donderdag 19 oktober 2017

Een moeilijke vraag bij de situatie in Gaza


Enkele dagen geleden organiseerde de Stichting Groningen-Jabalya een avond over de situatie in Gaza. Ingrid Rollema van de Stichting Hope vertelde over creatieve projecten met kinderen en jongeren in Gaza. Films erbij, en zo werd duidelijk dat het project Open Studio enorm veel betekent voor de jeugd in dit alleen gelaten land.
      Alleen gelaten, de bewoners van Gaza leven met de meest minimale middelen, die voor het leven nodig zijn. In hoge mate opgesloten en alleen gelaten door een wegkijkende wereld. De steden verwoest, het land vergiftigd. En toch zie je op de films de creatieve kracht van jongeren die staan te dansen. En zie de kinderen tekenen, therapeutisch, als je denkt over hun trauma’s. Tekeningen zoals kinderen die maken.
      Maar de politieke situatie is uitzichtloos, alhoewel: gelukkig praten de fracties en leiders van Palestina weer met elkaar. Hopelijk nu met een resultaat dat beklijft. Dat kan misschien nieuwe perspectieven bieden.

Op deze avond werd de vraag gesteld: is er een perspectief voor Gaza? Dat is een vraag van universele betekenis. Steun bieden moet in iets positiefs resulteren, en wat als dat niet zichtbaar is? Zijn mensen niet geneigd om niets meer te doen als het echt moeilijk wordt? Is dat de reden waarom er eigenlijk zo ongelooflijk weinig aandacht is voor Gaza?
    Met de vraag werd dus bedoeld: is er nog hoop? Het antwoord luidde: ‘Neen.’ Waarmee bedoeld werd, ik zie het niet voor me, gezien de situatie van nu.

Indirect werd natuurlijk gevraagd: ‘Maar waarom ga je er dan mee door?’ Al die inspanningen.
      En dan moet je opletten: Er zit hier  een enorme adder onder het gras. Alsof je niet door moet gaan met steun te bieden voor de mensen die er nu zijn, de kinderen, de jeugd, de volwassenen en de ouderen, de gewonden en gehandicapten.
      Je moet doorgaan. Of moet je omdat er nu geen beter en helder perspectief is dan maar stoppen? Betekenen de mensen van nu niets?
    De vraag is niet cynisch bedoeld, maar zo’n consequentie ligt makkelijk op de loer.

Soms moet je gewoon doorgaan, ook al weet je niet of je een positiever einde nog mee zult maken. Het zou toch goed en eigenlijk gewoon menselijk zijn, dat alle in de steek gelaten volkeren en groepen steun krijgen. Steeds maar door, al moet er natuurlijk tegelijk naar een sterker uitzicht voor de toekomst worden gezocht. Het een sluit het ander niet uit.

Het is dan geen doorgaan tegen beter weten in. Het is de juiste aandacht voor het hier en nu. Nederlanders vragen vaak bij een collecte, komt het geld wel goed terecht? Dat weet je niet altijd en soms moet men na nieuw geweld ook nog helemaal opnieuw beginnen. Tegelijk moet je er toch op vertrouwen. Voor wie het nu nodig hebben.




Informatie over de Stichting Hope en Gaza, zie www.hope-foundation.nl/

Informatie over de Stichting Groningen-Jabalya, zie www.groningen-jabalya.com/

Informatie over Gaza en de politiek met betrekking tot Palestina, zie www.rightsforum.org













zondag 15 oktober 2017

De collectieve sector als sluitpost van het kapitaal


Zorg, het zal me een rotzorg zijn? Zo is het niet helemaal. Ook in een kapitalistische maatschappij bestaat een collectieve sector, die tal van voorwaarden voor het voortbestaan van het economisch stelsel vervult. Maar als het kan graag op een koopje!
      Niet een stelsel van zorg staat centraal met een bijbehorende economie die daartoe de middelen verschaft, maar een stelsel dat zich richt op winstmaximalisatie. Daarbij zijn nu eenmaal werkers en consumenten nodig (nog wel!) die begrijpelijkerwijs dus voorzieningen nodig hebben. Een vervelende kostenpost. Dat kapitalistische idee wordt tot op de dag van vandaag royaal gesteund door de overheid, door de zorg te kortwieken en voor de bedrijven belastingen te verlagen.
      Dat per saldo aan mensen nodige ondersteuning wordt onthouden en tegelijk de ongelijkheid tussen personen en groepen ermee in stand wordt gehouden, wordt op de koop toe genomen. Het (neo)liberalisme heeft immers voldoende machtsposities dit voorlopig zo te doen.

De collectieve sector bestaat niet alleen uit zorg, zoals ieder weet. En crisissituaties bestaan niet alleen bij wijkverpleging en bijvoorbeeld ziekenhuizen, maar ook bij politie en leger. Opmerkelijk afgelopen periode te zien, dat daar waar bezuinigingen zover zijn doorgeschoten dat het systeem eronder kraakt, er afgedwongen kwaliteitsimpulsen nodig waren om de ellende echt goed aan de orde te stellen.
      Dus niet het tijdig goed afgewogen rationele argument telt, niet de redelijke kennis die ruimschoots voorhanden is, maar eerder een situatie die om een onvermijdelijke kwalitatieve input vraagt of een incident met zo’n impact dat het wel besproken móét worden. Zie deze voorbeelden van zo’n niet meer te vermijden input:

Input 1: de nationale politie. Het smeermiddel voor de overhaaste reorganisatie in de ‘persoon’ van de omgekochte (?) Centrale Ondernemingsraad werkte te buitensporig, onwettig. Werd er iets toegedekt? Dat roept een hele discussie op over het beperkte succes en het falen van de nieuwe politieorganisatie.

Input 2: het leger. Argumenten tegen de bezuinigingen waren er al lang, vertolkt door overtuigde en welbespraakte militairen. Spot viel het leger eerder ten deel, poefpoef, maar dat hielp niet. Een incident met dodelijke slachtoffers was nodig om de zaak echt op scherp te stellen.
      Hoe je ook over de veiligheidspolitiek van de Nederlandse natie mag denken, je stuurt geen jongens het veld in met onvoldoende middelen, dat is evident moreel verwerpelijk.

Input 3: de zorg. De zorg kent tal van facetten. De bezuinigingen en het door de nationale regering over de schutting kieperen van verantwoordelijkheden, de vele ontslagen, het riep acties, verzet, het mooie initiatief voor een Nationaal Zorgfonds, en ook nog tal van ijzersterke argumenten op.
      Het hielp nauwelijks, ondanks alle informatie en argumenten. Tot onder druk en misschien op een moment van onoplettendheid de ‘geniale zet’ werd gedaan om het Zorginstituut Nederland naar de verpleeghuiszorg te laten kijken. Om een bindende uitspraak te doen. En ja, als het gewoon om echte, haast vanzelfsprekende kwaliteit gaat, deugt het allemaal niet.
    Resultaat: meer dan 2 miljard extra voor de (intramurale) verpleeghuiszorg. De dwang van een echte en beslissende kwaliteitseis, dus op inhoud gericht, doet wonderen. Redelijkheid met macht, dat blijkt de goede combinatie.

De nieuwe rechtse regering wil het hier natuurlijk niet bij laten. Ze wil dat de ambulante zorg voor jong en oud, geestelijke gezondheidszorg, de ziekenhuizen en andere zorgvoorzieningen nieuwe miljarden ophoesten. Twee miljard extra naar de verpleeghuiszorg? ‘Dan pakken we dat elders wel weer af’, lijkt men te denken. Met het smoesje erbij dat deze financiële opgave weliswaar moet, maar er natuurlijk nog wel zorgconvenanten moeten worden afgesloten. Als dat gebeurt wordt de zorgverlener ook nog medeplichtig gemaakt.
      De inhoud en kwaliteit komen dus weer ver achter het financiële verhaal aan. Redelijkheid zonder macht. Eerst de wurggreep, dan pas de kwaliteit, de inhoud. En zonder verassende ingreep – zoals bij de drie genoemde punten – en zonder massale actie, zal de discussie over kwaliteit niet zoveel voorstellen. Bijvoorbeeld door de angel uit het parlementaire debat te halen door onderzoeksvoorstellen te doen en echte antwoorden op de dringende vragen door te schuiven naar Sint Juttemis.
      Het gaat om zorg en welzijn voor de bevolking, maar het blijkt zo ook een strijd tussen kwantiteit en kwaliteit.

Allemaal het oude liedje? Terecht steken de linkse partijen, vakbonden, ouderenbonden en allerlei burgerorganisaties de koppen bij elkaar om macht te vormen tegen de nieuwe verslechteringen die ingrijpen in het dagelijks leven.
    Het zou mooi zijn die nieuwe samenwerking vast te houden, uit te breiden, de visies op alles wat politiek niet deugd verder uit te diepen, alternatieven te bedenken, en een stelsel te bevorderen waarin het rijke Nederland in de eerste plaats goede zorg biedt waar dat nodig is. Een gewone prioriteit.








het Nationaal Zorgfonds, een goed initiatief!













woensdag 11 oktober 2017

Friedrich Engels, zelfstandig denker naast Marx


Friedrich Engels (1820-1895) is vanaf hun eerste samenwerking in 1844 tot aan diens dood in 1883 nauw bevriend met Karl Marx (1818-1883). Boezemvrienden, in dagelijkse briefwisselingen aan elkaar verbonden, in theorie en in politieke strijd. Toch wordt Marx vaak gezien als de geniale trekker en Engels als zijn medewerker. Dat is toch niet de goede verhouding, hoe vaak Engels zelf ook heeft benadrukt dat Marx duidelijk de grote wetenschapper van hun beiden was.

Inderdaad systematiseert Marx zijn visie op de geschiedenis en de kritiek op de kapitalistische economie, en geeft zo een zekere afronding aan hun strijd en werk. Maar in alle fasen van hun samenwerking draagt Engels veel meer dan een steentje bij. Helemaal aan het begin, in 1844 schrijft Engels het artikel ‘Schetsen van een kritiek op de nationale economie.’, terwijl Marx nog druk doende is zich van de laatste idealistische restanten van Hegels dialectiek los te maken. Dat artikel van Engels is het begin van de rode draad waarvan Marx’ ‘Das Kapital’ een veel latere fase vormt. Marx bouwt echt verder op Engels’ insteek van 1844.

Tal van situaties zijn nadien te noemen waarin Engels initiatief neemt, strijdt, kritiseert en partijen verbindt. Ook theoretisch. Zijn boek uit 1845 ‘De toestand van de arbeidende klasse in Engeland’ is een eerste sociologisch empirische en materialistische studie naar de concrete gevolgen van de diepe tegenspraak tussen kapitaal en arbeid, en over de verloedering van de arbeiders en hun gezinnen. Zo zet hij de toon. Ook emotioneel trouwens, Engels is verontwaardigd over de positie van het gewone volk.
    Of veel later. Terwijl Marx kritiek krijgt van Eugen Dühring – een soort socialistische professor die meent alles beter te weten dan Marx – reageert niet de laatste, maar juist Engels met een zeer uitgebreide reactie. Waarom hij? Omdat hij vindt dat Marx verder moet werken aan ‘Das Kapital’. Engels neemt Marx dus werk uit handen. Er zijn daarna wel mensen geweest die dat boek van Engels, de ‘Anti-Dühring’, van Marx’ visie proberen los te maken. Maar dan wordt over het hoofd gezien dat Marx wel meeschrijft aan dit boek en een deel ervan direct van zijn hand is.
      En nog veel later. Na Marx’ dood is van ‘Het Kapital’ slechts één volledig deel geschreven en eigenlijk is dat nog niet eens af. Verder ligt er een berg van concepten, tekstfragmenten of half afgemaakte hoofdstukken. Engels slaagt erin – en hij is de enige die  dit op dat moment kon – om vanuit die berg aantekeningen de verdere delen van ‘Das Kapital’ te publiceren. Tegenwoordig hoor je hier wel eens een schampere opmerking over, als zou Engels dat niet 100% goed hebben gedaan, dat redactionele werk. Maar let op, waar Marx zijn halve leven aan heeft gewerkt maakt Engels in enkele jaren af, voor zover dat kan. Kritiek nu, precies 150 jaar na het verschijnen van het eerste deel van ‘Das Kapital’, klinkt als gemakkelijk praten, hoe goed het nu ook is alsnog meer kritische reconstructies van alle materiaal te maken en alle aspecten nader te onderzoeken.

Over Engels valt veel meer te zeggen. Hij is vaak praktisch ingesteld en schuwt het politieke avontuur niet, zoals blijkt in het revolutiejaar 1848. En hij bestrijdt vooroordelen. Bij het eerste opkomende georganiseerde antisemitisme, waar sommige socialisten gevoelig voor blijken te zijn, pleit Engels hier resoluut tegen. En ten aanzien van het kolonialisme stelt hij met Marx dat een land nooit vrij kan zijn zolang het een ander land onderdrukt.
    Engels bestrijdt ook de gedachte dat socialisme voor elk land en in elke situatie hetzelfde betekent of dat socialisten altijd dezelfde werkwijzen moeten hanteren. Hij schrijft expliciet ‘dat het onzin is de beweging in alle landen dezelfde vorm te geven.’ (In Brief aan August Bebel, 1892, in MEW, deel 38, p 518.) Een idee waar veel hardnekkige latere socialisten wat van hadden kunnen leren.

Engels heeft humor. Wat is er mooier dan wat ironie in de politiek? Wanneer Marx’ eerste deel van ‘Das Kapital’ uitkomt wil Engels hier wel wat publiciteit aan geven voor de verkoop. Marx is op dat moment helemaal niet zo bekend, en net als tegenwoordig zit niet iedereen op een uitvoerige analyse van de hele economie te wachten. Liever wil men een kant-en-klaar idee hoe de betere wereld, de hemel op aarde bereikt kan worden. En dat je dat allemaal precies moet kunnen uitleggen. Daar speelt Engels ironisch en provocerend op in, een kritiek op utopisme.
    Hij schrijft dan over het net verschenen ‘Kapital’: ‘Dit boek zal menig lezer zeer teleurstellen. Al vele jaren wordt, van bepaalde kant, op het verschijnen ervan gewezen. Want hierin zou eindelijk de ware socialistische geheime leer en haar wondermiddel worden onthuld. En menigeen zal zich hebben voorgesteld, toen hij het boek eindelijk zag aangekondigd, dat hij hier nu zou ervaren, hoe het dan eigenlijk in het communistische duizendjarige rijk eruit zal zien. Wie zich op dit genoegen heeft verheugd, heeft zich grondig vergist. Hij ervaart hier echter hoe de dingen er niet uit moeten zien, en weliswaar wordt hem dit met een zeer duidelijke hardhandigheid 748 pagina’s lang uiteengezet, en wie ogen heeft om te zien, die ziet hier de eis van een sociale revolutie duidelijk genoeg gesteld. (…) Het gaat hier om de afschaffing van het kapitaal überhaupt.’ (in Rezension des Ersten Bandes ‘Das Kapital’ für die ‘Düsseldorfer Zeitung’, verschenen op 16 november 1867, in MEW, deel 16, p. 216.)

Wat Engels bedoelt is nogal wat. De duizendjarige hemel op aarde kan men wel vergeten, maar liever moet men zich inzetten het hele kapitalistische stelsel te revolutioneren. Dat is een hele klus. Niets gaat vanzelf. De arbeiders zullen moeten studeren en zich organiseren, dat laatste is een thema dat ook in Engels’ latere geschriften vaak opduikt.
    Of door zo’n aansporing van Engels in 1867 velen direct het boek kopen, is natuurlijk de vraag. Engels weet zelf ook dat niet iedereen gelijk de hele analyse zal willen volgen. Misschien was hij hierin wel realistischer dan Marx. Het boek verkoopt de eerste jaren niet goed. Dat duurt even. De eerste vertalingen en een tweede Duitse druk verschijnen vanaf 1872/73.

Alles overziende zijn Engels en Marx keer op keer kritisch en opbouwend in elkaars theoretische en praktische bijdragen. Behalve boeken getuigen honderden brieven hiervan. Voorbeelden te over, inclusief hun belangrijke coproductie ‘Het communistisch manifest’. Een langere periode van verwijdering is er – zover ik weet – nooit geweest.