woensdag 9 augustus 2017

Alexis de Tocqueville - Kritiek van de gelijkheid



‘Ik zie dat het goede en het slechte tamelijk gelijkmatig zijn verdeeld in de wereld. De grote rijkdommen verdwijnen; het aantal kleine fortuinen neemt toe; verlangens en genoegens vermenigvuldigen zich; er is geen buitengewone welvaart meer en evenmin onherstelbare schade. Ambitie is een universeel gevoel, er zijn weinig grote ambities. Ieder individu is geïsoleerd en zwak; de samenleving is beweeglijk, vooruitziend en sterk; individuen doen kleine dingen en de staat reusachtige.’

Alexis de Tocqueville, Over de democratie in Amerika


Van denkers en wetenschappers in andere tradities dan de jouwe en die wellicht ook heel andere maatschappelijke doelen nastreven valt nochtans veel te leren. Een goed voorbeeld van een vroege socioloog, massapsycholoog en politicus die in het uiterste dóórdenken van consequenties van nieuwe ontwikkelingen zich ‘als een ware Hegel’ toont – al is zijn achtergrond een heel andere – is Alexis de Tocqueville (1805-1859).

Is de nieuwe democratie van zijn tijd waarin alle burgers geacht worden gelijk te zijn en gelijke rechten te hebben in de praktijk een zegen? Er valt veel meer over te zeggen dan dat dit een goede of slechte ontwikkeling zonder meer is.

Het is positief en heel kritisch tegelijk. De Amerikaanse democratie is de maatschappij van de toekomst, krachtig en zij voldoet aan het eerlijke ideaal van de gelijkheid van iedere burger. Als deze motor die eenmaal loopt zet die beweging echter zo krachtig door, dat het onderscheid en de sociale samenhang worden uitgeschakeld. Tendentieel. Tocqueville is een meester in het ontdekken van tendensen en verdergaande gevolgen. De ontwikkeling van de democratie is niet mooi, maar tegelijk weer wel: ‘Gelijkheid is wellicht minder verheven, maar zij is rechtvaardiger en die rechtvaardigheid maakt haar groots en schoon.’ (p. 761)

Scherpe observaties, het gaat om veel meer dan ideologie wat Tocqueville biedt. Hij is aristocraat, scherp waarnemer, een vroege empirisch ingestelde socioloog en geldt als een van de belangrijkste grondleggers van het liberalisme. Hij is van na de Franse revolutie, maar deze echoot door in zijn hele werk, uitmondend in de Herinneringen van de grote revolutie van zijn eigen tijd, die van 1848, die hij heel direct meemaakt.
      De nieuwe machtsverhoudingen hebben enorme gevolgen. Tocquevilles hoofdwerk betreft uitgebreide observaties en reflecties over deze nieuwe verhoudingen, zoals deze zich ontplooien in de Verenigde Staten van Amerika.

Tocqueville vermoedt dat de nieuwe democratie waarin gelijkheid, dat wil zeggen gelijke rechten én hun gelijkmakende, nivellerende consequenties, veel blootlegt van de toekomstige ontwikkelingen elders, zoals met name te verwachten is in Europa.
      Tocquevilles omvangrijke Over de democratie in Amerika (1835, boek II in 1840) over dit thema is heel leesbaar. Het is geschreven in korte stukken, bijna als vroege weblogs of columns. Deze stukken zijn sprekend, veelal logisch, soms in de fragmentatie ook tegenstrijdig, maar de rode draad van ‘de kwestie gelijkheid’ komt steeds weer terug.
    Tocqueville laat scherp zien dat van de trits ‘Vrijheid, gelijkheid en broederschap’, vooral de gelijkheid ertoe doet. De breed besproken consequenties van vrijheid en gelijkheid liggen in het democratische Amerika – politiek nog in opbouw – in hoge mate in elkaars verlengde. De broederschap, zeg maar de solidariteit, lijdt hier onder. Ook dat laat Tocqueville genadeloos zien. Liberaal oké, maar in dit opzicht is hij, zeker analytisch, voor zijn tijd uitzonderlijk scherp, kritisch of zelfs visionair.

Opmerkelijk in Over de democratie in Amerika is de objectieve toon. Tocqueville toont als ware medegrondlegger van de sociologie ‘hoe het is’ of ‘hoe het waarschijnlijk wordt’, meestal meer dan instemming of afkeuring uit te spreken. Ook tegenstrijdigheden worden doorgeëxerceerd, zonder eenvoudige oplossingen te suggereren. Dan blijft soms dus de tegenspraak gewoon staan. Daardoor worden – en daarin is dit een groots werk – de consequenties alleen maar duidelijker.
      Hiermee is Tocquevilles inbreng in de liberale ideologie minstens zo interessant als die van moreel-economische en politieke denkers als John Locke. De laatste legitimeert de verandering, zoals het ompalen van de gemene gronden door de aristocraten, waarmee de Britse klassenmaatschappij haar tegenstellingen verscherpt, inclusief de vergroting van de armoede en de uitbuiting van de boeren. Tocqueville hoedt zich ervoor veel te legitimeren, hij houdt afstand, althans in dit boek. Hij is positief, maar toont ook bedenkingen, bezorgdheid zelfs. Genoemd boek is dus geen strijdschrift, maar eerder een grondslag voor een kritische liberale visie op gelijkheid. Locke legitimeert, waar Tocqueville eerder problematiseert.

In de Amerikaanse democratie die zich in Tocquevilles tijd ontwikkelt staat gelijkheid centraal. Met grote gevolgen. De genoemde keerzijden liggen in de consequenties van de gelijkheid. Zoals de in gang gezette individualisering – een van de moderne termen die ontstaat in Tocquevilles werk – waardoor de burger angstig in het grote gebeuren, zich veilig, comfortabel, maar ook conformistisch terugtrekt in zijn gezin.
      Grote wereldbestormende idealen bestaan nauwelijks meer, zeker niet openlijk. Ze worden vervangen door de kleine veiligheid en het najagen van eigen gewin en materiële goederen. Positief en niet-positief tegelijk. Beide aspecten worden helder blootgelegd.

Dat er ook gevolgen zijn die niet goed in de consequenties van de gelijkheid passen, zoals dat er groepen buiten deze ontwikkeling vallen, bijvoorbeeld de arme immigrant, vluchteling, neger en arbeider, valt opmerkelijk buiten het beeld van het verhaal. Dat wordt niet als een kernpunt gezien, zoals ook de consequenties van de hele economische ontwikkeling maar in beperkte mate worden gezien.
      Maar het valt niet helemaal buiten beeld. Tocqueville ziet de solidariteit van groepen en klassen verminderen, zelfs vervallen: ‘Wanneer de standen gelijk worden na een langdurige strijd tussen de verschillende klassen waaruit de oude samenleving bestond, maken afgunst, haat en minachting voor de buurman, hoogmoed en overdreven zelfvertrouwen zich als het ware meester van het menselijk hart en heersen er enige tijd. Los van de gelijkheid, draagt dit er in ruime mate toe bij dat de mensen verdeeld raken, dat zij elkaars oordelen wantrouwen en de verlichting alleen in zichzelf zoeken.’ (p. 448)

Tocqueville waagt zich soms aan vergaande generalisaties, op basis van een causale logica. Hoe denkt of doet men en waar leidt dit toe? Zo stelt hij dat er nooit vrije samenlevingen zijn geweest zonder zeden, en dat deze gemaakt worden door de vrouw. (p. 635) Boeiend is dan dat hij vervolgens meent dat de Amerikanen om verschillende redenen proberen het vertrouwen in de eigen kracht van vrouwen te vergroten. Misschien iets te mooi, te generaliserend, zelfs wat naïef, maar ook visionair.
    Inhoudelijk vooruitlopend op Marx’ basis-bovenbouwthese, ziet Tocqueville dat een sociaal stelsel manieren van denken en ethiek afdwingt, in dit geval vooral door de gelijkheidsideologie. Dat omstandigheden bewustzijnsvormen bepalen, is abstract bezien misschien al een algemeen aanvaard inzicht, de indringendheid van een dergelijke interactie en het geheel doorexerceren van de consequenties vormen een kwaliteit waarin Tocqueville uitblinkt.
    Het is meer dan alleen een observatie, het is ook Tocquevilles eigen manier van denken. Steeds kijken, als dit of dat zo is, wat zijn de consequenties, wat kun je dan op termijn verwachten? Daarmee denkt hij historisch, in ontwikkelingen, in die zin dialectisch. Het gaat niet om stellingen, maar om de werking van verbanden, dus interacties en bewegingen. Dat maakt zijn werk nog altijd leerrijk. Dat gelijkheid, een belangrijke waarde, zoveel impliceert, de werking ervan dus doorgeëxerceerd moet worden, en dan ook voor de Europese landen veel over de toekomst zegt, is scherp gezien.
      Het is gedifferentieerd, de verschillen worden zichtbaar, het is geen dialectiek die per se tot één einde leidt, maar is open én met impact. Tocqueville zegt dat zelf, als hij eindigt met een laatste blik op de ‘uiteenlopende trekken die het aangezicht van de nieuwe wereld markeren.’ (p. 760) Markeren, dus ook hier feitelijk, het is de analyse over de algemene, verstrekkende invloed die de gelijkheid uitoefent op de mensen.

Tocquevilles niet altijd zichtbare ideologische drijfveer betekent niet dat hij nooit de door hem gewenste richting uitspreekt. Wel laat hij soms, wanneer verschillende aspecten leiden tot tegenstrijdige consequenties, zoals het delen van macht én het individueel terugtrekken op het bastion van het eigen gezin, die tegenspraken soms gewoon zien en gewoon ‘bestaan’, zonder aan te geven hoe deze opgeheven zouden kunnen worden. Ook niet hoe deze helemaal vermeden kunnen worden, welke concrete inspanning daarvoor vereist is. Een wenselijke richting geeft hij wel aan, als het gaat om het feit dat gelijkheid leidt tot egoïsme en dat deze ook een vrijheid inhoudt, die juist door dat egoïsme te groot kan worden en er dan een beperking of beteugeling nodig is. Dan wordt een spanningsveld zichtbaar gemaakt, zonder tot directe voorstellen te komen om die op te lossen.
      Tocquevilles werk is in historische zin dialectisch. Toch bekruipt bij lezing soms het gevoel dat hij ‘De Amerikanen’ als gelijk ziet, en verschillen en maatschappelijke tegenstellingen daardoor onbelicht blijven. De grote economische tegenstellingen missen, terwijl die in het opkomende industriële Amerika ook leiden tot strijd voor een gereguleerde arbeidstijd. Weliswaar is daar zo’n vijftig jaar later duidelijker sprake van, maar anderzijds is Tocquevilles blik vooruit gericht, en herkent hij de doorwerking van gelijkheid als waarde en als positie vaak treffend. Wat dat betreft is de historische exercitie onaf, als het gaat om de gevolgen van de nieuwe industriële samenleving, waarvan de contouren in de tijd van Tocqueville al zichtbaar werden.

Tocqueville levert een vroege kritiek op consumentisme als uiting van gelijkheid. Als ‘alles’ gelijk wordt, worden verschillen én mogelijk risicovolle maar interessante initiatieven uitgebannen. Gelijkheid brengt aldus een risico van vergaande nivellering met zich mee. En dat kan leiden tot sociale entropie, tot stilstand waar beweging nodig is, maar waar de uitdaging daartoe te zwak wordt.
    Hij schrijft onder meer: ‘Wanneer ik zie dat het eigendom zo mobiel wordt en de liefde voor eigendom zo rusteloos en zo vurig, moet ik wel vrezen dat de mensen het punt bereiken waarop zij elke nieuwe theorie als een gevaar beschouwen, elke vernieuwing als een hinderlijke verstoring van de rust, elke sociale vooruitgang als een eerste stap op de weg naar revolutie, en dat zij ten enenmale zullen weigeren nog te bewegen uit angst dat men hen meesleurt. Ik huiver, ik geef het toe, bij de gedachte dat zij zich ten slotte zozeer laten domineren door een laffe voorkeur voor de genietingen van het moment, dat zij het belang van hun eigen toekomst en dat van hun nakomelingen uit het oog zullen verliezen en dat zij hun lot liever gelaten zullen aanvaarden dan in geval van nood plotseling en energiek in het geweer te komen om het lot te keren.’ (p. 696)

Democratisering? ‘Kritiek van de gelijkheid’, dat is de kern. Tocquevilles conclusies zijn als het om verdere humane emancipatie gaat ten slotte niet echt vrolijk: ‘Ik laat mijn blik dwalen over deze onmetelijke massa die bestaat uit eendere wezens, waar niets zich verheft en niets zich verlaagt. Het schouwspel van deze universele eenvormigheid stemt mij droef en doet me verstijven, en ik ben geneigd de samenleving die niet meer is te betreuren.’ (p. 761)
      Eén en al maaiveld, geen kop er bovenuit. Tocqueville laat zien dat het gelijkheidsbeginsel in de praktijk tot een totaal egalitarisme, een volledige nivellering kan leiden. Men kan hem wel beschouwen als liberaal grondlegger al blijkt hier ook nog zijn aristocratische blik, het is wel liberalisme met een flinke vlek. Vrijheid wordt onder dit egalitaire bestaan ook slechts een formele positie, zij het ingevuld met een betrekkelijke welvaart waarin elke massamens aan zijn ingeperkte trekken komt.
      Het is in veel opzichten echter een vooruitziende blik, die niet onderdoet voor de veel latere kritiek op het consumentisme door Ortega y Gasset of Herbert Marcuse. De Facebook-gelijkheid en de ongedifferentieerde gedifferentieerdheid van het heden waren toen nog onvermoed, de consequenties minstens zo zwart neergezet. Niet voor niets komen thema’s als cultuur, en persoonlijke ontplooiing en ontwikkeling nauwelijks aan bod in Over de democratie in Amerika.
      Toch is hij de socioloog en historicus. Hij ziet het vrijwel onvermijdelijke in de ontwikkeling van de democratie. Na de Franse revolutie waren immers weliswaar de grootste revolutionaire scherpslijpers van het politieke toneel verwijderd, de handelingsvrijheid en toegenomen macht van de burgers waren niet weg. En daarmee was ook de gelijkheidstendens niet verdwenen.

De te verwachten universele nivellering die – tautologisch welhaast – ontstaat uit een consequente toepassing van de idee van vrijheid als gelijkheid, is enorm. Het beschreven proces is duidelijk en komt in veel formuleringen terug. Het unieke nieuwe Amerika van zijn tijd biedt de kans om dit in een soort laboratoriumsituatie te bekijken. In feite speelt hier ongeveer hetzelfde als in de natuurkundige ‘wet’ van toename van entropie. Naarmate de verschillen afnemen, neemt ook de motor af waarmee deze verschillen veranderingen en hernieuwd onderscheid genereren.
      De energie wordt als het ware gespreid, verliest haar richting en daarmee haar kracht. Er zijn geen aristocraten met een unieke inbreng meer, maar een massa die zich er vooral nog om bekommert eigen bezit, enig aanzien en het verkregen kleine deel van de macht niet kwijt te raken. Mensen zijn niet helemaal gelijk, maar die resterende ongelijkheid lijkt nog slechts in de beperkte sfeer aanwezig. En die wordt door de algehele gelijkheid gegarandeerd, ook al door een soort ‘onzichtbare hand’.

Tocqueville noemt tal van treffende concrete situaties en werkingen. Heel knap is de vooruitziende blik met betrekking tot de massamedia en de publieke opinie. Deze zijn een werking van de verdeelde en uitgesmeerde macht. Ze vervullen niet de rol een onafhankelijke visie of ontwikkeling op gang te brengen, maar posities te handhaven of zelfs te versterken. Tocqueville: ‘Naarmate de burgers gelijker en eender worden, wordt de neiging van eenieder om een bepaalde man of klasse te geloven, kleiner. De bereidheid om de massa te geloven neemt toe en de wereld zal steeds meer door de opinie worden geleid. De publieke opinie is niet enkel de enige gids die de individuele rede rest bij democratische volken, maar zij heeft bij die volken een oneindig veel grotere invloed dan bij elk ander. In tijden van gelijkheid hebben mensen geen enkel vertrouwen in elkaar vanwege hun onderlinge gelijkenis, maar diezelfde gelijkenis geeft hun een vrijwel onbeperkt vertrouwen in het oordeel van het publiek; zij achten het namelijk onwaarschijnlijk dat, daar zij allen even verlicht zijn, de waarheid niet bij het grootste aantal te vinden zou zijn.’ (p. 452)
      Hij presenteert hier een mooi niet bestaand woord: ‘gelijker’. Dat kan immers niet? Even mooi: ‘tijden van gelijkheid’. Het duurt kennelijk niet eeuwig?

Wanneer de nivellerende werking doorzet voorziet Tocqueville huiveringwekkende gevolgen. Dan blijft er inderdaad ‘een laffe voorkeur van genietingen’ over, zoals hij schrijft. Dat is totale passiviteit. Een verlicht liberalisme dat de opheffing van de onmondigheid van de burger nastreeft kan hier dus voorzien dat zijn gelijkheidsideaal zijn hand totaal overspeelt en eindigt in apathie, in leegte. Het heeft ongetwijfeld te maken met een formele, inhoudsloze benadering van vrijheid en gelijkheid. Het is de schuld niet van Tocqueville, het is zijn verdienste de consequenties van de negatieve dialectiek zo meedogenloos te schetsen in meerdere passages van zijn werk.
      Gelijkheid heeft dus bij de bevolking een totale nivellerende werking. De aristocratie en de verschillen in rijk en arm, in grote en kleine ambities, het valt als het ware allemaal stil. ‘Mensen die gelijk zijn qua rechten, onderwijs en fortuin, kortom in gelijke stand leven, hebben noodzakelijkerwijs behoeften, gewoonten en voorkeuren die weinig van elkaar verschillen. Omdat zij de dingen vanuit dezelfde gezichtshoek bekijken, neigt hun geest van nature naar min of meer gelijksoortige ideeën, en hoewel eenieder zich van zijn tijdgenoten kan afzonderen en zijn eigen meningen kan vormen, komen zij ten slotte, zonder het te weten en zonder het te willen, tot een bepaald aantal gemeenschappelijke opvattingen.’ (p. 691) Een soort wet van de tendentiële daling van de activiteit, ontstaan door ongelijkheid, met als eindresultaat de dood van de burgerlijke gelijkheid, een grauwe passiviteit.

Over de democratie in Amerika kan ook gelezen worden als een kritiek op narcistisch gecamoufleerde onverschilligheid. Het individu staat zwak en is geïsoleerd.  (Zie het motto bovenaan, p. 760) Het heeft zijn kleine ambitie, maar het kan niet anders dan dat die wel moet worden uitvergroot en in de massa gepresenteerd. De democratische burger moet laten zien dat hij er helemaal bij hoort als hij zijn veilige thuis verlaat. Anders toon je de gelijkheid, je eigen gelijk binnen de grote gelijkheid immers niet.
      De mensen zijn hoe dan ook vooral met zichzelf en de schijn daarvan bezig in deze groei van gelijkheid: ‘Ik wil mij inbeelden met welke nieuwe trekken het despotisme zich in de wereld zou kunnen voordoen: ik zie een ontelbare massa eendere en gelijke mensen die voortdurend met zichzelf bezig zijn om zich kleine en platvloerse genoegens te verschaffen waarmee zij hun ziel vullen. Elk van hen afzonderlijk staat als een vreemdeling tegenover het lot van alle anderen; zijn kinderen en zijn vrienden vormen voor hem het hele mensdom; wat de rest van zijn medeburgers betreft: hij staat naast hen, maar ziet hen niet; hij raakt ze aan, maar voelt ze niet; hij bestaat slechts in en voor zichzelf en, zo hij al familie heeft, kan men in ieder geval zeggen dat hij geen vaderland meer heeft.’ (p. 748)

In deze democratische situatie van louter gelijkheid en formele vrijheid moet ieder dus zichzelf zien te redden. Dan staat die gelijkheid niet op goede voet met een verwezenlijkte vrijheid, want die staat los van alles. En dat, tegenstrijdig, kan weer niet, want ieder moet meedoen, je bent immers gelijk aan anderen die ook mee moeten doen. Uiterste eenzaamheid van het individualisme als maatschappelijk risico.
      Tocqueville zegt niet dat mensen niet verantwoordelijk zijn voor hun eigen situatie, maar zeker ook niet dat hij blij is met alle consequenties van gelijkheid en dat ieder op dezelfde wijze voor zichzelf zou moeten zorgen. In dat opzicht is een lering uit Tocquevilles werk dat een nuance nodig is bij het thema of pleidooi over gelijkheid, gelijkwaardigheid en gelijke rechten, met een concretisering van de inhoudelijke mogelijkheden en de valkuilen hiervan.

Tocqueville wijst erop dat grote vrijheid en gelijkheid vragen om een structuur van de macht: ‘Het is zowel noodzakelijk als wenselijk dat de centrale macht die een democratisch volk leidt, actief en machtig is. Zij moet niet zwak of lusteloos worden gemaakt; men moet haar alleen beletten haar behendigheid en kracht te misbruiken.’ (p. 753) Dit idee vormt in feite hier een centraal punt: hoe verhouden staat en vrijheid zich, met als doelstelling een zo hoog mogelijk ontwikkelde vrijheid, die samen gaat met een actieve houding. En dat laatste is iets anders dan een formele vrijheid ten opzichte van een bepaald ‘punt’, een bepaalde kwestie.
      Tocqueville draagt dus bij aan een visie over staat en vrijheid, juist door zijn ‘Kritiek van de gelijkheid’. Zijn uitspraak over de noodzaak van centrale macht roept discussie op. Natuurlijk is misbruik nooit de doelstelling, maar daarmee is de vraag nog niet beantwoord hoever de noodzakelijke centrale macht moet strekken.

Vrijheid wordt gerealiseerd op een speelveld, in een kader. Meer en meer wordt duidelijk dat dit kader ontwikkeld moet worden, om ook een sterkere, meer veelzijdige en gedifferentieerde vrijheid te realiseren. Ook hierover zegt Tocqueville iets: ‘De Voorzienigheid heeft het mensdom noch geheel en al onafhankelijk noch volledig slaafs geschapen. Zij heeft wel degelijk rond elke mens een fatale kring getrokken waaruit hij niet kan ontsnappen, maar binnen zijn ruim getrokken grenzen is de mens machtig en vrij, net zoals volken dat zijn.’ (p. 763)
      Heel mooi, een kader, een ‘fatale kring’. Maar is dit wel de juiste kwalificatie, heeft de kring slechts eenmaal getrokken grenzen? Is het noodzakelijk een blind proces, of laat juist Tocqueville ook zien dat zijn sociologie mede de ogen kan openen zodat we het speelveld kennen, en het misschien zelfs nog kunnen veranderen?

Er bestaat een antithese tussen een totale gelijkheid en een totale vrijheid. Democratie is een doel, maar heeft in zich door te schieten, waardoor een grote gelijkheid ontstaat, die volledig individualiseert en interesse doet afnemen, waardoor vervolgens een nieuwe ongelijkheid mogelijk is, maar dan in een sterk geïndividualiseerde, geïsoleerde positie. Een betrokkenheid kan ‘over de top’ gaan, dan ontstaat verval, die kan eindigen in een grote leegte.
      Tocquevilles idee dat grote vrijheid en gelijkheid vragen om een structuur van de macht is daarom terecht. Democratie als doel moet veel meer zijn of worden dan een formeel model. Gelijkheid die vastpint in nieuwe geïndividualiseerde ongelijkheid of achteruitgang is een antithetisch, maar destructief moment in de vooruitgang. Het resultaat zal zijn een maatschappelijk verval, vervolgens een zucht naar het verleden, misplaatste nostalgie met mogelijk sterke negatieve, asociale bijverschijnselen, zoals angst, haat en narcisme.
      De kritiek op een narcistisch gecamoufleerde onverschilligheid is een aanval op een overdreven, door willekeurige nuances toegedekt neutralisme. Extreme gelijkheid leidt tot overmatig individualisme, tot vormen van vervreemding.





Bronnen:
- Alexis de Tocqueville, Over de democratie in Amerika, 3e druk, Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam 2012. Het motto bovenaan is ontleend aan pagina 760.
- Alexis de Tocqueville, Herinneringen aan de omwenteling van 1848 (geschreven in 1850), Uitgeverij Van Gennep, Amsterdam 2012.

















dinsdag 8 augustus 2017

Marx over stiekeme Britse dienstbaarheid aan de Russische tsaar



‘De vlugschriften die we hebben herdrukt, stemmen niet overeen met de gewone bedrieglijke publicaties van latere historici. De vlugschriften stellen Engeland nadrukkelijk aan de kaak als het machtigste instrument van Rusland.’
Karl Marx, 1850


Kritische onderzoeksjournalistiek is een goede zaak. Doorgraven tot de echte feiten op tafel komen, zo nodig tegen alle gesjoemel met de waarheid en framing in. Nu zowel de mondiale economische situatie als de zo langzamerhand breed erkende klimaatcrisis voor de langere termijn enorme onzekerheden oproept, neemt de ouderwetse machtspolitiek met alle gekonkel én de bewapening toe.
      De wereld is vol risico´s. Moeten die bestreden worden door samenwerking en openheid of door vooral de eigen positie te versterken? Vooral het laatste lijkt meer en meer de inzet te worden, een enorme politieke terugval: in de VS met Trump, Rusland met Poetin, de EG waarin bewapeningsscenario’s vaker naar voren komen, en zie de vele vergelijkbare ontwikkelingen in alle werelddelen.

Kijkend naar alle gedoe over de nieuwe Amerikaanse sancties, de Russische reactie, of net zo goed het omgekeerde verhaal van de schuld die de Russen bij het westen leggen als het om het verval van het voorheen nog zo machtige Rusland gaat, zien we alle mogelijke manipulaties weer optreden. Inclusief diplomatieke reacties op de veranderingen waarin staten nieuwe machtsposities zoeken en trachten te versterken. En ja, juist daarom is de onderzoeksjournalistiek zo’n goede zaak.
      Openheid en democratie versus repressie en geheimzinnigheid. Een strijd die nog lang zal duren, tegen de achtergrond van een enorm dreigend verlies aan leefruimte, grondstoffen, veiligheid en voeding in een overvolle wereld.

In de strijd voor openheid en de rechten van de volkeren tegenover stiekeme politiek en onderdrukking kan ook Karl Marx worden genoemd. Een minder bekend geschrift uit 1850, met als titel ‘Geheime diplomatie in de achttiende eeuw’, legt bloot hoe brute machtspolitiek vaak samengaat met geraffineerd en stiekem opereren op de achtergrond.

Centraal in deze tekst staat de opkomst van Rusland, de politieke rol hierin van Iwan de Grote (1440-1505) en daarna van vooral Peter de Grote (1672-1725).
    Het tweede wat even centraal staat is de rol van de Engeland bij de overwinningen van Peter de Grote op Zweden. Zweden, dat in het Oostzee-gebied een overwegende machtspositie had, die in jarenlange strijd door de Russen wordt overgenomen. De Engelse koning William (‘onze’ Willem III) had in 1700 een grondig en uitgebreid defensieverdrag met de Zweedse koning Karel XII gesloten, volgens welke ze stevig voor elkaars belangen zouden opkomen.
      Dit verdrag gaat – op papier althans! – zover dat aan eind nadrukkelijk nog eens de goede bedoelingen worden genoemd, dat in alle ernst alle afspraken zullen worden nagekomen. (zie pp. 118-119)

Marx nu publiceert enkele brieven van diplomaten en enkele politieke pamfletten uit de achttiende eeuw die aantonen dat van achter de schermen het voorheen machtige Zweden totaal wordt verraden door Engeland. Een groep van Britse oligarchen meent dat het een handelsvoordeel voor hen is dat Zweden als dominerende gewapende macht van het Oostzee-toneel verdwijnt en dat de tsaar die bezig is Petersburg tot nieuwe hoofdstad van zijn rijk te maken die Zweedse rol moet overnemen.
    Dit kort gezegd, slechts enkele hoofdpunten, met leze het boek. De brieven en pamfletten spreken boekdelen. Daarbij geeft Marx een historisch overzicht van de talloze oorlogen in deze tijd, waarin de macht in Europa en het Midden-Oosten werd herschikt. Maar hij laat door de publicatie van de brieven en pamfletten de conclusie van de documenten ook aan de lezer zelf over.
      De feitelijk rol van de Engelsen is een totaal andere dan waar in het openbaar over wordt gesproken. De Britten helpen de Russen te bewapenen en klaar te maken voor de voor die tijd moderne oorlogsvoering. Het lijkt misschien dat Engeland in de oorlogen rondom de Oostzee geen sterke actieve rol speelt, maar dat is de schijn die bedriegt.

Marx geeft in een korte analyse aan dat het feitelijk economisch voordeel van de Engelsen, namelijk een sterkere en omvangrijke handel met het nieuwe grote en nu ook meer Europese Rusland, een fictie is. En dat nog jaren zou blijven.
      Vooral laat hij ook zien hoe binnen de natie, in dit geval Groot-Brittannië, belangengroepen een bepaalde koers kunnen bepalen die helemaal niet in het voordeel van het land als geheel hoeft te zijn.

Over de Russische mentaliteit, expansiedrift en het tegen elkaar uitspelen van verschillende heersers en belangen doet Marx treffende uitspraken: ‘Peter de Grote is inderdaad de uitvinder van de moderne Russische politiek, maar hij kon dat alleen bereiken door de oude Moskovische inpiktactiek van haar zuiver plaatselijke karakter en toevallige bijkomstigheden te ontdoen, door die politiek tot een abstracte formule te destilleren, door het doel te generaliseren en het algemene oogmerk te verheffen van het doorbreken van bepaalde gestelde machtsgrenzen tot het streven naar onbeperkte macht.’ (p. 134)

Uit benepen en ook nog slecht begrepen eigenbelang een nieuwe heerser helpen en hem dienen heeft een prijs, vaak veel hoger dan die van de materiële kosten alleen. In de nu geopenbaarde brieven leest Marx door de geheimzinnigheid die de Engelsen ten toon spreiden in feite een politieke onderworpenheid: ‘Al die brieven zijn ‘vertrouwelijk’, ‘persoonlijk’, ‘zeer geheim’, maar ondanks hun geheimdoenerigheid en vertrouwelijkheid praten die Engelse staatslieden onder elkaar over Rusland en haar heersers en heerseressen op een toon van vol eerbiedige terughoudendheid, stuitende serviliteit en cynische onderworpenheid, …’ (p. 65)

Het is een leerzaam verhaal. Onder de druk van de grote maatschappelijke veranderingen krijgt brute machtspolitiek een kans. Niet naïef zijn, is Marx’ waarschuwing hier, wat ook de boodschap is van de kritische pamfletten uit de achttiende eeuw.
      De onthullingen en Marx’ commentaar passen bij zijn kritiek op het Russische barbarisme en onderdrukking van Polen, en op het Britse imperialisme, dat zo nodig van slinkse methoden gebruikt maakt. Belangengroepen van dat imperialisme denken hun eigen belang te dienen, terwijl het eerder leidt tot verzwakking van de West-Europese landen als geheel en het Engeland in het bijzonder nauwelijks tot voordeel strekt.
      Over de rol van Groot-Brittannië  is in Marx’ werk veel te lezen.

Marx richt zich aangaande Rusland zeker ook op de toekomst: ‘Is het niet opmerkelijk wat een geraffineerde moeiten Moskovië en ook het moderne Rusland zich altijd getroost hebben om republieken te kunnen liquideren?’ (p. 131) Daarbij gebruiken de Russische heersers de steun van de Russisch-orthodoxe kerk, om de pracht en praal van de macht van een heilig aureool te voorzien. Marx noemt ‘de Griekse geloofsbelijdenis (…) een van de ‘krachtigste wapenen’.
    Boeiend en dialectisch is Marx’ karakterisering van Petersburg als bemiddeling van de voorgenomen verandering van Peter de Grote, de opening naar West-Europa en het aanknopen van vele betrekking aldaar, op basis van een Russische suprematie over de naburige staten in het Oostzee-gebied. (pp. 138-139)

Marx’ doel van de onthullingen is ongetwijfeld onder meer de ontmaskering van politiek gesjoemel uit vermeend eigenbelang, haaks op de belangen van kleinere landen en hun bevolking.
      In wezen, inhoudelijk, is het ook een appèl op de politiek tot integriteit. Dit is nog steeds een hoge opgave, zeker bij complexe verhoudingen en (vermeend) strijdige belangen. De politiek anno 2017 heeft veel trekken van de hier beschreven oude politiek. De kunst is echter het niet alleen bij onthullingen te laten en openheid te eisen, maar ook te laten zien hoe het anders kan.
      Marx geschrift uit 1850 verscheen vrij kort na zijn ‘Communistisch manifest’, waarin hij een duidelijke opgave stelt. Een dergelijke opdracht bestaat ook nu, wanneer de politiek reactionaire trekken aanneemt met alle bijbehorende machtsspelletjes en onderdrukking, die slechts in verdere ellende resulteren. Hedendaags gekonkel en 18e eeuws gedoe: ze leiden alleen maar tot meer strijd en geweld.








De tekst ‘Geheime diplomatie in de achttiende eeuw’, staat niet in de Werke van Karl Marx en Friedrich Engels, de bekende blauwe banden. Wel zal deze uiteraard opgenomen zijn of worden in de nieuwe MEGA, de Marx/Engels Gesamtausgabe. Daarin worden alle teksten en fragmenten van Marx en Engels gepubliceerd.
      Er bestaat wel een Nederlandse vertaling van deze tekst, uitgegeven bij uitgeverij Servire, Katwijk 1983. Deze is nog makkelijk antiquarisch verkrijgbaar. Zie bijvoorbeeld op de website Boekwinkeltjes.nl.
      Het motto bovenaan deze blog vind je op pagina 141.







Karl Marx












donderdag 3 augustus 2017

Spinoza ontmoeten bij Clarice Lispector


Als liefhebber van Portugese en Braziliaanse literatuur ben ik ongetwijfeld geen uitzondering momenteel werk van Clarice Lispector (1920-1977) te lezen. Hoe kan iemand die zó schrijft zo weinig bekend zijn, vraag ik me af. Dat slaat dan natuurlijk ook weer op mezelf.

In het vorig jaar verschenen ‘De ontdekking van de wereld’, een lange reeks kronieken, column-achtige korte en langere teksten, staat het volgende. Het is kort, slechts een fragment van een groter geheel? Of juist kort omdat het zo al veel zegt?

‘Het is determinisme, jawel, maar als je je eigen determinisme volgt ben je vrij. Gevangen zou je zijn als je een bestemming najoeg die niet de jouwe is. Er schuilt veel vrijheid in het hebben van een bestemming. Dat is onze vrije wil.’

Dit is Spinoza, de ‘Ethica’. Lispector schrijft in haar kronieken meestal niet of een bepaald iemand haar inspireerde. Maar wat zeker is, gezien de krachtige formulering, is dat ze alles zelf overweegt en schrijft.
    Heel bijzonder, zo treffend. De vaak nogal platte discussie of er ‘een vrije wil’ bestaat wordt ver overtroffen. Dat je je eigen reële bestemming moet overdenken en zo je eigen richting moet bepalen geeft genoeg te denken. De neurologische vraag of er dan ook nog ‘ergens’ een vrije wil zit doet er aldus helemaal niet toe.




Bron van het citaat: Clarice Lispector, De ontdekking van de wereld, Kronieken, Gekozen, uit het Portugees vertaald en van een nawoord voorzien door Harrie Lemmens, Privé-Domein nr. 286, Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, Antwerpen 2016, p. 127.















woensdag 2 augustus 2017

De ware volksaard van de populist?


Die bestaat niet. Over populistische opvattingen en gedrag valt veel te zeggen. Mede daarom werd vorige week bij het vertrek van honderdduizenden Nederlanders naar hun vakantiebestemming aan hen door onder meer De Volkskrant (24 juli) huiswerk meegegeven. Dit huiswerk is het vormen van een mening over de stelling ‘Nederlander beperkt vatbaar voor populisme.’ Bedoeld wordt dat ‘de Nederlander’ voor populisme beperkter vatbaar is dan de Fransen en de Engelsen. Het gaat dan niet om griep, maar om een politiek standpunt.
      Genoemd huiswerk om een mening te vormen kan gedaan worden op een terras in het warme Frankrijk of in een pub in het natte Engeland. Daar kan de reiziger vaststellen of de stelling klopt. Het kan ook als activerend onderzoek waarbij je nader in gesprek gaat met andere Europeanen over het thema populisme.

Het huiswerk zal moeilijker blijken dan het lijkt. Het onderzoeksbureau ‘Kantar Public’ dat het onderzoek deed waar de media op 24 juli mee aankwamen, heeft een paar vrij eenvoudige vragen bedacht, maar of dat voldoende is? Dan kan de vakantieganger als hij echt in gesprek raakt met de buitenlander er verdere vragen en nuances bij zoeken.
    Wat echter nog meer intrigeert is de vraag waarom men zo graag antwoorden op vragen wil hebben die bij voorbaat van alles en nog wat sterk generaliseren, en die leiden tot essentialistische en daarmee vaak dubieuze formuleringen.

En er spelen hierbij ongetwijfeld nog onuitgesproken vooronderstellingen. Bijvoorbeeld dat populisme geen fijne opvatting is, dat het bijvoorbeeld kuddediergedrag is.
      Maar is dat altijd verkeerd? Onze buren hebben een andere tuin dan wij, en die lijkt bovendien meer op de folders van de bouwmarkt dan de onze. Is dat erg? Mijn buren en hun buren (dat zijn wij) kunnen elkaars visie op de ware pracht van de tuin tolereren. En dat komt onder duizenden Nederlanders voor. Het heeft te maken met sociale tolerantie, wat zo breed gedeeld toch ook een vorm van populisme is en zeker ook politieke implicaties heeft. Niets mis mee.

Of vind je dat geen populisme? Inderdaad, bij ‘het populisme’ verzand je binnen de kortste tijd in definitiekwesties. En dat is bij dit nieuwe onderzoek waar De Volkskrant mee kwam ook het geval. Een hierin gestelde vraag over het sluiten van compromissen, roept de vraag op of ieder daar wel hetzelfde onder verstaat.
      En dat maakt nogal uit wanneer je je hier voor of tegen moet uitspreken. Een politicus kan een compromis sluiten en toch helder en stellig aan zijn principes vasthouden, terwijl een ander zich vereenzelvigt met het compromis, zodat hij afglijdt van zijn principes. Kunnen zo de standvastige en de opportunist hetzelfde compromis sluiten? Helemaal een mooie vraag middenin vakantietijd, nu er geen minster in velden of wegen is te bekennen. En dat nog los van de vragen over de meer praktische uitvoerbaarheid van een en ander.

Het nieuwe onderzoek, dat ongetwijfeld meer kan betekenen als het regelmatig herhaald en methodisch aangescherpt wordt, heeft nog niet zo veel stof doen opwaaien. Maar ja, als zelfs de kabinetsformatie stil ligt en de zon schijnt (of juist helemaal niet), wil niet iedereen zich met politiek bemoeien.
      Maar dit onderzoek betreft wel vragen die bij de laatste en aankomende verkiezingen ertoe doen, zoals over democratie, democratisch leiderschap, (in-)consistent beleid, werk en arbeidsparticipatie, (gemis aan) respect, sociale zekerheid en zorg, integratie en het protest tegen misstanden.
    Daarom zullen hoe dan ook veel hier meespelende politieke vragen terugkomen, maar of dat allemaal aan de kapstok van ‘het populisme’ moet is de vraag. Daarbij dringt nog de vraag zich op naar de meer of minder conservatieve, rechtse, linkse of progressieve beoordeling ervan. Er bestaat toch ook progressief populisme? (Een vraag aan de D66-er op vakantie)

Minstens zo interessant: wie kan veranderingen in politieke denkbeelden entameren of beïnvloeden? De goede discussie of de reactieve massa? Het gaat dan om onderwijs, (sociale) media, politieke partijen, rampen, geen rampen, ervaren of gemist respect. Dan zit je weer middenin dát wat het zo moeilijk maakt. Het gaat niet alleen om de volksaard of een algeheel samengevatte opinie, maar om wat de verandering daarin oproept en draagt.
    Dan komt een aap uit de mouw: dat de meningen van Nederlanders, Fransen en Engelsen helemaal niet zo vast staan.
      Juist dat is wat vaak ontbreekt in onderzoeken en discussies daarover als deze: dat door politiek en economisch handelen, en de hele materiële en ideële situatie (de historisch ontstane context) meningen veranderen. Ook massaal aangenomen duurzaam geachte meningen, ook de soms heel tijdelijke.

Dus misschien is de Nederlander juist wel vatbaar voor populisme, zoals al genoeg gebleken is in bepaalde historische perioden.
      Zo mag men de moord op Gebroeders de Witt (20 augustus 1672) niet vergeten, de populistische manipulatie van het Huis Oranje in de strijd om de macht. Ook toen waren er ‘veranderde omstandigheden’ waardoor bepaalde opvattingen zich onder ‘het gepeupel’ razendsnel verspreidden, maar ook bewust werden aangewakkerd, onder meer door opruiende pamfletten op te hangen in Den Haag.

Nou ja, je kunt er inderdaad heel wat bij slepen. Er zal altijd weer politiek en sociaal onderzoek zijn. Dat moet ook. Bij essentialistische formuleringen over ‘de Nederlander’, ‘het populisme’, ‘het compromis’ (enzovoorts) is echter altijd waakzaamheid geboden.
    Een opname van een concreet, dus beperkt tijdvak kan nooit de veranderende omstandigheden goed meewegen. En vooral: meningen en standpunten veranderen. Onder meer door nadenken, actieve inzet, acties, discussie, onderwijs, sociale media en andere vormen van reflectie.
      Ideologische zaken moeten ook ideologisch worden aangepakt om ideeën te veranderen, te verbeteren. Al heeft dat niet altijd dezelfde invloed in het grotere maatschappelijk geheel, de verandering van opvattingen is een aandachtspunt dat altijd telt.
     En dat is geen foto, maar een film.










dinsdag 25 juli 2017

Rudolf Agricola, 1433-1485


In de Groninger Binnenstad-Oost heb je de Agricolastraat. Als kind woonde ik er vlak bij en vond het gewoon een mooie naam. Je moest het uitspreken met wat nadruk op ‘Agri …’, al maakten we als binnenstadskind met een soort stads Gronings er soms hardop  ‘A...Cóóla’ van. Wisten we niet beter? Waarschijnlijk wel een beetje. Je had er wel eens van gehoord of zo, of vroeg het aan je vader.
    Wat ik toen niet wist was dat Rudolf Agricola (1433-1485) eigenlijk Huisman heette, genoemd naar zijn moeder, die – zoals daarmee blijkt – dezelfde naam had als mijn eigen moeder. Maar of het in de verte nog familie was zal ik wel nooit weten. De kans erop is niet groot.

Veel van die onkunde en vage kennis kan nu verleden tijd zijn. Want in 2016 kwam het boek ‘Rudolf Agricola, Brieven, levens en lof’ uit, gebracht door Fokke Akkerman en Adrie van der Laan. Daarmee wordt zowel het leven als het werk van Agricola toegankelijk gemaakt.
      Heel lezenswaardig voor wie zich wil verdiepen in de geschiedenis van het vroege humanisme, en voor elke Groninger die trots is dat een man uit Baflo al zo vroeg in het centrum van de wetenschap stond. Agricola was bekend, tot ver in Europa. Hij bleef niet in Groningen werken. Ook al bestond het woord internationalist toen misschien nog niet, hij was het wel.

In deze tijd werden geschriften nog met de hand geschreven en gekopieerd. Een van de vormen die men koos zijn de ‘Levens’, waarin een geleerde of leerling een biografische schets geeft van een gerenommeerd iemand. Zo kunnen nu ‘Levens’ en brieven gelezen worden van en over Agricola.
    Hem zo een beetje leren kennen, leert ons dat sommige dingen van vandaag de dag ook vroeger al meetelden. Ook toen al moest men zijn conditie onderhouden. In de levensbeschrijving van Agricola lezen we dat net als tegenwoordig het balspel daartoe geschikt was. Zo ‘… placht hij zijn door studie vermoeide geest op de volgende wijze te ontspannen: hij wierp de steen, speelde heel goed met de bal en was uitnemend in het vechten, zowel met zijn handen als met ieder soort wapens.’ (p. 106) En hij zag er goed uit: ‘Hij had een breed gelaat, dat een wonderbaarlijke eerzaamheid en ingetogenheid uitstraalde.’

Groningen en Friesland werden toentertijd meestal als één cultureel en economisch gebied gezien. Daarom schrijft men over Agricola, dat hij geboren en opgevoed was in Groningen, ‘de edele metropool van de Friezen’. (p.120) Daar bleef hij niet. Hij studeerde, woonde en onderwees onder meer in Keulen, Leuven, Ferrara en Heidelberg. En al schrijft hij over de aard en het leven van de Groningers soms kritisch en vindt hij de stad wat ver afgelegen van de grote culturele centra, hij blijft contact houden met zijn familie.

De ‘Levens’ getuigen ervan dat Agricola de actuele thema’s van de theologie met zijn tijdgenoten besprak. Zo memoreert een tijdgenoot dat Agricola met Wessel Gansfort disputeerde over de ‘… rechtvaardiging door het geloof: wat het wil zeggen dat Paulus de lezers zo dikwijls inscherpt dat de mensen rechtvaardig zijn door het geloof en niet door de werken.’ (p. 147) Een thema dus dat karakteristiek is voor het vroege humanisme en voor heel de theologische inzichten en verschillen, die uiteindelijk zouden leiden tot de breuk tussen rooms-katholicisme en de reformatie.
    Zo ver was het nog niet, maar nieuwe tijden kondigen zich aan. Zo wordt ook de later beroemde Erasmus genoemd. Deze heeft Agricola eenmaal ontmoet, naar eigen zeggen op twaalfjarige leeftijd. (p. 359) In 1535 prijst Erasmus Agricola in een brief ‘als hoog getalenteerde voorloper en richtingwijzer van het Noord-Europese humanisme, als kenner van het Grieks, als begaafd latinist en stilist, als dichter, redenaar en vertaler, als musicus en als leraar.’ (p. 365)

Wat dat laatste betreft is het voor het onderwijs mooi te lezen dat de middeleeuwse Agricola kritische pedagogische inzichten heeft, die nog altijd actueel zijn. Zowel om te leren, als hoe om te gaan met ideeën die in de maatschappij vaak nog onwelgevallig zijn.
    Zo schrijft Agricola in een brief over het nut van samen studeren en het broodnodige kritische, sociale contact met andere wetenschappers, refererend aan de nadelen door het gebrek aan dat laatste: ‘…: ik mis een scherpe prikkel, een toezichthouder, een makker bij de studies, iemand met wie ik ze kan delen, aan wiens oren ik dingen veilig kan toevertrouwen, evenals hij aan de mijne kan toevertrouwen wat hij al denkend heeft bedacht, al schrijvend heeft gewrocht, al lezend heeft geleerd en wat hij heeft opgemerkt dat lof of een streng oordeel verdient …’ (p. 204)
    Daarbij prijst Agricola de doorzetters die tegen maatschappelijke domheid in eruditie verwerven, wat hij prachtig samenvat: ‘…: eenieder is de smid van zijn eigen talent.’ Kennis komt niet aanwaaien, maar moet met kracht en doorzettingsvermogen worden gesmeed.

Hier wordt niet meer dan een eenvoudige schets gegeven van een boek dat mooi, leerzaam, en van historische en filosofische waarde is. Dit boek lezen zal niemand spijten.
      Door alle brieven en ‘Levens’ valt het bovendien heel goed in delen te lezen, waarbij dan tegelijk naar de bredere historische en religieuze context kan worden gekeken. Dat zegt dan ook heel wat over de vragen en disputen van het heden. Vragen van zowel de wetenschap, de religieuze thema’s en dogma’s, en last but not least de psychologische aspecten die debatten over levensbeschouwing mede bepalen.






Boek: Rudolf Agricola, Brieven, levens en lof, Vertaald, ingeleid en toegelicht door Fokke Akkerman en Adrie van der Laan, Wereldbibliotheek, Amsterdam 2016, ISBN 9789028426771

Fokke Akkerman heeft een grote bijdrage heeft geleverd aan het begrip en de presentatie van het noordelijk humanisme, met name Rudolf Agricola, en van het werk van Benedictus de Spinoza. Hij is in januari 2017 overleden.

















donderdag 20 juli 2017

Vliegen, (on)veiligheid en veel vogels


Is vliegen gevaarlijk? Voor de mens, op grote schaal bekeken (statistisch) niet. Dat is wel bekend en net als veel anderen stappen we wel eens in een vliegtuig. Een soort autobus in de lucht en je kunt er ook nog een boekje lezen. Er lijkt weinig aan de hand, even los van de kwestie van de vervuiling.
    Kort geleden waren we in Faro, daar waar de meeste Algarve-badgasten neerdalen en al snel het vliegveld achter zich laten. Ze zullen nauwelijks om zich heen kijken, maar alleen spoedig hun transferbus willen halen op weg naar het zonnige strand.
      Dit vliegveld ligt echter aan de rand van een mooi Waddengebied, waar je kunt wandelen en veel vogels kunt spotten.

Vanaf de grond gezien is er (misschien) wel wat meer aan de hand. Even kijken op internet, en je leest (soms) dat vliegvelden meestal niet in natuurgebieden worden aangelegd. Maar vroeger wel, en als het vliegveld er eenmaal ligt wordt het zelden of nooit meer verplaatst. Dat is ook in Faro zo, waar nieuwe terminals in aanbouw zijn, uitnodigend voor de toerist.
    Even verder gezocht lees je ook dat vliegtuigmotoren die botsen met vogels rampen kunnen veroorzaken, natuurlijk is dat voor de vogels dan een drama, maar ook voor de vliegtuigen.

Voor de mens in zijn vliegmachine wordt het ernstig wanneer het dan gaat om veel of om grotere vogels. Voor alle vogels is het dan echter direct einde verhaal.
    Beide geven nu precies te denken als je op een mooie dag rondwandelt in de buurt van het vliegveld van Faro. Je kunt hier helemaal vlak omheen lopen, en los van de herrie is dat een mooie wandeling in inderdaad voor het grootste deel een Waddengebied met zoutpannen, slenkjes, hoogteverschillen, blubber en water. Ook de aanvliegrichting vóór de landingsbaan is zowel oostelijk als westelijk een fraai gebied. Met aan de westkant net nieuw aangelegde wandelroutes op dijkjes aan de rand van het wad en bij de zoutpannen.

Hier even verder bij stilstaan hoeft geen misplaatste chagrijnigheid te zijn, want tussen de vliegtuigherrie is het rustig en te mooi om je dag te laten bederven.
    Maar juist als je de vogels spot, wordt je vanzelf op de vraag gebracht wat die vliegtuigen teweeg brengen en of er veiligheidsrisico’s zijn.

Het lawaai. Hoe reageren de vogels op het lawaai? Op het vliegveld laat men regelmatig doffe knallen horen, kennelijk om de vogels weg te jaren. Een poosje gekeken of er een effect te zien is bij de vogels. Vlak bij het hek zaten of vlogen onder meer de spreeuw, kuifleeuwerik, boerenzwaluw, roodborsttapuit, graszanger, hop, en bij de slenkjes liepen oeverloper, steltkluut en de strandplevier.
    Vaak lijken ze niet (meer) op de knallen te reageren, maar dat is niet steeds zo. Soms vliegen ze weg of omhoog. Eén keer vloog bij zo’n knal een kleine vogel naar het landende toestel toe in plaats van ervan weg. Dat stond dit keer allang stil toen de vogel er in de buurt kwam.
      Over het effect van het lawaai valt na zo’n korte blik natuurlijk weinig te concluderen, en vogels zitten er nog volop aan de rand en rondom het vliegveld. Er zal wel veel meer over bekend zijn want de plaatselijke universiteit doet hier onderzoek.

De veiligheid. Dit geeft de relatieve buitenstaander nog meer te denken. Het verlengde van de landingsbaan aan de westkant is een Waddengebied met zoutpannen, meertjes en platen met veel vogels. Tientallen ooievaars zijn hier (soms), en nu stonden er in een groep zeker vijftig flamingo’s. Forse beesten. Daarnaast veel meeuwen, meerkoeten en andere. Hier is dus sprake van de ‘grotere vogels’, die rampen kunnen veroorzaken.

De ooievaars vliegen soms vrij massaal omhoog en draaien dan op de thermiek lange tijd rondjes in kleine en soms zelfs in heel grote groepen. Ze lijken dan hoger te vliegen dan het aankomende of vertrekkende vliegtuig, maar moeten dus wel eerst naar die hoogte vliegen en later dalen.
      Kortom, vanuit allerlei posities bezien gaat het vliegtuig soms vrij dicht langs een flinke hoeveelheid grote vogels. De afstand in de breedte is klein, enkele tientallen meters, althans zo lijkt het.

De wandelingen, zeker langs de Wadkant westelijk van het vliegveld zijn een aanrader. Ook op de fiets goed te doen en vlakbij kun je naar het strand ‘Praia de Faro’. Maar als je over de veiligheid nadenkt rijzen wel twijfels, ook al gaat het steeds weer goed.
      En of de natuur en de infrastructuur hier echt goed harmoniëren is maar de vraag. Alles went, tot het misgaat?

Bijgaande foto’s zeggen niet alles. De groep ooievaars was groter dan op de foto, het vliegtuig nog aan het dalen (aan de oostkant) en deze flamingo’s hebben een vooruitgeschoven positie ingenomen, een stuk voor de grote groep die erachter staat.
    De twijfels hoeven de vakantie niet gelijk te bederven, maar of op den duur niet iets beters moet worden bedacht kan nauwelijks worden betwijfeld.
      Er gaat een vierbaans autoweg van west naar oost in de Algarve. Kan niet parallel daarnaast op een geschikte plek een vliegveld worden aangelegd? Of weet je nog iets beters?




















woensdag 19 juli 2017

Wie is nu de utopist? Naomi Klein?


De Volkskrant van 1 juli jl. schrijft – met lappen van foto’s erbij – vier pagina’s over ‘Het utopische denken van Naomi Klein’. Volgens de krant zou zij zich in haar eerdere boeken onthouden hebben van een alternatief, dat ze nu wel wil bieden en aldus ‘radicaal van houding’ zijn veranderd.
    Mij lijkt dit een nogal ongelukkige analyse.

Wanneer je fundamentele kritiek uit en ‘iedereen’ je vraagt ‘Wat is dan je alternatief?’, is het in linkse kringen goed gebruik te zeggen dat je niet in een blauwdruk wil denken, je niet wil verliezen in hoe precies een betere wereld er uit moet zien, maar eerst het bestaande te lijf wilt gaan. Dat deugt immers niet.
    Maar radicale, of liever fundamentele kritiek bevat altijd een utopisch element. Het bestaande moet toch worden opgeheven en overstegen? Dat element van toekomstgerichtheid kun je in de politiek niet wegpoetsen. Zonder dat is er nihilisme.

Dat utopisch element kan verschillende vormen aannemen. Het kan variëren van richting, een verdere uitwerking of kan een compleet plan worden. Het eerste lijkt in veel situaties het beste en afdoende, maar een goed verhaal zal op den duur toch inspirerend zijn en mensen binden aan een koers, en aan actie en strijd daarvoor.
    Kortom, vaag utopisme houdt geen stand, maar nadenken over de toekomst wel. Steeds weer zullen hier vragen bestaan, waarvoor niet weggelopen hoeft te worden, of mag worden. Toekomstgericht denken kan ook genuanceerd en heel strijdbaar zijn. Dan is het geen tegenstelling tot actie, maar eerder een bijdrage.

In februari 2015 wijdde ik op deze weblog drie blogs aan Naomi Kleins ‘No time, Verander nu, voor het klimaat alles verandert’. Ik vond het vergeleken met haar eerdere boeken een consequente stap vooruit. Ze betrekt hierin aspecten van kapitalisme, onderdrukking en strijd voor een goed klimaat in tal van uitwerkingen en voorbeelden op elkaar.
    Daardoor ontstaat een diepgaande analyse waarin maatschappelijke aspecten niet als los zand naast elkaar blijven staan, maar de samenhang van onderdrukking, de strijd ertegen en het klimaatvraagstuk helder wordt gepresenteerd.
    Dat boek beschouwde ik als een consequente stap in haar ontwikkelingsgang, zeer leesbaar en bruikbaar. Wat overigens helemaal niet hoeft te betekenen dat je alles helemaal deelt.

Dat ze nu zegt (als ik de krant goed begrijp en daarin een goede weergave staat) dat je utopische dromen moet aanwakkeren en dat links alternatieven moet bieden, is dan niet anders dan een consequentie uit eerdere analyses, uit de strijd en uit de richting die de politiek van vandaag de dag opgaat.
      Het is niet anders dan Marx, wanneer die radicaal een andere maatschappijstructuur en een niet-kapitalistische economische structuur voorstelt en in die zin een richting bepaalt, zonder een blauwdruk compleet en al te presenteren. Aan een droom is niets mis, mits je ook nog wakker blijft.

Toch zou ik het toekomstgericht denken op één punt, een heel lastig punt, veel verder door willen voeren dan Klein doet (althans volgens de krantenweergave).
      Klein heeft weinig op met politieke partijen. Gezien alle corruptie, inhaligheid en bureaucratie is dat volkomen begrijpelijk. Maar dan ligt groter dan ooit de vraag op tafel hoe massa’s, dus de totale politieke macht, wel te binden zijn aan een organisatie die democratisch, kritisch en in veel zaken pluriform is. Hoe kan een coalitie van kritische mensen en organisaties meer zijn dan een bundeling van macht voor slechts korte tijd en van beperkte betekenis?
    Om werkelijk iets te veranderen zijn grote democratische tegenmachten tegen het kapitaal nodig. Daarom kom je niet heen om de vraag naar de partij, partijvorming en het binden van een massa mensen aan een sociale richting of ideologie. Hoe kan een radicale democratische socialistische, communistische of hoe je het maar noemt beweging langdurig en krachtig bestaan zonder corrupt te worden?
     Deze vraag – niet leuk maar wel noodzakelijk – is in deze tijd van rechtse hegemonie en populistische manipulatie essentieel. En hoe kunnen partijen mensen aan zich binden zonder ze als stemvee te misbruiken? Een vraag die trouwens ook voor de vakbeweging, milieubeweging (enzovoorts) geldt.

Het zijn vragen die grote politieke filosofen stelden. Hoe kan stabiele macht bestaan? Denk aan sommige oude Chinezen en dichter bij huis Machiavelli, Spinoza, Marx en Lenin. Vragen die steeds weer doordacht en opnieuw geformuleerd moeten worden, passend in de actualiteit.
    Kortom, je komt er niet door alle bestaande machtsvormen en partijen af te wijzen, ook al deugen die helemaal niet. Ook hier is een niet-overtrokken, een balans zoekend utopisme of structureel toekomstgericht denken wenselijk.

Dus toch utopisme? Dat levert geen bijdrage wanneer dat zich alleen maar afkeert van het bestaande. In de blauwe heldere hemel bestaat geen oplossing, maar denken en debat over de nabije toekomst zijn altijd weer urgent. Inspirerende oplossingen moeten mensen weer aan de politiek binden, anders resteert slechts de parlementaire onmacht. Zonder verhaal is de politiek een duiventil, onmachtig, zonder massale democratische kracht.

Kritische socialistische en andere progressieve partijen moeten dat verhaal stimuleren en bediscussiëren. En daarin keer op keer heel de achterban er respectvol bij betrekken, hoe vermoeiend politici van het oude stempel dat ook mogen vinden. Bovendien keer op keer de paradox oplossen dat men open moet staan voor uiteenlopende meningen en uitwerkingen, én tegelijk inspirerend en wervend leiderschap moeten tonen.
      Dat laatste is ook een kenmerk van democratische machtspolitiek, je kunt niet zomaar de toekomst aan ‘de discussie’ overlaten, dat is ook te vaag.

Geen politiek zonder de vraag naar een stabiele organisatie van democratische macht. Met opmerkingen dat men misschien niet van partijen houdt, kom je nog geen stap verder.
      Het volgende boek van Naomi Klein kan dus gaan over dit laatste restje koudwatervrees, een kennelijk nog onopgelost inconsequent restant in een verder sterk opgebouwd betoog.
      De onmisbare partij en de reële politiek als de zwakke schakel van de democratische machtsvorming.





Zie verder over Naomi Kleins visie:
- De eerdere blogs over Naomi Klein, op deze weblog Filosofie en politiek, februari 2015.

Over utopisme en machtsvorming:
- Jasper Schaaf, Durven vooruit te denken,
https://www.marxists.org/nederlands/schaaf/2012/2012conservatisme_socialisme.htm

- Jasper Schaaf, Het Speelveld van de vrijheid, Marx, Spinoza, Overwegingen over vrijheid en macht, Uitgeverij Damon, Budel 2014















dinsdag 18 juli 2017

Overlevingskunstenaars op vleugels


Pas stond er weer eens in de krant dat een deskundige nu definitief bevestigde dat de opwarming van de aarde funest is en dat de wereld overvol wordt. Onder moeilijke condities vecht alles en iedereen voor een plekje, met alle risico’s van dien. Oorlog, veelvormig geweld en onveiligheid, verspillende concurrentie, massamigratie, van alles ligt op de loer.
    Beetje vreemd deze nu toch wel bekende en overtuigende waarheid als nieuws te brengen. Toch? Of juist niet, want er zijn nog altijd mensen voor wie dit nieuws is, of nog niet eens.
      Vraag je je wel eens af wie in de toekomst de beste overlevingskansen heeft, mens of dier? Wie of wat komt hiervoor het beste in aanmerking, even los van de vraag over de morele rechtvaardigheid ervan?

Vermoedelijk zijn er vogels met een mooie kans op overleving. Natuurlijk hebben veel vogels het zwaar en is hun voorbestaan in het geding.
    Maar als je sommige vogels ziet, wat ze kunnen, in wat voor situatie ze nog altijd hun jongen grootbrengen, petje af! Laat ik eens drie vogels presenteren voor wie ik mijn pet wel afneem.

Op het Portugese Waddeneiland Armona zagen we onlangs weer eens Dwergsterns (Sterna albifrons) en diverse paartjes van de Strandplevier (Charadrius alexandrinus). Wat deze soorten onder meer gemeen hebben is dat ze gewoon midden op het strand kunnen nestelen. Een beetje hoger dan de gemiddelde vloedlijn.
      En waarin ze bijvoorbeeld verschillen? De Dwergstern is fel wanneer er gebroed wordt of er jongen zijn. De niets vermoedende badgast die te dicht bij komt riskeert duikvluchten en veel gekrijs vlak boven zijn hoofd. De Strandplevier daarentegen lijkt je eerder met zachte geluidjes van het nest weg te willen lokken, daarbij hevig op en neer wippend, met een soort buiging.

De vogels zijn mooi, op hun eigen wijze. Het zijn overlevers in de frontlinie. Het lijkt soms wel of ze de confrontatie opzoeken, broedend net aan het begin van een strand waar ook mensen komen. En op lange lege stranden denk je dan, waarom zie ik hier geen strandplevier? Maar dat kan toeval zijn.

Op het Nederlandse strand zijn ze soms ook te zien. Maar de bedreiging door de Nederlandse badgast lijkt groter dan die van de Portugees.
      Op een beperkt deel van de Noordsvaarder van Terschelling staan de laatste jaren borden die verzoeken daar in het broedseizoen niet te komen vanwege de strandbroeders. Een keer zag ik aldaar een duo hardop babbelende dames recht op zo’n bord aflopen. Maar er even op kijken, ho maar! Ze sjokten zo luidkeels dit kwetsbare gebied binnen. Zal de Portugees ook wel doen misschien, maar dat heb ik nu even niet kunnen waarnemen.

De derde overlever waar hieronder een plaatje van wordt gepresenteerd is de Zwarte Roodstaart (Phoenicurus ochruros). Ik geloof dat deze vogel ook officieel het goed doet, maar in mijn blikveld doet hij dat zeker. Ook helemaal niet bang voor een beetje drukte. Je ziet hem op bedrijfsgebouwen en soms op straat. In het al genoemde Portugal zagen we hem ook op rotsen en eronder op het strand.

Die rotsen en alles wat daar op lijkt, en kennelijk de vliegjes die er te vangen zijn, dat trekt de Zwarte Roodstaart aan. De foto’s hieronder komen niet van Armona, maar van een Atlantische rots en uit een gewoon binnenstadsstraatje van Coimbra.
    Het leuke was ook dat bij thuiskomst in onze eigen straat vrolijk wipte: de Zwarte Roodstaart. Niet meer weg te krijgen? Er moeten natuurlijk nog wel insecten overblijven om te vangen en zo de vogel met zijn jongen te voeden.
      Tot op heden lijkt hij echter vooral te zeggen: ik blijf nog wel een poosje.


Hieronder achtereenvolgens de Dwergstern, de Strandplevier en de Zwarte Roodstaart.





















dinsdag 20 juni 2017

Anna Seghers, Het Judasloon – Helaas actueel


Sommige boeken moeten altijd worden herdrukt. Dat geldt ook voor het boek van Anna Seghers, ‘Het judasloon’. Een deprimerend, maar treffend verhaal over een vluchteling in de tijd van het opkomend nazisme in Duitsland.

1933. Maar dit boek gaat niet alleen over geschiedenis, het gaat ook over de vluchteling van nu.
      En vandaag, 20 juni, is het ook nog een keer de Internationale Dag van de Vluchteling. Uitgeroepen door de Verenigde Naties omdat ‘ieder het recht heeft asiel te zoeken en dat te genieten.’ Volgens het Vluchtelingenverdrag.
    Deze dag zal in Nederland wel niet zo uitbundig worden gevierd. In Nederland en elders in Europa gebeurt iets dat ieder sinds 1933 kan lezen in de roman van Anna Seghers. Daarom is dit verhaal zo treffend, en daarom is het goed dat het boek opnieuw is uitgegeven.

Het verhaal is eigenlijk eenvoudig. Een jonge socialist heeft zich in de knokpartijen tussen links en rechts in het toenemend extremistische Duitsland in de nesten gewerkt en wordt door de politie gezocht. Hij duikt onder in een boerengemeenschap die hem verder niet kent. In deze gemeenschap van platteland, dorp en de kleine stad rukt het nazisme op.
    Het knappe van Seghers boek is dat ze laat zien dat heel gewone dingen van het dagelijks leven een grote rol spelen in het proces van toenemend rechts extremisme. Dingen als ‘zich uitgesloten voelen’, afnemende welvaart of zelfs armoede, onzekerheid over de toekomst, jaloezie tussen groepen en personen. En vooral het groepsproces waarin het ‘wel weer erbij mogen horen’ in taal en daad toegelaten wordt onder een ogenschijnlijk nieuwe, rechts-extremistische vlag.
      Dat proces gaat stap voor stap, bijna ongemerkt. Maar in samenhang met heel dagelijkse dingen en praatjes ontstaat een totaal andere moraal. Als het gewone leven onvoldoende biedt, ontstaan zieke reacties. Dat is de basis van de politiek van de pathologie. De stoornis is de baas geworden.
    Voor de hoofdpersoon loopt het verkeerd af. Aan het eind van het boek wordt hij kapot geslagen door de mensen die hem eerst een vluchtplaats, een asiel boden.

Deprimerend, treffend en actueel. Mensen willen erbij horen en daar wordt retorisch op ingespeeld. Uit de ban van de taal vluchten is moeilijk. Seghers snapt het proces, schrijft het eenvoudig op, en het klopt.
    Zo komen mensen tegenover elkaar te staan. Is dit in Nederland niet ook zo? Is de halve politiek niet achter de PVV aangelopen en is er geen nieuwe – maar in wezen stokoude – ideologie ontstaan? Is dit geen proces dat nog steeds doorloopt, in de haarvaten van het dagelijks leven?
      Daarom ging het bij de mislukking van het nieuwe kabinet en de tegenstelling GroenLinks en de rest wel degelijk om iets heel wezenlijks. Ook al is er moeilijk grip op te krijgen. Geen grip is een bron van angst en van onbezonnen daden. Ook zogeheten grote partijen als de VVD en het CDA – dat zich ook nog eens christelijk noemt – buigen en spelen mee in deze gevaarlijke tendens naar rechts. Het zijn dan geen leiders meer, maar slaafse volgers.

Humaan beleid is zeker lastig, ook omdat er inderdaad een perspectiefvol economisch en sociaal verhaal bij hoort. Maar een belangrijke bron van rechts-extremisme is het toegeven aan de angst voor de moeilijkheid.
      Daarom is het vandaag de Dag van de Vluchteling. Morgen ook nog trouwens ….





Anna Seghers, Het judasloon, Uitgeverij Van Gennep, Amsterdam 2017, ISBN 9789461643773















vrijdag 16 juni 2017

Jeugdzorg als maatstaf van beschaving


In de zorg en hulpverlening aan jeugd en jongeren kun je het beschavingsniveau van de samenleving afmeten. Immers, het is de zorg voor mensen op een kwetsbare leeftijd en tegelijk zorg voor de toekomst, dus een wezenlijk vormend aspect voor de hele samenleving. En dit voor wie deel uitmaakt van deze samenleving en wie er beroep op doet, zoals jonge asielzoekers.

Zorg voor de jeugd is – samen met onderwijs en gezondheidszorg – een complex geheel. Niet voor niets zijn er ooit gespecialiseerde opleidingen voor opgezet, vanuit onder meer een orthopedagogische en psychologische achtergrond, met aandacht voor tal van samenhangende maatschappelijke processen.
    Het is inderdaad complex. De jeugdzorg behelst veel aspecten die krachtig of juist subtiel op elkaar inwerken. Denk aan individuele en sociaal-medische aspecten, aan psychologische en gezinssituaties, aan opvoedingskwesties, aan groepsprocessen in de buurt waarin de jongeren opgroeien. Of, anders gesteld, bijvoorbeeld gaat het om misbruik of criminele zaken. Of, als je het over behandeling hebt, om hulpverlening thuis of in een instelling. Kortdurend en licht, of langdurig en intensief. Vrijwillig of in sommige situaties met dwang. Enzovoorts.

De jeugd is gelukkig vaak gezond, maar er kan veel aan de hand zijn. Vaak zijn lichtere vormen van ondersteuning in de eigen woonsituatie of wijk voldoende, maar niet altijd. Er kan een deskundig en uitvoerig traject van zorg of hulp nodig zijn, al dan niet samen met de sociale omgeving.

Dat brengt ons bij de vraag: kun je jeugdzorg aan sociale wijkteams en aan het gemeentelijk ambtelijk apparaat overlaten? Dat is zeer de vraag. Een doordachte wijkgerichte aanpak is zonder meer heel goed, maar biedt niet altijd een voldoende oplossing. Daarom moet de kwaliteit van het werk in de jeugdzorg worden geborgd, en dat is niet altijd mogelijk op een klein schaalniveau.
    Terwijl dat is wat er wel (vaak) is gebeurd. Daarmee is de jeugdzorg in een lastig parket gebracht dat niet alleen met meer geld op te lossen is.

De coördinatie moet in veel gevallen een (veel) grotere schaal dan de gemeente omvatten en deskundig zijn. Tegelijk zijn de echte deskundigen nodig in het veld, zijn ze onmisbaar voor de uitvoeringspraktijk. Daarom mag de deskundigheid niet wegsijpelen naar allerlei organisatie- en afstemmingsperikelen, wat wel gebeurt als de zorg niet op orde is.
    Met andere woorden, de overheveling van de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg naar de gemeenten heeft een probleem opgeleverd dat op gemeentelijke schaal alleen niet goed is op te lossen.

Ongeveer een week geleden kreeg de jeugdzorg even de volle aandacht die zij verdient. Door het voorbeeld van de Kindertelefoon waar het evidente onzin is deze per gemeente te willen regelen en de greep aan de noodrem van kinderpsychiaters en anderen, wist ook de Tweede Kamer een reeks van voorbeelden op te hoesten waarin de zorg tekort schiet. Voor acute ernstige problematiek staat een kind op de wachtlijst, of moeten de ouders misschien verhuizen om betere zorg te krijgen. Enzovoorts.

Maar de oplossing is nog ver weg. Een beetje bijreguleren is onvoldoende. De kunst is op een passend schaalniveau te coördineren, de echte deskundigen ruimte te (blijven) geven in het uitvoerend werk, en als financiële ondergrens de zorg voor elk kind te garanderen.
      Het gaat op de korte termijn én om meer geld, én om de deskundige steun en zorg op zowel individueel als groepsniveau (gezin, jeugdgroepen, cultuur, buurt, wijk etc.) te garanderen. Bezuinigen op de jeugd is bezuinigen op beschaving.











vrijdag 9 juni 2017

De realist Spinoza en een economie van veiligheid en onveiligheid



‘Als twee mensen bijeen komen en hun krachten bundelen, zijn zij tezamen tot meer in staat en hebben zij bijgevolg samen meer recht over de natuur dan ieder afzonderlijk. En naarmate meer mensen op deze wijze zich in hun nood hebben verbonden, in die mate zullen zij allen in hun vereniging meer recht hebben.’

Benedictus de Spinoza


Bovengenoemd citaat van Benedictus de Spinoza staat in zijn ‘Politieke verhandeling’, hoofdstuk 2, paragraaf 13. Het heeft onvermijdelijke consequenties voor het inzicht in de verhouding van macht en recht.
      Je zou kunnen zeggen dat iedereen over krachten beschikt, dat die verenigd kunnen worden tot macht, dat rechten en het recht hier (mede) op gebaseerd zijn, en dat bij een meer massale vereniging de invloed op de politieke macht en het recht groter wordt.
      ‘In hun vereniging’ hebben mensen meer rechten, dus ‘proletariërs en progressieve mensen van alle landen, verenig je!’

Dit is een visie die men vaak onaangenaam vindt. Recht moet autonoom en duurzaam zijn en vooral niet aan de grillen van de macht onderhevig. Maar let op: Spinoza spreekt in deze visie geen waardeoordeel uit, hij pleit in zijn werk radicaler dan zijn tijdgenoten voor democratische macht en voor zo redelijk mogelijke rechten en politieke vormen. Maar hij wijst op een feit.
      Spinoza’s filosofie is realistisch. Recht volgt uit macht, dat is niet leuk, maar een feit. Wat niet wegneemt dat er vervolgens in concrete situaties nog heel veel aan toe te voegen is.

Pas hoorde ik een spreker – die Spinoza’s filosofie goed kent – zeggen dat deze denker met zijn emotietheorie en zijn idee over het recht dat door macht wordt bepaald te negatief, te pessimistisch is. Recht heeft een eigen ontwikkeling, zou je kunnen zeggen, die poets je na een lange ontwikkeling en maatschappelijke inbedding niet meer weg.
    Dit even in mijn woorden, volledig voor mijn rekening, de letterlijke tekst van de spreker heb ik niet bij de hand, dus qua nuances loop ik het risico iemand niet goed te citeren. Maar het vraagstuk bestaat. Het gaat niet om deze spreker, maar om de zeer wezenlijke vraag die in het geding is. Is het recht sterk genoeg de grillen van de macht te weerstaan?
      Recht moet bescherming bieden, zeker tegen de willekeur van verschuivende machtsposities. De spreker veronderstelde kennelijk dat het door de eeuwen heen ontwikkelde burgerlijk en strafrecht, staatsrecht en internationaal recht sterk genoeg zouden zijn om voldoende weerstand te bieden tegen aantasting.

Vergelijkbaar was een opmerking die niet zo lang geleden een student tegen me maakte toen ik zei een boek te schrijven over vrijheid en macht. Gewend aan mijn les over ethiek kon ze zich nauwelijks voorstellen dat je serieus over macht kon filosoferen, want dat was een negatief begrip dat erop duidt dat de vrijheid wordt ingeperkt. Hoe kan zo’n thema nu interessant zijn voor serieuze filosofie?
    Het antwoord is dat het interessant, maar misschien helemaal ‘niet leuk’ is, omdat het veel zegt over politieke verhoudingen en de rechten van mensen. Realisme dat je niet uit de weg moet gaan.
      Spinoza schrijft in zijn filosofie over emoties ook over ‘lelijke’ emoties, en probeert daar op een realistische manier iets tegenover te stellen. Dat resulteert in een idee waarin emoties niet op een naïeve manier worden weggepoetst, maar positieve emoties de negatieve moeten weerstaan of in balans moeten brengen.
      Kort gezegd. Geen ‘wishful thinking’, wel een denken dat zich richt op het streven naar de best mogelijke en democratische samenleving.

Spinoza staat niet alleen in zijn idee dat macht en recht innig verbonden zijn. Ook bij Aristoteles, Machiavelli, Hegel, en later Bakoenin en Marx zijn macht en recht nauw verbonden. Of dat nu aanspreekt of niet.
      Dat is een stevig discussiepunt, dat overigens onverlet laat dat als recht op macht gebaseerd is, het recht nog altijd ook een eigen, relatief autonome ontwikkeling doormaakt of door kan maken. Daarin kan dat recht sterk worden ontwikkeld, dus naar verhouding meer autonoom of ‘machtiger’ worden. Maar dat hoeft de uitkomst niet te zijn.
      Deze nuance van ‘relatieve autonomie’ geldt nog steeds, wanneer genoemde denkers als plausibel worden geaccepteerd. Maar genoemde spreker en de student van destijds hoeven, als zij consequent zijn, dat niet als voldoende te accepteren en dan zit je middenin een principiële discussie.

De term ‘relatief autonoom’ werd net genoemd. Een term die marxisten vaker hebben gebruikt. Het is een belangrijk begrip, maar kan ook een stoplap worden. Als verondersteld wordt dat een ontwikkeling zoals van het recht afhankelijk is van (bijvoorbeeld) macht, moet die verhouding met haar specifieke kenmerken en ontwikkelingsfasen nog worden onderzocht. De algemene bewering is dan heuristisch, helpt het denken, maar om deze te bewijzen zijn er meer feiten en argumentaties nodig. (Dat gaat deze blog te buiten.)
      Als die concretisering lukt, ontdek je het min of meer autonome aspect, de eigen kenmerken van het ontwikkelde recht, en de wijze waarin het aspect van afhankelijkheid zich ontwikkelt.
      Daarvan uitgaande kun je zeggen dat het recht zich relatief autonoom ontwikkelt, maar met een specifieke structuur. Eronder ligt nog altijd de machtsbasis van een bepaald gewicht aan ondersteuning, draagvlak ofwel de politieke macht van ‘de massa’. Deze steun kan veranderen van vorm en kracht, of zelfs verdwijnen.

De eigen ontwikkeling van het recht en de rechtsvormen kent (dan) dus een eigen ontwikkeling en een externe, soms heel sterke invloed, tezamen een spanningsveld. De kunst is goed uit te leggen hoe de verhouding en interacties precies verlopen. Wat meestal pas kan als de ontwikkeling al lang gaande is, zoals Georg Hegel ooit opmerkte.

De hierboven aangeduide spreker kán gelijk hebben dat het recht zo sterk ontwikkeld is dat geen macht het nog kan weerstaan. Ook dat is mogelijk wanneer je vanuit contexten en interacties denkt, wanneer een ontwikkeling lang en grondig was en dus per saldo heel sterk is geweest, sterk in het funderen van een bepaalde morele richting.
    Maar kritisch bekeken, kun je je afvragen of er dan geen ‘wishful thinking’ aan de orde is. Namelijk dat men zo graag wil dat het recht en de mensenrechten alle uit macht en geweld voorkomende vormen van onrecht kunnen weerstaan. Of helaas: is het niet zo dat wanneer de massa op drift raakt ook het recht op de loop gaat? De geschiedenis, ook van vandaag, geeft daar al te vaak vreselijke voorbeelden van.
      Dan is het formele recht misschien niet weg, maar komt dit vaak pas aan de orde als mosterd na de maaltijd. Dan is het laagje beschaving té dun en kan macht als primitieve vormen van vereniging bestaan. Dan nog voor het recht en voor mensenrechten opkomen betekent strijd en de noodzaak van organisatie.

Dergelijke vragen met betrekking tot recht(en), ethiek en macht(en) spelen bij de grote huidige en toekomstige vragen over veiligheid en onveiligheid. En bij de organisatievormen om die vragen aan te kunnen, zeg maar bij het realiseren van een economie en politiek van veiligheid en onveiligheid. Maatschappelijke vormen die – op z’n minst als vragen – nu en in de nabije toekomst urgent zijn.
      Veiligheid wordt één van de grootste vraagstukken van de toekomst en misschien wel een van de belangrijkste dragers van de economie. De mens kan veel en wanneer het recht soms zo betrekkelijk (zwak) is in de praktijk, zal veel van de toekomstige maatschappij, zowel de economie als de bovenbouw van het recht tot en met het theater, nauw vervlochten zijn met vragen over veiligheid.

Moraliteit en recht ontwikkelen zich (momenteel) veel langzamer dan de technologie, de biologie en de verdere wetenschap. Er beklijft ook niet een rechtssysteem in een mooi en helder parallel proces, maar eerder als een soort frictie van aantrekking en afstoting, liefde en haat. En met veel prachtige veelomvattende maar vaak ook verhullende termen als vrijheid, privacy, zelfbeschikking, enzovoorts.
    De technologische en kennisontwikkeling is (momenteel) oneindig veel sneller en dynamischer dan de morele ontwikkeling en het recht. Dan blijken sterke krachten vrij te komen, die niet als vanzelfsprekend wel beheerst kunnen worden.
      Denk aan korte tijd geleden, hoe de komst van asielzoekers naar het schijnt in enkele weken het denken over politiek sterk beïnvloedde. Of denk aan de sociale media die communicatie en uitingsvormen ook in een betrekkelijk korte tijdspanne zo veranderde als weinig voorzagen. Voor men erover nadacht was het al zover. En drones gooiden al bommen voor men wist wat dat voor dingen waren.

De snelheid van de ontwikkeling blijft (voorlopig) groot en in veel opzichten ongeremd. Er bestaat geen enkele garantie dat die snelheid niet nog enorm kan toenemen, waardoor het overzicht, de grip, en zeker het recht en de moraal nog verder in het geding komen.
      Concrete veiligheidsvraagstukken volgen bijvoorbeeld uit: (burger)oorlogen, Islamitische Staat en veel mogelijke look-alikes, groei van kapitalistische militaire en semi-militaire bedrijven, veel soorten ICT-bedreigingen, niet meer passende snelheidsverschillen in het wegverkeer, genetische manipulatie in heel uiteenlopende vormen, biotechnologische ontwikkelingen, nieuwe drugs, verscherping van de tegenstellingen arm en rijk, het bedreigde klimaat met tal van deels nog ongekende aspecten, drones met een onbekend pakje (wat zit daar nu in?), energieproblemen, toenemende bevolking, inperking van delen van de aarde die nu nog bewoonbaar zijn, tal van technologische hulpmiddelen en bewapening waar individuen en groepen gebruik van kunnen maken en die bovendien makkelijk beschikbaar of reproduceerbaar zijn, manipulatie van de materie op alle mogelijke schaalniveaus, mogelijke productie van zichzelf ontwikkelende systemen, overstromingen en voedselgebrek. En nog meer. Met alle bijbehorende crisissituaties, onzekerheden, emoties en een permanente morele zoektocht.

Dit zijn geen losse ontwikkelingen, ze werken alle op elkaar in. Ogenschijnlijk willekeurige problemen, van totaal verschillende orde en fasering, blijken andere toch weer te raken.
      Vergeleken hiermee is de morele laag van bewustzijn matig ontwikkeld. Deze doet er wel toe, zoals de rechtsstaat, het internationaal recht, morele discussies, enzovoorts. Maar veel van het bewustzijn verkeert nog in een meer primitieve staat, die tot op zekere hoogte nog wel paste bij het verleden, maar waarin nu steeds meer complexe vragen beantwoord moeten worden. Ook door personen, ook op privéterrein. Waarop allerlei winstmakers, uit op persoonlijk profijt – in de media, enzovoorts – weer inspelen. Wat het er voor velen niet makkelijker, maar eerder moeilijker op maakt.

We gaan daarom niet alleen naar een beleid van veiligheid, maar ook naar een recht en economie van veiligheid en onveiligheid, waarin ook het beperkte (vermeende) eigenbelang alle aandacht verdient.
    Kunnen moraal en recht verkeerde emoties of egoïsme met nieuwe gedragsvormen bedwingen? In de hele filosofie van alle culturen was dat al een van de hoofdvraagstukken, maar deze is zeker nu urgent.
    Boven aangeduide spreker kan wel wensen dat democratie en recht zo sterk zijn dat ze emoties kunnen bedwingen, maar dat recht en de rechtsstaat hebben hier niet alleen een sterk beleid en een economie van veiligheid nodig, ook doorzettingsmacht, waarin recht niet alleen wordt opgelegd, maar wordt ingebed in een sterke sociale structuur. Hoe kan anders (bijvoorbeeld) een echt goed klimaatbeleid over de hele linie of zelfs de hele wereld worden afgedwongen, zonder in onderdrukkende structuren te vervallen?

Spinoza stelt dat negatieve emoties tegenhangers moeten krijgen in positieve emoties. Tegenover egoïsme hoop bijvoorbeeld. Hoop die bijvoorbeeld door eendracht kan ontstaan. Dat is belangrijk leerpunt. Negatieve emoties met een egoïstische trek en agressieve uitingsvormen ervan, kunnen niet alleen met contrageweld worden opgelost. Er moeten op alle schaalgroottes en tot in de haarvaten van de samenleving positieve tegenontwikkelingen worden georganiseerd, die begrip, bewustzijn én controle mogelijk maken.
      Naar de vormen ervan zal men moeten zoeken, maar vooral moet de sociale component worden georganiseerd. Sociale macht. Vereniging van mensen die niet wegkijken van de grote vragen die alle veranderingen met zich meebrengen. Er hardop over spreken. Lukt dat niet dan zal de emotie angst (blijven) regeren.

Macht en recht zijn innig verbonden en het gaat om veel meer dan de directe politiek van belangen alleen. Eerder om een balans van werkingen, die de aarde en het leven, ook het sociale menselijke ervan keer op keer versterkt én realistisch is over bedreigingen.
    Het recht alleen is te zwak om alle bedreigingen op inhoudelijke of formele argumenten te kunnen weerstaan. Gelijk hebben is meer dan ooit nog lang geen gelijk krijgen. Keer op keer zullen grote vragen moeten worden onderkend en tot besluiten moeten leiden. Dat wordt voorlopig niet meer anders.
      Dit alles kent het aspect van massaliteit, dus van brede democratische betrokkenheid. Het huidige leven is zowel collectiever als individueler, ook een spanningveld dat enorm veel sterker meespeelt, door alle nieuwe ontwikkelingen. Dat vergt een veel hogere graad van scholing, sociaal en ecologisch bewustzijn en organisatie. Dus ook de daarbij passende ontwikkeling van het recht. En dit – paradoxaal – in een tijdperk van vaak slecht ontwikkelde organisatie, met weinig binding van de ‘massa’.
      De technologie en wetenschap met alle facetten zijn zo vloeibaar en snel, inclusief bijbehorende bedreigingen, dat Spinoza’s realisme over recht en macht hierbij niet gemist kan worden.

Niet alleen het recht, ook de vrijheid en specifieke vrijheden zijn in sterke mate mede van macht afhankelijk. Het aanpakken van veiligheidsvragen is ondenkbaar zonder werkelijk massale maar ook veelvormige democratische organisatie. Mensen ‘in hun vereniging’. Er ligt hier nog een stevige taak voor mensen, organisaties, vakbonden, bedrijven, politieke partijen en overheden.
      Wat de filosofie betreft: Spinoza is óók een sterk politiek denker. Dat mag bij de vele loftrompetten die je bij zijn werk momenteel zo vaak hoort, nooit worden vergeten. Hij is een ‘harde’ realist met een hoog moreel doel.
      Daarbij is Spinoza’s universele visie een voorbeeld voor de mensen van nu, die de wereld niet meer goed kunnen begrijpen wanneer ze alleen op beperkte schaal om zich heen kijken. Je eigen geluk nastreven is belangrijk, maar niet het enige dat telt. Want dan is de fundering drijfzand.





Bron van het citaat: Benedictus de Spinoza, (Hoofdstukken uit) De politieke verhandeling, Ingeleid, vertaald en van commentaar voorzien door W.N.A. Klever, Uitgeverij Boom Meppel, Amsterdam 1985, p. 51.
In andere woorden met dezelfde strekking ook in: Benedictus de Spinoza, Staatkundige verhandeling, Uit het Latijn vertaald en toegelicht door Karel D’huyvetters, Uitgeverij Wereldbibliotheek, Amsterdam 2014, p. 53.

Over dit vraagstuk en samenhangende vragen gaat mijn boek: Het speelveld van de vrijheid, Uitgeverij Damon, Budel 2014.
















maandag 5 juni 2017

Akzo en de vraag ‘wint Kapitaal van Arbeid’?


De vraag stellen is de vraag beantwoorden? Dat is niet altijd zo. Kijkend naar het neoliberalisme, de tanende macht van socialisten en vakbeweging, de flexibilisering, (enzovoorts) zeggen sommigen dat het kapitaal het van de arbeid heeft gewonnen.
    Maar de geschiedenis is niet ten einde, al is dat nog zo vaak verklaard. De strijd om de positie van onmacht tegen macht, van arm tegen rijk, van uitgebuite tegen uitbuiter en van rechteloos tegen vermeende rechten kent geen einde. Zeker niet op afzienbare termijn.
      Deze strijd kent wel verlies en winst, als concrete gevolgen in een specifiek tijdvak van de geschiedenis. Het concrete resultaat is dus niet relatief, maar ook niet absoluut of definitief. Of – iets anders gezegd – is het zowel relatief als hard en reëel tegelijk.

AkzoNobel is (nu) niet door het Amerikaanse concern PPG overgenomen. De ‘Ondernemingskamer’ heeft voorlopig een vijandige overname geblokkeerd. Ofwel de sociale overheid heeft (indirect) toch ingegrepen in het kapitaal en begerige aandeelhouders even een deel van hun al te makkelijke profijt ontnomen.
    Hieruit blijkt óók dat er een gemengde economie mogelijk is van vrij ondernemerschap en een overheid die grenzen stelt aan uitwassen. Dat is een voordeel boven de totale anarcho-kapitalistische losbandigheid, maar in de huidige vorm een nadeel ten opzichte van een echte sociale machtsstructuur en een duurzaam en humaan beleid.

Een menging van ‘vrije’ willekeur met een controlerende en regulerende macht kan een stap zijn op weg naar een meer sociale maatschappij, en daarmee ook een belangrijk discussie-item vormen. In hoeverre kan een gemengde economie het kapitaal temmen?
      Hierover vind je in de media met betrekking tot AkzoNobel echter heel weinig terug. Er wordt bij zege van de Akzo-concerntop vooral gewezen op de financiële winnaars en verliezers van dit moment, de juridische aspecten en op de verschuiving van machtsrelaties. Er wordt betrekkelijk weinig gekeken naar de positie de werknemers en nog minder naar de maatschappelijke betekenis en mogelijkheden van dergelijke concerns in het geheel van de economie.
      En al helemaal niet naar de nodige sturing met betrekking tot de prioriteit van verduurzaming met de bijbehorende technologische en machtsvraagstukken. Terwijl dat vandaag de dag toch een primaire norm zou moeten zijn. Ook bij het beoordelen van de productie, het bestaan en voortbestaan (enzovoorts) van grote concerns.

Het kapitalisme en de strijd erbinnen bieden interessante juridische en vergezichten op machtsverhoudingen. Maar waar het echt om gaat is hoe vakbonden, actiegroepen, partijen en overheden structurele posities innemen en behouden voor een samenleving die sterk, groen, sociaal en democratisch is, en waarin de deskundigheid en grote medezeggenschap van werknemers garant staat voor progressieve stappen vooruit.
      Dan zou het kapitaal dienstbaar worden aan de arbeid, een echte winst. Dan kan ook de arbeid kwalitatief verbeteren en humaner worden.