar geleden, in 1871, was de Commune van Parijs. Dat was de eerste proletarische revolutie volgens Marx en Engels. Velen, Lenin voorop, zouden herhalen dat dit zo was. De eerste arbeidersstaat – klein van omvang en kort van duur – was het strijdende lichtend voorbeeld van een betere, vrije socialistische maatschappij. Niet omdat alles perfect was, maar juist omdat de Parijse bevolking – de werkers, haar verschillende klassen – massaal en kritisch haar eigen weg koos. Met haar eigen zelf gevonden organisatievormen. De arbeiders van Parijs aan de macht.
    In de voorste linie tot en met de laatste dag van de Commune vochten vrouwen mee tegen het oprukkende reactionaire en door Bismarck gesteunde leger van de Franse reactie. Vooraan in deze linies, steeds haar kameraden op de barricaden aanmoedigend, streed de anarchiste/socialiste Louise Michel (1833-1905).

Louise Michel was deels autodidact, heel breed georiënteerd in allerlei maatschappelijke vragen en de natuur, lerares met vernieuwende pedagogische inzichten en bevriend met andere anarchisten. Tijdens de Commune van Parijs was ze ook lid van de Internationale. Ze heeft aandacht voor feminisme, maar is nog sterker gericht tegen ongelijkheid, armoede en onderdrukking van de ‘gewone’ bevolking. Politiek stond ze voor radicale democratie, expliciet gericht tegen de autoritaire heerschappij van de keizers en vorsten.
      Ze was heel trouw aan haar moeder, die ook deelnam aan de Commune. Toen haar moeder werd gegijzeld, omdat de reactionairen aan het einde van de Commune de leidinggevende oproerkraaier Louise wilden arresteren maar niet konden vinden, gaf ze zichzelf aan om haar moeder te bevrijden.
      Zij werd veroordeeld. Tijdens het ‘uitzitten’ van haar gevangenisstraf en ballingschap zette ze haar educatieve werk voort onder de plaatselijke bevolking van haar verbanningsoord Nieuw-Caledonië (en meer plaatsen).

Strijdbaar en betrokken, dat zijn kenmerken van Louise Michel. Tijdens de Commune organiseerde zij de strijd, feitelijk had zij een leidende rol.
    Ooit schreef ik over Rosa Luxemburg, die tijdens haar gevangenschap interesse toonde voor heel het leven, zoals voor de vogels die Luxemburg in haar cel buiten kon horen zingen. Louise Michel toont vergelijkbare interesses en verrichtte tijdens haar ballingschap veldwerk in de plaatselijke natuur. Ze onderzoekt dieren, insecten, bomen en planten. Haar brede interesse is zowel praktisch als theoretisch, passend bij de ideeën van de pioniers van de biologie van haar tijd. Daarbij nooit vergetend de ongelijkheid tussen mensen te bestrijden; haar interesse is geen vlucht. Zij heeft veel aandacht voor de kosmische eenheid der dingen.

De Nederlandse schrijver Theun de Vries schreef een boek met twee toneelspelen over het leven en de daden van Louise Michel, dus vooral over de Commune van Parijs. Dat boek kun je zien als één van de monumenten die zij zeker verdient. Verdient, omdat haar voorbeeldige inzet en aandacht veel verder strekt dan de tijd en de plaats van de Commune alleen.




Bronnen:
- Op Internet is veel te vinden over Louise Michel.
- Boek: Theun de Vries, Louise Michel, engel in het harnas, Twee spelen over de Commune van Parijs, Uitgeverij Van Gennep, Amsterdam 1984. Het citaat staat op pag. 38.
Dit boek is antiquarisch nog wel verkrijgbaar, zie o.m. Boekwinkeltjes.nl.




Louise Michel (1833-1905