zondag 19 maart 2017

Aristoteles’ staatsfilosofie



‘Naast dit alles mag men één ding niet uit het oog verliezen dat in de praktijk van de ontaarde staatsvormen wel uit het oog verloren wordt, het juiste midden.’

Aristoteles


Aristoteles (384-322 v. Chr.) behandelt in zijn werken het hele scala van filosofische onderzoeksgebieden. Ontologie (metafysica), kennistheorie, logica, ethiek en staatstheorie. In zijn systematiek kun je de relatie tussen werkelijkheid en theorie in twee richtingen lezen, waarbij Aristoteles in laatste instantie een praktisch georiënteerd filosoof blijkt. Zijn filosofie wil een gefundeerd oordeel te geven over de maatschappij, de staat en de waarden van de mensen. Die laatste worden uitgewerkt in zijn deugdenleer.

In de staatsfilosofie gaat Aristoteles van een duidelijk principe uit. Het zijn natuurlijke eigenschappen die ertoe leiden dat de mens nu eenmaal op een bepaalde manier moet leven om in leven te blijven en om zijn eigen wezen te verwerkelijken. Dit uitgangspunt vormt een soort vroege basis voor natuurrecht, en daarmee een empirische en materialistische lijn binnen zijn denken.
      Door zijn specifieke eigenschappen is de mens ten principale op een ander aangewezen. Mensen moeten in de polis leven, in de leefgemeenschap. En omdat de mens samen moet leven, is hij daarmee niet alleen een ‘sociaal dier’, maar zelf ook mede richtingbepalend. Daarom is de mens een politiek wezen. Voor Aristoteles is de mens een wezen dat een staat vormt, een van nature in de gemeenschap levend en handelend wezen.

In zijn boek ‘Politica’  schrijft Aristoteles: ‘In alle wetenschappen en vakken is het doel een goed, maar het grootste goed, een goed bij uitstek, is het doel van de meest gezaghebbende kundigheid van allemaal: de staatkunde.’ (136) Hij doelt op de enorme uitdaging, het bereiken van algemeen welzijn. De staatsinrichting moet op een evenwicht van krachten, belangen en kwaliteiten berusten, anders is ze niet duurzaam. De vorm moet realistisch passen bij de natuurwetten en psychologische gesteldheden van de mens, want natuurwetten kunnen niet straffeloos worden overtreden.
      De natuur telt in veel opzichten mee. Bijzonder in de veelzijdige analyse is dat de natuur, zoals het klimaat, de aanwezigheid van bergen en de ligging aan zee als meespelende factoren worden genoemd. Een juiste staatsinrichting en politiek houden hiermee rekening.

Bij Aristoteles komen we in feite al de trias politica tegen. Na de bespreking van het beraadslagende en wetgevende lichaam, en vervolgens de verdeling van bestuursfuncties, dus de uitvoerende macht, zegt Aristoteles dat als derde de rechtspraak aan bod moet komen. Zo worden drie ‘machten’ onderscheiden in hun verschillende functies. De staat moet hiermee uit de hand lopende hebzucht beteugelen. Een onbegrensd streven naar rijkdom staat haaks op het levensdoel van de mens, zijn geluk en leven in harmonie. Egocentrische kenmerken ondermijnen de goede verhoudingen in de samenleving.

De ‘Politica’  is te lezen als afweging van de belangrijkste staatsordeningen. Steeds aftastend wat de kracht en zwakten zijn van de verschillende staatsvormen. De drie bekende vormen kunnen positief werken, maar ook destructief worden en daarmee onhoudbaar.
      Deze drie staatsvormen zijn de macht van een alleenheerser, van een groep mensen met een hoge maatschappelijke positie of deskundigen, of van het volk, de vrije burgers. Voor deze driedeling bestaan verschillende in benamingen. Zo wordt – ten eerste – gesproken over de alleenheerschappij, monarchie of dictatuur, – ten tweede – over aristocratie, oligarchie of meritocratie, en – ten derde – over de burgergemeenschap of democratie.

Het benoemen van staatsvormen zegt nog weinig over de voorkeuren. Bovendien onderscheidt Aristoteles in verloop van het betoog nog een mengvorm, de ‘politeia’. Dat is een staatsvorm met een democratisch accent of ordening, waarin tegelijk vooral ook de macht van de besten – aristocraten of deskundigen – en dus wijsheid, kennis en rationaliteit moeten heersen. Want het gaat niet alleen om wie regeert, maar om wat de beste inhoudelijke uitvoering is.
      Tegelijk is een macht die alleen draait om de beste prestaties ook onzinnig: ‘Als sommige mensen snel zijn en andere langzaam is dat geen reden waarom de ene groep meer en de andere minder rechten zou moeten hebben; dit verschil wordt gehuldigd in sportwedstrijden.’ (137) Dus ere wie ere toekomt, maar wel op de juiste manier. Goed in sport aanzien in sport, dat hoeft dus niet samen te gaan met meer aanzien, inkomen of macht op andere terreinen.

Hoelang werkt een bepaalde vorm van gezag vruchtbaar? De monarchie kan vervallen tot tirannie, maar het is net zo goed denkbaar dat een wijs tiran aan de macht is, die het land welvaart en geluk bezorgt. Steeds zullen bepaalde maatschappelijke vormen nieuwe oproepen. De tirannie kan leiden tot een opstand die leidt tot democratie, de democratie kan leiden tot een macht van een bepaalde groep, dus een oligarchie, een veldheer kan de macht grijpen waardoor een monarchie ontstaat, enzovoort.
      Alles is mogelijk, maar concreet gezien niet altijd. En de verandering is vooral geen doel op zich, maar een praktische aanpak van de realiteit bij onstabiele verhoudingen.

Als het niet gaat om verandering op zich, wat is het doel dan wel? Eudaimonia, het geluk in de brede zin van het woord. Geluk, welvaart, welbevinden, vrede, goede opvoeding en dus vooral ‘goed leven’.
      Welke staat dient dit grote doel het beste? Om dat te weten moet bedacht worden dat het teleologisch aspect meespeelt (zogeheten doeloorzaken). Mensen streven naar geluk, maar dat werkt maatschappelijk pas goed als de verschillende belangen niet te sterk botsen, er dus een zekere harmonie van belangen en welvaart bestaat. Naar dat doel wordt een staatsvorm ‘teleologisch’ toegetrokken. Bij het omgekeerde, een gebrek aan macht en welbevinden, zal het volk bestaand beleid en/of de bestaande ordening op een zeker moment niet meer pikken.

De aard van de mens doorzien is voorwaarde voor een goede staatsvisie. Aristoteles: ‘Daarom valt tirannie ook bij slechte mensen in de smaak: tirannen scheppen er behagen in gevleid te worden, en niemand met een vrije geest zou dat doen. Integendeel: fatsoenlijke mensen handelen uit vriendschap, niet uit vleierij.’ (235) Het goede en fatsoen horen bij elkaar. Tirannen en ijdeltuiten houden niet van kennis en onafhankelijkheid. Dit betekent des te meer dat de politeia moet worden nagestreefd, zodat de algemene doelen draagvlak hebben en de beste wetgeving ontstaat.

Opmerkelijk is Aristoteles’ nadruk op de betrekkelijk onbaatzuchtige of in ieder geval ‘gezellige’ gemeenschappelijkheid in tegenstelling tot zoveel latere denkers. Hij doet dit in de ‘Politica’  zonder dit religieus in te kleuren, want de religie speelt bij hem nauwelijks een rol: ‘Daarom streven mensen, ook wanneer ze geen behoefte hebben aan wederzijdse hulp, toch naar een samenlevingsverband. Dit neemt niet weg dat ook gemeenschappelijk belang hen bijeen brengt in zoverre dit voor ieder bijdraagt tot een goed leven: meer dan wat ook is dit hun doel, zowel aller gezamenlijk doel als dat van elk afzonderlijk.’ (124)
      Het knappe is dat hier het eigenbelang niet eenzijdig voorop staat, maar ook niet wordt weggeredeneerd door bijvoorbeeld een abstracte waarde of een hogere macht. Macht wordt basaal bepaald door iets ‘moois’ als welbevinden van een ieder, en het voertuig ervan is het afzonderlijke belang dat mensen maatschappelijk in beweging brengt.

Macht draait om een dubbel uitgangspunt: het beste en het meest realistische. Voor beide ligt bij Aristoteles de lat hoog, anders is er nog geen goede balans. Zo leidt het hoogste eisen voor slechts één groep tot afgunst en dus tot een mogelijke opstand. Bij dit realistisch incalculeren van de gevolgen speelt de wetgeving een rol. Ook een heerser mag niet zomaar de wet overtreden, want het inhoudelijke aspect telt mee. Wanneer de heerser een wet met voeten treedt en belangen van de aristocraten, legeraanvoerders of het volk schaadt, ligt het verval direct op de loer.

Dit democratisch aspect van verweer tegen overmatige of verkeerde ingrepen kent aldus een component van massapolitiek. Bij Aristoteles is dat ook geworteld in de rationaliteit van de mensen. Een enkeling heeft inzicht, maar het volk als totaliteit van de optelsom van goede en minder goede inzichten per saldo méér.
      Aristoteles: ‘Een willekeurig persoon schiet als individu allicht tekort, maar de polis bestaat uit velen en is dus beter, net zoals een feestmaal waaraan iedereen bijdraagt meer in de smaak valt dan het maal van één enkele persoon. Dit is ook de reden waarom de massa in veel kwesties een beter oordeel heeft dan een willekeurig individu.’ (146) De massa corrigeert de emotie van de enkeling: ‘Wanneer één persoon is overweldigd door woede of een andere emotie, is onvermijdelijk zijn oordeel vertroebeld, maar een groot aantal zal het niet gauw overkomen dat ze allemaal tegelijk in woede ontsteken en een beoordelingsfout maken.’
    Over dat laatste kan men anders over denken vanuit hedendaagse technieken van massamanipulatie en de huidige rol van de sociale media. Maar Aristoteles schetst wel een dynamisch beeld van werkingen binnen de staatsordening. Dat ontdekken en actualiseren kun je leren van deze klassieke denker.

Aristoteles zoekt de afweging, het juiste midden: ‘Naast dit alles mag men één ding niet uit het oog verliezen dat in de praktijk van de ontaarde staatsvormen wel uit het oog verloren wordt, het juiste midden.’ (225) Dit moet men niet zuiver pragmatisch of relativistisch uitleggen. Het juiste midden is geen compromis tussen twee willekeurige standpunten of de status quo van een enerzijds-anderzijds.
      Aristoteles zoekt eerder naar de essenties, naar de meest ware beweegredenen, de echte feiten en de tegenspraken met hun uitwerkingen die daarin bestaan. En daarin, in de echte elkaar tegenwerkende krachten moet de balans worden gevonden. De middenweg is geen vlakke weg. Het is moeilijk deze te vinden, dat laten de historische voorbeelden zien die Aristoteles aandraagt. Het juiste midden wordt ook beeldend voorgesteld: de Grieken leven volgens de middenweg tussen de Noord-Europese dapperheid en de Aziatische intelligentie. Het goede van twee werelden.

 In de staatsstructuur zoekt Aristoteles naar argumenten die onevenwichtigheden, bijvoorbeeld van maatschappelijke belangen, helpen uit te sluiten, ten gunste van een stabiele en rechtvaardige orde in de samenleving. Een groep uitsluiten is nooit het uitgangspunt, omdat deze immers allemaal een nuttige functie vervullen in het grotere geheel. Een positie van een groep mag ook niet verzwakt worden, want dat raakt de balans zoek. Aristoteles ziet immers: ‘Het zijn altijd de zwakkeren die streven naar gelijkheid en rechtvaardigheid, de sterkeren malen daar niet om.’ (253)

De vele afwegingen resulteren niet in een vaag of overgenuanceerd enerzijds-anderzijds. Alleen in de polis, binnen een samenlevingsverband, kunnen mensen gelukkig worden. Dat stelt eisen aan de polis. Wanneer die te klein is zullen noodzakelijke functies ontbreken, een te grote polis wordt onhanteerbaar en ordeloos. Het zijn inzichten, die tot in de politieke organisatiekunde van vandaag van waarde zijn.
      Sterk is het inzicht dat het tijdsaspect een belangrijke rol speelt in de dynamiek: ‘De fout ontstaat namelijk aan het begin, en het begin is volgens de zegswijze het halve werk.’ (208) Dit inzicht in oorzaken en gevolgen, en de dynamiek van het verloop daartussen leveren een belangrijke aanwijzing op voor een sterk politiek handelen, een basis voor snel en bewust handelen.
      Deze breed denkende Aristoteles is in ‘kleine kwesties’  een uiterst praktisch mens, en hierbij altijd tegelijk gericht op het grotere verband. Concreet denken is een denken dat het grotere, meer algemene verband ontdekt in de bijzondere feiten en waarin ware kennis met beide invalshoeken rekening houdt. Dit is een visie die men later terugvindt in de filosofieën van Hegel en Marx.

Aristoteles’ realisme houdt in de politiek expliciet rekening met personen met een gemiddeld of zelfs middelmatig karakter. Er moet in de staat naar het beste worden gestreefd, maar de beraadslagende burger is ook een gemiddeld persoon. Dat te benoemen legt al een democratisch aspect bloot. Het beste vragen of eisen, mag nooit meer betekenen dan mogelijk is. En met de beste regels of wetten kom je er op zich ook niet, er hoort het staatsgezag bij.
      Het gezochte model is per saldo een combinatie van alles wat het best mogelijke is, en niet meer dan dat. Steeds zoeken naar het optimum. Dat is te vinden bij de beste bestuurders, en de beraadslagende en wetgevende macht van de burgers, dus samen in de politeia. Daarbij zijn bovendien realistische wetten en goede uitvoering van ambtenaren en de rechtspraak nodig. Een goede vorst kan niets met slechte wetten, het omgekeerde werkt ook niet.

Aristoteles, een klassiek denker met moderne consequenties. Hij meent, dat wil een staatsinrichting in stand blijven, alle onderdelen van de gemeenschap haar bestaan en ongewijzigde voortzetting moeten wensen. Zonder het zo te noemen benoemt hij de fundamentele betekenis van het politieke draagvlak. In zijn tijd voldeed de maatschappij er vaak onvoldoende aan. In onze tijd is dit niet anders.

Welk staatsprobleem lost Aristoteles op? Paradoxaal, dat er niet per se één staatsvorm is die de beste is, maar er meerdere mogelijkheden zijn. En dat deze minstens even moeilijk vast te stellen zijn dan die ene schijnbaar ware. Steeds opnieuw de juiste maat zien te vinden is een hele kunst, die om echte staatslieden vraagt.
      Voor de huidige actuele context is dit interessant. Vasthouden aan de hoogste sociale doelen, niet precies weten hoe die te halen zijn, een onderzoekende houding, helder recht doen aan een ieder, dus ook in die zin democratisch en dan ook nog de kwaliteit bewaken, het is een opgave die altijd actueel is.





De nummers verwijzen naar de pagina’s van de gebruikte bron: Aristoteles, Politica, Historische Uitgeverij, Groningen z.j.