zondag 19 december 2021

Het eiland en de biodiversiteit


‘Een gelukkig 2022?’ Kan dat al? Vlak voor de jaarwisseling word ik gedwongen na te denken over geluk en ongeluk, over het verlammende virus en de wereld ervoor en erna.
    Het schiet me te binnen dat ik pas een zin las die uitnodigt dat nadenken af te maken. Deze luidt: ‘De stilte op dat eiland is een bepaalde stilte: zij wordt doorbroken door karakteristieke geluiden van de dierlijke en plantaardige bewoners.’
      Als dat eiland nu eens de hele wereld is, samengesteld uit karakteristieke delen van leven, gedrag, verlies en vreugde. Delen van de aarde en alle verandering van de dieren en de mensen …
    Zo begint het denken over alles. De zin is universeel als je hem meer dan eens leest. Ieder kan luisteren naar geluiden in de stilte. Naar de inhoud en de vormen. Dat brengt de wens de samenhang beter te begrijpen en te beleven met zich mee. Door ieder kind en iedere mens.
      Het bestaan en de samenhang van alles wat is wordt afgezet in of tegen de stilte. ‘Een gelukkig nieuwjaar’ lijkt op een altijd maar weer uitgesproken wens de onbepaalde stilte bepaald te maken.
      Overal bestaan eilanden, de biodiversiteit verrast en bindt. Bepaalde stilte, een tegenspraak.




De zin staat in het kinderboek van Clarice Lispector: Het raadsel van het denkende konijn en andere verhalen, Uitgeverij Querido, Amsterdam/Antwerpen 2021, p. 58.














vrijdag 10 december 2021

Thomas More (1478-1535), Francis Bacon (1561-1626) – Utopisme en kennistheorie – Wat de geschiedenis van de filosofie te zeggen heeft (deel drie)



Kunnen de wetenschap en de filosofie de maatschappij duurzaam ordenen? En kan de politiek de natuur beheersen zonder nieuwe problemen op te roepen?


De utopie van Francis Bacon is niet afgemaakt. Het is eerder een schets, een aanzet. Met de nodige pretentie, het is het ‘Het nieuwe Atlantis.’ Het is een schetsmatig beeld van een wereld waarin de wetenschap de plaats inneemt van de heersers, gesitueerd als eiland in een verre zee. Een eenvoudige maar rationele samenleving.
    In deze samenleving wordt de natuur bestudeerd. De politicus wordt daarom vervangen door een geleerde. Er ontstaat dan de macht van de kennis, dus een meritocratie. Deze wetenschap heeft de totaal-blik van de filosofie nodig, anders blijft elke tak van wetenschap oppervlakkig. Daarom is inductie als methode nodig, maar een werkelijk kritische, die oppervlakkig geredeneer ver overtreft. Volgens Bacon zal de politiek totaal mislukken als zij gescheiden wordt van filosofie en wetenschappen. Derhalve zullen ook de filosofie en de wetenschappelijke methode van voldoende niveau en overtuigingskracht moeten zijn. Daar moet de inductie als methode garant voor staan.

Bacon heeft oog voor de verandering, maar ook voor de risico’s ervan. Daarom moeten de achterliggende verbanden onderzocht worden om de nieuwe ordeningspatronen te vinden die nodig zijn.
    Het gaat om een Nieuwe-Tijd-filosofie, de verandering wordt intuïtief en in het leven gevoeld, de woorden moeten erbij passen, de eenheid erin ontdekken. Aldus wordt de filosoof bij Bacon, dus ook een ziener, een strateeg, net als Plato en Aristoteles in hun tijd.
    Op deze manier wordt inductivisme creatief, vruchtbaar, noodzakelijk, mits de kleine concepten leiden tot de wetenschap van het geheel. Bacons inductivisme houdt aldus zicht op de eenheid der dingen, waardoor deze opvatting ook waardering kan krijgen voor andere filosofieën waar dat zo is.
    Bacons filosofie is ook een impuls voor verdere discussies over kennistheorie. Houdt vast aan een degelijke methode, pas dan wordt de werkelijkheid zichtbaar. Geen ruimte voor nep-nieuws, geen ruimte voor zogenaamde kennis die in werkelijkheid elke grondige onderbouwing mist. Daarmee is Bacons denken actueel, een argument tegenover de vele nepwaarheden die onderbouwing missen. Een hedendaagse Bacon zou kunnen eisen: smeed de brokken aaneen, op basis van de echte feiten.

In de nieuwe orde van onderzoek moet worden samengewerkt. Bacon denkt breed en praktisch. Ook over de samenwerking bij de onderzoeksprocedures en methoden die moeten kloppen. Anders is er geen wetenschap, geen echte kennis.
    Bacon stelt: ‘Wij hebben een radicale omwenteling nodig in de methodes van onderzoek en denken, in ons wetenschappelijk systeem en onze logica. We hebben een nieuw Novum Organon nodig, beter dan dat van Aristoteles en aangepast aan deze ruimere wereld.’
    Deze visie, gericht op een maatschappij die in beweging is, past bij een kritisch empirisme. Beelden tellen, maar fixaties ervan vormen al gauw een dwaalspoor.


Slotwoord. Het compliment van D’Alembert en Marx aan Bacon

Bacon werd in en na de Renaissance sterk gewaardeerd, zoals door de Encyclopedisten Denis Diderot en Jean le Rond d'Alembert. De laatste noemde Bacon de meest universele en de welsprekendste der filosofen. Dat is dus veel meer waardering dan een voor het empirisme alleen. Eerder een erkenning van de filosofie van het achterliggende feitenonderzoek, van de samenhang van die feiten. Dus de ware basis voor het experiment van de Encyclopedisten. Zij willen alle kennis samenbrengen om maatschappelijke vooruitgang te bevorderen.

Ook voor nu past een dergelijk kritisch constructieve houding van Bacon en de filosofen van de Encyclopedie, die feit én samenhang erkennen.
    Ook Marx waardeert de vooruitgang die de filosofie hier boekt. In hun boeken over de materialistische en historische filosofie – De Duitse Ideologie en De heilige familie – prijzen Marx en Engels Bacons consequente houding. Francis Bacon is voor Marx: ‘de ware stamvader van het Engelse materialisme en van alle experimenterende wetenschap.’
    Deze complimenten van de Encyclopedisten en van Marx en Engels laten de grote waardering zien voor de weg die Bacon gevonden heeft: kritisch experimenterend, maar – bijna als een Hegel – de samenhang bewarend, herontdekkend.

Hier hoort echter nog wel een kanttekening bij. Ook een ‘ware stamvader’ kan eerst nog met bepaalde oogkleppen rondlopen. Bij Bacon denk ik dan vooral aan de bijzondere taak die Bacon voor de wetenschap weggelegd ziet. Het doel van de regering is volgens hem ‘de natuur bestuderen’. En wel om de natuur dienstbaar te maken aan de mens. Tegenwoordig weten we hoe eenzijdig en gevaarlijk de mensheid deze verhouding van natuur en kennis heeft opgevat.
      En helaas zijn de oogkleppen nog niet verdwenen. Zo zien veel bedrijven vaak slechts de dollartekens wanneer weer een veld van de natuur wordt open geploegd om het vervolgens rücksichtslos te exploreren. Terwijl een ware Bacon van nu voorzichtig aan zou doen, juist niet blindelings vooruit, maar in harmonie en samenwerking zou trachten kennis en industrie duurzaam te ontwikkelen.
    Ook een ware of leerzame filosofie moet altijd kritisch bekeken worden. Om je doel niet voorbij te rennen. Ook een Verlichte filosofie verdient op haar tijd opnieuw een Nieuwe Verlichting. En dat is niet alleen noodzakelijk, maar ook heel boeiend: dat de ingrediënten vaak weer op hetzelfde neerkomen, een zekere vrijheid, respect, technische vooruitgang, een ‘vruchtbare’ economie etc., maar ook het beheersen en terugdringen van een dadendrang die leidt tot vernietiging van de natuur. Inderdaad heeft Francis Bacon dan een belangrijk uitgangspunt punt: het doel van de regering is de natuur te bestuderen, om die te behouden. Een zekere matiging moet altijd een rol spelen en dogmatische dadendrang inperken. De balans blijven zoeken. Als dat lukt ontstaat een mooi optimisme, een tegengif in pessimistische en chaotische tijden. Precies iets voor vandaag de dag…



‘Wij hebben een radicale omwenteling nodig in de methodes van onderzoek en denken, in ons wetenschappelijk systeem en onze logica. We hebben een nieuw Novum Organon nodig, beter dan dat van Aristoteles en aangepast aan deze ruimere wereld.’

Francis Bacon













zondag 5 december 2021

Vervolg van de blog over Thomas More en Francis Bacon


De doorwerking van Francis Bacons filosofie. Kennistheorie en politieke theorie


Francis Bacon (1561-1626) leefde iets later dan Thomas More, maar het was nog altijd een tijd van grote maatschappelijke veranderingen, opkomst van nieuwe productietechnieken, en ook van andere kracht- en machtsverhoudingen. Daarin stond de traditionele landbouw onder druk en streden grootgrondbezitters en adel onbeschaamd voor hun belangen.
    Cultureel waren er grote veranderingen, en zo kon de breed georiënteerde Bacon zich niet slechts filosoof noemen maar speelde hij meerdere maatschappelijke rollen. Hij was filosoof, rechter, advocaat, schrijver, astroloog en vooral ook politicus. In die laatste functie was hij zeker niet helemaal vies machtsspelletjes, en wat dat aangaat beslist geen slechte leerling van Machiavelli.
    Bij al deze maatschappelijke rollen is er volgens Bacon veel meer aan de hand dan het klakkeloos uitspelen ervan. Hij acht de wetenschappen en culturele verschijnselen van zijn tijd veel te versnipperd. Eigenlijk maakt hij zichtbaar dat er perioden zijn van vernieuwing waarin de samenhang der dingen uit het oog wordt verloren, terwijl er juist eenheid, samenwerking nodig is om de maatschappij optimaal van nieuwe ontwikkelingen te laten profiteren.
    Zoals Aristoteles de kennis van zijn tijd tot een geheel smeedde, zo is er volgens Bacon in zijn tijd een filosoof nodig die de diverse maatschappelijke gebieden en onderzoeksvelden met elkaar verbindt. Verbinden in de zin van zichtbaar maken, niet kunstmatig maar datgene verbinden dat feitelijk ook verbonden is, ook al ziet niet iedereen dat helder voor zich. Daarom heeft de filosofie een heel grote maatschappelijke rol te vervullen. Een rol die Bacon vooral voor zichzelf ziet weggelegd. Het onthullen van de werkelijkheid, de bestaande wetmatigheden ervan.
    Je zou dit – even fictief denkend aan vandaag de dag – met een voorbeeld kunnen illustreren. Stel: zo’n Bacon in genoemde filosofische rol, ziet bijvoorbeeld dat de biodiversiteit onder druk staat, maar ook dat anderen dat niet (willen) waarnemen. Dan wil hij terug naar de kern. Zuiver en sterk waarnemen hoe in de werkelijkheid de verschillende velden zich tot elkaar verhouden. Dan is een inzicht mogelijk dat duurzaam is en een basis kan vormen voor een krachtig en effectief milieu-optreden. Dus niet in de eerste plaats of alleen oproepen tot actie, maar de noodzaak ervan blootleggen, dan moeten de mensen wel meekomen.

Hoe dan die band, de samenhang, weer te zien? Bacon komt dan over inductie te spreken. De betekenis van inductie als logische en wetenschappelijke methode waarmee de werkelijkheid echt gekend kan worden. Bacon ziet inductie als de wetenschappelijke methode bij uitstek. Maar vooral, hij bedoelt dit niet – al is dat er later wel eens van gemaakt – als een makkelijke, oppervlakkige manier van feiten bijeen sprokkelen. Noch om al te voorbarig algemene conclusies te trekken, terwijl het feitenmateriaal nog niet voldoende onderzocht is. Het gaat eerder om het grondig en breed analyseren, zodat de inductie, op zich een wel bekend fenomeen, echt tot leven komt.
    Deze ‘nieuwe inductie’ grondvest het hernieuwde denken dat Bacon voorstaat, het ‘Novum Organon’. Het is een experimenterend inductivisme of empirisme, een grondslag van het empirisme dat in de Engelse filosofie en wetenschappen zijn rijkdom zal laten zien. Bacon dus als grondvester van een maatschappelijk relevante wetenschappelijke methode. Dit echter, zolang men deze begrippen bij hem accepteert in de strenge betekenis en deze niet vulgariseert. Feiten doen ertoe, maar feiten die ertoe doen kun je je nog niet allemaal maar klakkeloos aannemen.

Bijzonder feit hierbij is dat Bacon zelf wel allerlei experimenten opzette, maar zelf betrekkelijk weinig contact had met wetenschappers van zijn tijd, terwijl de wetenschap in deze periode in Engeland tot grote bloei kwam. Maar zijn pleidooi voor een nieuwe wetenschappelijke onderzoeksmethode sloeg aan. Hij wordt daarmee gezien als één van de grote denkers uit de geschiedenis. Dankzij zijn kernbegrippen: inductie, onderzoek naar feiten, maar ook ‘materialisme’. De feiten moeten spreken, niet de (denk)constructies die men ervan maakt.
    Zo wordt Bacon ook gezien als mede grondlegger van de moderne materialistische filosofie en kennistheorie. Zijn medewerker Thomas Hobbes, de beroemde politieke filosoof, nam later het stokje over. In diens staatsfilosofie domineert het materialistische standpunt. Bovendien draagt Bacon ertoe bij dat vanaf dan de kennistheorie, de reflectie op de kennis en de wetenschappelijke methoden en criteria om ware kennis te genereren, vaste kern van filosofisch onderzoek én van het wijsgerig dispuut wordt. De betekenis hiervan heeft een veel wijder bestek dan Engeland, zie bijvoorbeeld de permanente pennenstrijd tussen empiristen en rationalisten, of de materialisten versus de idealisten.
      Het knappe van Bacon is dat hij dat wat later zo’n polemiek zal worden in feite al voorziet. Immers hij gaat van feiten uit, maar weigert voorbarige conclusies. Nu kun je tegenspreken en zeggen dat het fundamentele kentheoretisch debat al sinds Plato en Aristoteles bestaat, maar Bacon actualiseert op een voor zin tijd sterke manier de relevantie hiervan.

Francis Bacons voorganger Thomas More presenteerde als maatschappijkritiek zijn ‘Utopia’. Hij was een voorbeeld voor velen. En ook Francis Bacon maakt gebruik van dat beeldende middel. Het gaat dan om ‘Het grote Herstel van de filosofie.’ Bacon wilde de utopie schilderen die zou ontstaan bij de herstelde wetenschap, dat is de wetenschap die uitgaat van een brede verklaring van de natuur. Het is opmerkelijk, dat de natuur bij hem zo nadrukkelijk object van onderzoek wordt. In wezen zien we hier de sterke materialistische invalshoek van Bacon. Hij lijkt wat dit betreft ook wel een opvolger van Aristoteles qua omvattendheid, inclusief een praktische politiek. Hij is een ‘veel-denker’, ook in zijn strijd tegen vooroordelen.

Beelden die tellen! Dat is actueel in de huidige beeldcultuur. Dus net als More schetst Bacon een andere maatschappij. Dit keer neergezet op een eiland, een nieuw Atlantis. Het wordt niet zover uitgewerkt als More’s visie. More lost in zijn Utopia al denkend de grote sociale onrechtvaardigheden van zijn tijd op. Bacon denkt op een wetenschappelijk niveau. Zijn eiland van de wetenschap laat in korte trekken zien dat een meritocratie kan werken, een maatschappij die zich door de wetenschap en de deskundigheden laat leiden. Onderzoek en kennis staan dan centraal als politieke vaardigheid. Waardoor we nogmaals herinnerd worden aan de Griekse ‘totale’ filosofie, denk hier aan Plato’s staat en zijn ideeënleer.
    Ging het dan bij More om een betere maatschappij, bij Bacon eerder om een sterkere wetenschap. Het gaat dan om een utopie van de (perfecte?) wetenschap. Toeval kan dan niet meer bestaan, zo lijkt het. De wetenschap moet de wetmatigheid van heel de werkelijkheid doorgronden, samenvatten, verklaren, enzovoorts.

Alles doorgronden? Dan ontstaat ook weer, in dit geheel van feiten en denken, een rationele of idealistische invalshoek. Dat maakt Bacons idee er alleen maar interessanter op. Materie en denken staan in een verhouding, dat wordt ‘metafysisch’ duidelijk. De beelden helpen de werkelijkheid te doorgronden. Dergelijke beelden kunnen als kennisobject zeer interessant zijn, een soort vooruitlopen op de filosofie van Ludwig Feuerbach die de religie neerzet als constructie van denken en zijn, samengevat in beelden van de werkelijkheid. Wat dat betreft kan de filosofie met Bacon in zijn tijd weer flink vooruit. De maatschappij kent kruispunten van mogelijk in te slagen wegen. Bacon probeer die alles in een samenhang neer te zetten. Met dus utopie en beelden als kennisbron, als inspiratie voor verdere ideeënontwikkeling.
    Opmerkelijk is dat Bacon het bestuderen van de natuur belangrijker of interessanter vindt dan het regeren van mensen, ook voor de regering. Wat dat betreft hangt hij een soort basis-bovenbouw-idee aan. De natuur, de wereld moet gekend worden, zijn kennistheorie heeft daarmee een materialistische grondslag en de filosofie moet die bewaken of herontdekken.

In de derde en laatste aflevering over Francis Bacon komt de vraag naar voren of van de wetenschap wel zulke hoge verwachtingen gekoesterd mogen worden. Wordt de natuur toch niet ‘stiekem’ veel te sterk ondergeschikt gemaakt aan menselijke korte-termijn-oogmerken? En hadden de filosofen dat niet eerder moeten onderkennen, ook al omdat Bacon daarvoor eigenlijk wel de nodige ‘tools’ aanbiedt?


Wordt vervolgd in de volgende blog.

 





Francis Bacon (1561-1626)
















vrijdag 3 december 2021

Francis Bacon – Utopisme en kennistheorie – Wat de geschiedenis van de filosofie te zeggen heeft



Thomas More (1478-1535), Francis Bacon (1561-1626) – Utopisme en kennistheorie – Wat de geschiedenis van de filosofie te zeggen heeft


Inleiding


‘Wij hebben een radicale omwenteling nodig in de methodes van onderzoek en denken, in ons wetenschappelijk systeem en onze logica. We hebben een nieuw Novum Organon nodig, beter dan dat van Aristoteles en aangepast aan deze ruimere wereld.’

Francis Bacon (1)


Francis Bacon, dat was een groot filosoof, maar wie kan zó opnoemen wat zijn denken behelst? In drie achtereenvolgende blogs zullen kort zijn leer en betekenis worden belicht. Die betekenis, dan hebben we het ook over vandaag de dag, de betekenis voor nu. De doorwerking van filosofische ideeën kan vaak langdurig zijn maar ook indirect doorwerken, soms nauwelijks zichtbaar, maar toch van betekenis.
      Dat geldt zeker ook voor Francis Bacon. Zijn filosofie lijkt wat op de rol van een politieagent, die het verkeer regelt. Op een belangrijk knooppunt in de geschiedenis, het ontstaan van de Renaissance met tal van nieuwe ideeën vanwaar men verschillende kanten op kan gaan, geeft Bacon een richting aan. Daardoor wordt orde geschapen en chaos vermeden.
      Dus niet zozeer of alleen eigen ideeën spelen bij Bacon een rol, maar vooral ook de ordening, het vinden van een samenhang. Daarmee worden nieuwe ideeën en wetenschapsontwikkelingen hanteerbaar. Met andere woorden, de Renaissance krijgt een grondslag, een fundament, en hierbij is Bacons denken van betekenis, omdat hij een richting kiest waar ook andere mogelijkheden bestonden.
      Zijn denken wordt vaak als een pleidooi voor inductie en empirisme opgevat. Terecht. Maar niet terecht is vervolgens dat die inductie ‘te eenvoudig’ wordt begrepen. Bovendien speelt in Bacons filosofie ‘de utopie’ een rol. Daarom beginnen we met een voorbeschouwing over de betekenis van utopieën.

Deze blog over Bacon wordt in vier paragrafen gepubliceerd, als volgt:
1 – De betekenis van het utopisch denken. Thomas More. Utopie als wetenschap.
2 – Francis Bacons filosofie, onmogelijk te vergeten? Kennistheorie en politieke theorie.
3 – Kan de wetenschap de maatschappij duurzaam ordenen? En kan de politiek de natuur beheersen zonder nieuwe problemen op te roepen?
4 – Het compliment aan Bacon door de Encyclopedisten en Marx.


De betekenis van utopisch denken. Thomas More. Utopie als wetenschap

De utopie is een beeld van alle tijden, maar de waardering en ontvangst ervan, m.n. door regering, kerk of moskee, is zelden gelijk. De naam ‘Utopia’ komt van Thomas Mores’ schets uit 1516 van de vrije stad. Mores presentatie van een toekomstige samenleving toont het kritisch tegendeel van een samenleving waar het boerenland ingepikt wordt door herenboeren, de adel enzovoort, en waar deze diefstal bovendien toegestaan wordt door de overheid. Het beeld dat Thomas More schetst is kritisch. Het is een politieke kritiek op de diefstal van het land en op de ondergang van de boerenstand.
    Het idee om een betere samenleving uit te beelden met een utopie ontstaat vaak in een crisissituatie. Zo’n situatie waarin het oude vervalt en nieuwe opdringende krachten vechten om de macht en de rijkdom.
      Eigenlijk zijn utopieën tamelijk alledaags. Een klassiek heldenepos, zegt dat niet veel over de wensen over een betere samenleving? Altijd maar weer dromen mensen zich een toekomst. Eén die beter is dan het heden. Een beeld schetsen is vaak veel sterker dan woorden en volgeschreven boeken. Mensen kunnen nu eenmaal van het hier en nu abstraheren, en maken volop gebruik van deze mogelijkheid. Het utopisch denken wordt natuurlijk – zeker door tegenstanders – naïef genoemd, maar een dergelijk beeld, een tekening wordt er niet minder vaak om beoefend. De klacht over naïviteit hoort gewoon erbij. Het is een onderdeel van het gangbare ideologische discours Tegenwoordig ook nog.

Thomas More scherpt het genre van de utopie aan en geeft haar zijn naam. De raamvertelling ‘Utopia’ is een kritisch maatschappijbeeld. Het is een kritiek, een perspectief en een verhaal met een uiterst serieuze ondertoon vanuit humane waarden.
    Het geschetste beeld kan symbolisch worden genomen, een moment om stil te staan. Het kan ook letterlijk worden genomen, al zijn de verschillende alternatieven misschien niet zo bedoeld. Maar intussen wordt met het beeld van een samenleving met een gelijkheidsideaal, de organisatie van de arbeid, de verdeling van goederen, de opvoeding van de kinderen inclusief crèches, de omgang met verschillende religies en de bejegening van gevangenen, een aantrekkelijk alternatief geboden. Het hoeft in de toekomst niet altijd zo te gaan zoals het altijd al gegaan is. Wie zegt bijvoorbeeld dat er altijd armen, arme mensen zullen bestaan? Tegelijk schetst More een filosofisch werk, ook voortbouwend op Plato’s staatsleer, met dezelfde ernst.

Diverse commentatoren hebben in de loop der tijd benadrukt dat More niet zonder meer een ideale samenleving, een direct toepasbaar alternatief wil schetsen. En met de vorm van een raamverstelling houdt More ook wat afstand tot zijn eigen verhaal. Het staat er echter allemaal wel, het ideaal, en je moet het ook niet kleiner maken dan het bedoeld is. More schetst een republiek en sterke statelijk gevormde en gehandhaafde waarden, met veel voordelen voor de burgers, maar ook met een communistische discipline. Hierbij heeft hij meer oog voor de algemene sociale orde dan voor individuele vrijheden.

Utopia is een permanent spanningsveld van relativering van de boodschap en een ernstige presentatie. Geen blauwdruk? More zoekt de grens tussen fictie en reële mogelijkheid duidelijk op, en die lijkt dan te gaan verschuiven, in de richting van een radicaler standpunt.
      Het idee van een blauwdruk blijft dan toch hangen. Een heel onplezierige gedachte voor machthebbers die hun rol en aanzien optioneel verliezen, daarentegen een plezierig beeld voor wie lijdt onder armoede en geweld. De beschreven wereld van het eiland Utopië is wel de betere. Het idee is al mooi. Na zo’n verhaal blijft beslist over: het moet beter kunnen, er bestaat een perspectief, gewoon in normale mensenwoorden uitgedrukt. Een beter leven bereikbaar? Daar draait toch alles om? Maar hoe?
      Verandering vereist een zekere structuur. En dat is waar je de grote betekenis van Francis Bacon moet zoeken. Wanneer de oude vormen en gedachten sterven is hij de filosoof die de nieuwe vormen zoekt, herkent en propageert. Zulke denkers zijn er vaker geweest tijdens crisismomenten. Zij moeten vooral zelfstandig durven denken. Dat deden Plato en Aristoteles vóór Bacon, en Rousseau en Marx na hem. Zij lijken tijdens hun leven eenlingen in de filosofie, maar zijn zelf druk bezig te verbinden, én anderen te inspireren. ‘Nieuwe Tijd’ vraagt om nieuwe glans, dat is het utopisch element dat je bij hen terugvindt.

Nog even blijvend bij More. De staatsinrichting, ethiek, de afkeer van ijdelheid, hebzucht, geweld en oorlogen, het zijn de centrale thema’s die samenkomen in Mores humanistische kritiek op de schrijnende maatschappelijke tegenstellingen. De taal is van iemand die oprecht verontwaardigd is. Het is een bewuste weergaloze maatschappijkritiek ondanks de natuurlijk ingebakken naïviteit die een utopisch beeld nu eenmaal met zich meebrengt. Inderdaad, de utopie als aantrekker en als min of meer verkapt middel voor scherpe kritiek. De utopie dwingt tot denken en leidt ertoe dat er dan wordt meegedacht. De utopie is dan een activerend middel.
      Hoe harder je roept dat het maar een utopie is, des te eerder zal men wel reële alternatieven zoeken. Eenmaal hierover nadenkend, stop je niet zo makkelijk meer. De utopie is het land dat nooit bestaat en nooit precies zó zal bestaan. Er wordt een spiegel voorgehouden met verschillende perspectieven. Goed en kwaad, mogelijk en onmogelijk, ideeën waar je anders niet zomaar op was gekomen. Ideeën die houvast geven.







Thomas More (1478-1535)





 

 

Bronnen: bij deze drie schetsmatige blogs over Thomas More en Francis Bacon zijn geen primaire bronnen gebruikt. Bronvermelding laat ik daarom achterwege, de schrijver is verantwoordelijk voor de inhoud.







 

vrijdag 12 november 2021

Klimaatacties, kernenergie en het recht van alle mensen

 





Er schijnt in Nederland een nieuwe regering in de maak te zijn en achter de schermen wordt hier al maandenlang aan gesleuteld. Foei! Het komt toch weer neer op de veelverfoeide achterkamertjespolitiek. En het gaat inhoudelijk ook al niet de goede kant op, zeker niet in alle opzichten. Zo meldt de Volkskrant van 12 november dat de bouw van kerncentrales op de agenda staat, als reële mogelijkheid. Want ja, de windmolens en zonneparken leveren niet genoeg. De kernenergie wordt daarom opgevoerd als de nooduitgang van de klimaatcrisis.

Dat bericht stoort. Het is een zwaktebod. Vooral omdat het een vlucht lijkt in louter technocratische oplossingen die los staat van de noodzaak de natuur, het leven, de leefstijl, de ethiek, kortom alles wat menselijk is voorop te stellen in de aanpak van de energie- en klimaatcrisis.
      Men denkt, zo wordt gezegd, aan twee centrales. Te bouwen in een jaar of tien. Bij die woorden zullen de handen jeuken van de managers van bedrijven die hier mooie investering in zien, waar ook nog flink mee te verdienen valt. Leve de klimaatcrisis? Dan vergeet je de diepe biodiversiteitscrisis, waaronder de vele vervuilingen.

Dat het mij stoort besef als ik op de markt een ‘De Riepe’ koop, de straatkrant van Noord-Nederland. Het redactionele artikel van dit blad heeft als treffende kop: ‘Het recht van alle mensen.’ En dat gaat over de rechten van daklozen, zieken, migranten, mensen met een strafblad, enzovoort. Dat je die rechten ook moet zien, ze kent en ze toepast.
    En precies dat is in het geding wanneer de politieke leiders van het rijke Westen denken het hele complex van het klimaat en de natuur af te kunnen kopen met (wat) kerncentrales. Dit leidt tot oplossingen waarin de arme landen de grondstoffen mogen leveren en ongetwijfeld ook nog het kernafval onder hun Afrikaanse of Aziatische grond mogen opbergen. Die moeten het verder ‘maar’ doen met zonnepanelen, in Afrika schijnt toch de zon?

In de krant staat niet dat als het Westen weer op kernenergie over meent te moeten stappen, men ook aan de armere landen nucleaire kennis, technologie en een passende financiering zou moeten leveren. Kortom, de inzet van kernenergie leidt zonder kritische sociale tegenweer tot louter egocentrisme en hierbij wordt een egoïstische technocratie vooropgesteld. Als politieke sluitpost kan dat alles worden afgedekt door de geopolitieke – al dan niet militaire – activiteiten, die momenteel op alle continenten meespelen.

De onvermijdelijke komende discussies over dit thema, de nieuwe kernenergie, zullen vooral gaan over optelsommen van stroom, geleverd door windmolens, zonne-energie, andere groen geachte bronnen, maar zullen toch vooral ook moeten gaan over aanverwante sociale thema’s als de tegenstelling rijk-arm, de huisvestings- en voedingsvraagstukken enzovoort. Dus ook over rechtvaardigheid, eerlijkheid, altruïsme, sociaal leven en gepaste vormen van duurzaam consumeren en waar nodig een passende versobering.
      De media met de krantenkoppen over kernenergie dreigen als afleiding van de ‘sociale kernvragen’ te gaan werken. Dat leidt tot simpele ‘ja-neen-vragen’ met bijbehorende publieksenquêtes die ingezet worden om draagvlak voor kernenergie te genereren en te vergroten.

Er blijft ecologisch, sociaal en politiek tegenweer nodig. Blijven demonstreren, actievoeren, doorgaan met praten en denken, kennisnemen van problemen elders en een daadkrachtige progressieve stevige politiek zijn noodzakelijk. De Klimaatmars van een week geleden was wat dat betreft een onderdeel van veel dat nog gaat volgen. Omdat de oplossing van de crises niet zit in één ding, maar in alles, dat heel het menselijk leven raakt.
      ‘Het recht van alle mensen’ is in het geding, inderdaad. Mensen van overal in de wereld, alle volkeren. Het gaat niet slechts om één standpunt dat op de agenda gezet wordt om kernenergie als acceptabele oplossing te promoten, maar om tal van samenhangende sociale vragen. En als de uitkomst zou worden dat kernenergie een kortetermijnoplossing zou kunnen bieden, dan moet dat bij voorbaat zó dat alle schadelijke effecten terug te draaien zijn naar echt natuurvriendelijke oplossingen.
      Niets onder de grond stoppen dus.



















maandag 8 november 2021

Wonen, taal en onbewuste indoctrinatie


Ik had het pas met iemand over de verleidelijkheid van het woord. Er wordt vaak zoveel gepraat dat de realiteit ondersneeuwt. Wat is er nog waar, waar gaat het om? Maar ach, zo ernstig is dit niet. Zeg je iets verkeerd dan volgt een kort excuus en wat er blijft hangen zien we dan wel weer.
      Maar taal, taal-constructies en taalfouten kunnen ook een indoctrinerende werking hebben. Hoor je iets steeds weer zeggen, op den duur doet men mee. Ook met vergissingen, ook met politieke standpunten die men tien jaar geleden beslist niet durfde in te nemen en nu bijna vanzelfsprekend lijken. Denk bijvoorbeeld aan de uitlatingen over ‘buitenlanders’ of over het nu als vanzelfsprekend bestaan van voedselbanken, waarvan het bestaan vroeger helemaal niet vanzelfsprekend was. Door er bijvoorbeeld in clichés over te spreken lijkt het bestaan ervan nog meer geaccepteerd, zonder dat een heldere doelgerichte politiek geboden wordt die ruimte geeft voor kritiek en tegenactie.

De woorden die herhaald worden gaan vaak ook over de toekomst en door de vele herhalingen wordt wat ongewenst was soms een gewoontezaak en worden dubieuze opvattingen verinnerlijkt.
    Een voorbeeld van dat risico zag ik in een Utrechtse krant. Daar las ik dat de gemeenteraad van Utrecht heeft ingestemd met de plannen voor de Merwedekanaalzone. En daarna stond er: ‘Dit betekent groen licht voor de bouw van 6000 nieuwe woningen in de nieuwe stadswijk Merwede, waarvan meer dan de helft betaalbaar. In de hele Merwedekanaalzone komen maximaal 10.000 woningen.’ Ook is er besloten over … etc. etc.

Lees je dit goed, wat staat er? De helft betaalbaar? Staat er dat er bijna 3000 woningen gebouwd gaan worden die ‘onbetaalbaar zijn’? Wie stemt daar mee in, wie is er blij?
    Of staat er dat het vanzelfsprekend is dat er bijna 3000 dure woningen komen? Is dat met de gekozen formulering geen verleiding door de taal? Namelijk dat je wel spreekt over betaalbare woningen, maar de impliciete uitspraak over de bouw van dure woningen verder niet uitspreekt?
      Moeten de minder rijke Utrechters nu blij zijn met de betaalbaarheid voor sommigen? Dan worden de feitelijk woningzoekenden wel domweg in twee even grote groepen verdeeld. Terwijl in de realiteit toch een grotere groep woningzoekenden met een kleinere portemonnee bestaat. Is het uiteindelijk geen als vanzelfsprekend gepresenteerde acceptatie van veel te veel dure, voor velen onbetaalbare woningen?
      Zo blijft het de vraag of de echt onbemiddelden in zo’n nieuwe mooie wijken mogen komen wonen. Voor wie is die echt? De acceptatie van een verschil, een klassenverschil, ligt voor de hand in de gekozen formuleringen. Als men dit dan vaak zó hoort kan het effect politieke indoctrinatie zijn. Hoe goed onbedoeld misschien ook.

Het draait hier natuurlijk ook om een simpele taalfout. Er wordt niet bedoeld dat er onbetaalbare huizen worden gebouwd. Maar wel dat ze niet alle 6000 bereikbaar zijn voor iedereen. Daarmee staat er eigenlijk toch we dat we het maar moeten accepteren dat er mooie woningen worden gebouwd, waar veel mensen nooit zullen kunnen wonen.
    Het blijkt maar weer eens hoe nauw de taal steekt. Herhaling van accenten vormt vaak de sluipende acceptatie. Wie in verzet komt tegen de woningnood moet dat voor ogen houden. Woningnood en uitsluiting van groepen is niet normaal. De meer dan 3000 woningen zijn dat op zich wel, maar vormen niet het hele verhaal. Misschien kan nog eens opnieuw naar de verdeling worden gekeken.














woensdag 3 november 2021

Zomaar een mooie jonge bontbekplevier


Het hele klimaat met alle discussies zal ook de rechtgeaarde klimaatactivist niet altijd plezieren. Wat een gepraat, wat is er toch een boel onzin. Gelukkig rukken al met al toch ook de serieuze discussies en de technologische inhaalslag op. Veel te laat natuurlijk, maar het moet … En lastig blijft het, het thema is zo groot, voor velen té groot, al kan – van de andere kant bezien – niet iedereen dát snappen. Nog meer te doen dus nog. Zoals in het onderwijs aan de kinderen die deel uitmaken van de pogingen tot redding van onze aardbol.

De blik op de natuur is natuurlijk niet altijd droevig. Of beter gezegd, vaak helemaal niet droevig. Trek er op uit en ontmoet je klimaat-maatje in de natuur zelf. Dat is leuk en dat hoort er ook bij. Meer inzicht verwerf je erdoor, dan zie je meer en meer óók de leuke dingen. Vaak de kleine mooie dingen.

Je kunt in de natuur heel vaak dicht bij het leven komen. Bij de de planten, de dieren en zeker ook de vogels. Doe dan rustig aan, de vogel is niet zomaar gevlogen. Dat bewees de jonge bontbekplevier die we tegenkwamen in de eb-waterlijn van Schiermonnikoog, een poosje terug. Net als de dribbelende drietenen vliegt zo’n bontbek pas weg als hij zich gestoord en bedreigd voelt. En zover moet je het niet laten komen. Rustig blijven staan, op gepaste afstand, foto’s maken door wat in te zoomen. Dus niet met drukke gebaren naar de vogel oprukken. Laat hem zijn gang gaan. De bontbek hier, inderdaad op Schier, hield zich ook aan deze principes. Wij hielden een beetje afstand, de vogel scharrelde vrolijk en ongestoord door. Het had wel een film kunnen worden over deze ene vogel. Maar hij was geduldiger dan wij, dus bleef het bij een paar mooie foto’s. Leve de mooie kanten van de natuur.

Die bieden we bij deze aan, namens de vogels, de dieren, de planten, de natuur, of kun je zeggen namens het klimaat? Dat klinkt niet. Dat klinkt pas weer als er snel heel veel gebeurt. Met dank dan van deze jonge bontbekplevier.




















zaterdag 30 oktober 2021

Het klimaat en de noodzaak van echt Verenigde Naties en Volkeren


Kun je eenheid en optimisme van mensen, volkeren, landen en werelddelen erin rammen? Het zou misschien wel moeten, maar als dit de enige toon is, zal het niet of verkeerd uitwerken.
    De nieuwe klimaattop van de Verenigde Naties in Glasgow heeft meer dan ooit voldoende wetenschappelijk materiaal om te beseffen op wat voor rampen de planeet afkoerst. Dat wil zeggen, voldoende om een drastische noodzakelijke eenheid te smeden. Termen als ‘Voor het te laat is …’ tellen hierbij niet meer. Pathetisch ‘Redden wat er te redden valt …’ klinkt al even slecht, want dat is een oproep, terwijl de mensheid al lang de schouders eronder had moeten zetten.

Vereniging van volkeren, het is meer dan een mooi doel, een bittere noodzaak. Niet alleen als theorie of voorgespiegelde technologische wetenschapsontwikkeling, maar als praktisch beleid dat al lang volop had moeten draaien.
      En de grote historische keizers indachtig, zie je dat eenheid en vrede genoeg in beeld komt, maar dan toch vooral als PAX USA, PAX China en parallelle vredesideeën van andere vermeende reuzen die drukdoende zijn bij alle verandering hun geopolitieke aspiraties te verwoorden. Je ziet dat de urgentie veel groter is dan de maatregelen die concreet worden verwoord, zoals die waarin eerst nog even het voormalige oude rijk moet worden hersteld, alvorens over te gaan op een beleid richting 0% uitstoot. Waarbij bovendien niet vergeten moeten worden dat oorlogen en oorlogsvoorbereiding, zoals de wapenhandel, ook fors bijdragen aan de vervuiling en de co2-uitstoot.

De samenhang van alle meespelende punten is sterk, groot en momenteel in veel opzichten rampzalig. De mogelijk extreem hogere zeespiegel of de verslechterde biodiversiteit raakt alle landen, ook die niet aan zee liggen of waar het land vooral uit bergen bestaat. En als – even burgerlijk calculerend – in Nederland gewezen wordt op de mogelijkheid van een nieuwe dijk om alle duinen en dijken heen vergeet men dat Caribisch Nederland dan allang verdronken is en dicht bij huis de kwel van het zoute water rustig maar effectief oprukt. En bovendien dat de hulp aan een ander verdrinkend estuarium – denk aan Bangladesh – dan eerst slechts louter op papier bestaat. Hoe je dat allemaal weet? Kijk eens naar de ‘hulp’ die de rijke landen (tot nu toe) gaven aan Afrika bij de bestrijding van het Coronavirus. Leerzamer kan het niet.

Glasgow en daarna. De nodige eenheid die echt werkt kan niet door geweld wordt afgedwongen. De heel hoog te stellen doelen die onvermijdelijk zijn vereisen een sterke internationale coördinatie. Die vergt een sterke eenheid van denken en praktische solidariteit.
      Dán kan het worden zoals het moet worden. Dat overstijgt ver slogans als ‘Je moet geven en nemen’. Iedereen moet geven, en lokale belangen moeten goed geïntegreerd worden in de internationale strategieën. Dit vergt een krachtige actieve vredespolitiek, tussen landen en ook in de straten en wijken waar het volk mee moet participeren in het klimaatbeleid. Solidair, de armoede overstijgen! Het vergt ook een eenheid van werkers en bedrijven, op een manier waarop het volk alle democratische ruimte krijgt, mits op het leven, de ecologie en de duurzaamheid gericht.

Het is niet ‘Alles of niets’, het moet alles zijn, maar ook alles in solidariteit en ecologische verantwoordelijkheid. En een eenheid van generaties. Jongeren snappen vaak beter waar het om gaat dan de ouderen. Wederzijds luisteren, spreken en samen handelen is dan de opgave. Mensen van alle landen verenig je!













 

donderdag 21 oktober 2021

De vermeende vrijheid van de enerzijdsen en de anderzijdsen

 
Komt het door de Corona dat de politiek meer dan ooit veel praat en weinig beslist of voor elkaar krijgt? Er heerst momenteel een raar sfeertje in de politiek. Waar gaat het heen? Staat de volgende pandemie al voor de deur of moeten we wachten op de afwikkeling van de klimaatcrisis voor de verdere implosie?
    Gepraat wordt er genoeg. De kranten geven beschouwing na beschouwing en elke dag lijkt de waarheid weer anders, en al helemaal niet in het midden te liggen. Sommige banken en andere Corona-profiteurs verdelen onder aandeelhouders royaal de verdiensten van afgelopen anderhalf jaar. ’t Was inderdaad een kunstje mee te surfen op de pandemie.

Gepraat wordt er intussen over een breed scala van opinies en elke idee blijkt met gemak zijn anderzijds op te roepen. Alles krijgt zo ruimte, maar het is vooral vlees noch vis. Kan er geen sociale regulering van de grote Techbedrijven worden gestart en de baten maatschappelijk verdeeld worden? Kan er geen zorgpersoneel geworven worden onder de overtollige maaltijdbezorgers? En het hoog noodzakelijke minimumloon van € 14,- per uur worden ingevoerd. Dat wil ‘iedereen’ toch, kan dat dan niet direct geregeld worden?
      Praten en opiniëren is toch geen doel op zich, in ieder geval toch niet het enige dat telt?

Het kabinet handelt intussen demissionairder dan ooit. Niet dus. Het lijkt erop dat die demissionairen deze status het liefst willen vasthouden zolang de vloedgolf van de toeslagenaffaire nog niet is weggeëbd. Br.! Veel te lastig op te lossen, net als andere heikele kwesties. Zo vraagt de burgemeester van Westerwolde – waar Ter Apel ligt – helder en acuut om steun voor de opvang van asielzoekers. Maar dan blijken die volkomen logische maatregelen ook van anderzijdsen in elkaar te zitten. Helderheid en actie zijn te veel gevraagd. Een flauw praatje op TV moet eerst maar weer eens de ‘oplossing’ bieden.
      Dan mogen de zojuist gearriveerde mensen op de grond slapen in het rijke Nederland. Welkom!? Waar de burgemeester wijst op 100% nood doet een staatssecretaris ‘beperkte’ toezeggingen. Wat zijn dat voor toezeggingen? Kan een ‘beperkte’ toezegging eigenlijk wel bestaan? Beperkt: het zijn zichzelf wegrelativerende toezeggingen. Net als bij de toeslagenaffaire. 100% ellende versus valse praatjes. Anderzijds-enerzijds.

De FNV, de vakbond, eist voor de komende verkiezingen van de Gemeenteraden met betrekking tot de armoedebestrijding, dat er geen bezuinigingen plaats vinden op het budget van dat armoedebeleid. Het moet niet gekker worden: hier moet kennelijk zelfs het reeds bestaande worden opgeëist.
      Nou ja, het bestaande, de WMO dwingt concurrentie van zorgtaken en personeel af. Inderdaad te gek voor woorden. We eisen kennelijk het redelijke op, omdat het onredelijke in de lijn der verwachtingen ligt. Door ervaring wijs geworden.

Internationaal gaat het ook zo ongeveer. Er bestaat er een soort halfbewapende gevechtspauze. Enerzijds veel spanningen, anderzijds vrede en handel. Vooral is de vraag: wie zal er in slagen de productieve kant van de verwachte klimaatmaatregelen op grote schaal in meerwaarde om te zetten? Met of zonder landjepik?
      Met argusogen wordt naar de naburige geo-concurrent gekeken. Landen als Polen proberen intussen van twee walletjes te eten, een beetje de half-Russische uiensoep en bij de andere helft voor de bühne misschien nog wat Europese vlaggen. Enerzijdsen en anderzijdsen genoeg.

Temidden van deze politieke warboel staat de persoon. Het individu dat wikt, weegt en dan maar moppert. Waarmee hij heel lang door kan gaan. Voor of tegen vaccinatie? Als het maar vrij gekozen kan worden, bemoei je niet met mij. Maar het is een vreemde vrijheid is een situatie die sociaal, pandemisch en klimatologisch tal van onvermijdelijke dwangmomenten kent. Daar vind je de basis van een goede afweging, niet in het gemopper.

Het wordt tijd dat de sociale én groene thema’s in één krachtig beleid ter hand worden genomen. De opsomming van punten met de hele wirwar van anderzijdsen vraagt erom. Vertrouwen in de politiek komt niet zomaar terug, maar er hoort één ‘enerzijds’ antwoord bij: de keuze voor een stevig beleid, waarin de prioriteiten ertoe leiden dat niet langer half Nederland pizza’s bezorgt terwijl er voor het meest noodzakelijke werk zoals onderwijs en zorg te weinig mensen zijn.
    Je zou er wat ouderwetse leuzen op willen plakken. Eist werk voor iedereen met een stevig en vast contract, inclusief minimaal € 14,- per uur voor ieder en ook nog een normale pensioenopbouw voor later. Voor de zorg, de armoedebestrijding, het onderwijs, de wederzijdse solidariteit. Dat zijn toch allemaal nuttige, zelfs noodzakelijke zaken.
      Als de salarissen goed zijn kan de energieprijs ook wel worden voldaan. Een nog wat hoger loon over de hele linie kan zeker helpen weer zicht te krijgen op het geheel. Omhoog maar met die salarissen in de zorg, het onderwijs en de horeca.

Sommige enerzijdsen hebben eigenlijk maar nauwelijks echte anderzijdsen. Ook al wordt er naarstig naar gezocht. Slechts een goede ethiek vindt dan de juiste uitweg. Zowel hiér als dáár!
      Wil ik nu beweren dat een zaak, probleem of dilemma slechts één relevante kant heeft? Dat zou – zo abstract gezien – onzinnig zijn. Eerder gaat het erom dat wat het zwaarst is ook het zwaarste moet wegen. Niet de smoes van het afwachten of de opgevoerde moeilijkheid hanteren, maar waar nodig resoluut en rationeel de beste kant te kiezen, uitleggen en doen.
      Liever een ethiek van actie, van handelen moet de boventoon voeren als het om echte kwesties gaat zoals hierboven aangeduid. Wat urgent is aanpakken. Dan krijg je wat nodig is. Een andere afloop deugt niet. ‘Dág cynisme, en húp, de scepsis overtreffen!’

 

 

 









vrijdag 15 oktober 2021

Steeds maar weer terugkomen op Palestina?


Van de vele conflicten en vormen van onderdrukking zijn sommige bepaald niet ‘publieksvriendelijk’. Zeker bij de heel langdurende conflicten, dan kijken velen liever een andere kant op. En ook als de onderdrukker zijn min of meer sympathieke trekken of sympathiek ogende punten voor het voetlicht weet te brengen.
      Zand in de ogen strooien. Juist daarom moeten al lang bestaande problemen, die nog steeds bestaan, steeds weer met kracht naar vormen worden gehaald. Het zwijgen niet accepteren.

Zo’n conflict, inclusief de onderdrukking die hier speelt, is de strijd van de Palestijnen voor eigen land. Het land dat jaren geleden van hen was, van wie is dat nu? Op basis waarvan? Actueel is – helaas! – steeds weer de strijd voor behoud van de restanten Palestijns land, en voor een betere, eerlijke en houdbare verdeling van alle Palestijnse en Israëlische land.
    Land, het is de grondslag van de macht, wie het land heeft bepaalt een groot deel van de macht.

Net als eerder, zoals vorig jaar, besteedt het informatieve The Rights Forum Nieuwsoverzicht van 5 oktober jl. veel aandacht aan de strijd van de Palestijnen voor hun land en hun grond. Want het is oogsttijd, de Palestijnse boeren moeten de olijven oogsten. Helaas blijkt opnieuw dat zij door Israëlische kolonialisten op alle manieren dwars worden gezeten. Alle manieren, ook grof geweld en de oogstende boeren met stenen bekogelen, het gebeurt herhaaldelijk, maar de Israëlische regering staat het toe. Hun soldaten staan er soms bij en kijken ernaar.

Het lijkt steeds zelfde liedje, als de boeren op hun land werken worden ze met alle mogelijke pesterijen en geweld geconfronteerd, en de Israëlische overheid kijkt toe. Het genoemde Nieuwsoverzicht geeft heldere, en vooral schokkende voorbeelden, zoals uit het hier volgende citaat blijkt.
    ‘Op 6 oktober staken Israëlische kolonisten een aantal olijfbomen in brand tussen de dorpen Jorish en Qudra, nabij de Israëlische nederzetting Majdolim. Daarnaast stal een groep kolonisten uit Har Brakha, een nederzetting in de buurt van de stad Nablus, olijven uit een boomgaard in Kafr Qalil. Op 8 oktober hakten kolonisten meer dan honderd olijfbomen om in Tarqoumia, ten noordwesten van Hebron.’
    Deze voorbeelden geven structureel geweld aan, dat precies lijkt op dat van vorig jaar. Inderdaad lijkt het alleen maar door te gaan. Zelfs schaapherders worden van hun weiden verjaagd, een grote smet op de vreedzaamheid dáár en overal, op de vreedzaamheid in het algemeen. Geweld tegen een schaapherder, durf je?

Al met al is er sprake van een ‘tactiek van de verschroeide aarde’. Het is de grond waarom het vooral draait. De grond = de sleutel, om te begrijpen waar men op uit is. En dat blijkt steeds weer een strategie waarin de olievlek van de Israëlische kolonialisatie steeds verder gaat. Een strategie die in stappen lijkt te worden uitgevoerd. Eerst plagen, dat harder pesten en geweld toepassen, dan de gewassen van de Palestijnse boeren verpesten. Daarmee wordt de angst die gezaaid wordt zo groot dat de grond ‘vrij’ komt en ingepikt kan worden, weer ruimte voor nieuwe kolonies. Deze groei van areaal grond is tevens een basis voor verdere machtsuitoefening.
    Weggepest van je land is weggepest van je identiteit en waardigheid.

Het zijn deels mijn eigen woorden, waarmee ik probeer dit smerige proces te begrijpen. Het Israëlische leger heeft hierbij de rol van bestendiging van de nieuwe vreemde macht. En waar het gaat om het inpikken van landerijen en landstreken en de Palestijnse oorspronkelijke bewoners steeds verder weg worden gedreven, zou de internationale gemeenschap met de vele duidelijke voorbeelden die er zijn zich veel duidelijker tegen dit geweld moeten keren. Israël eindeloos de hand boven het hoofd houden betekent het meten met verschillende maten.

Wat kunnen de Verenigde Naties, de landen en de wereld doen? Minimaal krachtig verbaal de mensenrechtenschendingen aan de orde stellen. Dat doet men elders op de wereld ook, maar selectief dus. Hetzelfde geldt voor een economische boycot, die kan veel algemener en massaler worden georganiseerd. Maar ik denk ook: blijf vooral ook praten en acties voeren. Praten met alle partijen.
      De volkeren van het Midden-Oosten zullen toch samen moeten leven, hoe moeilijk dat nu nog is. Dat zeg ik niet uit naïef optimisme, er is een lange weg te gaan. Maar de aarde is klein geworden en de klimaatproblemen raken iedereen, waar ook ter wereld. Dus op den duur is de keuze leven of sterven op deze aarde, en daarbij speelt de landbouw een voorname rol. Zo ook de Palestijnse boeren. Hun leven betreft uiteraard henzelf, maar moet ook in het grotere kader van de zo nodige duurzame ontwikkeling van de wereld worden bezien. Geweld en oorlogen zijn óók vervuiling.
      Zo valt er nog veel te leren. Inderdaad kan het niet anders: we moeten inderdaad steeds maar weer terugkomen op Palestina. Als feit, als voorbeeld en als de noodzakelijke bevrijdende solidaire beweging die zo broodnodig is.






Informatie zie: https://rightsforum.org/











 

zondag 10 oktober 2021

Ontbossing gezien door Marx - Onverbiddelijkheid, actie en gascrisis


– Uitputting van de bodem (zie Amerika), ontbossing (zie Engeland, Frankrijk en tegenwoordig Duitsland en Amerika), klimaatverandering en het uitdrogen van rivieren; dit alles voltrekt zich vermoedelijk in Rusland sterker dan ergens anders, vanwege de vlakke uitgestrektheid van het land die tot ongelooflijke waterstromen leidt, en vanwege het ontbreken van een alpien sneeuwreservoir, zoals dat de Rijn, de Donau, de Rhône en de Po voedt. –

Friedrich Engels


Onverbiddelijk en onvermijdelijk? Zie de vorige blogs over Marx en Engels. Hun boeken en brieven getuigen ervan dat zij in een vroeg stadium de lelijke keerzijde van de industrialisatie zien, de ontwikkeling van het industriële en van het financiële kapitaal.
    Dan is het nodig stil te staan bij die keerzijde en zo nodig de actie tegen de lelijke en slechte ontwikkeling te starten. Maar heeft dat zin bij iets dat ook het karakter heeft van een onverbiddelijke, onvermijdelijke, kennelijk onstuitbare tendens?

Maar zó denken Marx en Engels niet. Marx’ Het kapitaal is hun strijdschrift dat juist het vrijwel onvermijdelijke laat zien om machtige tendensen zo goed te begrijpen, dat de strijd ertegen, hoe moeilijk ook, gevoerd kan worden. Kennis als basis van macht, voor een proletariaat dat zowel aan de ontwikkeling van het kapitaal moet meewerken, áls het moet bestrijden en dan de basis moeten vestigen voor een andere, solidaire maatschappij.
    Voor de onverbiddelijke ontbossing is dat niet anders. Je moet deze ontwikkeling niet ontkennen, maar juist tot op de wortel begrijpen om de natuur en het leven te redden waar verlies dreigt.
    Anders gezegd, de grootste moeilijkheid moet je niet ontkennen maar deze erkennen als feit en deze duidelijk ‘miskennen’ als het enige ware perspectief.

Marx en Engels noemen in hun tijd al de klimaatverandering, zonder dat ze alle huidige vormen ervan al konden kennen. Maar zo moeilijk was dat ook weer niet. Vanuit de filosofie van Hegel zijn zij – Hegel overtreffend – denkers die vasthouden aan een ‘holistische’ visie, aan een inclusieve visie en in de actie aan solidariteit.
      De wetenschap van Marx, hoe onvolmaakt en onaf misschien ook laat die eenheid zien. Alles hangt niet zomaar samen, maar samen als strijd- en maatschappelijk perspectief, als solidariteit. Dan moet je de wereld benoemen zoals die is, en verbeteren zoals die moet zijn. Moeilijk of niet, het moet, daarin is Marx’ visie onverbiddelijk wetenschappelijk. Niet weglopen voor de feiten.

Nu, anno 2021, er een gascrisis dreigt, een tekort aan aardgas en brandstoffen, treedt er massaal vluchtgedrag op, inclusief een grote blindheid voor de alternatieven. Toch maar even weer gas oppompen uit Groningen? Niet doen: liever dealen met de noodzakelijke vermindering van de beschikbare middelen, werken aan vermeerdering van groene en veilige vormen. Niet zeggen, we wachten nog een jaartje langer, maar actie, doén. Het is niet erg of een ramp om een poosje in de kou te zitten, zolang die dragelijk is, en intussen te werken aan echte oplossingen. Dwars door de crisis heen, de welwillenden organiseren, vooruit!

Marx en Engels leren (o.m.) groter, breder, inclusiever, meer solidair te kijken in de grote maatschappelijke vragen dan gebruikelijk. Dát wat vaak zo versnipperd lijkt hoort wél bij elkaar. Ook de verdeling van rijkdom én de schaarse middelen. Ook een toekomstperspectief van echte leefbaarheid voor eenieder. Actie en denken, beide ineen.
    In de vorige twee blogs leken (voor de buitenstaander?) Marx en Engels het over betrekkelijk kleine vragen te hebben, gericht op de toekomst. Maar zij zien juist het verband met de grote. Het ‘proletariërs aller landen verenig je’ geldt ook voor deze kwesties, voor eenieder, voor gezamenlijke actie, rechtvaardigheid en een sociaal perspectief.

Je kun het ook anders zien. De grote dingen bestaan uit hun delen. Ontbossing betekent het einde van de bomen, dus de grote en de kleine, het bos, het hele Amazonegebied en de boom vlakbij in de straat. De schoonheid is in het geding en de werkelijk grote bedreigingen zijn aan de orde.
      Hieraan moet ik denken als ik kijk naar bomen vlak voor mijn neus, dichtbij en veraf, de bomen moeten gevrijwaard worden van de onverbiddelijke ontbossing.
      De Russische schrijver Konstantin Paustovski schreef eens een heel korte zin die dit alles omvat, een ware universele intuïtie: ‘Bossen zijn een wonder!’ (1)




Bronnen:
- Voor Karl Marx en Friedrich Engels, zie de vorige twee weblogs.
 - Konstantin Paustovski, De muziek van de herfst, Verzamelde verhalen, Samengesteld en vertaald door Wim Hartog, Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam 2021, p. 479.




















maandag 13 september 2021

Onverbiddelijke ontbossing (2)

 

Deze weblog is de tweede helft van een al wat ouder artikel van mij over de visie van Karl Marx en Friedrich Engels over de natuurlijke en sociale gevolgen van ontbossing. Deze ideeën zijn ongeveer 150 jaar oud en bevatten een duidelijke waarschuwing voor de toekomst. Dat is opmerkelijk wanneer je heden ten dage politici hoort kijven of ze wel of niet tijdig de klimaatcrisis hebben onderkend en men dan soms slechts zo’n 25 jaar terugkijkt.
    Wanneer je Marx en Engels niet als dogma leest, maar als een rijke reflectie op hun tijd van het opkomend kapitalisme en de gevolgen van die opkomst voor de toekomst, blijkt hun werk buitengewoon leerzaam voor het denken en het politieke debat van vandaag.
    Het eerste deel vind je in de vorige weblog. Het artikel is eerder verschenen in mijn boek uit 2005, 'Marx, zó gelezen'. (1) Onderstaande tekst sluit direct aan op het eind van vorige weblog.


Onverbiddelijke ontbossing (vervolg)

Ontbossing komt bij Marx en Engels voor als de antithese van de oudere landbouwcultuur en economie, als de tegenspraak tot vroegere ‘natuurlijke’ verhoudingen tussen boeren, landbouw, cultuur, landschap en natuur. De ontbossing is in de economische geschiedenis kennelijk een (helaas) noodzakelijke ontwikkeling. Misschien niet noodzakelijk in de zin dat het – van afstand beschouwd – nooit anders zou kunnen. Maar elk ten aanzien van deze kwestie genoemd land kent in een bepaalde fase van zijn economische ontwikkeling de ontbossing. Overal zien Marx en Engels de voorbeelden. In een dergelijke fase overheerst een direct gevoeld sociaal-economisch belang om te ontbossen: om te bouwen, voor brandstof en om meer land te ontginnen en dat grootschaliger aan te pakken.
    Deze antithese is een fase in een langere ontwikkeling. Dit betekent dat Marx en Engels die niet als het einde van de ontwikkeling zullen zien. Inderdaad suggereert Engels – in een niet afgemaakte tekst – dat de Spaanse planters die Cuba ontbosten wel voor een generatie welvaart brachten, maar dat er in de toekomst heel iets anders moet gebeuren. (2)

Interessant is in dit verband, dat wanneer Marx in het derde deel van ‘Het kapitaal’ de voor het kapitalisme wetmatige tendens van daling van de winstvoet beschrijft, hij ook kort de ontbossing als mogelijke medeoorzaak hiervan aanduidt. (3) Bedoelde tendens hangt samen met de arbeidsproductiviteit. De productiviteit van de arbeid is, meent Marx dan, mede afhankelijk van natuurlijke voorwaarden. Het kan voorkomen dat deze voorwaarden naar verhouding minder gunstig worden onder invloed van een toegenomen productiviteit, die op basis van maatschappelijke voorwaarden en de technologische ontwikkeling mogelijk wordt. De natuurlijke voorwaarden kunnen bijvoorbeeld minder gunstig worden door de technisch mogelijk gemaakte snelle ontbossing. Dus door de toegenomen productiviteit op het ene vlak – hier de effectieve ontbossing –, kan de arbeidsproductiviteit elders – zoals hier in de landbouw – een negatieve tendens vertonen, omdat per saldo de natuurlijke voorwaarden te veel zijn verslechterd.
    Met een simpel voorbeeld zou je misschien kunnen zeggen dat door enige ontbossing en het gelijktijdig produceren van betere machines deze het nieuwe land effectiever kunnen bewerken en de meerwaarde op basis van de daarmee verrichte arbeid groeit. Maar dat als in de daaropvolgende periode nog meer land wordt gewonnen en dit door deze ontbossing eerder uitdroogt, erodeert en dus de vruchtbaarheid afneemt, met de verrichte arbeid met de ongetwijfeld inmiddels ontwikkelde nog betere machines mogelijk niet meer, maar integendeel minder productieve meerarbeid kan worden verricht. Dan wordt er dus per saldo minder productieve arbeid verricht en komt er een lagere opbrengst van het land, dan op grond van alleen de maatschappelijke en technologische voorwaarden verwacht kon worden. Door de verslechterde natuurlijke voorwaarden daalt hier verhoudingsgewijs de gerealiseerde meerwaarde.
    Overigens zullen in dit soort situaties veel meer factoren meespelen, waardoor de opbrengsten en winst per saldo of relatief kunnen stijgen of dalen. Misschien kunnen de in dit voorbeeld deels nutteloze machines toch elders weer nuttig worden ingezet, zodat er tijdelijk weer een meeropbrengst kan worden gerealiseerd. De trend is echter duidelijk. Als de natuurlijke voorwaarden onder druk staan werken deze contraproductief. De ontbossing als antithese is inderdaad een fase in een ontwikkeling waarin nog lang geen goede balans is gevonden.

De antithese moet worden opgeheven. Er is een natuurlijke en maatschappelijke grens aan zinvolle ontbossing. Dus moet er worden bebost. Ontbossing is of was onafwendbaar in een bepaalde historische fase, maar daarmee is het verhaal niet uit. De kapitalistische expansie stuit op zowel natuurlijke, economische, sociale als politieke grenzen. De opheffing van de antithese is dus een vérstrekkende daad, verder reikend dan een pleidooi voor de stop van ontbossing alleen. Sociale en economische structuren moeten beter dan nu aansluiten bij een rationele omgang met de natuurlijke omgeving. Wanneer dat nog niet lukt zal strijd voor een beter milieu steeds een heen-en-weer kennen, een permanente pendule van succes en falen. Successen wisselen dan af met falen en er bestaat dan vooralsnog een dominantie van kortetermijnbelangen. Het risico bestaat dan dat in kort tijdsbestek veel wordt verwoest, waar lange tijd nodig zal zijn voor herstel.
    In die zin kun je de ontbossing ten tijde van het leven van Marx en Engels en ook de latere inderdaad onverbiddelijk noemen. Het is een moeilijk te stoppen proces, dat uiteindelijk mede door sociale revolutie zal moeten worden gestopt en omgekeerd. Voorbeelden uit de dagelijkse praktijk laten dat zien. Wanneer armoede in landen als Indonesië en Brazilië leidt tot ontbossing, hoe kan die dan stoppen, wanneer de economische structuur van het land deze mensen nog niets te bieden heeft?





Bronnen

(1) Zie Jasper Schaaf, Marx, zó gelezen, Uitgeverij Damon, Budel 2005, pp. 101-106.

(2) Zie F. Engels, Anteil der Arbeit an der Menschwerdung des Affen, (onafgemaakt concept, waarschijnlijk uit 1876), in K. Marx, F. Engels, Werke, deel 20, Berlin DDR 1975, p. 455.

(3) Zie K. Marx, F. Engels, Werke, deel 25, Berlin DDR 1983, p. 270. Marx schrijft hier dat de arbeidsproductiviteit ook aan natuurlijke voorwaarden is gebonden, en noemt naast andere oorzaken de ‘Erschöpfungen von Waldungen’.







Karl Marx (1818-1883)











zaterdag 11 september 2021

Onverbiddelijke ontbossing

 

Je hoort soms de klacht: Karl Marx, Friedrich Engels en de vroegere socialisten hadden weinig aandacht voor het milieu. Nu kun je dat afdoen met de dooddoener, dat dit in hun tijd weinig speelde. Gelukkig zijn zulke dooddoeners niet nodig. Kijk bij Friedrich Engels en zie zijn artikelen en boeken waarin de vervuiling van de grote industriesteden aandacht krijgt. Maar ook Marx kent in zijn werk aandacht voor de natuur, sterker nog hij vooronderstelt de werkingen van de natuur steeds in zijn sociaal-materialistische maatschappijtheorie. Ook had hij een enorme waardering voor het werk van Charles Darwin. Marx en Engels lezen Darwins ‘Het ontstaan van soorten’ meer dan eens en spreken er vaak met elkaar over. Marx noemt dat boek ‘ganz famos’, schitterend.
    Het IPCC-rapport helpt hopelijk de twijfelaars en wegkijkers van de enorme bedreigingen van de natuur te overtuigen van de toestand waarin de aarde zich bevindt. Dat is een goed moment om stil te staan bij de aandacht voor de natuur bij Marx en Engels. Beiden volgenden intensief de natuurkunde en biologie van hun tijd, en zagen allerlei verbanden met de maatschappelijke ontwikkelingen.
    Deze aandacht – beslist niet alles wat er te vinden is – wordt hier in drie delen verdeeld. Twee keer een blog die samen een artikel vormen, uit mijn boek ‘Marx, zó gelezen’ (uit 2005; 1) En binnenkort nog een blog met enkele opmerkingen naar aanleiding van het kort geleden verschenen IPCC-rapport.


Onverbiddelijke ontbossing (1)

– Uitputting van de bodem (zie Amerika), ontbossing (zie Engeland, Frankrijk en tegenwoordig Duitsland en Amerika), klimaatverandering en het uitdrogen van rivieren; dit alles voltrekt zich vermoedelijk in Rusland sterker dan ergens anders, vanwege de vlakke uitgestrektheid van het land die tot ongelooflijke waterstromen leidt, en vanwege het ontbreken van een alpien sneeuwreservoir, zoals dat de Rijn, de Donau, de Rhône en de Po voedt. –

Friedrich Engels


Haïti in 2004, rivierdalen in Frankrijk en Italië enkele jaren eerder: wie herinnert zich niet de beelden van plotselinge overstromingen na hevige regen, waarin huizen en auto’s wegspoelen, en er mensen verdrinken? Als oorzaak wordt naast klimaatverandering altijd weer gewezen op ontbossing, die de erosie versnelt. Bosrijke gebieden met een natuurlijke ondergrond houden water vast zodat niet alles ineens wegspoelt, en leiden tot een vrij regelmatige toestroom naar beken en rivieren, waardoor er langer water in het stroomgebied aanwezig is. Water wordt zo natuurlijker gespreid in ruimte en tijd.
    De menselijke omgang met de natuur en vooral de sociaal-economische ontwikkeling die bij de opkomst van het kapitalisme een stroomversnelling kent, hebben geleid tot een historische wetmatigheid: ontbossing. Het gaat dan niet zozeer om een langzame ontbossing in ruimte en tijd, maar om een snelle houtkap om grond, stookhout voor machines of bouwhout voor schepen en huizen te verkrijgen. Het economisch en ecologisch inzicht ontbreekt aanvankelijk, of is onvoldoende sterk gemobiliseerd, om het wat rustiger aan te doen met de houtkap en voldoende opnieuw te bebossen. Het resultaat is, zoals Engels het noemt, onverbiddelijke ontbossing.

Marx en Engels zijn in hun tijd getuige van dit proces, vooral in de industrialiserende landen. Zij noemen landen als Engeland, Frankrijk, Italië, Duitsland, Amerika, Cuba en ten slotte Rusland, waar dit proces nog aan het begin staat. Nadrukkelijk noemen zij meer dan eens de erosie en de vernietiging van natuurlijk evenwicht, en situeren de ontbossing in de geschiedenis van de cultuur en de economie.
    Zelf is Marx ook getuige van dichtbij. In de latere fase van zijn leven heeft hij wat meer financiële en politieke armslag. Hij kan dan makkelijker vanuit Engeland Duitsland bezoeken. Zo reist hij van 19 augustus tot 21 september 1874, samen met zijn dochter Eleanor, voor de eerste keer naar het Kurort Karlsbad.
    Op 19 augustus schrijft hij Engels direct een brief. Kennelijk hebben ze het vaker over ontbossing gehad, want Marx doet hierover een korte mededeling aan Engels, duidelijk aannemend dat deze de opmerking gelijk goed weet te plaatsen. Marx beschrijft dat bij droogte in Karlsbad er een tekort aan water bestaat. (2) Door de ontbossing is dit gebied in een toestand geraakt waarbij in regenachtige tijd alles overstroomt, wat in hete tijden snel verdroogt. (…)

Zeker op een tiental plaatsen in hun geschriften komt de ontbossing ter sprake. De sociaal-economische en agronomische ontwikkeling is kennelijk zo onstuitbaar, dat de meeste landen een fase kennen waarin de ontbossing rigoureus wordt doorgezet, alle nadelige gevolgen als erosie van landbouwgrond en overstromingen ten spijt. Deze nadelen worden duidelijk al gezien, niet alleen door Marx en Engels, maar ook door anderen, blijkens de literatuur die zij lezen.
    Marx haalt bijvoorbeeld instemmend de botanicus en agronoom Karl Nicolaus Fraas aan, die in een boek uit 1847 een historische benadering geeft over klimaat en plantenwereld. (3) Volgens Marx is Fraas al voor Darwin darwinist door zijn historische benadering van het ontstaan van soorten. Fraas beschrijft hoe de door de boeren geliefde bodemvochtigheid verloren gaat bij een bepaalde graad van cultuurontwikkeling, met als gevolg een verplaatsing van plantensoorten van zuid naar noord en het ontstaan van steppen. De eerste gevolgen van het in cultuur brengen van land zijn nuttig, maar leiden daarna tot erosie, met name door ontbossing.

Als een ontwikkeling onverbiddelijk is, zullen meestal ook nieuwe landen die omhoog gestuwd worden in de vaart der volkeren, dezelfde fouten gaan maken. Engels schrijft in 1892 diverse brieven aan Nicolai Franzewitsch Danielson in Petersburg. Hij gaat hierbij in op de Russische situatie, waarover hij in 1893 ook schrijft in 'Kan Europa ontwapenen?' (4) Over Rusland zegt hij dat door de onverbiddelijke, schaamteloze (rücksichtslose) ontbossing de voorraadkamers van de bodemvochtigheid zijn verdwenen. Hierdoor wordt het regen- en smeltwater veel te snel afgevoerd, een ramp voor de boeren. Oorzaken van misoogsten zijn daardoor voor een deel of helemaal van sociale aard, stelt Engels. (5)
    In de kapitalistische landen voltrekt zich een snelle economische ontwikkeling in steden, dorpen en op het platteland, die ook de landbouw diept raakt. Dit proces begint op dat moment ook in Rusland grotere vormen aan te nemen en de gevolgen zullen enorm zijn. Engels voorziet: ‘Uitputting van de bodem (zie Amerika), ontbossing (zie Engeland, Frankrijk en tegenwoordig Duitsland en Amerika), klimaatverandering en het uitdrogen van rivieren; dit alles voltrekt zich vermoedelijk in Rusland sterker dan ergens anders, vanwege de vlakke uitgestrektheid van het land die tot ongelooflijke waterstromen leidt, en vanwege het ontbreken van een alpien sneeuwreservoir, zoals dat de Rijn, de Donau, de Rhône en de Po voedt.’ (6)
    Deze Russische ontwikkeling zal ook politieke gevolgen hebben. In een (ontwerp van een) brief aan Charles Bonnier schrijft Engels dat Rusland zijn alliantie met Frankrijk nodig heeft. (7) Want mocht het erop aankomen dan heeft Rusland onvoldoende middelen om een oorlog zelfstandig te kunnen voeren. Rusland, zo meent Engels, is ‘uitgeput door de sociale desorganisatie als gevolg van de economische veranderingen die het sedert 1861 doormaakt, door de onverbiddelijke ontbossing, door de ruïnering van de landbouweconomie en huisindustrie van de boeren, en door de hongersnood en de cholera. (…)’ Rusland staat als het alleen is op dat moment zwak in de Europese politiek.
    Een vlak land heeft niet onvoldoende water door alleen zijn uitgestrektheid. Wanneer echter door ontbossing veel van het bestaande waterreservoir verdwijnt, voeren de bestaande brede rivieren van Rusland het water des te sneller af en neemt de uitdroging verder toe.


(Wordt vervolgd)



Bronnen

(1) Zie Jasper Schaaf, Marx, zó gelezen, Uitgeverij Damon, Budel 2005, pp. 101-106.

(2) Zie K. Marx, Brief aan Engels, 19 augustus 1876, in K. Marx, F. Engels, Werke (MEW), deel 34, Dietz Verlag, Berlin DDR 1973, p. 24.

(3) K. Marx, Brief aan Engels, in MEW, deel 32, Berlin DDR 1973, pp. 52-53. Karl Nikolaus Fraas leefde van 1810-1875. Hij was o.m. botanicus en agronoom, en hoogleraar te München. Fraas schreef meerdere boeken. Marx duidt hier op Klima und Pflanzenwelt in der Zeit, Ein Beitrag zur Geschichte beider, Landshut 1847.

(4) Met betrekking tot Rusland, zie MEW, deel 22, Berlin DDR 1977, p. 391. Zie ook deel 38, Berlin DDR 1974, pp. 305, 365-366 (aan N.F. Danielson), 500 (aan C. Bonnier) en deel 39, Berlin DDR 1978, p. 149 (aan Danielson).

(5) Zie MEW, deel 38, p. 305.

(6) F. Engels, Brief aan Nikolai Franzewitsch Danielson, 18 juni 1892, in MEW, deel 38, pp. 365-366.

(7) Zie MEW, deel 38, p. 500.





Friedrich Engels (1820-1895)









zondag 5 september 2021

Wladimir Lenin over Afghanistan


Wladimir Lenin, zijn politiek en zijn theoretische geschriften, ze zijn voor mij niet heilig. Wanneer in linkse kringen het falen van de USSR wordt besproken, worden de kritische opmerkingen soms gereserveerd voor de periode ná Lenins dood. Deels terecht misschien, maar ook bij Lenin zelf zijn strategisch- politieke, machtspolitieke, ethische en economische factoren aan te wijzen die bijgedragen hebben de opbouw van een sterke democratische socialistische staat te blokkeren.
    Korter kan ik het niet zeggen. Het gaat me echter hier niet om deze kritiek op de USSR, de oudere socialisten hebben ook veel leerzaams te bieden, zo ook Lenin.

In mijn boek ‘Marx, zó gelezen’ uit 2005 schreef ik een stukje over Wladimir Lenin en zijn toenadering van Afghanistan. In dat land was de Britse poging tot overheersing om er een imperialistische bufferstaat van te maken schromelijk mislukt. De Britten werden door de Afghanen verslagen in de Brits-Afghaanse Oorlog van 1919. Lenin denkt hier heel positief over en wil de contacten tussen Afghanistan en de USSR aanhalen.

Hier volgt een deel van mijn tekst uit 2005, een beetje aangepast, zeker niet perfect toepasbaar op het heden en ongetwijfeld inhoudelijk ook wel voor verbetering vatbaar. Maar dat koloniale en imperialistische (materiële én morele) overheersing altijd weer eindig blijken, zegt veel over de actualiteit.
    Uit deze tekst ‘Lenin over Afghanistan’:


‘In de discussie in de arbeidersbeweging van de Tweede Internationale vertolkt Lenin het standpunt dat volkeren in hun vrijheidsstreven moeten worden gesteund. Hij volgt hierin direct Marx, die meer dan eens aangeeft dat volkeren die andere onderdrukken zelf nooit vrij kunnen zijn. Al in een vroeg werk – over ‘het joodse vraagstuk’ – spreekt Marx uit dat sociaal-maatschappelijke en politieke vrijheid, en politieke emancipatie de basis vormen voor culturele, morele en religieuze emancipatie. (1)
    Binnen de socialistische Tweede Internationale was dit standpunt niet vanzelfsprekend. Zo bestond bijvoorbeeld het standpunt dat koloniaal onderdrukte volkeren eerst mee moesten profiteren van de bevrijding van de arbeidersklasse, alvorens ze zelf vrij zouden kunnen worden. Het voltrekken van de geschiedenis werd dan schematisch opgevat. Alsof in de geschiedenis en de klassenstrijd alles in een vaste en duidelijke volgorde plaatsvindt. Vergeten wordt dan ook dat het vrijheidsstreven van volkeren en burgers een enorme bijdrage kan vormen in de beweging van bevrijding van de arbeidersklasse en de mensheid in het algemeen. Dit vrijheidsstreven gaat bovendien samen met het verlangen het eigen leven zelf in te richten en heeft dus ook al de sociaaleconomische componenten in zich, die Marx als basis ziet voor elke emancipatie.

Lenin volgt Marx’ gedachtegang. Volkeren die hun eigen zelfstandigheid bevechten en zo een basis leggen voor verdere emancipatie, verdienen steun. Zijn pleidooi voor het zelfbeschikkingsrecht van volkeren en naties legt in de praktische politiek tal van moeilijke vragen bloot. Sommige volkeren uit het tsaristische rijk keerden zich immers met hun onderdrukkers tegen de Sovjetstaat, en werden van potentieel bondgenoot tot vijand. Dat was voor Lenin echter nog geen reden zijn standpunt op te geven. Hij zag de (werkelijke) onafhankelijkheid van volkeren als steun voor de eigen strijd van de arbeidersklasse tegen kapitalisme en imperialisme.

Dat dit ook in moeilijke tijden het geval was blijkt uit Lenins brief van 27 november 1919 aan de emir van Afghanistan, Aman Ullah Khan. Afghanistan had zich de jaren ervoor vrijgevochten van de Britse onderdrukking. Vanuit het bezette India had Groot-Brittannië getracht ook Afghanistan te beheersen, maar was verslagen. Hierdoor werd Afghanistan een onafhankelijk land.
    Op 27 mei 1919 hebben Wladimir Lenin en Michail Kalinin namens de jonge federatieve socialistische Sovjetrepubliek Aman Ullah een begroeting gestuurd. (2) Zij prijzen het onafhankelijke Afghaanse volk dat zijn vrijheid heeft verdedigd tegen de buitenlandse onderdrukkers, waarmee in de eerste plaats het Britse imperialisme wordt bedoeld. Kalinin en Lenin juichen versterking van de Russisch-Afghaanse betrekkingen toe. Dit betekent meer dan een morele steun op afstand. Wederzijdse hulp kan aanslagen verijdelen van buitenlandse rovers op de vrijheid en de eigendommen van ‘beide grote volkeren’.

In de Pravda en de Izwestia van 17 oktober verschijnt het bericht dat een Afghaanse delegatie Lenin heeft bezocht. (3) De politieke verklaring liegt er niet om. Lenin vraagt de steun van het islamitische oosten in de strijd van de Sovjetmacht tegen het westerse imperialisme. De Afghaanse delegatie bevestigt deze inzet: het uur zal niet ver meer zijn dat de hele wereld zal zien dat er voor westers imperialisme in het oosten geen plaats meer zal zijn.

Afghanistan neemt volgens Lenin een belangrijke plaats in de geschiedenis in: ‘Tegenwoordig is het opbloeiende Afghanistan de enige onafhankelijke islamitische staat ter wereld, en het noodlot schenkt het Afghaanse volk de grote historische opgave om alle onderdrukte islamitische volkeren om zich heen te scharen en hen op de weg naar vrijheid en onafhankelijkheid te begeleiden.’ (4)
    Dat is niet niets. Nu, zo’n honderd jaar later weten we hoe ingewikkeld de politieke geschiedenis is, met al haar mooie glorieuze momenten en haar verdrietige fouten en grote tegenslagen.

Marx en Lenin menen dat in vrijheid de volkeren zelf hun religie moeten bepalen. Vrijheid maakt gesprek en discussie mogelijk. In die discussie kunnen marxisten hun standpunten over religie en levensovertuiging inbrengen. Dat is heel wat anders dan de omgekeerde weg bewandelen: volkeren onderdrukken en uitbuiten en bijvoorbeeld om belangentegenstellingen te verdoezelen tegelijk maar klagen over hun vermeend gevaarlijke religie.
    Veel islamitische volkeren en culturen werden al eeuwenlang door koloniale en imperialistische mogendheden onderdrukt, uitgebuit en vernederd. Vernedering roept een haat of afkeer op die pas na vele, misschien zelfs honderden jaren weer zal kunnen verdwijnen.
    Na eeuwen van onderdrukking van deze culturen is er slechts één goede weg: erkenning, vrijheid, welvaart, bevordering van handel en het respectvol onderhouden van contacten. Zonder dat zal de emancipatie van de islamitische cultuur een fictie blijven. Dit raakt ook de westerse cultuur. Grof geweld in Irak en het vernederen van moslims in westerse landen bedreigen niet alleen de Irakezen en Afghanen, maar ook alle andere naties die hierbij betrokken zijn.
    Lenin ziet een grote historische opgave, die bestaat in de lange weg naar vrijheid en onafhankelijkheid. Vrijheid en onafhankelijkheid kunnen niet door vreemde mogendheden worden opgelegd.’


Tot zover gedeelten uit mijn tekst uit 2005. Deze tekst en de actuele politieke crisissituatie in Afghanistan en onder het Afghaanse volk tonen aan dat de vrijheid in het geding is. Zelfs heel de betekenis van de term vrijheid en de daadwerkelijke toepassing ervan spelen mee. Denk maar eens aan situaties waarin het inperken van reële mogelijkheden voor verdere emancipatie met mooie woorden gepaard gaat.
      Een imperialistische mogendheid beïnvloedt het onderdrukte land niet alleen met materiële middelen, maar ook met het ideële betoog dat gepropageerd wordt. En dat gebeurt nog heftiger in de situatie waarin de bezetter er met de staart tussen de benen vandoor gaat. Dat speelde en speelt ook bij de Verenigde Staten en bondgenoten. Ze kunnen nobele doelen benoemen van de bezetting, en die kunnen ook reëel meespelen, maar het is niet het vrije volk dat daarover heeft kunnen debatteren en beslissen.
    De situatie wordt dan – en ook nu – dat er verschillende vormen van vrijheid, denken over vrijheid en ontwikkelingsmogelijkheden ontstaan. De nieuwe vrijheden kunnen mooi en belangrijk zijn, de tweedeling in een dergelijke samenleving is en blijft voorlopig extreem groot. De bezettende mogendheid kan weliswaar uiteindelijk verliezen, de opheffing van de tweedeling van interpretaties van vrijheid, religies en politieke macht is nog heel ver weg. Waar steeds een deling van goed en kwaad is verabsoluteerd, is de eenheid ver te zoeken.
      Kortom een imperialistische politiek, ondanks alle opsmuk van mooie woorden dat het ‘goed is voor het land en de democratie’, heeft een funeste uitwerking, jaren of generaties lang.

Zo is er geen simpel gelijk van het één of het andere in zo’n wirwar van denken, repressie, beïnvloeding, en reële (on)mogelijkheden. Het vraagt na de ‘bevrijding’ om een enorme inzet en vooral geduld, het tonen van welgemeend respect. De oplossing die Europa nu bedenkt van opvang in de regio, die dus alle Afghanen buiten Europa wil houden is vér verwijderd van een dergelijke respectvolle aanpak. Het is totaal respectloos, het dienen van het egoïstische eigenbelang.
    Hier zullen velen menen dat dit beeld te zwart is, want er wordt toch een bezetting én een oorlog gestaakt? Maar de bijbehorende ruimhartige erkenning van de noodzaak van een idee van moreel en materieel schadeherstel ontbreekt bij het feitelijk harde rechtse standpunt in de VS en Europa.

De macht weer ‘terug bij het volk’ is niet automatisch een garantie voor het goede en de vrede. Zeker niet op het gebied van de religie, wanneer tegelijk vrijheid voor iedereen én de specifieke uitwerking van de menselijke waarden in één visie of een beperkt aantal visies aan de orde zullen komen. Ook wat dat betreft zijn levendig contact, samenwerking en ondersteuning essentieel. Niet alleen om nu mensenlevens te redden, maar om een respectvolle lange-termijn uitweg te vinden, die traditie én vooruitgang respecteert, waarbij het aldus moet gaan om de meest moeilijke uitersten vreedzaam te verenigen op een hoger niveau, dan wat nu gangbaar is.
    De vragen en diepe tegenstrijdigheden die hierbij ontstaan hebben alles te maken met de totaal mislukte poging een staat ‘naar beeld en gelijkenis’ van een westerse staat te maken. Door die vorm van betrokkenheid zijn de VS en Europa nu medeverantwoordelijk voor de nasleep, terwijl ze tegelijk niet mogen inmengen. Hoe kan dit samengaan? In ieder geval door wel in te staan voor de mensen die door alle onrust en geweld in de knel zijn gekomen, en waar dat nog gaat gebeuren. Solidair zijn en dat ook daadwerkelijk blijven. Dus precies verhinderen, niet doen wat Europa nu al probeert jegens nieuwe vluchtelingen, namelijk allerlei onhaalbare voorwaarden stellen en weigeren vluchtelingen op te nemen. Wégkijken is dat.

Imperialisme houdt onder meer een simplistisch denken over ‘de ander’ in, en het daardoor ontstaan van angst die vervolgens nog meer nieuwe onderdrukking oproept. Een botweg afkeren van Afghanistan is daarom het slechtste wat men kan doen. Dat ziet Lenin kennelijk ook. Hij meent daarbij dat de nieuwe natie een eigen internationale rol zal gaan spelen, gericht tegen imperialisme. Een rol die in ieder geval zó benaderd moet worden dat de vrede en de welvaart erdoor versterkt worden.
    Imperialisme kan succesvol lijken, tijdelijk misschien. De imperialistische machtsstrategie heeft echter beslist niet het eeuwige leven. Gelukkig maar. En deze kennis vraagt om een politiek van toenadering en erkenning van de zelfbeschikking. Dit óók om de angsten te overwinnen, daarmee levens te redden en de ontwikkelingsmogelijkheden van een vreedzame materiële basis te voorzien.
    We maken gewild en ongewild samen een verhaal dat nog lang niet af is.





Bronnen
- (1) - Zie K. Marx, Zur Judenfrage, in K. Marx, F. Engels, Werke, deel 1, Dietz Verlag, Berlin DDR 1974, o.m. pp. 348-351 en 369-370. Ned. vert. K. Marx, Over godsdienst, staat en het joodse vraagstuk, Pegasus Amsterdam 2e druk 1979, zie o.m. pp. 49-52 en 75-77.
- (2) - Zie W.I., W.I. Lenin, Briefe, deel V, oktober 1917-juni 1919, Dietz Verlag, Berlin DDR 1968, pp. 380-381.
- (3) - W.I. Lenin, Werke, Ergänzungsband, oktober 1917-maart 1923, (naar de vierde Russische uitgave), Dietz Verlag Berlin DDR 1971, pp. 130-131
- (4) - W.I. Lenin, Brief an den Emir von Afghanistan Aman Ullah Khan, 27 november 1919. In Jahrbuch für Forschungen zur Geschichte der Arbeiterbewegung 2003/III, Berlin, pp. 120-121.


Bovengenoemde tekst staat in: Jasper Schaaf, Marx, zó gelezen, Uitgeverij Damon, Budel 2005, pag. 55-58. Het boek is nog bij de uitgeverij of de boekhandel te bestellen.





W.I. Lenin














zondag 29 augustus 2021

Meer eenheid op links? Je kunt het ook nooit goed doen in dit land ...


GroenLinks en de Partij van de Arbeid spreken af elkaar stevig bij de hand te houden als het gaat om de kabinetsformatie. Niet onlogisch in het parlement. Geen mens kan nog ontkennen dat er dringende sociale vragen en bovendien het hele klimaat aan de orde zijn. Elke bijdrage aan meer stevige politieke standpunten en massa-acties zijn welkom, neen, noodzakelijk.

Maar wat een gemekker in dit land als het thema ‘de linkse eenheid’ aan de orde komt. Zie de kranten en wat een visies, de ene journalist weet het nog beter dan de andere. Terwijl het toch zo moeilijk niet is.
      Om politiek gewicht te krijgen zijn macht en massa nodig, daar loopt de politicus tegenaan wanneer de kiezer hem/haar met weinig macht bekleedt maar wel voor grote structurele opgaven stelt. Dan staan verschillende wegen open, zoals meer en hechter samen te werken op links.

Wanneer je dan die afslag neemt zijn er nog verschillende opties open. Bijvoorbeeld soms de mislukking accepteren en zeggen dat je het inderdaad maar niet zo moet doen.
      Of liever omgekeerd, juist geen mislukking accepteren en werken aan meer massa, zoals massa-acties voor sociale gerechtigheid en hogere lonen, en ondersteund door die actie met vakbonden, partijen en organisaties sterkere standpunten en visies ontwikkelen.
       En dát standpunt, wie is daarvoor verantwoordelijk? Daar wringt hem de schoen. De politici die proberen van de eenheid iets te maken krijgen vanuit de media (etc.) emmers vol ‘beren op de weg’ mee, alsof zij dat allemaal op hun eentje zouden moeten oplossen. Alsof politiek slechts door die krantensnippers wordt bepaald.

Dergelijke posities moeten overstegen worden. De linkse politiek van GroenLinks, PvdA, SP, BIJ1 (enzovoort) moet worden aangejaagd door acties, jongerenbewegingen, vakbonden enzovoort. Je kunt politiek nooit alleen maar overlaten aan enkele individuen, maar moet hen ondersteunen, inhoudelijk en door versterking van het politieke gewicht. En dus acties voeren tegen het rechtse neoliberalisme dat in de Nederlandse en Europese politiek nog altijd stevig de boventoon voert. ‘Een week staken tegen Rutte’ bijvoorbeeld.

In mijn boek ‘Actief socialisme en vrijheid’ pleit ik op basis van de machtsanalyses van vroegere filosofen en politici – Karl Marx voorop – voor hechtere samenwerking van links. Twee politici in de Kamer krijgen die alleen niet voor elkaar, maar een maatschappelijke actie en steun voor een dergelijke lijn wél.
      Daarom zul je mij geen cynische opmerkingen horen maken over het zogenaamde debat nu. Laten de PvdA en GroenLinks samen optrekken in de formatie en steun hen. En waar het mis gaat komt de kritiek vanzelf wel weer aanzwellen. En ook dat gaat wel weer over. De beweging moet de politiek scherp houden, dát vooral blijft aan de orde. En links, inclusief de vakbeweging, solidariteitscomités en de milieuorganisaties, zullen samen verder moeten, in welke vorm dan ook.

Mijn boek hierover zegt onder meer (pag. 135): ‘Het verhaal over macht is niet vrijblijvend. ‘Macht’ vinden sommigen vaak negatief klinken, ‘vrijheid’ een stuk mooier. Maar beide zijn innig verbonden, binnen het speelveld van maatschappelijke verhoudingen, dat zelf ook weer in beweging is. Je kunt ook niet meedoen, dan verspil je macht en daarmee een deel van de vrijheid.’





Boek: Jasper Schaaf, Actief socialisme en vrijheid, Pleidooi voor hechtere linkse politiek, Doorbreek de vanzelfsprekendheid, Uitgeverij Damon, Eindhoven 2018, ISBN 9789463401425

Het boek is te koop in de boekhandel, bij de uitgever (internet) en bij de auteur