woensdag 29 maart 2017

Palestina, oppervlakkig neutralisme en partijdigheid


Een boek dat aangekondigd wordt als een partijdig boek, moet wel goede argumenten hebben om lezenswaardig te zijn. Zeker in de boekenweek waarin veel draait om de leukigheid staat partijdigheid beslist niet bovenaan.
    Bij het lezen van het boek van Anja Meulenbelt ‘Kwart over Gaza’  blijft vooral hangen: dit is een standpunt, het is partijdig. En zo wordt het boek ook aangekondigd op de achterflap.
      Is het vreemd, zijn er ook onpartijdige boeken over politiek? Misschien wel ten aanzien van partijpolitiek of bestaan er althans pogingen hiertoe, maar in meer algemene zin kun je je toch moeilijk voorstellen dat een politiek boek helemaal geen partij kiest of daarvoor geen argumenten aandraagt. De wereld met al haar conflicten en belangen zit vol met partijdigheid.

Het wordt helemaal waar gemaakt. ‘Kwart over Gaza’  is een heel partijdig boek, het staat voor de rechten van de Palestijnen. Tegen alle verdrukking in, en die bestaat in talloze vormen en is overal aanwezig in Palestina. Voor de duidelijkheid, het boek kiest niet tegen Israël, maar tegen de feitelijke Israëlische politiek. Kan dat? Ja, dat blijkt.
      Nauwkeurig wordt de geschiedenis en de positie van de Joden, en de scheidslijn tussen politieke kritiek en antisemitisme besproken. Dat is precies aan de orde bij het moeilijke conflict Palestina-Israël en moét dus worden besproken.
      En ook precies dat is wat de overgrote meerderheid van de Nederlandse politici steeds trachten te omzeilen door die kritiek op de Israëlische politiek achterwege laten of door onvoldoende beargumenteerd steeds weer hun kritiek te temperen. Bijvoorbeeld door zich op de geschiedenis te beroepen en niet op de actualiteit. Of door de resoluties van de Verenigde Naties te negeren, die uitgaan van een stopzetting van geweld en van de mogelijkheid van een tweestaten-oplossing.

Zo blijft de kritiek op de illegale bezettingen door Israëli’s van Palestijnse eigendommen in de Nederlandse politiek onderbelicht of mist helemaal. Probeer dat eens in te denken door je te verplaatsen naar een ander land, waar hetzelfde zou plaatsvinden of daadwerkelijk plaatsvindt. Ach, misschien heel makkelijk, de bezetting van de Krim door Rusland, de reacties waren misschien niet adequaat, de afwijzing meestal wel overduidelijk. Toen werd nauwelijks naar de historiciteit van de Russische aanspraken gewezen. Je mag geen land van een ander volk inpikken. Helder toch?

Verschuilen veel Nederlanders vanwege de Tweede Wereldoorlog zich niet achter een verdraaid idee van schuld en boete, volgens de aloude religieuze principes van overal ter wereld, die leidt tot straf en het hopelijk opheffen van de boetedoening? De Joden hebben geleden, ja, in zo’n extreme mate dat dit vraagt om herstel, maar dat kan nooit volledig het oordeel van rechtvaardigheid in het heden bepalen, wanneer de rechten en geschiedenis van andere volkeren in het geding zijn of zelfs worden opgeofferd.
    Schuld en boete, het klassieke thema. Het werkt altijd door in het dagelijkse oordeel en in de politiek. Maar boete voor wat en voor wie, voor de schuld van Europa? Kunnen schuld en boete ook geen valse bijklank krijgen omdat de angst meetelt? Je kunt een oordeel echter niet vermijden door niets te vinden en niets te doen. Niets doen lijkt neutraler dan het is, zeker als blijkt dat je er onrecht mee laat voortbestaan.

Dat neutralisme als vals geweten neemt Meulenbelt op de korrel in haar boek. Vooral door resoluut te zeggen dat zij zeker niet neutraal is.
      Een vermeende neutraliteit die zich baseert op het onvoldoende kennis nemen van de feiten is al waarde(n)loos. En als zij gebaseerd is op onuitgesproken vooroordelen helemaal. Dat riekt zelfs naar discriminatie, al zal dat ongetwijfeld hard ontkend worden door de Nederlandse politieke partijen of politici. Men verschuilt zich dan graag achter de onmacht, niets te kunnen doen en niet weten wat wel te doen. Is de moeilijkheid einde verhaal?

Meulenbelt valt het neutralisme aan, met een kritiek op linkse partijen die weigeren werkelijk stelling te nemen en op de rechtse die bij dit conflict vergeten te spreken over internationaal recht en de mensenrechten. Daarbij speelt de grote rol van de ‘neutrale’ media: ‘En dan hebben we het nog niet over de media, die overwegend gevangen zitten in hun beroepsdeformatie van zogenaamde neutraliteit en het zoeken naar evenwicht tussen ‘twee partijen’ – ligt de waarheid tenslotte niet altijd in het midden?’ (p. 17)

De waarheid ligt in het midden? Moeten de media niet in het midden zitten? Ze moeten zich aan de feiten houden, ook wanneer dat misschien niet de plek is die de publieke opinie ‘het midden’ vindt. En ook het terechte idee van ‘hoor en wederhoor’ betekent helemaal niet dat je altijd in het midden uitkomt.
    Ja, de waarheid ligt het midden, maar pas wanneer je die gevonden hebt, en niet ‘zomaar’ ergens tussen twee partijen. In complexe situaties bestaat niet eens een waarneembaar midden, wanneer je concreet gaat kijken. Bovendien hoort ‘een midden’ een resultaat te zijn, een balans van alle relevante feiten en opvattingen, in plaats van een vooroordeel.
      Pas als er een door verschillende partijen en belangen geaccepteerd resultaat is, ontstaat een soort ‘midden’ dat extremen naast dat gevonden midden definieert. Dat is echter geen garantie dat dit voor eens en altijd het juiste midden zal blijken te zijn. De geschiedenis kent geen einde.

Meulenbelt haalt de filosoof Brian Klug aan die door Joden werd uitgescholden toen hij protesteerde tegen de aanval op Gaza in 2014. Hij schrijft: ‘Hoe kan het dat wanneer de staat Israël spreekt de hele congregatie van diaspora-Joden ja en amen zegt? Hevig met elkaar van mening kunnen verschillen en ieder toch in zijn waarde laten is toch altijd een belangrijke Joodse waarde geweest, en zou dat als het over Israël gaat niet meer mogelijk zijn?’ (p. 322)
    Deze aanklacht geldt niet alleen voor Joden, maar voor iedereen die zich betrokken voelt met de wereld waarin hij leeft. Neutraliteit heeft alleen zin in de uitzonderlijke situaties dat deze productief werkt, niet als het wegkijken en passiviteit betekent. Helemaal niet als het gaat om een land of volk waarmee zoveel mensen zeggen zich verbonden te voelen.
      ‘Verbonden voelen’ sluit neutralisme uit, en net zo goed een ongefundeerd oordeel waarin mensenrechten en volkerenrecht opeens niet meer tellen.

De feiten. De vele feiten die tellen? Hoe kom je zelf tot een oordeel? Men leze het boek en denk er eens over wat je ervan vindt. Bovendien natuurlijk nog veel meer dan dit ene boek.
    Feit is dat de Palestijnen zwaar onderdrukt worden in Palestina, dat waarschijnlijk twee staten de beste oplossing is, misschien uit gebrek aan een beter alternatief, maar dat dit alles in de politiek zonder uitstel reëel beoordeeld moet worden en om een voortdurende, consequente inzet vraagt.






Boek: Anja Meulenbelt, Kwart over Gaza, Over zionisme, antisemitisme en islamofobie, Uitgeverij Jurgen Maas, Amsterdam 2015, ISBN 978 94 919 2110 0

Over Palestina, Israël, rechten en rechteloosheid, zie: www.rightsforum.org













dinsdag 21 maart 2017

De 3 pijlers van elke politieke partij (… en: Roemer moet blijven!)


Het Dagblad van het Noorden was er snel bij, een dag na de verkiezingen. De uitslag moet geduid worden. Dat je wat zegt is belangrijker dan wat je zegt.
    Over de partij waarvoor ik actief ben, de SP, staat er: ‘De SP verloor één zetel en heeft dus niet geprofiteerd van de neergang van de PvdA. De kans is groot dat de positie van Emile Roemer opnieuw ter discussie komt.’ Is dat zo? Ik hoor Emile al zeggen ‘Ik dacht het niet!’

Ik denk ook dat dit niet moet, op basis van de uitslag. Beter had gekund, maar de uitslag is niet slecht voor de SP, even los van het verdere politieke landschap, dat er vrij beroerd uitziet. Vooraf zag ik drie grote risico’s voor de SP, tevens ervan uitgaand dat media en politici de omvang van de vaste achterban van een partij steevast overschatten.
    Risico 1: de algemene maatschappelijke fragmentatie, verwarring en vaak beslissende maar óók onduidelijke rol van de sociale media, én de versterking van de versplinterende effecten door een groot deel van de gevestigde media.
    Risico 2: de zorg als speerpunt van de SP. Inhoudelijk volkomen terecht, maar met het risico dat andere partijen ook met voorstelletjes komen in campagnetijd. De jarenlange doordachte solidaire inzet van de SP blijft dan niet op het netvlies van iedereen.
    Risico 3: de slechte leuze ‘Pak de macht!’ Ook al is het niet erg realistisch, mensen hebben een hekel aan het woord ‘macht’. De leuze doet denken aan de leus ‘Van Agt eruit, de CPN erin!’, die in 1977 mede de ondergang van de CPN inluidde. De leuze doet hieraan denken omdat een beoogde machtswisseling centraal staat. De kiezer op straat herkent dat niet als vanzelfsprekend, die denkt vaak meer in ‘belangen’.

Heeft de SP-lijsttrekker deze risico’s goed gepareerd? Ja, en dat is knap. Emile Roemer straalde rust uit, stelde de zorg aan de orde, maar niet alleen dat, en ging op andere punten rustig in, zodat het nauwelijks opviel dat beleidspunten als migratie, klimaat en bijvoorbeeld de discussies over ‘referenda ja of neen’, inhoudelijk matig uit de verf kwamen.
      Media als tv en kranten stellen een socialistische partij nooit centraal in de verkiezingen, de SP ging hier nu heel zelfbewust mee om. In acties op straat, aan de deuren én waar het wel kon in de media.
      Moet Roemer weg? Ik dacht het niet, maar alle risico’s zijn ook na de verkiezingen nog niet van tafel.

Bij diverse gelegenheden heb ik gesteld dat elke politieke partij die duurzaam en invloedrijk wil zijn, op drie pijlers berust. Zakt één pijler weg, dan zakt in kortere of langere tijd die partij weg.
    Welke zijn deze drie pijlers dan? 1 – betrouwbaarheid, 2 – activiteit, 3 – ontwikkelend verhaal.
    Er zijn verschillende woorden voor, en deze pijlers werken op elkaar in. Een overdreven verhaal ondermijnt de betrouwbaarheid. Een sterk activisme zonder verhaal bestaat niet. Enzovoort. Vul het maar in met wat voorbeelden.

De drie pijlers kun je kort uitleggen:
      Betrouwbaarheid: doen wat je belooft, grondig terugkoppelen waar dat niet lukt. Ook bestuurlijke betrokkenheid tonen en staan voor de zaak. En net zo goed in kleine dingen, hulp bieden waar dat kan en terug blijven komen zolang er problemen zijn.
    Activiteit: actief optreden, overal en regelmatig waar de mensen zijn. Activisme, presentatie en communicatie. Eigen actuele werkwijzen ontwikkelen en er zijn wanneer het nodig is.
    Ontwikkelend verhaal: zonder scholing, discussie, ideologische reflectie, nieuwe standpunten bij nieuwe vragen verschrompelt het eens zo enthousiast vastgestelde verhaal. Het partijprogramma moet regelmatig tegen het licht worden gehouden: principes vasthouden en ontwikkelen, nieuwe vormen en taal ontdekken, actuele politieke vragen beantwoorden en internationale solidariteit. Ook het benoemen van structurele veranderingen die nodig zijn om concrete vooruitgang mogelijk te maken. Vernieuwing en ontwikkeling: samen met leden. En met de bevolking, in wijken, buurten, dorpen én op de werkvloer in de bedrijven.
    Deze punten lijken logisch en toch blijken de pijlers kwetsbaar te zijn. Alle drie tegelijk onderhouden is een hele kunst. En de driepoot valt om als één pijler breekt.

In 2002 schreef ik het artikel ‘Geen smoel geen functie’. Het was een kritiek op de ideologische afgang en het zwelgen in het compromis, waarvoor de PvdA bij de verkiezingen van 15 mei 2002 was afgestraft. Van 45 naar 23 zetels. Het was echter ook een kritiek op de partij waar ik zelf toen lid van was, de NCPN. Die weigerde een goed partijprogramma te formuleren, waardoor ze stuurloos was en nauwelijks meer activiteiten kon ontwikkelen.
    In dat artikel haalde ik Marx aan, die schreef: ‘Inderdaad staat de internationale belijdenis van het programma nog oneindig diep beneden die van de vrijhandelspartij.’ Conclusie onder meer: ‘Het socialisme ondermijnt zichzelf, wanneer het zijn gezicht, zijn solidaire politiek en zijn op de toekomst gerichte visie, kortom zijn politieke programma verliest.’

Tien jaar later. Op mijn weblog van 17 september 2012 noemde ik de drie pijlers ook, in iets andere woorden. Alweer na de verkiezingen. Een vriend vroeg me: ‘Wat is volgens jou de oorzaak van de enorme leegloop van GroenLinks?’ Dat was te verklaren vanuit de drie pijlers, die onder vergelijkbare titels werden genoemd: 1 – principes, 2 – langdurige betrouwbaarheid, 3 – goede campagne.
    Conclusie toen: GroenLinks heeft nauwelijks principes meer en daarom nog maar een beperkte vaste achterban. Met andere woorden: het verhaal, de sterke toekomstgerichtheid was ingestort. Het wegvallen van het verhaal zal een langzamer effect hebben dan het stopzetten van alle activiteiten, maar werkt wel door. Zonder verhaal geen actie, en waar en waarin kun je dan nog je betrouwbaarheid tonen? Als één pijler wegvalt, beïnvloedt dit de andere.
    Als je toen ex-leden sprak en vroeg waarom ze opgestapt waren bij GroenLinks ging het meestal algauw over losgelaten principes, bijvoorbeeld bij kwesties van bewapening en bombardementen.

Dan de verkiezingen van vorige week. Veel mensen zullen de sociaaldemocraten altijd hebben gezien als een partij die in crisistijd voor de collectieve sociale voorzieningen opkomt. Afgelopen vier jaar niet meer, althans zo wordt het effect van het beleid gevoeld. Dan is de betrouwbaarheid in het geding. Een pijler die wegvalt. Voor de meer beleidsmatig denkenden: waarom werd in de economische crisis geen Keynesiaanse politiek gevoerd, ‘zoals altijd’? Zie nu Portugal, dat dit wel weer probeert te doen, dat werkt vooralsnog goed.
    Omgekeerd: de Partij voor de Dieren heeft een consequent verhaal en wordt ervoor beloond. GroenLinks, kennelijk wijzer van de situatie van 2012, heeft nu juist een inspirerend verhaal willen vertellen. Met wel een levensgroot risico het niet waar te kunnen maken, waarmee de betrouwbaarheid weer in het geding komt. Maar vooralsnog is daarmee niets aan de hand.
    De SP heeft in de campagne de sterke punten goed benut en de zwakkere redelijk gepareerd. Maar de pijler van ‘het goede verhaal’ is niet op alle fronten erg sterk momenteel. Bij kwesties over vluchtelingen en migratie, vragen rondom racisme, vragen over de arbeid en arbeidstijdverkorting, over ideeën van deze en gene over de vorm van de moderne democratie, en helemaal over de voor het leven fundamentele vragen over het klimaat hoort de SP vooraan te staan, vooraan te lopen, actief en reflexief. Dat is nu niet zo of is onvoldoende zichtbaar. Het partijprogramma moet niet steeds ter discussie staan, maar wel permanent in discussie zijn.

Drie pijlers? Het is een model. Als je de verkiezingen neemt als de opname van de stand van zaken, blijken zulke pijlers steeds een kernpunt. Je kunt je hier dus ook op richten. Zijn ze stevig? Verzwak je er één van, dan verzwak je alle.
      En Marx, zie het citaat hierboven, heeft wel een actueel punt: de liberalen hebben hun zaakjes vaak beter voor elkaar dan de socialisten. Actie, betrouwbaar zijn en een werkelijk goed verhaal, ze horen bij elkaar. En vergis je niet, mensen willen meer over de toekomst horen dan ‘Realpolitiker’ vaak denken. Met een beetje utopie is niets mis, al is het de kunst dan nog betrouwbaar te blijven. Als realisme daarentegen betekent dat er niets verandert, blijft iedereen natuurlijk thuis zitten.
      Het is altijd zo dat een socialistische en echt linkse partij structurele veranderingen wil en daarom veel meer moet bewijzen dat een partij van de behoudzucht. Dat is logisch, de voorgestane verandering heft het bestaande op. Althans voor een deel en zeker in de ervaring van mensen met bepaalde gevestigde en voor hen privé zo gunstige belangen. Daar staat dan de solidariteit tegenover, die leeft in alle drie pijlers.
      Een verhaal moet je wél vertellen.






Genoemd artikel: ‘Geen smoel, geen functie’ in: Jasper Schaaf, Marx, zó gelezen, Uitgeverij Damon, Budel 2005, pag. 112-117. Het Marx-citaat staat in Marx’ kritiek op het programma van Gotha.

De genoemde weblog uit 2012 staat nog gewoon op internet.












zondag 19 maart 2017

Aristoteles’ staatsfilosofie



‘Naast dit alles mag men één ding niet uit het oog verliezen dat in de praktijk van de ontaarde staatsvormen wel uit het oog verloren wordt, het juiste midden.’

Aristoteles


Aristoteles (384-322 v. Chr.) behandelt in zijn werken het hele scala van filosofische onderzoeksgebieden. Ontologie (metafysica), kennistheorie, logica, ethiek en staatstheorie. In zijn systematiek kun je de relatie tussen werkelijkheid en theorie in twee richtingen lezen, waarbij Aristoteles in laatste instantie een praktisch georiënteerd filosoof blijkt. Zijn filosofie wil een gefundeerd oordeel te geven over de maatschappij, de staat en de waarden van de mensen. Die laatste worden uitgewerkt in zijn deugdenleer.

In de staatsfilosofie gaat Aristoteles van een duidelijk principe uit. Het zijn natuurlijke eigenschappen die ertoe leiden dat de mens nu eenmaal op een bepaalde manier moet leven om in leven te blijven en om zijn eigen wezen te verwerkelijken. Dit uitgangspunt vormt een soort vroege basis voor natuurrecht, en daarmee een empirische en materialistische lijn binnen zijn denken.
      Door zijn specifieke eigenschappen is de mens ten principale op een ander aangewezen. Mensen moeten in de polis leven, in de leefgemeenschap. En omdat de mens samen moet leven, is hij daarmee niet alleen een ‘sociaal dier’, maar zelf ook mede richtingbepalend. Daarom is de mens een politiek wezen. Voor Aristoteles is de mens een wezen dat een staat vormt, een van nature in de gemeenschap levend en handelend wezen.

In zijn boek ‘Politica’  schrijft Aristoteles: ‘In alle wetenschappen en vakken is het doel een goed, maar het grootste goed, een goed bij uitstek, is het doel van de meest gezaghebbende kundigheid van allemaal: de staatkunde.’ (136) Hij doelt op de enorme uitdaging, het bereiken van algemeen welzijn. De staatsinrichting moet op een evenwicht van krachten, belangen en kwaliteiten berusten, anders is ze niet duurzaam. De vorm moet realistisch passen bij de natuurwetten en psychologische gesteldheden van de mens, want natuurwetten kunnen niet straffeloos worden overtreden.
      De natuur telt in veel opzichten mee. Bijzonder in de veelzijdige analyse is dat de natuur, zoals het klimaat, de aanwezigheid van bergen en de ligging aan zee als meespelende factoren worden genoemd. Een juiste staatsinrichting en politiek houden hiermee rekening.

Bij Aristoteles komen we in feite al de trias politica tegen. Na de bespreking van het beraadslagende en wetgevende lichaam, en vervolgens de verdeling van bestuursfuncties, dus de uitvoerende macht, zegt Aristoteles dat als derde de rechtspraak aan bod moet komen. Zo worden drie ‘machten’ onderscheiden in hun verschillende functies. De staat moet hiermee uit de hand lopende hebzucht beteugelen. Een onbegrensd streven naar rijkdom staat haaks op het levensdoel van de mens, zijn geluk en leven in harmonie. Egocentrische kenmerken ondermijnen de goede verhoudingen in de samenleving.

De ‘Politica’  is te lezen als afweging van de belangrijkste staatsordeningen. Steeds aftastend wat de kracht en zwakten zijn van de verschillende staatsvormen. De drie bekende vormen kunnen positief werken, maar ook destructief worden en daarmee onhoudbaar.
      Deze drie staatsvormen zijn de macht van een alleenheerser, van een groep mensen met een hoge maatschappelijke positie of deskundigen, of van het volk, de vrije burgers. Voor deze driedeling bestaan verschillende in benamingen. Zo wordt – ten eerste – gesproken over de alleenheerschappij, monarchie of dictatuur, – ten tweede – over aristocratie, oligarchie of meritocratie, en – ten derde – over de burgergemeenschap of democratie.

Het benoemen van staatsvormen zegt nog weinig over de voorkeuren. Bovendien onderscheidt Aristoteles in verloop van het betoog nog een mengvorm, de ‘politeia’. Dat is een staatsvorm met een democratisch accent of ordening, waarin tegelijk vooral ook de macht van de besten – aristocraten of deskundigen – en dus wijsheid, kennis en rationaliteit moeten heersen. Want het gaat niet alleen om wie regeert, maar om wat de beste inhoudelijke uitvoering is.
      Tegelijk is een macht die alleen draait om de beste prestaties ook onzinnig: ‘Als sommige mensen snel zijn en andere langzaam is dat geen reden waarom de ene groep meer en de andere minder rechten zou moeten hebben; dit verschil wordt gehuldigd in sportwedstrijden.’ (137) Dus ere wie ere toekomt, maar wel op de juiste manier. Goed in sport aanzien in sport, dat hoeft dus niet samen te gaan met meer aanzien, inkomen of macht op andere terreinen.

Hoelang werkt een bepaalde vorm van gezag vruchtbaar? De monarchie kan vervallen tot tirannie, maar het is net zo goed denkbaar dat een wijs tiran aan de macht is, die het land welvaart en geluk bezorgt. Steeds zullen bepaalde maatschappelijke vormen nieuwe oproepen. De tirannie kan leiden tot een opstand die leidt tot democratie, de democratie kan leiden tot een macht van een bepaalde groep, dus een oligarchie, een veldheer kan de macht grijpen waardoor een monarchie ontstaat, enzovoort.
      Alles is mogelijk, maar concreet gezien niet altijd. En de verandering is vooral geen doel op zich, maar een praktische aanpak van de realiteit bij onstabiele verhoudingen.

Als het niet gaat om verandering op zich, wat is het doel dan wel? Eudaimonia, het geluk in de brede zin van het woord. Geluk, welvaart, welbevinden, vrede, goede opvoeding en dus vooral ‘goed leven’.
      Welke staat dient dit grote doel het beste? Om dat te weten moet bedacht worden dat het teleologisch aspect meespeelt (zogeheten doeloorzaken). Mensen streven naar geluk, maar dat werkt maatschappelijk pas goed als de verschillende belangen niet te sterk botsen, er dus een zekere harmonie van belangen en welvaart bestaat. Naar dat doel wordt een staatsvorm ‘teleologisch’ toegetrokken. Bij het omgekeerde, een gebrek aan macht en welbevinden, zal het volk bestaand beleid en/of de bestaande ordening op een zeker moment niet meer pikken.

De aard van de mens doorzien is voorwaarde voor een goede staatsvisie. Aristoteles: ‘Daarom valt tirannie ook bij slechte mensen in de smaak: tirannen scheppen er behagen in gevleid te worden, en niemand met een vrije geest zou dat doen. Integendeel: fatsoenlijke mensen handelen uit vriendschap, niet uit vleierij.’ (235) Het goede en fatsoen horen bij elkaar. Tirannen en ijdeltuiten houden niet van kennis en onafhankelijkheid. Dit betekent des te meer dat de politeia moet worden nagestreefd, zodat de algemene doelen draagvlak hebben en de beste wetgeving ontstaat.

Opmerkelijk is Aristoteles’ nadruk op de betrekkelijk onbaatzuchtige of in ieder geval ‘gezellige’ gemeenschappelijkheid in tegenstelling tot zoveel latere denkers. Hij doet dit in de ‘Politica’  zonder dit religieus in te kleuren, want de religie speelt bij hem nauwelijks een rol: ‘Daarom streven mensen, ook wanneer ze geen behoefte hebben aan wederzijdse hulp, toch naar een samenlevingsverband. Dit neemt niet weg dat ook gemeenschappelijk belang hen bijeen brengt in zoverre dit voor ieder bijdraagt tot een goed leven: meer dan wat ook is dit hun doel, zowel aller gezamenlijk doel als dat van elk afzonderlijk.’ (124)
      Het knappe is dat hier het eigenbelang niet eenzijdig voorop staat, maar ook niet wordt weggeredeneerd door bijvoorbeeld een abstracte waarde of een hogere macht. Macht wordt basaal bepaald door iets ‘moois’ als welbevinden van een ieder, en het voertuig ervan is het afzonderlijke belang dat mensen maatschappelijk in beweging brengt.

Macht draait om een dubbel uitgangspunt: het beste en het meest realistische. Voor beide ligt bij Aristoteles de lat hoog, anders is er nog geen goede balans. Zo leidt het hoogste eisen voor slechts één groep tot afgunst en dus tot een mogelijke opstand. Bij dit realistisch incalculeren van de gevolgen speelt de wetgeving een rol. Ook een heerser mag niet zomaar de wet overtreden, want het inhoudelijke aspect telt mee. Wanneer de heerser een wet met voeten treedt en belangen van de aristocraten, legeraanvoerders of het volk schaadt, ligt het verval direct op de loer.

Dit democratisch aspect van verweer tegen overmatige of verkeerde ingrepen kent aldus een component van massapolitiek. Bij Aristoteles is dat ook geworteld in de rationaliteit van de mensen. Een enkeling heeft inzicht, maar het volk als totaliteit van de optelsom van goede en minder goede inzichten per saldo méér.
      Aristoteles: ‘Een willekeurig persoon schiet als individu allicht tekort, maar de polis bestaat uit velen en is dus beter, net zoals een feestmaal waaraan iedereen bijdraagt meer in de smaak valt dan het maal van één enkele persoon. Dit is ook de reden waarom de massa in veel kwesties een beter oordeel heeft dan een willekeurig individu.’ (146) De massa corrigeert de emotie van de enkeling: ‘Wanneer één persoon is overweldigd door woede of een andere emotie, is onvermijdelijk zijn oordeel vertroebeld, maar een groot aantal zal het niet gauw overkomen dat ze allemaal tegelijk in woede ontsteken en een beoordelingsfout maken.’
    Over dat laatste kan men anders over denken vanuit hedendaagse technieken van massamanipulatie en de huidige rol van de sociale media. Maar Aristoteles schetst wel een dynamisch beeld van werkingen binnen de staatsordening. Dat ontdekken en actualiseren kun je leren van deze klassieke denker.

Aristoteles zoekt de afweging, het juiste midden: ‘Naast dit alles mag men één ding niet uit het oog verliezen dat in de praktijk van de ontaarde staatsvormen wel uit het oog verloren wordt, het juiste midden.’ (225) Dit moet men niet zuiver pragmatisch of relativistisch uitleggen. Het juiste midden is geen compromis tussen twee willekeurige standpunten of de status quo van een enerzijds-anderzijds.
      Aristoteles zoekt eerder naar de essenties, naar de meest ware beweegredenen, de echte feiten en de tegenspraken met hun uitwerkingen die daarin bestaan. En daarin, in de echte elkaar tegenwerkende krachten moet de balans worden gevonden. De middenweg is geen vlakke weg. Het is moeilijk deze te vinden, dat laten de historische voorbeelden zien die Aristoteles aandraagt. Het juiste midden wordt ook beeldend voorgesteld: de Grieken leven volgens de middenweg tussen de Noord-Europese dapperheid en de Aziatische intelligentie. Het goede van twee werelden.

 In de staatsstructuur zoekt Aristoteles naar argumenten die onevenwichtigheden, bijvoorbeeld van maatschappelijke belangen, helpen uit te sluiten, ten gunste van een stabiele en rechtvaardige orde in de samenleving. Een groep uitsluiten is nooit het uitgangspunt, omdat deze immers allemaal een nuttige functie vervullen in het grotere geheel. Een positie van een groep mag ook niet verzwakt worden, want dat raakt de balans zoek. Aristoteles ziet immers: ‘Het zijn altijd de zwakkeren die streven naar gelijkheid en rechtvaardigheid, de sterkeren malen daar niet om.’ (253)

De vele afwegingen resulteren niet in een vaag of overgenuanceerd enerzijds-anderzijds. Alleen in de polis, binnen een samenlevingsverband, kunnen mensen gelukkig worden. Dat stelt eisen aan de polis. Wanneer die te klein is zullen noodzakelijke functies ontbreken, een te grote polis wordt onhanteerbaar en ordeloos. Het zijn inzichten, die tot in de politieke organisatiekunde van vandaag van waarde zijn.
      Sterk is het inzicht dat het tijdsaspect een belangrijke rol speelt in de dynamiek: ‘De fout ontstaat namelijk aan het begin, en het begin is volgens de zegswijze het halve werk.’ (208) Dit inzicht in oorzaken en gevolgen, en de dynamiek van het verloop daartussen leveren een belangrijke aanwijzing op voor een sterk politiek handelen, een basis voor snel en bewust handelen.
      Deze breed denkende Aristoteles is in ‘kleine kwesties’  een uiterst praktisch mens, en hierbij altijd tegelijk gericht op het grotere verband. Concreet denken is een denken dat het grotere, meer algemene verband ontdekt in de bijzondere feiten en waarin ware kennis met beide invalshoeken rekening houdt. Dit is een visie die men later terugvindt in de filosofieën van Hegel en Marx.

Aristoteles’ realisme houdt in de politiek expliciet rekening met personen met een gemiddeld of zelfs middelmatig karakter. Er moet in de staat naar het beste worden gestreefd, maar de beraadslagende burger is ook een gemiddeld persoon. Dat te benoemen legt al een democratisch aspect bloot. Het beste vragen of eisen, mag nooit meer betekenen dan mogelijk is. En met de beste regels of wetten kom je er op zich ook niet, er hoort het staatsgezag bij.
      Het gezochte model is per saldo een combinatie van alles wat het best mogelijke is, en niet meer dan dat. Steeds zoeken naar het optimum. Dat is te vinden bij de beste bestuurders, en de beraadslagende en wetgevende macht van de burgers, dus samen in de politeia. Daarbij zijn bovendien realistische wetten en goede uitvoering van ambtenaren en de rechtspraak nodig. Een goede vorst kan niets met slechte wetten, het omgekeerde werkt ook niet.

Aristoteles, een klassiek denker met moderne consequenties. Hij meent, dat wil een staatsinrichting in stand blijven, alle onderdelen van de gemeenschap haar bestaan en ongewijzigde voortzetting moeten wensen. Zonder het zo te noemen benoemt hij de fundamentele betekenis van het politieke draagvlak. In zijn tijd voldeed de maatschappij er vaak onvoldoende aan. In onze tijd is dit niet anders.

Welk staatsprobleem lost Aristoteles op? Paradoxaal, dat er niet per se één staatsvorm is die de beste is, maar er meerdere mogelijkheden zijn. En dat deze minstens even moeilijk vast te stellen zijn dan die ene schijnbaar ware. Steeds opnieuw de juiste maat zien te vinden is een hele kunst, die om echte staatslieden vraagt.
      Voor de huidige actuele context is dit interessant. Vasthouden aan de hoogste sociale doelen, niet precies weten hoe die te halen zijn, een onderzoekende houding, helder recht doen aan een ieder, dus ook in die zin democratisch en dan ook nog de kwaliteit bewaken, het is een opgave die altijd actueel is.





De nummers verwijzen naar de pagina’s van de gebruikte bron: Aristoteles, Politica, Historische Uitgeverij, Groningen z.j.




















donderdag 16 maart 2017

Wenteltrap, koffieboon en klimaat


Schelpen hebben niet alleen leuke namen, welbeschouwd zijn ze vaak heel mooi. Veelvorming, opmerkelijke structuur. Daar zijn dan ooit passende namen bij gezocht. De wenteltrap die inderdaad daarop lijkt. En met de hedendaagse gemalen koffie weet misschien niet iedereen meer hoe een koffieboon eruit ziet, maar inderdaad heeft de vorm wat weg van de schelp die zo heet.
    Daarom hier de Gewone wenteltrap (Epitonium clathrus) gepresenteerd en het Gevlekt koffieboontje (Trivia monacha). Een beetje uitvergroot.









Beide zijn kort geleden gevonden in Nederland. De vondsten hebben wellicht te maken met de klimaatverandering. Door het warmere water vind je tegenwoordig schelpen die vroeger hier vrij zeldzaam waren en meer zuidelijker voorkwamen, maar nu vaker worden gevonden.
      Ook heb je vanwege de kustafslag en de verwachte stijging van de zeespiegel zandsuppleties om het strand en de voorste kuststrook op te hogen. De wenteltrap is eind vorig jaar gevonden op de Zandmotor, de grote zandsuppletie bij Ter Heijde. Vroeger vond je ze zeker ook wel, maar nu zijn ze hier wel heel makkelijk te vinden. Vooral bij eb in poeltjes op het strand.
    Het koffieboontje vond ik kort geleden op Schiermonnikoog. Aangespoeld op een plastic container. Met de Golfstroom mee gedobberd? Daarop, aan de binnenkant, zaten diverse soorten schelpen, meest kleine exemplaren. Dit koffieboontje lag los op de bodem. Alsof het nog levende dier de moed had opgegeven en losgelaten had. Het lijkt erop dat op aangespoeld plastic vaker schelpen te vinden zijn met levende dieren, die vroeger in het koudere water eerder zouden zijn bezweken.

Zeker is dat niet direct, het kan om incidenten gaan. Zeker is wel dat ook in zee ‘exoten’ oprukken naar het noorden, en ze binnenkort een legale immigrant zijn geworden. Het veranderende klimaat drijft mensen naar nieuwe streken, zo ook de dieren. Op land en zee, en in de zee.
    Laten we wel zijn, dit zijn toch mooie migranten, een aanwinst? Als je het wilt zien. Of wil je deze tegenhouden? Dan moet snel alle plastic uit zee én de opwarming stoppen. De keuzemogelijkheden zijn hier niet zo groot, maar ze zijn er wel.
















vrijdag 10 maart 2017

Friedrich Engels: ‘Antisemitisme, dat is terug naar middeleeuwen.’


Als je op internet ‘googlet’ naar ‘Marx en het jodendom’ kom je uitspraken tegen die stellen dat Marx antisemitisch zou zijn geweest, met de suggestie dat daarmee een dergelijke verwerpelijke invloed uitgeoefend zou zijn op de arbeidersbeweging.

Dat klopt niet. Men kijkt dan vaak naar Marx’ vroege korte teksten – uit 1844 – die gaan over Bruno Bauers opvatting over ‘het joodse vraagstuk.’ Deze teksten, met moeilijk toegankelijke hegeliaanse zinswendingen, worden doorgaans slecht begrepen. Bovendien waren deze teksten bij de arbeidersbeweging in die tijd beslist niet algemeen bekend, laat staan richtinggevend.
      Hun betekenis is niet de toenmalige directe invloed naar buiten toe, maar de weerslag van Marx’ leerproces in deze jaren, waarin hij en Engels tot een eigen visie komen. Deze visie, het historisch materialisme, strekt verder dan de emancipatie van één achtergesteld volk of groep alleen.
      Overigens is het aardig te weten dat Marx in dezelfde periode zijn handtekening zette onder een actie voor burgerrechten van Joden in Pruisen. Dat staat ver van antisemitisme.

Halverwege de 19e eeuw kwamen in West-Europa antisemitisme en antisemitisch populisme steeds sterker op. Binnen de arbeidersbeweging gingen soms stemmen op daarin mee te gaan en de strijd tegen kapitalisme en voor socialisme te koppelen aan antisemitisme. Om stemmen te trekken.
      Dat paste echter op geen enkele wijze bij de visie van Marx en Engels. Vooral Friedrich Engels heeft zich enkele keren nadrukkelijk hierover uitgesproken.

Op 9 mei 1890 publiceert de Oostenrijkse ‘Arbeiter-Zeitung’  een deel van een uitgebreide brief van Engels, over het antisemitisme.
    Engels stelt hierin dat met een verbinding van de socialistische politiek en het antisemitisme bepaald niets goeds te verwachten is. Het antisemitisme is het merkteken van een achtergebleven cultuur. Men komt het daardoor ook vooral tegen in dergelijke culturen, met name Pruisen, Oostenrijk en Rusland. Antisemitisme, dat is terug naar middeleeuwen.

Engels noemt antisemitisme een Europese achterlijkheid: in Engeland of VS zou je erom worden uitgelachen. Tevens heeft hij kritiek op de antisemitische geschriften van de Fransman Éduard-Adolphe Drumont (1844-1917).
    Dan volgen inhoudelijk aspecten. Het antisemitisme is deels klassenbepaald. Kijk naar Pruisen, de verarmende adel, verarmd in de nieuwe maatschappij waarin de kapitalistische concurrentie heerst, geeft de Joden de schuld. Dit is een typische reactie van middeleeuwse ondergaande klassen

En politiek. Antisemitisme is de vervalsing van de tegenstander: men kent de Joden niet eens waartegen men zich richt. Dus het betreft datgene wat tegenwoordig vaak als zondebok wordt aangeduid.
    Nog politieker: Engels roemt de duizenden Joodse arbeiders die kort ervoor in Londen hebben gestaakt voor de kortere arbeidsduur. Zij strijden tegen het kapitaal, en dan zouden we tóch antisemitisch moeten zijn als we als socialisten strijden tegen het kapitaal? Dat zou ongerijmd zijn, een vervalsing.
      De echte tegenstelling die ertoe doet is die tussen kapitalist en loonarbeider. Daar moet de propaganda van socialisten op gericht zijn. Socialisten moeten er niet intrappen zich te laten afleiden en zich op de verkeerden te richten.
    Engels benoemt de betekenis van Joden positief. We hebben veel aan Joden te danken. Denk aan Heine, Marx, Lassalle, Adler, Bernstein, Singer en vele anderen. Engels voegt eraan toe trots te zijn op zijn vriendschap met deze Joden.

In de latere fase van zijn leven wijst Engels enkele keren vaker op het risico dat onder druk staande groepen of klassen antisemitische schijnoplossingen zoeken.
    In een brief haalt hij de socialist Carl Hirsch aan. Die schreef: ‘Het antisemitisme wordt zuiver van bovenaf gearrangeerd, ja zelfs gecommandeerd. Als ik in de tram zit stoort niemand zich aan mijn neus of hoor ik woorden tegen de Joden.’

Gearrangeerd. Hoe zit dat tegenwoordig met de zondebokken van het populisme? De islam, het jodendom, de migranten? Wat wordt er gearrangeerd, wat toegelaten wat niet behoort te worden toegelaten?
      Maar schijn bedriegt. Al gaat het om gevaarlijke niet te onderschatten machten, – zoals de geschiedenis leert – terug naar de middeleeuwen is geen realistische optie. Dat moet steeds worden gezegd, hardop.

Engels roept op elke valse socialistische dekmantel te bestrijden en op te komen voor de vooruitgang: ‘Kapital en loonarbeid zijn tegenwoordig niet te scheiden. Hoe sterker het kapitaal, des te sterker ook de loonarbeidersklasse, des te dichterbij komt ook het einde van de kapitalistische heerschappij.’
      Wishful thinking? In ieder geval maakt Engels duidelijk dat je antisemitisme bestrijdt door je op de maatschappelijke vooruitgang te richten. Dat is ook zo, dat is juist zo in de burgerlijke maatschappij met haar klassenverhoudingen. Niet terug, maar vooruit! Voorwaarts en niet vergeten…






Genoemde tekst van Friedrich Engels is: Über den Antisemitismus (aus einem Brief nach Wien), in Karl Marx, Friedrich Engels, Werke, deel 22, pag. 49-51, Berlin (DDR) verschill. jrt.














zaterdag 4 maart 2017

SGP, CU, er bestaat ook christelijk extremisme


Een opvatting die haar eigen fundamenten tracht te begrijpen en te verwoorden kan men fundamenteel of zelfs fundamentalistisch noemen. Een opvatting die haar eigen wortels (Latijn, wortel = radix) verwoordt kan men radicaal of misschien zelfs wel een radicalisme noemen.
      Met beide is weinig aan de hand. Fundamentele opvattingen kunnen en moeten elkaar tolereren en soms het debat aangaan. Niets mis mee voor mensen die waarheid nastreven. Een tolerante opvatting betekent niet dat een goed gesprek uit de weg moet worden gegaan.

Wanneer echter een opvatting niet strookt met andere maatschappelijk geaccepteerde fundamentele afspraken, regels of waarden, dan gaat men over een grens. Dan kun je spreken over extremisme, omdat de eigen opvatting en handelswijze niet stroken met dat wat ook van essentieel belang geacht wordt. Dan is er een botsing van waarden.
    En als men de historisch verworven rechtsstaat werkelijk accepteert zal men de rechten en plichten daarvan het zwaarste laten wegen. Doet men dat niet, dan is er inderdaad sprake van het extreem opzoeken, van het overschrijden, de grens overschrijden. Dat kan overigens ook zonder gelovig te zijn, wanneer de door de rechtsstaat gegarandeerde tolerantie niet wordt aanvaardt, dus zoals de PVV doet. Dan ontstaat er intolerantie ten opzichte van mensen die zelf wel binnen de gegarandeerde vrijheden blijven. En wordt ook de rechtsstaat niet meer geaccepteerd, waarmee deze droevige  cirkel rond is.

Een fundamentele visie kan hard overkomen. Benedictus de Spinoza’s god was niet meer de god van de rechtzinnige gereformeerden in zijn tijd, die een garantie was voor hemel en hel. Immanuel Kants weerlegging van alle godsbewijzen was ook fundamenteel, haaks op het idee van al die mensen die voor hun geloof ook nog ergens een bewijs zoeken.
      Mijn eigen boek ‘Godsdienstkritiek, respect en actieve tolerantie’  is ook niet vrijblijvend en baseert zich ook nog op Ludwig Feuerbach en Karl Marx. Bevindelijke christenen zullen het vreselijk vinden, maar er kan wel over gesproken worden. Het gaat om visies die elkaar kunnen tolereren en als dat actief gebeurt is dat wat anders dan van alles maar roepen dat ‘je het zelf wel mag weten’. Zo’n open deur is een wereldbeschouwelijke, filosofische en politieke armoede.
    In ‘Godsdienstkritiek’  gaat het ook over de grensoverschrijding, wanneer een opvatting, filosofie of religie extremistisch wordt, namelijk de grens overschrijdt van de waarden van de samenleving en rechtsstaat. Reflectie hierover is niet nieuw, Spinoza en Kant wezen er nadrukkelijk op.

Morele en politieke grensoverschrijdingen zijn actueel stevig aan de orde. Die kun je dus extreem of extremistisch noemen. Men kijkt dan onmiddellijk naar de islam, maar kijk liever ook eens naar de vaak nog zo dominante christelijke cultuur, waarin op sommige momenten de tolerantie en de liefde voor de naaste het volledig laten afweten. Dat blijkt in de politiek van de SGP en de Christen Unie.

In het verkiezingsprogramma 2017 van de SGP wordt de islam als intrinsiek gewelddadig beschreven. De taal is er een die islamitisch extremisme als het normale van deze religie beschrijft. Men wil de islam ook niet meer horen, gebedsoproepen vanaf moskeeën moeten worden tegengegaan. Wil je dan niet in jij-bakken vervallen, dan kan men toch stellen dat hier de ene religie de andere het licht in de ogen niet gunt. Een christen kan van een andere religie toch ook het goede en het kwade onderscheiden? Het kwade wordt niet overwonnen als het goede niet gegund en gesteund wordt.

Extreem politiek optreden bestaat ook met betrekking tot het Israëlisch-Palestijns conflict. The Rights Forum is een organisatie  die zich inzet voor een oplossing van dit conflict op basis van het internationaal recht en de eerbiediging van de mensenrechten. Deze organisatie heeft vanwege de verkiezingen het stemgedrag in de Tweede Kamer over dit conflict in kaart gebracht.
      Hier blijkt dat zowel de SGP als de CU het Israëlisch nederzettingenbeleid actief steunen. Dat is in strijd met het internationaal recht, maar ook gewoon uit menselijk oogpunt kan ieder die dit volgt zien dat het om een pure bezettingsmacht gaat. De Palestijnen worden onderdrukt. Daarmee houdt Israël ook zichzelf gevangen, indachtig Marx’ uitspraak dat een volk niet vrij kan zijn zolang het een ander onderdrukt.

Het is extreem wanneer men de eigen zorgen en visie stelt boven de rechten van een heel volk en boven internationaal recht, en zich dan beroept op morele gronden. Dat hier een religieuze argumentatie mede een rol speelt, zullen deze partijen niet ontkennen.
      In feite presenteren zij daarmee een superieur standpunt dat op geen enkele manier bijdraagt het conflict dichter bij een oplossing te brengen. Dat is ook extremisme, naïef en een doodlopende weg.




De verkiezingskrant van The Rights Forum is te downloaden op: https://rightsforum.org/