vrijdag 6 november 2015

John Stuart Mill en de vrijheid



‘Iemand die alleen zijn eigen kant van de zaak kent, kent er weinig van.’

John Stuart Mill, Over vrijheid (p. 78)


Als rechtgeaard links filosoof vind ik natuurlijk niets aan John Stewart Mill, de medegrondlegger van het liberalisme. Dat zou je misschien denken. Niet is echter minder waar … Het liberale denken van Mill (1806-1873) kent ongetwijfeld beperkingen, maar dat wat hij wél zegt moet door een actuele vrijheidsfilosofie opnieuw worden overwogen.
      Je kunt Mill een klassiek denker noemen, in de betekenis dat de filosofie die na hem komt dat denken moet meenemen of minimaal goed moet heroverwegen. Dat geldt voor Mills politiek-economische ideeën, zijn utilitaristische ethiek, zijn kritiek op Immanuel Kant (1724-1804), én zijn vrijheidsdenken, waar het me hier om te doen is.

Eerst even een stap opzij. De revolutionaire socialiste Rosa Luxemburg (1871-1919) schreef tijdens de ernstigste politieke crisissituatie de stelregel: ‘Vrijheid is altijd vrijheid van de andersdenkenden. Niet vanwege het fanatisme van de ‘rechtvaardigheid’, maar omdat al het levengevende, heilzame en reinigende van de politieke vrijheid er wezenlijk mee verbonden is en de werking ervan verloren gaat als ‘vrijheid’ een privilege wordt.’
    Dat was in de tijd van de Russische revolutie, waarvan de toekomst aan een zijden draadje hing. Het was ook kort voordat Luxemburg zelf werd vermoord door de Duitse reactie. Vanwege de spannende crisissituatie werd in het revolutionaire Rusland de kritische pers in haar vrijheid beknot. Luxemburg zegt dat zij volledig solidair is met de revolutie maar elke vrijheidsbeknotting afwijst, hoe precair de situatie ook is. De tolerantie van de andersdenkenden is de basis van een vrijheid die groter is dan een individuele vrijheid.
    Vrijheid is dus niet alleen iets persoonlijks, het is ook de kritische interactie die meningen helpt vormen, rijpen en corrigeren. Luxemburgs formulering is wel erg sterk gesteld. Moet je intolerante meningen altijd vrij baan geven en zijn er soms geen tijdelijke dwangsituaties mogelijk omdat er ook andere principes in het geding zijn, die op dat moment zwaarder tellen? Maar de kern is natuurlijk ook dat voor het opheffen van vrijheden van anderen altijd smoesjes bedacht kunnen worden en bovendien dat echte vrijheid altijd in betrekking staat tot anderen.

Dat laatste lees je ook bij Mill en dan vooral hoe het individu zich verhoudt tot anderen en de maatschappij. Zijn boek ‘On liberty’  verscheen in 1859, een tijd waarin de burgerlijke vrijheden minder ver ontwikkeld waren dan in het heden, wat trouwens niet als lofzang op de huidige tijd opgevat hoeft te worden. Vaak zijn de woorden immers mooier dan de praktijk, vroeger en nu.
    Mill gaat uit van de onvervreemdbare vrijheid van geweten, van meningsuiting, van gedrag voor zover dat anderen niet schaadt, en van vergadering. Een samenleving is pas vrij als deze vrijheden gelden. (o.m. p. 47) Daarbij geeft Mill een mensbeeld, niet zozeer hoe de mens is, maar hoe die zou moeten zijn, een echt individu in de zin van een persoonlijkheid, die wikt en weegt alvorens hij besluit.
      Individualiteit is een grondbeginsel van welzijn en hierbij is de vrijheid eigenlijk een middel, niet het enige doel. In die zin is de vrijheid instrumenteel, het is ‘de enige bron van verbetering.’ Alleen maar een bron? Denk hier niet te licht over, want deze bron ‘raakt nooit uitgeput’. (pag. 121)

Mill pleit tegen een overmaat aan strenge regels en betutteling van het individu. Zoals de verplichte zondagsrust. (p. 146). Die rust is wel gezond, maar laat mensen dat zelf beslissen. Dat betekent ook dat het wettelijk gezag zijn grenzen moet kennen, waar het individuele rechten dreigt aan te tasten. Het wettelijk gezag moet gelden waar het algemeen belang dat echt nodig heeft, maar niet op het individuele terrein.
      Mill is zeker geen socialist. Hij acht een socialisme denkbaar, maar vraagt zich hardop af of arbeiders die misschien minder bekwaam zijn zich dan zullen gaan bemoeien met de rechten en het inkomen van meer bekwame arbeiders, die mogelijk meer verdienen. Hij is hier sceptisch. (p.144) ‘Vrijheid van vergadering’ wordt in die zin niet doorgedacht tot een meer collectieve organisatie van mensen die nog een gebrek aan vrijheid kennen en dat aan den lijve ondervinden. Dat valt in sterke mate buiten het betoog, buiten de hier geschetste vrijheid. Of sterker nog, Mill wantrouwt de massa en spreekt soms over ‘… een menigte, een collectieve middelmatigheid.’ (p. 116)
      Hier blijkt ook uit hoe – altijd concreet historisch gesitueerd – de vraag naar individuele vrijheid en meer sociale vrijheden een open gebied kent. Open in de zin van dat niet alles erop bepaald is, niet alles al vaststaat. Op dat gebied zal de liberaal eerder het individueel belang benoemen, waar de socialist een gezamenlijke vrijheidsstrijd voorop zal stellen. Dit is juist het terrein waarop strijd zal bestaan, gebaseerd op echte behoeften en het gemis aan de realisatie hiervan. Van beide kanten gezien kun je echter blijven zeggen dat ook dan de vrijheid een bron is die nooit uitgeput raakt.

Mill pleit voor een liberale maatschappij ten gunste van het welzijn van een ieder en waarin de overheid beperkingen mag opleggen van vrijheden van handelen van de één, wanneer die de vrijheid van de ander schaden: ‘In dit opzicht moet de vrijheid van het individu beperkt worden; men moet anderen niet tot last zijn.’ (pp. 102-103)
      Al met al heeft Mill veel oog voor hoe in kleinere situaties belangen kunnen botsen en minder voor hoe in de toentertijd zich ontplooiende industriële maatschappij veel nieuwe armoede en een grote vraag naar collectieve rechten ontstaan, en er daarom structurele veranderingen nodig zijn. Hij blijft een liberaal denker, sociaal op een beperkter terrein, ‘beide kanten’ belichtend, en voor zijn tijd zeker ook creatief en ruimdenkend.

Zijn afwegingen vragen erom het hele betoog te lezen, want Mills zoektocht naar een politieke balans laat zich niet zo makkelijk samenvatten zonder te algemeen te worden. Vrijheid-blijheid wordt bij hem ver overstegen door een meer evenwichtige visie. Dat de balans om je te oriënteren in de wirwar van de feiten moeilijk te vinden is, verwoordt Mill onder meer zo: ‘Het laatste zien wij tot nog toe het meest, omdat eenzijdigheid in het menselijk denken nu eenmaal regel, en veelzijdigheid de uitzondering is. Zo gaat zelfs bij grote omwentelingen in de publieke opinie een deel van de waarheid meestal ten onder, terwijl een ander opkomt.’(p. 90)
      Wanneer je dat erkent zou de drang moeten ontstaan zelf die andere kant van de waarheid te onderzoeken. Dat vraagt om een verdere analyse van vrijheidsverhoudingen, gekoppeld aan de maatschappelijke verhoudingen en de problemen daarbinnen. Zo’n bredere benadering zul je in ‘Over vrijheid’  echter vergeefs zoeken.

Je kunt zeggen dat Mill het met de bovengenoemde uitspraak van Luxemburg eens zou zijn geweest. Vrijheid geldt niet slechts voor de een, maar moet voor ieder gelden. Luxemburg zou eraan toevoegen dat Mill de balans van vrijheid en welzijn onderzoekt, maar wel te weinig oog heeft voor de structurele onvrijheden die dat welzijn op grote schaal nog belemmeren. Zo wil Mill nog niet pleiten voor kiesrecht voor de arbeiders, omdat die daar nog niet aan toe lijken te zijn. Waarmee aldus toch weer de betutteling binnensluipt.

De kunst is kennelijk individualiteit, sociale maatschappelijkheid en een kritische terughoudendheid als het gaat om het invoeren van regels, in één verband te ontwikkelen. Voor alle drie is de vrijheid een bron.
      Dat deze bron nooit uitgeput raakt komt doordat vrijheid altijd een moment kent waarin het bestaande wordt opgeheven of zelfs wordt overtroffen. Vrijheid is inderdaad nooit hetzelfde en zeker niet vrijblijvend. Bovendien is het lastig dat voor al die ervaren gemankeerde vrijheden dat ene woord Vrijheid geldt.





Literatuur:
- John Stuart Mill, Over vrijheid, Uitgeverij Boom, Meppel, Amsterdam, 2e druk 1986.
- Rosa Luxemburg, Zur russischen Revolution, in Gesammelte Werke, deel 4, Dietz Verlag, Berlin, 1979, p. 359.







John Stuart Mill





NB – Deze blog is een ‘voetnoot’ bij mijn studie naar macht, politiek, de staat en vrijheid. Na  mijn boek ‘Het speelveld van de vrijheid’ wordt aan een vervolg gewerkt. Hierin worden politieke visies van een aantal filosofen behandeld. Vanwege de omvang is John Stuart Mill buiten de keuze gevallen, hoewel zijn vernieuwende vrijheidsfilosofie wel aandacht verdient.














donderdag 5 november 2015

Gaai legt wintervoorraad aan


In de eigen buurt is meer natuur dan je misschien denkt. Enige tijd terug ontdekte ik in mijn tuin middenin de stad de Gekielde loofslak (Hygromia cinctella), een exoot waarvan in Noordoost Nederland nog geen waarneming van geregistreerd was. Nu zie ik rondom mijn buurt diverse kraaien en gaaien in de weer met eikels. Die halen ze kennelijk van wat verder op en vliegen ermee naar ons buurtje.

Deze week keek ik op een ochtend naar buiten, de achtertuin. Midden op de flinke laag pas gevallen bladeren van de esdoorn, op het randje van een paadje zit een gaai, zoals wel vaker. Hij (of zij) heeft een eikel in de snavel. Bekend is dat deze slimme dieren voedsel verstoppen en dat als de nood aan de man komt, de gaai deze weer komen halen of opeten. Wat zou de gaai doen?
    Even wacht hij nog. Daarna kijkt hij een paar keer om zich heen. Dan buigt hij snel voorover en duwt de eikel in de grond. Dat was het? Neen, de gaai kijkt nog een keer naar links en rechts, buigt dan naar rechts pakt een blad in de snavel legt dit voorzichtig over de eikel heen. Dan in de herhaling nog een keer precies hetzelfde, nog een blad netjes over het verstopplekje gelegd. Vliegt daarna direct weg. Mooie actie. Een gaai die hamstert.

Hopelijk geen mislukte actie. Bij het opruimen van de wat al te grote lading bladeren heb ik de eikel en de bladeren er direct omheen laten liggen en het plekje gemerkt. Ik zie dan ook dat er nog minstens één eikel verstopt ligt enkele meters verderop.
    Helaas geen foto kunnen nemen van dit snelle tafereeltje. Daarom een internetfoto erbij en om het goed te maken wel een foto van een vrouwtje torenvalk die ik dezelfde dag zag in de Westerbroekstermadepolder.
    Overigens moet de gaai zijn eikels wel komen halen deze winter of in het voorjaar. Een eikenboom hoeft er niet meer bij, de esdoorn is al groot genoeg.















maandag 2 november 2015

Erdogan leest Machiavelli


Je kunt ervan uitgaan dat in de huidige chaotische situatie in de wereldpolitiek de meeste politieke leiders voor het slapengaan Machiavelli’s De heerser (1513) nog even lezen. ‘Mag ik nog even in Machiavelli lezen, alsjeblieft …?’

Volgens Machiavelli staat een heerser sterker in zijn schoenen als hij laat zien tegenstand de baas te kunnen. Immers, dan onderwerpt hij niet alleen, maar laat zijn kracht zien en bindt daardoor velen aan zich die voordeel denken te hebben bij hun loyale aansluiting bij de sterkste partij.
      Machiavelli gaat zelfs zover dat hij aanbeveelt zo nodig met opzet tegenstand tegen zichzelf aan te wakkeren. Dan kan hij die overwinnen, waarna de macht is gegroeid. Machiavelli zegt dat de heerser zo in staat is ‘zijn tegenstanders te overwinnen en hij langs de ladder die hem door zijn vijanden is aangereikt, omhoog kan klimmen.’
      De inzet van maatregelen die angst opwekken en het appèl van loyale aansluiting bij de sterkste partij zijn werkzame mechanismen. Het principe van verdeel en heers is de bewuste manipulatie van het vermeend eigenbelang onder de mensen. Het eigenbelang van de individuen wordt als het ware in twee parten opgeteld. De heerser verzamelt er in zijn deel genoeg van om numeriek voldoende draagvlak voor zijn machtspositie te organiseren.

Erdogan heeft gisteren de verkiezingen gewonnen. Hij heeft Machiavelli gelezen. Voor wie hier niet blij mee is: van De heerser valt nog meer te leren. De heerser is uiteindelijk niets zonder volk en mensen die dat weten verenigen zich. Dat kan op een resolute en vreedzame wijze.



Citaat uit: Niccolò Machiavelli, De heerser, Uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep, 24e druk, Amsterdam 2009, pag. 158.






Niccolò Machiavelli (1469-1527)








donderdag 29 oktober 2015

Asielzoekers, arbeidstijdverkorting en Spinoza


Wanneer ieder korter zou werken, kan alle werk eerlijk worden verdeeld en kunnen alle werklozen een normale baan krijgen. Nu zal men na bovenstaande titel denken dat ik dit zeg om asielzoekers gelijk ook aan het werk te zetten. Misschien geen slecht idee, maar daar gaat het me (nog) niet om.

Veel mensen en helemaal de politici in hun ivoren toren, reageren verbaasd dat er zoveel schreeuwend conservatisme naar voren komt nu de opvang van asielzoekers een nationaal debat is geworden. Zelfs mensen die zich heel hardop stevig, conservatief en angstig hebben laten horen zijn verbaasd over zichzelf. De media noemen het allemaal onderbuikgevoelens, maar wat is dat dan precies?

Het antwoord kun je vinden bij de filosoof Benedictus de Spinoza (1632-1677). Spinoza schrijft dat emoties sterker zijn dan het redelijk denken. Als je dat weet kun je met redelijk denken wel de gevoelens sturen. Bijvoorbeeld kan een hoopvol beleid angsten en onzekerheden terugdringen. Maar als dat niet gebeurt kunnen gevoelens dus sterk zijn. Zo sterk dat je het zelf niet eens beseft.

Nederland, Europa en de wereld verkeren in een langdurige economische crisis, met grote risico’s in eigen land en voor de wereldvrede. Sommige politici roepen vanuit hun ivoren toren naar het volk beneden, dat het allemaal wel meevalt nu we zoveel bezuinigd hebben en de economie aantrekt. Maar velen die in hun portemonnee kijken, werkloos zijn of werklozen kennen en de zorg voor hun familie zien verloederen, denken intussen, ‘het zal wel, ze kletsen maar door …’ Voor wie trekt de economie aan? Bullshit.

Het vertrouwen in de politiek is weg. Berusting kan een gevoel zijn, maar wanneer op de katalysator van de massale inspraakavond iedereen in paniek raakt door de ‘vele asielzoekers’, komen de gevoelens pas echt los. Dat is niet gek, Spinoza wist dit al. Dat mensen soms achteraf spijt hebben wat ze geroepen hebben, zal niet verhinderen dat het weer kan gebeuren.

Er wordt nu alom om kalmte geroepen. Natuurlijk, het morele en rationele appèl moet er ook zijn. Actie voor humaniteit. Met Spinoza kun je echter zien dat dit niet voldoende is. Hoe kunnen de politieke gevoelens weer een steviger grond krijgen?
      Politieke leiders moeten naar de echte structurele problemen kijken. En niet de schuld aan anderen geven. Ze moeten stoppen te bezuinigen, en wél investeren in werk, infrastructuur en het milieu. De regie nemen op het economische vlak. Het lef hebben iedereen korter te laten werken. Dan zal er meer vertrouwen ontstaan, een sterke positieve emotie. Het welkom voor vluchtelingen zal er een stuk mooier door worden.
      Er moet dus nog heel wat gebeuren!