donderdag 19 oktober 2017

Een moeilijke vraag bij de situatie in Gaza


Enkele dagen geleden organiseerde de Stichting Groningen-Jabalya een avond over de situatie in Gaza. Ingrid Rollema van de Stichting Hope vertelde over creatieve projecten met kinderen en jongeren in Gaza. Films erbij, en zo werd duidelijk dat het project Open Studio enorm veel betekent voor de jeugd in dit alleen gelaten land.
      Alleen gelaten, de bewoners van Gaza leven met de meest minimale middelen, die voor het leven nodig zijn. In hoge mate opgesloten en alleen gelaten door een wegkijkende wereld. De steden verwoest, het land vergiftigd. En toch zie je op de films de creatieve kracht van jongeren die staan te dansen. En zie de kinderen tekenen, therapeutisch, als je denkt over hun trauma’s. Tekeningen zoals kinderen die maken.
      Maar de politieke situatie is uitzichtloos, alhoewel: gelukkig praten de fracties en leiders van Palestina weer met elkaar. Hopelijk nu met een resultaat dat beklijft. Dat kan misschien nieuwe perspectieven bieden.

Op deze avond werd de vraag gesteld: is er een perspectief voor Gaza? Dat is een vraag van universele betekenis. Steun bieden moet in iets positiefs resulteren, en wat als dat niet zichtbaar is? Zijn mensen niet geneigd om niets meer te doen als het echt moeilijk wordt? Is dat de reden waarom er eigenlijk zo ongelooflijk weinig aandacht is voor Gaza?
    Met de vraag werd dus bedoeld: is er nog hoop? Het antwoord luidde: ‘Neen.’ Waarmee bedoeld werd, ik zie het niet voor me, gezien de situatie van nu.

Indirect werd natuurlijk gevraagd: ‘Maar waarom ga je er dan mee door?’ Al die inspanningen.
      En dan moet je opletten: Er zit hier  een enorme adder onder het gras. Alsof je niet door moet gaan met steun te bieden voor de mensen die er nu zijn, de kinderen, de jeugd, de volwassenen en de ouderen, de gewonden en gehandicapten.
      Je moet doorgaan. Of moet je omdat er nu geen beter en helder perspectief is dan maar stoppen? Betekenen de mensen van nu niets?
    De vraag is niet cynisch bedoeld, maar zo’n consequentie ligt makkelijk op de loer.

Soms moet je gewoon doorgaan, ook al weet je niet of je een positiever einde nog mee zult maken. Het zou toch goed en eigenlijk gewoon menselijk zijn, dat alle in de steek gelaten volkeren en groepen steun krijgen. Steeds maar door, al moet er natuurlijk tegelijk naar een sterker uitzicht voor de toekomst worden gezocht. Het een sluit het ander niet uit.

Het is dan geen doorgaan tegen beter weten in. Het is de juiste aandacht voor het hier en nu. Nederlanders vragen vaak bij een collecte, komt het geld wel goed terecht? Dat weet je niet altijd en soms moet men na nieuw geweld ook nog helemaal opnieuw beginnen. Tegelijk moet je er toch op vertrouwen. Voor wie het nu nodig hebben.




Informatie over de Stichting Hope en Gaza, zie www.hope-foundation.nl/

Informatie over de Stichting Groningen-Jabalya, zie www.groningen-jabalya.com/

Informatie over Gaza en de politiek met betrekking tot Palestina, zie www.rightsforum.org













zondag 15 oktober 2017

De collectieve sector als sluitpost van het kapitaal


Zorg, het zal me een rotzorg zijn? Zo is het niet helemaal. Ook in een kapitalistische maatschappij bestaat een collectieve sector, die tal van voorwaarden voor het voortbestaan van het economisch stelsel vervult. Maar als het kan graag op een koopje!
      Niet een stelsel van zorg staat centraal met een bijbehorende economie die daartoe de middelen verschaft, maar een stelsel dat zich richt op winstmaximalisatie. Daarbij zijn nu eenmaal werkers en consumenten nodig (nog wel!) die begrijpelijkerwijs dus voorzieningen nodig hebben. Een vervelende kostenpost. Dat kapitalistische idee wordt tot op de dag van vandaag royaal gesteund door de overheid, door de zorg te kortwieken en voor de bedrijven belastingen te verlagen.
      Dat per saldo aan mensen nodige ondersteuning wordt onthouden en tegelijk de ongelijkheid tussen personen en groepen ermee in stand wordt gehouden, wordt op de koop toe genomen. Het (neo)liberalisme heeft immers voldoende machtsposities dit voorlopig zo te doen.

De collectieve sector bestaat niet alleen uit zorg, zoals ieder weet. En crisissituaties bestaan niet alleen bij wijkverpleging en bijvoorbeeld ziekenhuizen, maar ook bij politie en leger. Opmerkelijk afgelopen periode te zien, dat daar waar bezuinigingen zover zijn doorgeschoten dat het systeem eronder kraakt, er afgedwongen kwaliteitsimpulsen nodig waren om de ellende echt goed aan de orde te stellen.
      Dus niet het tijdig goed afgewogen rationele argument telt, niet de redelijke kennis die ruimschoots voorhanden is, maar eerder een situatie die om een onvermijdelijke kwalitatieve input vraagt of een incident met zo’n impact dat het wel besproken móét worden. Zie deze voorbeelden van zo’n niet meer te vermijden input:

Input 1: de nationale politie. Het smeermiddel voor de overhaaste reorganisatie in de ‘persoon’ van de omgekochte (?) Centrale Ondernemingsraad werkte te buitensporig, onwettig. Werd er iets toegedekt? Dat roept een hele discussie op over het beperkte succes en het falen van de nieuwe politieorganisatie.

Input 2: het leger. Argumenten tegen de bezuinigingen waren er al lang, vertolkt door overtuigde en welbespraakte militairen. Spot viel het leger eerder ten deel, poefpoef, maar dat hielp niet. Een incident met dodelijke slachtoffers was nodig om de zaak echt op scherp te stellen.
      Hoe je ook over de veiligheidspolitiek van de Nederlandse natie mag denken, je stuurt geen jongens het veld in met onvoldoende middelen, dat is evident moreel verwerpelijk.

Input 3: de zorg. De zorg kent tal van facetten. De bezuinigingen en het door de nationale regering over de schutting kieperen van verantwoordelijkheden, de vele ontslagen, het riep acties, verzet, het mooie initiatief voor een Nationaal Zorgfonds, en ook nog tal van ijzersterke argumenten op.
      Het hielp nauwelijks, ondanks alle informatie en argumenten. Tot onder druk en misschien op een moment van onoplettendheid de ‘geniale zet’ werd gedaan om het Zorginstituut Nederland naar de verpleeghuiszorg te laten kijken. Om een bindende uitspraak te doen. En ja, als het gewoon om echte, haast vanzelfsprekende kwaliteit gaat, deugt het allemaal niet.
    Resultaat: meer dan 2 miljard extra voor de (intramurale) verpleeghuiszorg. De dwang van een echte en beslissende kwaliteitseis, dus op inhoud gericht, doet wonderen. Redelijkheid met macht, dat blijkt de goede combinatie.

De nieuwe rechtse regering wil het hier natuurlijk niet bij laten. Ze wil dat de ambulante zorg voor jong en oud, geestelijke gezondheidszorg, de ziekenhuizen en andere zorgvoorzieningen nieuwe miljarden ophoesten. Twee miljard extra naar de verpleeghuiszorg? ‘Dan pakken we dat elders wel weer af’, lijkt men te denken. Met het smoesje erbij dat deze financiële opgave weliswaar moet, maar er natuurlijk nog wel zorgconvenanten moeten worden afgesloten. Als dat gebeurt wordt de zorgverlener ook nog medeplichtig gemaakt.
      De inhoud en kwaliteit komen dus weer ver achter het financiële verhaal aan. Redelijkheid zonder macht. Eerst de wurggreep, dan pas de kwaliteit, de inhoud. En zonder verassende ingreep – zoals bij de drie genoemde punten – en zonder massale actie, zal de discussie over kwaliteit niet zoveel voorstellen. Bijvoorbeeld door de angel uit het parlementaire debat te halen door onderzoeksvoorstellen te doen en echte antwoorden op de dringende vragen door te schuiven naar Sint Juttemis.
      Het gaat om zorg en welzijn voor de bevolking, maar het blijkt zo ook een strijd tussen kwantiteit en kwaliteit.

Allemaal het oude liedje? Terecht steken de linkse partijen, vakbonden, ouderenbonden en allerlei burgerorganisaties de koppen bij elkaar om macht te vormen tegen de nieuwe verslechteringen die ingrijpen in het dagelijks leven.
    Het zou mooi zijn die nieuwe samenwerking vast te houden, uit te breiden, de visies op alles wat politiek niet deugd verder uit te diepen, alternatieven te bedenken, en een stelsel te bevorderen waarin het rijke Nederland in de eerste plaats goede zorg biedt waar dat nodig is. Een gewone prioriteit.








het Nationaal Zorgfonds, een goed initiatief!













woensdag 11 oktober 2017

Friedrich Engels, zelfstandig denker naast Marx


Friedrich Engels (1820-1895) is vanaf hun eerste samenwerking in 1844 tot aan diens dood in 1883 nauw bevriend met Karl Marx (1818-1883). Boezemvrienden, in dagelijkse briefwisselingen aan elkaar verbonden, in theorie en in politieke strijd. Toch wordt Marx vaak gezien als de geniale trekker en Engels als zijn medewerker. Dat is toch niet de goede verhouding, hoe vaak Engels zelf ook heeft benadrukt dat Marx duidelijk de grote wetenschapper van hun beiden was.

Inderdaad systematiseert Marx zijn visie op de geschiedenis en de kritiek op de kapitalistische economie, en geeft zo een zekere afronding aan hun strijd en werk. Maar in alle fasen van hun samenwerking draagt Engels veel meer dan een steentje bij. Helemaal aan het begin, in 1844 schrijft Engels het artikel ‘Schetsen van een kritiek op de nationale economie.’, terwijl Marx nog druk doende is zich van de laatste idealistische restanten van Hegels dialectiek los te maken. Dat artikel van Engels is het begin van de rode draad waarvan Marx’ ‘Das Kapital’ een veel latere fase vormt. Marx bouwt echt verder op Engels’ insteek van 1844.

Tal van situaties zijn nadien te noemen waarin Engels initiatief neemt, strijdt, kritiseert en partijen verbindt. Ook theoretisch. Zijn boek uit 1845 ‘De toestand van de arbeidende klasse in Engeland’ is een eerste sociologisch empirische en materialistische studie naar de concrete gevolgen van de diepe tegenspraak tussen kapitaal en arbeid, en over de verloedering van de arbeiders en hun gezinnen. Zo zet hij de toon. Ook emotioneel trouwens, Engels is verontwaardigd over de positie van het gewone volk.
    Of veel later. Terwijl Marx kritiek krijgt van Eugen Dühring – een soort socialistische professor die meent alles beter te weten dan Marx – reageert niet de laatste, maar juist Engels met een zeer uitgebreide reactie. Waarom hij? Omdat hij vindt dat Marx verder moet werken aan ‘Das Kapital’. Engels neemt Marx dus werk uit handen. Er zijn daarna wel mensen geweest die dat boek van Engels, de ‘Anti-Dühring’, van Marx’ visie proberen los te maken. Maar dan wordt over het hoofd gezien dat Marx wel meeschrijft aan dit boek en een deel ervan direct van zijn hand is.
      En nog veel later. Na Marx’ dood is van ‘Het Kapital’ slechts één volledig deel geschreven en eigenlijk is dat nog niet eens af. Verder ligt er een berg van concepten, tekstfragmenten of half afgemaakte hoofdstukken. Engels slaagt erin – en hij is de enige die  dit op dat moment kon – om vanuit die berg aantekeningen de verdere delen van ‘Das Kapital’ te publiceren. Tegenwoordig hoor je hier wel eens een schampere opmerking over, als zou Engels dat niet 100% goed hebben gedaan, dat redactionele werk. Maar let op, waar Marx zijn halve leven aan heeft gewerkt maakt Engels in enkele jaren af, voor zover dat kan. Kritiek nu, precies 150 jaar na het verschijnen van het eerste deel van ‘Das Kapital’, klinkt als gemakkelijk praten, hoe goed het nu ook is alsnog meer kritische reconstructies van alle materiaal te maken en alle aspecten nader te onderzoeken.

Over Engels valt veel meer te zeggen. Hij is vaak praktisch ingesteld en schuwt het politieke avontuur niet, zoals blijkt in het revolutiejaar 1848. En hij bestrijdt vooroordelen. Bij het eerste opkomende georganiseerde antisemitisme, waar sommige socialisten gevoelig voor blijken te zijn, pleit Engels hier resoluut tegen. En ten aanzien van het kolonialisme stelt hij met Marx dat een land nooit vrij kan zijn zolang het een ander land onderdrukt.
    Engels bestrijdt ook de gedachte dat socialisme voor elk land en in elke situatie hetzelfde betekent of dat socialisten altijd dezelfde werkwijzen moeten hanteren. Hij schrijft expliciet ‘dat het onzin is de beweging in alle landen dezelfde vorm te geven.’ (In Brief aan August Bebel, 1892, in MEW, deel 38, p 518.) Een idee waar veel hardnekkige latere socialisten wat van hadden kunnen leren.

Engels heeft humor. Wat is er mooier dan wat ironie in de politiek? Wanneer Marx’ eerste deel van ‘Das Kapital’ uitkomt wil Engels hier wel wat publiciteit aan geven voor de verkoop. Marx is op dat moment helemaal niet zo bekend, en net als tegenwoordig zit niet iedereen op een uitvoerige analyse van de hele economie te wachten. Liever wil men een kant-en-klaar idee hoe de betere wereld, de hemel op aarde bereikt kan worden. En dat je dat allemaal precies moet kunnen uitleggen. Daar speelt Engels ironisch en provocerend op in, een kritiek op utopisme.
    Hij schrijft dan over het net verschenen ‘Kapital’: ‘Dit boek zal menig lezer zeer teleurstellen. Al vele jaren wordt, van bepaalde kant, op het verschijnen ervan gewezen. Want hierin zou eindelijk de ware socialistische geheime leer en haar wondermiddel worden onthuld. En menigeen zal zich hebben voorgesteld, toen hij het boek eindelijk zag aangekondigd, dat hij hier nu zou ervaren, hoe het dan eigenlijk in het communistische duizendjarige rijk eruit zal zien. Wie zich op dit genoegen heeft verheugd, heeft zich grondig vergist. Hij ervaart hier echter hoe de dingen er niet uit moeten zien, en weliswaar wordt hem dit met een zeer duidelijke hardhandigheid 748 pagina’s lang uiteengezet, en wie ogen heeft om te zien, die ziet hier de eis van een sociale revolutie duidelijk genoeg gesteld. (…) Het gaat hier om de afschaffing van het kapitaal überhaupt.’ (in Rezension des Ersten Bandes ‘Das Kapital’ für die ‘Düsseldorfer Zeitung’, verschenen op 16 november 1867, in MEW, deel 16, p. 216.)

Wat Engels bedoelt is nogal wat. De duizendjarige hemel op aarde kan men wel vergeten, maar liever moet men zich inzetten het hele kapitalistische stelsel te revolutioneren. Dat is een hele klus. Niets gaat vanzelf. De arbeiders zullen moeten studeren en zich organiseren, dat laatste is een thema dat ook in Engels’ latere geschriften vaak opduikt.
    Of door zo’n aansporing van Engels in 1867 velen direct het boek kopen, is natuurlijk de vraag. Engels weet zelf ook dat niet iedereen gelijk de hele analyse zal willen volgen. Misschien was hij hierin wel realistischer dan Marx. Het boek verkoopt de eerste jaren niet goed. Dat duurt even. De eerste vertalingen en een tweede Duitse druk verschijnen vanaf 1872/73.

Alles overziende zijn Engels en Marx keer op keer kritisch en opbouwend in elkaars theoretische en praktische bijdragen. Behalve boeken getuigen honderden brieven hiervan. Voorbeelden te over, inclusief hun belangrijke coproductie ‘Het communistisch manifest’. Een langere periode van verwijdering is er – zover ik weet – nooit geweest.
















zaterdag 23 september 2017

Nog nooit iets van José Saramago gelezen? Lees dan nu 'Hellebaarden'!


‘Vandaag de dag heerst er rust, sociale rust bedoel ik, Die is nooit te vertrouwen, zei de oude man, dat is stil water, schijn, meer niet.’


De grote schrijver José Saramago (1922-2010) schreef vlak voor zijn dood nog een boek. Het is niet afgekomen, maar wel een boek, alles wat hij wilde zeggen staat er in. Dat denk ik. Hellebaarden is geen neutrale roman.’ Niets bij Saramago is neutraal. Leeft een mens echt, dan is hij niet neutraal, maar verantwoordelijk.
    Dat klinkt zwaar, en inderdaad zitten Saramago’s boeken vol met woede en waarlijk communistische maatschappijkritiek. Maar zelden wist iemand zijn verhalen zo leesbaar, ironisch en met zoveel humor en absurditeit te schrijven als Saramago.

Saramago heeft veel sociale thema’s in zijn boeken verwerkt. Vrij kort voor zijn dood bedacht hij toch nog een boek te willen schrijven. Hij vroeg zich af: ‘Zou er ooit gestaakt zijn in een wapenfabriek?’ Ja, dat kun je je ook moeilijk voorstellen, althans dat zal dan toch problemen geven, wanneer bestond er ooit een wereld zonder wapens en hoe kan de oorlog dan nog worden gevoerd?
    Van zijn vraag maakt Saramago een ironisch verhaal met een reële kern. Over de politiek en de mens in het algemeen, en over de Spaanse Burgeroorlog.

Een recensent die Hellebaarden netjes besprak vond het vooral mooi voor de bestaande liefhebbers van Saramago. Alleen die zullen dit boek aanschaffen, dacht hij.
      Dat lijkt me nu een verkeerd idee. Voor iedereen is dit leesbaar, mooi en niet-verkeerd moralistisch. Veel zinnen hebben ogenschijnlijk bijkomstige uitstapjes die wel aan het denken zetten, prachtig verwoord.
      Dat van het eigenlijke boek dan maar ongeveer 70 bladzijden klaar gekomen zijn, is helemaal geen probleem. Ieder kan die met plezier drie keer lezen en er steeds genoeg nieuws in ontdekken. De taal alleen al.

Na de eigenlijke tekst staat er – samen met illustraties van Günter Grass – een interview in met Saramago’s vrouw Pilar del Río. Zij zegt: ‘Hij stelt het bestaan van wapenfabrieken ter discussie.’ En: ‘… de realiteit wijst uit dat de wapenproductie de productie van conflicten eist.’ Zo onweerlegbaar waar dat bijna niemand dit beseft? Saramago’s woede is begrijpelijk.

In het boek zelf laat Saramago de algemeen directeur van de ‘bekende wapenfabriek belona bv’ zeggen: ‘Alle landen, wat ze ook mogen zijn, kapitalistisch, communistisch of fascistisch, fabriceren, kopen en verkopen wapens, en niet zelden gebruiken ze die tegen hun eigen inwoners.’




Hellebaarden is uitgegeven bij Meulenhoff, ISBN 978-90-290-9196-1
In het boek staat het verhaal voor zover het klaar was, enkele aantekeningen van José Saramago over dit verhaal, een toelichting van de vertaler Harrie Lemmens, een interview met Pilar der Rió en tekeningen van Günter Grass. Waardig uitgegeven!


Ben je ook kritisch over wapens, wapenproductie en wapenhandel? Kijk eens op de website: www.stopwapenhandel.org/















woensdag 20 september 2017

‘Niet meer weg te denken’ – Is dit nu een drogreden of niet?


Argumenten en valse argumenten, ze wisselen elkaar makkelijk af. Heel veel van de politiek draait op het snijvlak van beide. Ondanks de veelgeroemde democratie. Goede redenen, slechte redenen, wat is het nu precies?

Pas, begin september, liep de overleg tussen de vakbonden en de werkgevers, de bedrijfsbazen vast. Flexibilisering en ontslagrecht, beide volledig uit de hand gelopen, was het breekpunt. De werkgevers lijken dat wel prima te vinden.
    Een woordvoerder van de werkgevers zei in de media dat ‘flexibele arbeidsrelaties niet meer weg te denken zijn’.
    Laat dat maar eens bezinken. In mijn gedachten zijn ze prima weg te denken. Wat is dit nu precies, iets wat niet weg te denken is? Is het een visie op de wereldgeschiedenis? Misschien wel, inderdaad hebben werkgevers door de neoliberale hegemonie afgelopen twee decennia heel veel bereikt wat ze de eeuw ervoor waren kwijtgeraakt, de bijkans algehele macht over hun ‘personeel’. Over de werknemers, de arbeiders. In die zin is het echt ‘Historisch’. Het was gewoon lange tijd niet gelukt en nu wel, door de wind van het neoliberalisme en gesteund door de paniek van de crisis. Dit wilden en willen kapitalistische werkgevers altijd! Crisis is voor ondernemers niet alleen een risico, maar ook een kans.
    Maar dan nog, kan het argument kloppen? Je hoeft dan niets meer te doen, want wat niet weg te denken is heeft nu ook een reëel eeuwig bestaan. Of niet?
    Het gaat vooral om een wens, de ‘selffulfilling prophecy’. Je denkt het pas weg als het ook niet meer op tafel mag komen. En dat deden de vakbonden dus wel en dus beter. Spelbrekers van de drogreden. En natuurlijk bestaat er internationale concurrentie, ook zo’n veelgehoord argument. Maar daarom moeten vakbonden ook internationaal opereren en samenwerken. Inderdaad is er nog wat dat niet meer weg te denken is.
    Het is politiek en dat is wat anders dan een mystiek tijdverschijnsel. Het is kennelijk niet wat het lijkt, zoals zo vaak. De schijngestalte is slechts een klein deel van de waarheid.

En ook pas, dezelfde septembermaand. Er ontstaat een discussie in Groningen over de eventuele sloop van het bekende Cultuurpaleis ‘De Oosterpoort’.
      De plaatselijke krant getuigt van het ontluikend debat met gelijk al de nodige krachtargumenten of argumenten met een (mogelijk) misleidende nadruk. Kennelijk zijn er sloopliefhebbers die zich hier of daar al weer een nieuw cultuurpaleis voorstellen, dromen. ‘De Oosterpoort’, dat al meer dan 45 jaar niet onaardig functioneert blijkt heel goed weg te denken. Als heel de politiek het wegdenkt, is het gebouw zo gesloopt. Alleen nog even wachten op de vervanging.
    Eigenlijk zou een ware democratie vereisen dat bij het ongetwijfeld bouwkundig, duurzaamheidkundig en een beetje cultureel onderbouwde plan voor sloop verplichte tegenvisies worden geformuleerd. Wat is immers een afweging zonder alternatief? Er is sprake van een drogreden, wanneer een goed mogelijke afweging taalkundig wordt weggepoetst.

Hele en halve drogredenen, waarin de historie bij beide voorbeelden een rol speelt. Ten gunste van ‘nooit meer weg te denken’ bij de werkgevers, of van juist ‘zo snel en radicaal mogelijk wegdenken’ bij de sloop van een cultuurcentrum.

Wat nu dan te doen? Juist als het niet een-twee-drie duidelijk is, en je hopelijk al op je voelsprieten merkt dat er iets niet helemaal lijkt te kloppen, is het goed nog eens naar de argumenten te kijken.
    Vaak is het vrij makkelijk een werkwijze te vinden die de ‘ware argumentatie’, met zowel de onwenselijke als wenselijke gevolgen, blootlegt.

Bij de werkgeversbaas? Het gaat hier zeker ook om een krachtargument of wat daar tegenaan schuurt. Gewoon actie voeren dan maar, dan komen er reeksen van zwakke en sterke argumenten aan bod. Kracht van het woord aanpakken door de doelgerichte kracht van andere woorden, die voor veel mensen er écht toedoen. Wat er echt toe doet kan niet worden weggedacht.
      Dus: wég met de flexibilisering! Wég met door de werkgevers eenzijdig opgelegde arbeidsvoorwaarden! Je zult zien dat er heel wat ‘weg te denken’ is, waar sommige werkgevers alleen zo nu en dan nog maar een nare droom over hebben.

Bij de discussie over een nieuw cultuurpaleis? Wat is nu creatief tegenover het zo stellige afbraakwoord? Bijvoorbeeld dat de gemeente of raadsfracties een serieuze prijsvraag uitschrijven met als opdracht aan architecten en ingenieurs de mooiste, betaalbaarste, duurzaamste en anderszins prachtigste verbouwing te ontwerpen. Het slimste, mooiste en creatiefste antwoord verdient de hoofdprijs. De discussie gaat dan vast alras verder op een heel ander niveau, want dan staan er twee echte alternatieven tegenover elkaar.











woensdag 13 september 2017

De SP over klimaat en kapitaal


‘Spanning’ is het onregelmatig verschijnende tijdschrift van het wetenschappelijk bureau van de SP. ‘Spanning’ is doorgaans heel lezenswaardig en een goede basis voor verdere discussie binnen en buiten de partij.
      Vreemd eigenlijk dat het blad daarvoor niet zoveel wordt gebruikt. Wat is er nu makkelijker dan zo’n uitgave te gebruiken voor thema- en discussieavonden, met leden, anderen en andere organisaties. Maar misschien gebeurt dat ook wel en weet ik dat simpelweg niet.
      Hoera, nieuw nummer uit, wat vinden we ervan en wat doen we er verder mee?

In juni verscheen een nummer over ‘Klimaat en kapitaal’. Prima stukken over de opwarming van de aarde, CO2 emissies, het Verdrag van Parijs, de urgentie snel actie te ondernemen, de tegenwerking van een concern als Shell, de samenwerking met anderen, in dit geval het beleid en de acties van Milieudefensie, het verslechterend klimaat als boosdoener in de toename van de sociale ongelijkheid, acties in het buitenland, enzovoorts. Meer dan genoeg voor een aantal debatavonden en nieuwe politieke en actie-initiatieven.
    En niet te vergeten aparte artikelen over de tegenstelling tussen kapitaal en klimaat, met prima stukken van Eduard van Scheltinga en hoogleraar sociologie Bram Büscher uit Wageningen.

Büscher legt klip en klaar uit dat er een moeilijk maar onontkoombaar scenario ligt te wachten: ‘Om echt iets aan klimaatverandering te doen moeten we de bron van het probleem aanpakken: economische groei, of beter, de accumulatie van kapitaal. Uiteindelijk betekent dit het overkomen van het kapitalisme.’
    ‘Het hoge woord is eruit’, kun je zeggen. Helder stellen dat het kapitalistische stelsel het probleem is, en dat ondanks alle kleinere acties en overwinningen, het economische stelsel en de machtsfactoren daarbinnen opgeheven moeten worden. Je weet het wel, maar hoe vaak wordt dit nog hardop gezegd? Is dit socialistisch? Ja, so what …?

Maar wat dan te doen? Begrijpelijk dat Büscher ook zegt dat een andere economie ‘verder uitgewerkt moet worden.’ Maar toch, zijn de ingrediënten niet al bekend? Met Marx en Engels kun je zeggen dat ‘de proletariërs’, zoals de volksmassa’s die de gevolgen van verslechtering van hun leefwereld ondergaan, zich moeten verenigen. En ten tweede dat dit in alle landen moet.
      En ten derde blijkt uit het stuk van Milieudefensie in het nummer van ‘Spanning’ dat ook milieuorganisaties weten dat een goed klimaatbeleid een sociaal beleid moet zijn. Niet alleen om de wenselijkheid ervan, maar als fundamentele voorwaarde voor een echt betere wereld en sociale samenleving. Een wereld waarin egoïstisch winstbejag een effectief klimaatbeleid niet langer blokkeert.

Is dit vaag? Dat hoeft het niet te zijn. Eendracht maakt macht. Partijen, vakbonden, milieu-, vredes-, en mensenrechtenorganisaties, tal van groepen met lokale initiatieven, laten die elkaar steeds opzoeken en op de tal van gemeenschappelijke punten die er zijn samenwerken en steun bieden. Structureel, net zo structureel als het systeem dat je aan wilt pakken. Buiten en binnen het parlement, in eigen land en ver daarbuiten.
    Of is dit te simpel? Het is ook een kwestie van gewoon doen, koudwatervrees overwinnen en elkaar heel veel informeren. Natuurlijk gebeurt dit voor een deel al wel, en waarschijnlijk zelfs beter dan een paar jaar geleden. Maar een stuk als dat van Büscher – en de andere – laten ook zien dat er veel meer aangrijpingspunten zijn voor gezamenlijkheid en solidariteit. Discussie én doen.









maandag 11 september 2017

Nogmaals het klimaat en de Wijde mantel


Feiten tellen. Maar wat bewijzen ze? In mijn blogs heb ik eerder al meer dan eens gesteld dat ook dicht bij huis de opwarming van de aarde zichtbaar wordt. Voor de mensen in orkaangebied inmiddels vanzelfsprekend.
      Maar ik kan er ook niet omheen. In mijn tuin zit een slak die vroeger alleen in warmere gebieden voorkwam en op het strand zie ik – en ik ben niet de enige – veel vaker dan vroeger de Wijde mantel (Aequipecten opercularis). Vroeger nam je mantelschelpen vooral mee uit zuidelijker streken, Frankrijk of verder, nu worden ze op het Noordzeestrand tamelijk gewoon.
      Bewijst dit veel? Als feit alleen misschien nog niet, maar het is een van de vele getuigen die een sterke aanwijzing voor de opwarming vormen. Tezamen kunnen die feiten niet worden genegeerd. De wereld verandert waar je zelf bij staat.

Die Wijde mantel blijft boeien. Het is een heel mooie schelp, die de schelpenzoeker altijd enthousiast opraapte, zo’n zeldzaamheid. En nu zie je ze vaker en in allerlei maten, op drijvende objecten vaak doubletjes van zo’n 20 mm, maar ook losse grotere exemplaren.

Kort geleden weer enkele vondsten. Van Terschelling uit wat gruis met minischelpjes thuis even onder de microscoop gekeken of daar wat aardigs in zat. Tot mijn verrassing een mini-exemplaar van een Mantelschelp. Slechts ca. 1 mm. groot, dus een juveniel in de start van zijn groeiproces.
      Zo klein dat het nog niet zeker is of het een Wijde mantel betreft, maar de kans is groot. Er bestaan namelijk ook andere soorten Mantelschelp in de Noordzee. De Wijde mantel is daarvan echter het meest algemeen. De in het gruis gevonden schelp is zo klein dat de ribben onvolgroeid zijn, wat het wat lastig maakt goed te zien welke Mantelschelp het is.
      Zo’n juveniel zegt dus wat: dat ze leven en waarschijnlijk dus opgroeien in de Noordzee. Dat was op zich al bekend, maar dat je ze in gruis vindt was voor mij nieuw. Contact met andere schelpenzoekers bevestigt deze trend. Er zijn meer juveniele Mantelschelpjes in gruis gevonden.
      De foto is wat moeilijk, de schelp is echt heel klein, als een grote zandkorrel.

Van klein naar groot. Vorige week een dag op Schiermonnikoog geweest. Daar vond ik twee keer een Wijde mantel. Flinke exemplaren, 34 en 38 mm breed. Tot voor kort vond je ze meestal duidelijk kleiner.
      Ze zien er fris uit, misschien meegelift op een drijvend object, maar ze kunnen net zo goed uit de Noordzee komen. Op dit Waddeneiland zijn dit jaar overigens nog veel meer van deze soort gevonden.

Dat de snelle opwarming ook zichtbaar wordt en de vastgestelde feiten leiden tot discussie, heeft voordelen. ‘Met de neus op de feiten’, kun je zeggen. Misschien helpt het ander ecologisch gedrag en een resolute op biodiversiteit gerichte politiek te vormen. Met hoge prioriteit, over de hele linie en op grote schaal.
      Op grote schaal? Het is een leuke dialectische gedachte dat deze zandkorrel, dit kleine schelpje van 1 mm daartoe een bijdrage kan leveren.


















donderdag 7 september 2017

Objectiviteit en subjectiviteit in media en politiek


Ongeveer een week lang woedde in de media een klein debatje over het al dan niet uitzenden van de film ‘Jesse’. De omroepen BNN-Vara vonden de film niet objectief genoeg, maar het was eigenlijk gewoon de politieke druk van rechts en uiterst rechts die de omroepen de moed ontnam gewoon hun documentaire te vertonen. De wirwar leidde tot wat beperkte voorstellingen in het land en van nu zal het een gewone film zijn zoals zo vele.
    Nu de kruitdampen wat zijn opgetrokken en de inhoud van de film niet tot grote acties of scherpe discussies leidt, lijkt het allemaal weer snel vergeten.

Toch zijn er achterliggende vragen die van belang zijn, en die voor het gemak vaak maar snel overgeslagen of weggepoetst worden. Want de reden de kant-en-klare film maar gauw op te bergen was de kritiek dat deze niet objectief was, dat die partijdig was. Dan rijst de vraag: hoezo? Zijn de media niet altijd óók partijdig en behalve objectief ook niet net zo goed subjectief?
    Grote woorden objectiviteit en subjectiviteit, neutraliteit versus partijdigheid. Een medium – krant, tv, website – dat midden in de samenleving staat, kan dat helemaal neutraal zijn, en moet je dat willen? En hoe vind je dan dat zuivere neutrale midden tussen partijen, uitgesproken meningen en initiatieven?

Deze vragen zijn zo oud als de politiek en zij zullen altijd blijven bestaan. Je zou het kort kunnen oplossen, lijkt het, door naar wat feiten te wijzen. Kan een krant wel ‘zuiver’ objectief, feitelijk en onpartijdig zijn? Maar dan leest niemand meer die krant, dat wordt veel te gezapig.
    En in tegendeel, kranten weten dat al lang en lossen het op door naast de feiten columns, commentaren en politieke visies van de (hoofd)redacteur te plaatsen. Dat is al eeuwen zo, maar het verschil is wel dat dit sterk toegenomen is. De helft van de kranten en media wordt gevuld met columns en dergelijke, en die beoordelen weer de feiten van vandaag en gisteren, en zelfs op die stukjes reageert een andere columnist weer met de volgende opinie. Subjectieve opinies dus genoeg, en ze gaan ook over harde of juist omstreden feiten. Het is een wirwar, mix en interactie van subjectiviteit en objectiviteit.
      Conclusie: media, kranten, welke dan ook, zijn niet onpartijdig, nooit slechts zuiver feitelijk en neutraal, ook al zijn er grote verschillen in de kwaliteit van de gepresenteerde feiten én meningen.

Met de achterliggende vragen stuit je op veel meer. Hoe verhouden objectiviteit en subjectiviteit zich eigenlijk tot elkaar? Dan duik je in de kennistheorie, de wetenschapsfilosofie en de politieke filosofie.
      Daar zijn in het verleden felle discussies over geweest en hier en daar nu ook vast nog wel. Ook vanuit politieke stromingen, zoals hegeliaanse en marxistische varianten versus de meer positivistische, empiristische of constructivistische.

De termen objectief en subjectief staan over het algemeen in relatie tot elkaar. Iets is niet helemaal objectief of subjectief. De werkelijkheid zoals mensen die kennen is een constructie, maar geen willekeurige constructie. Eenvoudiger: iets is niet een los feit, maar een waargenomen en bereflecteerd feit, dus al gekleurd in en door de min of meer perfecte waarneming. En door het er over te hebben worden de feiten verder belicht en onderzocht, en wordt ook de opinie hierover verder gevormd. Dat vormt een trend, een ontwikkeling, die onstuitbaar kan zijn en veel nieuws kan produceren.
      Denk maar eens aan het uiterst subjectieve apparaat ‘de computer’, volledig een menselijke uitvinding, die een ontwikkeling heeft gestart die niet af te remmen is, hele werelden blootlegt en tal van objectieve én subjectieve aspecten aan de orde stelt. Objectief en subjectief blijken hier, zoals altijd, innig vervlochten, een wisselwerking.

Het feit roept een beoordeling op. Een beoordeling vraagt al gauw om verder onderzoek. Niets is alleen maar objectief of subjectief. Je kunt veel over de wereld of over de politiek fantaseren, en toch blijkt in die fantasie heel wat mee te spelen dat op ervaringen in de materiële wereld is gebaseerd.
      Je kunt zeggen, beperk je tot de feiten, en dan blijken verschillende mensen verschillende dingen te zien of belangrijk te vinden, ze moeten dus communiceren over die feiten, over hun interpretaties en over de vraag hoe het toch kan dat ze het zo anders zien of beoordelen binnen die ene werkelijkheid. Zie je het niet?

Maar is dan alles relatief? Wel in de zin van relationeel, dat alles in samenhang bestaat, wat dus ook geldt voor de hardste feiten en de gevoeligste en meest betrokken meningen. Maar niet relatief in de zin dat je met een feit alle kanten op kunt.
      De communicatie en het onderzoek leggen in dat hele proces wel degelijk materiële, realistische aspecten bloot die er in de huidige stand van zaken nu eenmaal zijn. Dat is zo, zolang we op deze ene wereld rondlopen en dus geconfronteerd worden met aspecten ervan, inclusief ervaren of veronderstelde ‘wetmatigheden’ ervan.

Over het klimaat kunnen meningen verschillen, maar een overmaat van feiten dwingt de mens bepaalde meningen aan te nemen en andere te verwerpen. Zo moet dat gaan. Dan blijkt het soms te traag te gaan, die doorwerking van de wisselwerking van objectiviteit en subjectiviteit.
      Die wisselwerking hoeft niet altijd vlekkeloos te verlopen, discussiemogelijkheden en strijdpunten zijn er nog volop. Dat men onwelgevallige feiten niet wil horen, dat dus de subjectiviteit óók vervormt.

Was alle gehannes over de film ‘Jesse’ nu nodig, was het vruchtbaar? Het gaat hier natuurlijk om een politiek standpunt, dat is weer eens duidelijk gebleken. Omroepen en kranten kunnen dat ook gewoon erkennen. Nieuwsprogramma’s zitten – ook in Nederland – vol met opinies. Erken dat, en breng standpunten wat langer en fundamenteler voor het voetlicht, meer dan alleen de korte ‘quotes’. Dat is relevanter dan het verbieden van een film of iets dergelijks.
      Neutraliteit van media? Bij het woord neutraliteit moet je oppassen. Neutraliteit is vaak niet wat het lijkt of zegt.






Over subjectiviteit en objectiviteit schreef ik o.m. in Dialectiek en praktijk, De creatieve tegenspraak, Uitgeverij Damon, Budel 2005.













vrijdag 1 september 2017

Mondriaan op Zee en Kunst in de Openbare Ruimte









De vorige blog getuigt van bedenkingen tegen de Mondriaan-kwelder, het nieuwe plan voor de kwelderhoek bij Striep op Terschelling. 88 palen in de vorm van een kunstwerk van Piet Mondriaan als kwelder op het wad.
    Op de vorige blog kun je ook bovenstaande foto bewonderen, met Rosse Grutto’s en Bonte Pieten, Scholeksters. Deze is genomen vanaf de dijk bij ’t Sehaal, een plaat, een wat hoger stukje wad in ongeveer hetzelfde gebied als waar de Mondriaan-paaltjes moeten komen.

De genoemde bedenkingen mogen nog wel wat worden toegelicht. Voor Gemeente Almelo heb ik in 2010 een Visie geschreven over ‘Kansen voor de Beeldende Kunst in de Openbare Ruimte’. Een enthousiast pleidooi voor integratie van kunst, cultuur, natuur, stad en omgeving. En dan nu tegen het kunstzinnige initiatief op Terschelling zijn, is dat te rijmen?

De foto hierboven. Deze is genomen vlak voordat alle vogels hier, naar schatting ongeveer 2000, waren gevlogen. Het was hoog water, nog vloed en dit is duidelijk een vluchtplaats voor grote groepen vogels. Wat was er behalve de vogels zelf op de dijk te zien?
    Eerst kwam een papa met twee kinderen hier pieren steken. De voorste vogels krabbelden wat terug, enkele gingen achteraan zitten, per saldo verschoof de hele groep wat.
    Vlak erna kwamen een stuk of vijf jongeren op de plaat aangeslenterd. Waarschijnlijk van de nabijgelegen jeugdcamping. Ze gedroegen zich netjes en rustig, diep in gesprek, dat wellicht ging over de maatschappelijke functie van de hedendaagse beeldende kunst. Ze keken verder niet op of om, en dicht bij de vogels gekomen vloog de hele groep Grutto’s en Bonte Pieten weg. De jongeren merkten het niet eens, zo te zien.

De visie over beeldende kunst die ik in 2010 schreef, aangenomen door de Gemeenteraad van Almelo, was een feestje om te schrijven. Met veel betrokkenen gesproken, waaronder kunstenaars, ontwerpers, stedenbouwkundigen en actieve wijkbewoners, met als conclusie dat je in de stad en omgeving heel veel met kunst kunt doen, veel meer dan hier en daar een beeld neerzetten. Integratie van beeldende kunst en veranderingen in het landschap passen hier zeker ook bij.
    Maar er zijn duidelijk ook contra-indicaties. Als er initiatieven zijn, maar de bewoners en andere betrokkenen worden vergeten, kan er dan wel een goede afweging worden gemaakt? Of als er wel geld is voor iets nieuws, maar onvoldoende voor goed onderhoud in de jaren erna, begin er dan maar niet aan!

Aan dat laatste moet ik vaak denken bij een eerder op de grens van Groningen en Drenthe uitgevoerd grootschalig project Semslinie Kunstlijn. Minstens een van de opmerkelijke objecten van dit project, nabij Hoogezand, staat er nu totaal verloederd bij. Een schande voor de kunst, de ontwerper, het landschap en de politiek. Op die manier had hier nooit aan begonnen moeten worden en was een tijdelijke manifestatie of installatie veel beter geweest.
    Kortom, bij integratie van kunst en ruimtelijke ontwerpen zijn er veel plussen, maar ook minnen. Die moeten worden afgewogen. Wat het zwaarst telt, moet het zwaarst wegen.

De voorwaarden en de plek. De hoek van de kwelder bij Striep wordt door vogels én vogelaars goed gevonden. Bij vloed, als het land langzaam onderloopt zitten er altijd mensen te kijken. Een prachtige plek. Qua sfeer valt hier niets te verbeteren.
    Een van de vogelaars die zich tegen het plan van de Mondriaan-structuur uitsprak noemde het feit dat vogels zich vaak beschermen door de weidsheid te benutten. Ze kunnen predatoren zien aankomen. Inderdaad kunnen dieren zich beschermen door beschutting te zoeken of (bijvoorbeeld) door juist het schijnbaar omgekeerde, door het beste zicht te houden.
      Zo zegt men wel van Drieteenstrandlopers dat ze met het ene oog voedsel zoeken, met het andere in de lucht kunnen blijven kijken, om de slechtvalk tijdig te ontdekken. Dat zegt dus ook iets over de vorm van het vernieuwde land, met als vraag of de Mondriaan-structuur wel het beste is.

In de overwegingen moet toch een grote rol spelen of de kwelderversterking een publiekstrekker moet worden, zoals de initiatiefnemers die de lokale economie ermee willen versterken menen, of in de eerste plaats een natuurlijk geheel moet blijven vormen. Een natuurlijk geheel dat het land beter beschermt en rijke mogelijkheden voor vogels en andere dieren biedt en blijft bieden. Minstens op hetzelfde niveau als nu.

Misschien kan het hele plan, en met name de Mondriaan-vorm, gewoon op een andere, minder kwetsbare plek worden toegepast.
      Vooral moet er aan de dijk geen publiektrekker staan dat alle publiek concentreert op één punt, zoals een uitkijktoren doet. Komt er dan ook niet al spoedig een terras en ijscokraam bij? Die zijn welkom, maar toch niet op zo’n plek?
    En komen er dan ook zoemende drones om Mondriaan van bovenaf te herkennen, bewonderen en fotograferen? Moet je die vervolgens dan weer gaan verbieden? Een extra toekomstig conflict is zo bedacht.

Vogelaars zullen hier altijd komen. En als bij dijkjes met opmerkelijke vormen op een bordje te lezen staat dat Mondriaan hiertoe inspireerde, zullen genoeg mensen dat lezen. Maar dat kan verder geheel zonder pretpark.
    Het mooie van de huidige plek is dat het publiek nu gespreid wordt en er dus geen hekken en afzettingen nodig zijn. Dat moet bij de verbeterde en versterkte kwelder zo kunnen blijven.

Alles afwegend is het huidige plan niet optimaal voor vogels en het publiek. Dat weegt het zwaarst. Met die stelling wordt Mondriaan niet tekort gedaan. Het land hangt momenteel vol met Mondriaan-achtige afbeeldingen en zonneschermen. En aan de dijk, op een betere plaats of een andere manier, kan er vast wel meer mee worden gedaan.
    Blijft nog de kleine vraag over wat voor volk dit is dat inspiratie door kunst graag giet in hokjes, vakjes en paaltjes met een beoogd economisch effect. Was het zo bedoeld?













zondag 27 augustus 2017

Terschelling, een slak, Mondriaan? en veel vogels


Een zomerimpressie van de veelzijdige natuur van Terschelling. Een greep slechts, met een slak en verschillende vogels. Het is niet moeilijk in korte tijd op dit eiland veel te zien. Zie ook de leegte, het brede strand aan de westkant, de Noordsvaarder.
      Zoveel leegte, is er echt wat te zien?






Beginnen met een slakkengang. Nabij de Noordsvaarder staat een appelboom, zo te zien zoals vaker gegroeid uit een weggegooid klokhuis. Op het blad een mij nog onbekende soort slak. Bert Jansen schreef een mooie Veldgids over slakken en mossels. Hem ga ik vragen welke soort het is, want ik zie hem nog niet in de gids staan. Bolle laatste winding, verder nogal vlak, groen en wat doorschijnend, geen kiel, geen afgetekende gekleurde randen, weinig windingen.
      Als er een duidelijke uitslag is wordt die later toegevoegd. (Antwoord: zie onderaan.)






Veel vogels op het wad. Een geweldige plek is het restant van de kwelder bij Striep. Er ligt een initiatief om van deze kwelder een kunstwerk te maken. Denkend aan Mondriaan. Voor de natuur zou dan echter wel een onverantwoord risico worden genomen. Laat die vogels hier toch staan. Belangstelling genoeg, dat is nu goed in balans. Herstel van de kwelder is wellicht nodig, maar dit is geen plek voor wilde plannen.
    Mondriaan? Houdt ’ie van al die nattigheid?






Bij die vele vogels op vorig plaatje staan ook Rosse Grutto’s (Limosa lapponica). Op het strand zie je ze vaak foeragerend.
      Mooie vogel, in augustus massaal aanwezig.






Sommigen zien graag uit naar zeldzaamheden. Dan kijk je op www.waarneming.nl wat er zoal te zien valt de laatste dagen. Dat werkt op een eiland makkelijker dan op ‘de vaste wal’. En dus op naar De Kom bij West-Terschelling. Daar zwom inderdaad de Zwarte Zeekoet (Cepphus grylle). Hij schijnt dat al een geruime tijd te doen, sinds het voorjaar. Met dank aan de vogelaars die de waarnemingen dag in dag uit trouw melden.
      Het verenkleed laat zien dat het een jong dier is.






Met nog meer hulp werd ook een de zeldzame Kortteenleeuwerik (Calandrella rufescens) in de Terschellingerpolder gezien. Enkele Schylger vogelaars waren ter plekke, op de plaats van de laatste waarneming. Ze wezen de vogel aan. Zeer zeldzaam en op een blaadje gepresenteerd. Nou ja, blaadje, eerder gras. Het kleine dier zat wat verscholen in het nogal hoge gras. Kortteen? Hij lijkt ook korte poten te hebben.
    Is zeldzaam zijn wel zo leuk? Dit vogeltje dat wekenlang op ongeveer dezelfde plek vertoeft moet als hij vertrekt zijn soortgenoten maar terug zien te vinden. Zielige zeldzaamheid?
      Zoals zo vaak is zeldzaamheid ook eenzaamheid.







Helemaal niet zo zeldzaam misschien maar altijd weer een aardige ontmoeting, is met de Bontbekplevier (Charadrius hiaticula). Bij de al genoemde kwelder, buitendijks dus, bij Striep lopen altijd heel wat Bontbekken.
      En ze broeden op de Noordsvaarder, waar je ze ook makkelijk kunt zien.






En dit dan, is dat ook een Bontbekplevier? De vogel staat op de het Noordzeestrand, bij paal 8. Hij kijkt belangstellend, of misschien wel smekend om mee te mogen doen, naar een groepje Drietenen (Drieteenstrandloper, Calidris alba).
      Steeds als mensen naderen, uitgelaten door hun hond, vliegen de Drietenen naar links en op zee weer naar rechts, de apart staande vogel vliegt direct naar rechts en met een bocht gaat hij dan steeds weer bij de Drietenen zitten. Nou ja, niet zitten maar druk wippend zonder te foerageren gaat hij ernaast staan. Mooi beest, nogal brede witte nek, waardoor ik het niet precies meer weet. Ik denk even aan een Kleine Plevier (Charadrius dubius), die eigenlijk bij zoetwater hoort en niet op het strand. Dat toch niet.
      Per saldo houd ik het maar op een Bontbekplevier (tenzij het tegendeel blijkt). Maar hij viel wel op, afwijkend gedrag. En dat voor een soort die zich meestal niet zo opvallend gedraagt.







Levende vogels. Helaas zie je op het strand ook (meer dan) genoeg dode. Deze roofvogel lag bij paal 6.400 in de vloedlijn. Volledig afgekloven, misschien door de vissen of anders op strand door vooral de meeuwen.
      De ene poot ligt er wat vreemd bij. Inderdaad heb ik de ring eraf gehaald om het stranden van deze vogel te melden bij het Vogeltrekstation Arnhem. (Zie het naschrift onderaan.)






Maar leven genoeg. Wat te denken van deze Groenpootruiter (Tringa nebularia) die eten zoekend en daarvoor rondjes dravend gecoacht lijkt te worden door de Zwarte Kraai (Corvus corone)? De Kraai gunt je wel wat.






Kraaien laten nog meer sporen na. Misschien zie je ze even niet, maar ze zijn onlangs op het strand geweest. Kijk maar in het zand.








Bronnen:
Bert Jansen, Veldgids slakken en mossels, KNNV Uitgeverij, Zeist 2015.
Verder enkele vogelgidsen en www.waarneming.nl

Wat Mondriaan betreft: dit jaar uitgebreid gepresenteerd in het Gemeentemuseum Den Haag. Gewoon vanaf CS buslijn 24, die stopt voor de deur.



Naschrift over de dode roofvogel hierboven: het Vogeltrekstation meldt dat deze 86 dagen eerder geringd werd in de buurt van Bentveld. Het was een Buizerd.

Naschrift over de slak: vanaf de foto blijkt een 100% zekere determinatie niet te geven. Je moet het dus maar doen met de foto, zonder verdere conclusie.











woensdag 9 augustus 2017

Alexis de Tocqueville - Kritiek van de gelijkheid



‘Ik zie dat het goede en het slechte tamelijk gelijkmatig zijn verdeeld in de wereld. De grote rijkdommen verdwijnen; het aantal kleine fortuinen neemt toe; verlangens en genoegens vermenigvuldigen zich; er is geen buitengewone welvaart meer en evenmin onherstelbare schade. Ambitie is een universeel gevoel, er zijn weinig grote ambities. Ieder individu is geïsoleerd en zwak; de samenleving is beweeglijk, vooruitziend en sterk; individuen doen kleine dingen en de staat reusachtige.’

Alexis de Tocqueville, Over de democratie in Amerika


Van denkers en wetenschappers in andere tradities dan de jouwe en die wellicht ook heel andere maatschappelijke doelen nastreven valt nochtans veel te leren. Een goed voorbeeld van een vroege socioloog, massapsycholoog en politicus die in het uiterste dóórdenken van consequenties van nieuwe ontwikkelingen zich ‘als een ware Hegel’ toont – al is zijn achtergrond een heel andere – is Alexis de Tocqueville (1805-1859).

Is de nieuwe democratie van zijn tijd waarin alle burgers geacht worden gelijk te zijn en gelijke rechten te hebben in de praktijk een zegen? Er valt veel meer over te zeggen dan dat dit een goede of slechte ontwikkeling zonder meer is.

Het is positief en heel kritisch tegelijk. De Amerikaanse democratie is de maatschappij van de toekomst, krachtig en zij voldoet aan het eerlijke ideaal van de gelijkheid van iedere burger. Als deze motor die eenmaal loopt zet die beweging echter zo krachtig door, dat het onderscheid en de sociale samenhang worden uitgeschakeld. Tendentieel. Tocqueville is een meester in het ontdekken van tendensen en verdergaande gevolgen. De ontwikkeling van de democratie is niet mooi, maar tegelijk weer wel: ‘Gelijkheid is wellicht minder verheven, maar zij is rechtvaardiger en die rechtvaardigheid maakt haar groots en schoon.’ (p. 761)

Scherpe observaties, het gaat om veel meer dan ideologie wat Tocqueville biedt. Hij is aristocraat, scherp waarnemer, een vroege empirisch ingestelde socioloog en geldt als een van de belangrijkste grondleggers van het liberalisme. Hij is van na de Franse revolutie, maar deze echoot door in zijn hele werk, uitmondend in de Herinneringen van de grote revolutie van zijn eigen tijd, die van 1848, die hij heel direct meemaakt.
      De nieuwe machtsverhoudingen hebben enorme gevolgen. Tocquevilles hoofdwerk betreft uitgebreide observaties en reflecties over deze nieuwe verhoudingen, zoals deze zich ontplooien in de Verenigde Staten van Amerika.

Tocqueville vermoedt dat de nieuwe democratie waarin gelijkheid, dat wil zeggen gelijke rechten én hun gelijkmakende, nivellerende consequenties, veel blootlegt van de toekomstige ontwikkelingen elders, zoals met name te verwachten is in Europa.
      Tocquevilles omvangrijke Over de democratie in Amerika (1835, boek II in 1840) over dit thema is heel leesbaar. Het is geschreven in korte stukken, bijna als vroege weblogs of columns. Deze stukken zijn sprekend, veelal logisch, soms in de fragmentatie ook tegenstrijdig, maar de rode draad van ‘de kwestie gelijkheid’ komt steeds weer terug.
    Tocqueville laat scherp zien dat van de trits ‘Vrijheid, gelijkheid en broederschap’, vooral de gelijkheid ertoe doet. De breed besproken consequenties van vrijheid en gelijkheid liggen in het democratische Amerika – politiek nog in opbouw – in hoge mate in elkaars verlengde. De broederschap, zeg maar de solidariteit, lijdt hier onder. Ook dat laat Tocqueville genadeloos zien. Liberaal oké, maar in dit opzicht is hij, zeker analytisch, voor zijn tijd uitzonderlijk scherp, kritisch of zelfs visionair.

Opmerkelijk in Over de democratie in Amerika is de objectieve toon. Tocqueville toont als ware medegrondlegger van de sociologie ‘hoe het is’ of ‘hoe het waarschijnlijk wordt’, meestal meer dan instemming of afkeuring uit te spreken. Ook tegenstrijdigheden worden doorgeëxerceerd, zonder eenvoudige oplossingen te suggereren. Dan blijft soms dus de tegenspraak gewoon staan. Daardoor worden – en daarin is dit een groots werk – de consequenties alleen maar duidelijker.
      Hiermee is Tocquevilles inbreng in de liberale ideologie minstens zo interessant als die van moreel-economische en politieke denkers als John Locke. De laatste legitimeert de verandering, zoals het ompalen van de gemene gronden door de aristocraten, waarmee de Britse klassenmaatschappij haar tegenstellingen verscherpt, inclusief de vergroting van de armoede en de uitbuiting van de boeren. Tocqueville hoedt zich ervoor veel te legitimeren, hij houdt afstand, althans in dit boek. Hij is positief, maar toont ook bedenkingen, bezorgdheid zelfs. Genoemd boek is dus geen strijdschrift, maar eerder een grondslag voor een kritische liberale visie op gelijkheid. Locke legitimeert, waar Tocqueville eerder problematiseert.

In de Amerikaanse democratie die zich in Tocquevilles tijd ontwikkelt staat gelijkheid centraal. Met grote gevolgen. De genoemde keerzijden liggen in de consequenties van de gelijkheid. Zoals de in gang gezette individualisering – een van de moderne termen die ontstaat in Tocquevilles werk – waardoor de burger angstig in het grote gebeuren, zich veilig, comfortabel, maar ook conformistisch terugtrekt in zijn gezin.
      Grote wereldbestormende idealen bestaan nauwelijks meer, zeker niet openlijk. Ze worden vervangen door de kleine veiligheid en het najagen van eigen gewin en materiële goederen. Positief en niet-positief tegelijk. Beide aspecten worden helder blootgelegd.

Dat er ook gevolgen zijn die niet goed in de consequenties van de gelijkheid passen, zoals dat er groepen buiten deze ontwikkeling vallen, bijvoorbeeld de arme immigrant, vluchteling, neger en arbeider, valt opmerkelijk buiten het beeld van het verhaal. Dat wordt niet als een kernpunt gezien, zoals ook de consequenties van de hele economische ontwikkeling maar in beperkte mate worden gezien.
      Maar het valt niet helemaal buiten beeld. Tocqueville ziet de solidariteit van groepen en klassen verminderen, zelfs vervallen: ‘Wanneer de standen gelijk worden na een langdurige strijd tussen de verschillende klassen waaruit de oude samenleving bestond, maken afgunst, haat en minachting voor de buurman, hoogmoed en overdreven zelfvertrouwen zich als het ware meester van het menselijk hart en heersen er enige tijd. Los van de gelijkheid, draagt dit er in ruime mate toe bij dat de mensen verdeeld raken, dat zij elkaars oordelen wantrouwen en de verlichting alleen in zichzelf zoeken.’ (p. 448)

Tocqueville waagt zich soms aan vergaande generalisaties, op basis van een causale logica. Hoe denkt of doet men en waar leidt dit toe? Zo stelt hij dat er nooit vrije samenlevingen zijn geweest zonder zeden, en dat deze gemaakt worden door de vrouw. (p. 635) Boeiend is dan dat hij vervolgens meent dat de Amerikanen om verschillende redenen proberen het vertrouwen in de eigen kracht van vrouwen te vergroten. Misschien iets te mooi, te generaliserend, zelfs wat naïef, maar ook visionair.
    Inhoudelijk vooruitlopend op Marx’ basis-bovenbouwthese, ziet Tocqueville dat een sociaal stelsel manieren van denken en ethiek afdwingt, in dit geval vooral door de gelijkheidsideologie. Dat omstandigheden bewustzijnsvormen bepalen, is abstract bezien misschien al een algemeen aanvaard inzicht, de indringendheid van een dergelijke interactie en het geheel doorexerceren van de consequenties vormen een kwaliteit waarin Tocqueville uitblinkt.
    Het is meer dan alleen een observatie, het is ook Tocquevilles eigen manier van denken. Steeds kijken, als dit of dat zo is, wat zijn de consequenties, wat kun je dan op termijn verwachten? Daarmee denkt hij historisch, in ontwikkelingen, in die zin dialectisch. Het gaat niet om stellingen, maar om de werking van verbanden, dus interacties en bewegingen. Dat maakt zijn werk nog altijd leerrijk. Dat gelijkheid, een belangrijke waarde, zoveel impliceert, de werking ervan dus doorgeëxerceerd moet worden, en dan ook voor de Europese landen veel over de toekomst zegt, is scherp gezien.
      Het is gedifferentieerd, de verschillen worden zichtbaar, het is geen dialectiek die per se tot één einde leidt, maar is open én met impact. Tocqueville zegt dat zelf, als hij eindigt met een laatste blik op de ‘uiteenlopende trekken die het aangezicht van de nieuwe wereld markeren.’ (p. 760) Markeren, dus ook hier feitelijk, het is de analyse over de algemene, verstrekkende invloed die de gelijkheid uitoefent op de mensen.

Tocquevilles niet altijd zichtbare ideologische drijfveer betekent niet dat hij nooit de door hem gewenste richting uitspreekt. Wel laat hij soms, wanneer verschillende aspecten leiden tot tegenstrijdige consequenties, zoals het delen van macht én het individueel terugtrekken op het bastion van het eigen gezin, die tegenspraken soms gewoon zien en gewoon ‘bestaan’, zonder aan te geven hoe deze opgeheven zouden kunnen worden. Ook niet hoe deze helemaal vermeden kunnen worden, welke concrete inspanning daarvoor vereist is. Een wenselijke richting geeft hij wel aan, als het gaat om het feit dat gelijkheid leidt tot egoïsme en dat deze ook een vrijheid inhoudt, die juist door dat egoïsme te groot kan worden en er dan een beperking of beteugeling nodig is. Dan wordt een spanningsveld zichtbaar gemaakt, zonder tot directe voorstellen te komen om die op te lossen.
      Tocquevilles werk is in historische zin dialectisch. Toch bekruipt bij lezing soms het gevoel dat hij ‘De Amerikanen’ als gelijk ziet, en verschillen en maatschappelijke tegenstellingen daardoor onbelicht blijven. De grote economische tegenstellingen missen, terwijl die in het opkomende industriële Amerika ook leiden tot strijd voor een gereguleerde arbeidstijd. Weliswaar is daar zo’n vijftig jaar later duidelijker sprake van, maar anderzijds is Tocquevilles blik vooruit gericht, en herkent hij de doorwerking van gelijkheid als waarde en als positie vaak treffend. Wat dat betreft is de historische exercitie onaf, als het gaat om de gevolgen van de nieuwe industriële samenleving, waarvan de contouren in de tijd van Tocqueville al zichtbaar werden.

Tocqueville levert een vroege kritiek op consumentisme als uiting van gelijkheid. Als ‘alles’ gelijk wordt, worden verschillen én mogelijk risicovolle maar interessante initiatieven uitgebannen. Gelijkheid brengt aldus een risico van vergaande nivellering met zich mee. En dat kan leiden tot sociale entropie, tot stilstand waar beweging nodig is, maar waar de uitdaging daartoe te zwak wordt.
    Hij schrijft onder meer: ‘Wanneer ik zie dat het eigendom zo mobiel wordt en de liefde voor eigendom zo rusteloos en zo vurig, moet ik wel vrezen dat de mensen het punt bereiken waarop zij elke nieuwe theorie als een gevaar beschouwen, elke vernieuwing als een hinderlijke verstoring van de rust, elke sociale vooruitgang als een eerste stap op de weg naar revolutie, en dat zij ten enenmale zullen weigeren nog te bewegen uit angst dat men hen meesleurt. Ik huiver, ik geef het toe, bij de gedachte dat zij zich ten slotte zozeer laten domineren door een laffe voorkeur voor de genietingen van het moment, dat zij het belang van hun eigen toekomst en dat van hun nakomelingen uit het oog zullen verliezen en dat zij hun lot liever gelaten zullen aanvaarden dan in geval van nood plotseling en energiek in het geweer te komen om het lot te keren.’ (p. 696)

Democratisering? ‘Kritiek van de gelijkheid’, dat is de kern. Tocquevilles conclusies zijn als het om verdere humane emancipatie gaat ten slotte niet echt vrolijk: ‘Ik laat mijn blik dwalen over deze onmetelijke massa die bestaat uit eendere wezens, waar niets zich verheft en niets zich verlaagt. Het schouwspel van deze universele eenvormigheid stemt mij droef en doet me verstijven, en ik ben geneigd de samenleving die niet meer is te betreuren.’ (p. 761)
      Eén en al maaiveld, geen kop er bovenuit. Tocqueville laat zien dat het gelijkheidsbeginsel in de praktijk tot een totaal egalitarisme, een volledige nivellering kan leiden. Men kan hem wel beschouwen als liberaal grondlegger al blijkt hier ook nog zijn aristocratische blik, het is wel liberalisme met een flinke vlek. Vrijheid wordt onder dit egalitaire bestaan ook slechts een formele positie, zij het ingevuld met een betrekkelijke welvaart waarin elke massamens aan zijn ingeperkte trekken komt.
      Het is in veel opzichten echter een vooruitziende blik, die niet onderdoet voor de veel latere kritiek op het consumentisme door Ortega y Gasset of Herbert Marcuse. De Facebook-gelijkheid en de ongedifferentieerde gedifferentieerdheid van het heden waren toen nog onvermoed, de consequenties minstens zo zwart neergezet. Niet voor niets komen thema’s als cultuur, en persoonlijke ontplooiing en ontwikkeling nauwelijks aan bod in Over de democratie in Amerika.
      Toch is hij de socioloog en historicus. Hij ziet het vrijwel onvermijdelijke in de ontwikkeling van de democratie. Na de Franse revolutie waren immers weliswaar de grootste revolutionaire scherpslijpers van het politieke toneel verwijderd, de handelingsvrijheid en toegenomen macht van de burgers waren niet weg. En daarmee was ook de gelijkheidstendens niet verdwenen.

De te verwachten universele nivellering die – tautologisch welhaast – ontstaat uit een consequente toepassing van de idee van vrijheid als gelijkheid, is enorm. Het beschreven proces is duidelijk en komt in veel formuleringen terug. Het unieke nieuwe Amerika van zijn tijd biedt de kans om dit in een soort laboratoriumsituatie te bekijken. In feite speelt hier ongeveer hetzelfde als in de natuurkundige ‘wet’ van toename van entropie. Naarmate de verschillen afnemen, neemt ook de motor af waarmee deze verschillen veranderingen en hernieuwd onderscheid genereren.
      De energie wordt als het ware gespreid, verliest haar richting en daarmee haar kracht. Er zijn geen aristocraten met een unieke inbreng meer, maar een massa die zich er vooral nog om bekommert eigen bezit, enig aanzien en het verkregen kleine deel van de macht niet kwijt te raken. Mensen zijn niet helemaal gelijk, maar die resterende ongelijkheid lijkt nog slechts in de beperkte sfeer aanwezig. En die wordt door de algehele gelijkheid gegarandeerd, ook al door een soort ‘onzichtbare hand’.

Tocqueville noemt tal van treffende concrete situaties en werkingen. Heel knap is de vooruitziende blik met betrekking tot de massamedia en de publieke opinie. Deze zijn een werking van de verdeelde en uitgesmeerde macht. Ze vervullen niet de rol een onafhankelijke visie of ontwikkeling op gang te brengen, maar posities te handhaven of zelfs te versterken. Tocqueville: ‘Naarmate de burgers gelijker en eender worden, wordt de neiging van eenieder om een bepaalde man of klasse te geloven, kleiner. De bereidheid om de massa te geloven neemt toe en de wereld zal steeds meer door de opinie worden geleid. De publieke opinie is niet enkel de enige gids die de individuele rede rest bij democratische volken, maar zij heeft bij die volken een oneindig veel grotere invloed dan bij elk ander. In tijden van gelijkheid hebben mensen geen enkel vertrouwen in elkaar vanwege hun onderlinge gelijkenis, maar diezelfde gelijkenis geeft hun een vrijwel onbeperkt vertrouwen in het oordeel van het publiek; zij achten het namelijk onwaarschijnlijk dat, daar zij allen even verlicht zijn, de waarheid niet bij het grootste aantal te vinden zou zijn.’ (p. 452)
      Hij presenteert hier een mooi niet bestaand woord: ‘gelijker’. Dat kan immers niet? Even mooi: ‘tijden van gelijkheid’. Het duurt kennelijk niet eeuwig?

Wanneer de nivellerende werking doorzet voorziet Tocqueville huiveringwekkende gevolgen. Dan blijft er inderdaad ‘een laffe voorkeur van genietingen’ over, zoals hij schrijft. Dat is totale passiviteit. Een verlicht liberalisme dat de opheffing van de onmondigheid van de burger nastreeft kan hier dus voorzien dat zijn gelijkheidsideaal zijn hand totaal overspeelt en eindigt in apathie, in leegte. Het heeft ongetwijfeld te maken met een formele, inhoudsloze benadering van vrijheid en gelijkheid. Het is de schuld niet van Tocqueville, het is zijn verdienste de consequenties van de negatieve dialectiek zo meedogenloos te schetsen in meerdere passages van zijn werk.
      Gelijkheid heeft dus bij de bevolking een totale nivellerende werking. De aristocratie en de verschillen in rijk en arm, in grote en kleine ambities, het valt als het ware allemaal stil. ‘Mensen die gelijk zijn qua rechten, onderwijs en fortuin, kortom in gelijke stand leven, hebben noodzakelijkerwijs behoeften, gewoonten en voorkeuren die weinig van elkaar verschillen. Omdat zij de dingen vanuit dezelfde gezichtshoek bekijken, neigt hun geest van nature naar min of meer gelijksoortige ideeën, en hoewel eenieder zich van zijn tijdgenoten kan afzonderen en zijn eigen meningen kan vormen, komen zij ten slotte, zonder het te weten en zonder het te willen, tot een bepaald aantal gemeenschappelijke opvattingen.’ (p. 691) Een soort wet van de tendentiële daling van de activiteit, ontstaan door ongelijkheid, met als eindresultaat de dood van de burgerlijke gelijkheid, een grauwe passiviteit.

Over de democratie in Amerika kan ook gelezen worden als een kritiek op narcistisch gecamoufleerde onverschilligheid. Het individu staat zwak en is geïsoleerd.  (Zie het motto bovenaan, p. 760) Het heeft zijn kleine ambitie, maar het kan niet anders dan dat die wel moet worden uitvergroot en in de massa gepresenteerd. De democratische burger moet laten zien dat hij er helemaal bij hoort als hij zijn veilige thuis verlaat. Anders toon je de gelijkheid, je eigen gelijk binnen de grote gelijkheid immers niet.
      De mensen zijn hoe dan ook vooral met zichzelf en de schijn daarvan bezig in deze groei van gelijkheid: ‘Ik wil mij inbeelden met welke nieuwe trekken het despotisme zich in de wereld zou kunnen voordoen: ik zie een ontelbare massa eendere en gelijke mensen die voortdurend met zichzelf bezig zijn om zich kleine en platvloerse genoegens te verschaffen waarmee zij hun ziel vullen. Elk van hen afzonderlijk staat als een vreemdeling tegenover het lot van alle anderen; zijn kinderen en zijn vrienden vormen voor hem het hele mensdom; wat de rest van zijn medeburgers betreft: hij staat naast hen, maar ziet hen niet; hij raakt ze aan, maar voelt ze niet; hij bestaat slechts in en voor zichzelf en, zo hij al familie heeft, kan men in ieder geval zeggen dat hij geen vaderland meer heeft.’ (p. 748)

In deze democratische situatie van louter gelijkheid en formele vrijheid moet ieder dus zichzelf zien te redden. Dan staat die gelijkheid niet op goede voet met een verwezenlijkte vrijheid, want die staat los van alles. En dat, tegenstrijdig, kan weer niet, want ieder moet meedoen, je bent immers gelijk aan anderen die ook mee moeten doen. Uiterste eenzaamheid van het individualisme als maatschappelijk risico.
      Tocqueville zegt niet dat mensen niet verantwoordelijk zijn voor hun eigen situatie, maar zeker ook niet dat hij blij is met alle consequenties van gelijkheid en dat ieder op dezelfde wijze voor zichzelf zou moeten zorgen. In dat opzicht is een lering uit Tocquevilles werk dat een nuance nodig is bij het thema of pleidooi over gelijkheid, gelijkwaardigheid en gelijke rechten, met een concretisering van de inhoudelijke mogelijkheden en de valkuilen hiervan.

Tocqueville wijst erop dat grote vrijheid en gelijkheid vragen om een structuur van de macht: ‘Het is zowel noodzakelijk als wenselijk dat de centrale macht die een democratisch volk leidt, actief en machtig is. Zij moet niet zwak of lusteloos worden gemaakt; men moet haar alleen beletten haar behendigheid en kracht te misbruiken.’ (p. 753) Dit idee vormt in feite hier een centraal punt: hoe verhouden staat en vrijheid zich, met als doelstelling een zo hoog mogelijk ontwikkelde vrijheid, die samen gaat met een actieve houding. En dat laatste is iets anders dan een formele vrijheid ten opzichte van een bepaald ‘punt’, een bepaalde kwestie.
      Tocqueville draagt dus bij aan een visie over staat en vrijheid, juist door zijn ‘Kritiek van de gelijkheid’. Zijn uitspraak over de noodzaak van centrale macht roept discussie op. Natuurlijk is misbruik nooit de doelstelling, maar daarmee is de vraag nog niet beantwoord hoever de noodzakelijke centrale macht moet strekken.

Vrijheid wordt gerealiseerd op een speelveld, in een kader. Meer en meer wordt duidelijk dat dit kader ontwikkeld moet worden, om ook een sterkere, meer veelzijdige en gedifferentieerde vrijheid te realiseren. Ook hierover zegt Tocqueville iets: ‘De Voorzienigheid heeft het mensdom noch geheel en al onafhankelijk noch volledig slaafs geschapen. Zij heeft wel degelijk rond elke mens een fatale kring getrokken waaruit hij niet kan ontsnappen, maar binnen zijn ruim getrokken grenzen is de mens machtig en vrij, net zoals volken dat zijn.’ (p. 763)
      Heel mooi, een kader, een ‘fatale kring’. Maar is dit wel de juiste kwalificatie, heeft de kring slechts eenmaal getrokken grenzen? Is het noodzakelijk een blind proces, of laat juist Tocqueville ook zien dat zijn sociologie mede de ogen kan openen zodat we het speelveld kennen, en het misschien zelfs nog kunnen veranderen?

Er bestaat een antithese tussen een totale gelijkheid en een totale vrijheid. Democratie is een doel, maar heeft in zich door te schieten, waardoor een grote gelijkheid ontstaat, die volledig individualiseert en interesse doet afnemen, waardoor vervolgens een nieuwe ongelijkheid mogelijk is, maar dan in een sterk geïndividualiseerde, geïsoleerde positie. Een betrokkenheid kan ‘over de top’ gaan, dan ontstaat verval, die kan eindigen in een grote leegte.
      Tocquevilles idee dat grote vrijheid en gelijkheid vragen om een structuur van de macht is daarom terecht. Democratie als doel moet veel meer zijn of worden dan een formeel model. Gelijkheid die vastpint in nieuwe geïndividualiseerde ongelijkheid of achteruitgang is een antithetisch, maar destructief moment in de vooruitgang. Het resultaat zal zijn een maatschappelijk verval, vervolgens een zucht naar het verleden, misplaatste nostalgie met mogelijk sterke negatieve, asociale bijverschijnselen, zoals angst, haat en narcisme.
      De kritiek op een narcistisch gecamoufleerde onverschilligheid is een aanval op een overdreven, door willekeurige nuances toegedekt neutralisme. Extreme gelijkheid leidt tot overmatig individualisme, tot vormen van vervreemding.





Bronnen:
- Alexis de Tocqueville, Over de democratie in Amerika, 3e druk, Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam 2012. Het motto bovenaan is ontleend aan pagina 760.
- Alexis de Tocqueville, Herinneringen aan de omwenteling van 1848 (geschreven in 1850), Uitgeverij Van Gennep, Amsterdam 2012.

















dinsdag 8 augustus 2017

Marx over stiekeme Britse dienstbaarheid aan de Russische tsaar



‘De vlugschriften die we hebben herdrukt, stemmen niet overeen met de gewone bedrieglijke publicaties van latere historici. De vlugschriften stellen Engeland nadrukkelijk aan de kaak als het machtigste instrument van Rusland.’
Karl Marx, 1850


Kritische onderzoeksjournalistiek is een goede zaak. Doorgraven tot de echte feiten op tafel komen, zo nodig tegen alle gesjoemel met de waarheid en framing in. Nu zowel de mondiale economische situatie als de zo langzamerhand breed erkende klimaatcrisis voor de langere termijn enorme onzekerheden oproept, neemt de ouderwetse machtspolitiek met alle gekonkel én de bewapening toe.
      De wereld is vol risico´s. Moeten die bestreden worden door samenwerking en openheid of door vooral de eigen positie te versterken? Vooral het laatste lijkt meer en meer de inzet te worden, een enorme politieke terugval: in de VS met Trump, Rusland met Poetin, de EG waarin bewapeningsscenario’s vaker naar voren komen, en zie de vele vergelijkbare ontwikkelingen in alle werelddelen.

Kijkend naar alle gedoe over de nieuwe Amerikaanse sancties, de Russische reactie, of net zo goed het omgekeerde verhaal van de schuld die de Russen bij het westen leggen als het om het verval van het voorheen nog zo machtige Rusland gaat, zien we alle mogelijke manipulaties weer optreden. Inclusief diplomatieke reacties op de veranderingen waarin staten nieuwe machtsposities zoeken en trachten te versterken. En ja, juist daarom is de onderzoeksjournalistiek zo’n goede zaak.
      Openheid en democratie versus repressie en geheimzinnigheid. Een strijd die nog lang zal duren, tegen de achtergrond van een enorm dreigend verlies aan leefruimte, grondstoffen, veiligheid en voeding in een overvolle wereld.

In de strijd voor openheid en de rechten van de volkeren tegenover stiekeme politiek en onderdrukking kan ook Karl Marx worden genoemd. Een minder bekend geschrift uit 1850, met als titel ‘Geheime diplomatie in de achttiende eeuw’, legt bloot hoe brute machtspolitiek vaak samengaat met geraffineerd en stiekem opereren op de achtergrond.

Centraal in deze tekst staat de opkomst van Rusland, de politieke rol hierin van Iwan de Grote (1440-1505) en daarna van vooral Peter de Grote (1672-1725).
    Het tweede wat even centraal staat is de rol van de Engeland bij de overwinningen van Peter de Grote op Zweden. Zweden, dat in het Oostzee-gebied een overwegende machtspositie had, die in jarenlange strijd door de Russen wordt overgenomen. De Engelse koning William (‘onze’ Willem III) had in 1700 een grondig en uitgebreid defensieverdrag met de Zweedse koning Karel XII gesloten, volgens welke ze stevig voor elkaars belangen zouden opkomen.
      Dit verdrag gaat – op papier althans! – zover dat aan eind nadrukkelijk nog eens de goede bedoelingen worden genoemd, dat in alle ernst alle afspraken zullen worden nagekomen. (zie pp. 118-119)

Marx nu publiceert enkele brieven van diplomaten en enkele politieke pamfletten uit de achttiende eeuw die aantonen dat van achter de schermen het voorheen machtige Zweden totaal wordt verraden door Engeland. Een groep van Britse oligarchen meent dat het een handelsvoordeel voor hen is dat Zweden als dominerende gewapende macht van het Oostzee-toneel verdwijnt en dat de tsaar die bezig is Petersburg tot nieuwe hoofdstad van zijn rijk te maken die Zweedse rol moet overnemen.
    Dit kort gezegd, slechts enkele hoofdpunten, met leze het boek. De brieven en pamfletten spreken boekdelen. Daarbij geeft Marx een historisch overzicht van de talloze oorlogen in deze tijd, waarin de macht in Europa en het Midden-Oosten werd herschikt. Maar hij laat door de publicatie van de brieven en pamfletten de conclusie van de documenten ook aan de lezer zelf over.
      De feitelijk rol van de Engelsen is een totaal andere dan waar in het openbaar over wordt gesproken. De Britten helpen de Russen te bewapenen en klaar te maken voor de voor die tijd moderne oorlogsvoering. Het lijkt misschien dat Engeland in de oorlogen rondom de Oostzee geen sterke actieve rol speelt, maar dat is de schijn die bedriegt.

Marx geeft in een korte analyse aan dat het feitelijk economisch voordeel van de Engelsen, namelijk een sterkere en omvangrijke handel met het nieuwe grote en nu ook meer Europese Rusland, een fictie is. En dat nog jaren zou blijven.
      Vooral laat hij ook zien hoe binnen de natie, in dit geval Groot-Brittannië, belangengroepen een bepaalde koers kunnen bepalen die helemaal niet in het voordeel van het land als geheel hoeft te zijn.

Over de Russische mentaliteit, expansiedrift en het tegen elkaar uitspelen van verschillende heersers en belangen doet Marx treffende uitspraken: ‘Peter de Grote is inderdaad de uitvinder van de moderne Russische politiek, maar hij kon dat alleen bereiken door de oude Moskovische inpiktactiek van haar zuiver plaatselijke karakter en toevallige bijkomstigheden te ontdoen, door die politiek tot een abstracte formule te destilleren, door het doel te generaliseren en het algemene oogmerk te verheffen van het doorbreken van bepaalde gestelde machtsgrenzen tot het streven naar onbeperkte macht.’ (p. 134)

Uit benepen en ook nog slecht begrepen eigenbelang een nieuwe heerser helpen en hem dienen heeft een prijs, vaak veel hoger dan die van de materiële kosten alleen. In de nu geopenbaarde brieven leest Marx door de geheimzinnigheid die de Engelsen ten toon spreiden in feite een politieke onderworpenheid: ‘Al die brieven zijn ‘vertrouwelijk’, ‘persoonlijk’, ‘zeer geheim’, maar ondanks hun geheimdoenerigheid en vertrouwelijkheid praten die Engelse staatslieden onder elkaar over Rusland en haar heersers en heerseressen op een toon van vol eerbiedige terughoudendheid, stuitende serviliteit en cynische onderworpenheid, …’ (p. 65)

Het is een leerzaam verhaal. Onder de druk van de grote maatschappelijke veranderingen krijgt brute machtspolitiek een kans. Niet naïef zijn, is Marx’ waarschuwing hier, wat ook de boodschap is van de kritische pamfletten uit de achttiende eeuw.
      De onthullingen en Marx’ commentaar passen bij zijn kritiek op het Russische barbarisme en onderdrukking van Polen, en op het Britse imperialisme, dat zo nodig van slinkse methoden gebruikt maakt. Belangengroepen van dat imperialisme denken hun eigen belang te dienen, terwijl het eerder leidt tot verzwakking van de West-Europese landen als geheel en het Engeland in het bijzonder nauwelijks tot voordeel strekt.
      Over de rol van Groot-Brittannië  is in Marx’ werk veel te lezen.

Marx richt zich aangaande Rusland zeker ook op de toekomst: ‘Is het niet opmerkelijk wat een geraffineerde moeiten Moskovië en ook het moderne Rusland zich altijd getroost hebben om republieken te kunnen liquideren?’ (p. 131) Daarbij gebruiken de Russische heersers de steun van de Russisch-orthodoxe kerk, om de pracht en praal van de macht van een heilig aureool te voorzien. Marx noemt ‘de Griekse geloofsbelijdenis (…) een van de ‘krachtigste wapenen’.
    Boeiend en dialectisch is Marx’ karakterisering van Petersburg als bemiddeling van de voorgenomen verandering van Peter de Grote, de opening naar West-Europa en het aanknopen van vele betrekking aldaar, op basis van een Russische suprematie over de naburige staten in het Oostzee-gebied. (pp. 138-139)

Marx’ doel van de onthullingen is ongetwijfeld onder meer de ontmaskering van politiek gesjoemel uit vermeend eigenbelang, haaks op de belangen van kleinere landen en hun bevolking.
      In wezen, inhoudelijk, is het ook een appèl op de politiek tot integriteit. Dit is nog steeds een hoge opgave, zeker bij complexe verhoudingen en (vermeend) strijdige belangen. De politiek anno 2017 heeft veel trekken van de hier beschreven oude politiek. De kunst is echter het niet alleen bij onthullingen te laten en openheid te eisen, maar ook te laten zien hoe het anders kan.
      Marx geschrift uit 1850 verscheen vrij kort na zijn ‘Communistisch manifest’, waarin hij een duidelijke opgave stelt. Een dergelijke opdracht bestaat ook nu, wanneer de politiek reactionaire trekken aanneemt met alle bijbehorende machtsspelletjes en onderdrukking, die slechts in verdere ellende resulteren. Hedendaags gekonkel en 18e eeuws gedoe: ze leiden alleen maar tot meer strijd en geweld.








De tekst ‘Geheime diplomatie in de achttiende eeuw’, staat niet in de Werke van Karl Marx en Friedrich Engels, de bekende blauwe banden. Wel zal deze uiteraard opgenomen zijn of worden in de nieuwe MEGA, de Marx/Engels Gesamtausgabe. Daarin worden alle teksten en fragmenten van Marx en Engels gepubliceerd.
      Er bestaat wel een Nederlandse vertaling van deze tekst, uitgegeven bij uitgeverij Servire, Katwijk 1983. Deze is nog makkelijk antiquarisch verkrijgbaar. Zie bijvoorbeeld op de website Boekwinkeltjes.nl.
      Het motto bovenaan deze blog vind je op pagina 141.







Karl Marx












donderdag 3 augustus 2017

Spinoza ontmoeten bij Clarice Lispector


Als liefhebber van Portugese en Braziliaanse literatuur ben ik ongetwijfeld geen uitzondering momenteel werk van Clarice Lispector (1920-1977) te lezen. Hoe kan iemand die zó schrijft zo weinig bekend zijn, vraag ik me af. Dat slaat dan natuurlijk ook weer op mezelf.

In het vorig jaar verschenen ‘De ontdekking van de wereld’, een lange reeks kronieken, column-achtige korte en langere teksten, staat het volgende. Het is kort, slechts een fragment van een groter geheel? Of juist kort omdat het zo al veel zegt?

‘Het is determinisme, jawel, maar als je je eigen determinisme volgt ben je vrij. Gevangen zou je zijn als je een bestemming najoeg die niet de jouwe is. Er schuilt veel vrijheid in het hebben van een bestemming. Dat is onze vrije wil.’

Dit is Spinoza, de ‘Ethica’. Lispector schrijft in haar kronieken meestal niet of een bepaald iemand haar inspireerde. Maar wat zeker is, gezien de krachtige formulering, is dat ze alles zelf overweegt en schrijft.
    Heel bijzonder, zo treffend. De vaak nogal platte discussie of er ‘een vrije wil’ bestaat wordt ver overtroffen. Dat je je eigen reële bestemming moet overdenken en zo je eigen richting moet bepalen geeft genoeg te denken. De neurologische vraag of er dan ook nog ‘ergens’ een vrije wil zit doet er aldus helemaal niet toe.




Bron van het citaat: Clarice Lispector, De ontdekking van de wereld, Kronieken, Gekozen, uit het Portugees vertaald en van een nawoord voorzien door Harrie Lemmens, Privé-Domein nr. 286, Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, Antwerpen 2016, p. 127.















woensdag 2 augustus 2017

De ware volksaard van de populist?


Die bestaat niet. Over populistische opvattingen en gedrag valt veel te zeggen. Mede daarom werd vorige week bij het vertrek van honderdduizenden Nederlanders naar hun vakantiebestemming aan hen door onder meer De Volkskrant (24 juli) huiswerk meegegeven. Dit huiswerk is het vormen van een mening over de stelling ‘Nederlander beperkt vatbaar voor populisme.’ Bedoeld wordt dat ‘de Nederlander’ voor populisme beperkter vatbaar is dan de Fransen en de Engelsen. Het gaat dan niet om griep, maar om een politiek standpunt.
      Genoemd huiswerk om een mening te vormen kan gedaan worden op een terras in het warme Frankrijk of in een pub in het natte Engeland. Daar kan de reiziger vaststellen of de stelling klopt. Het kan ook als activerend onderzoek waarbij je nader in gesprek gaat met andere Europeanen over het thema populisme.

Het huiswerk zal moeilijker blijken dan het lijkt. Het onderzoeksbureau ‘Kantar Public’ dat het onderzoek deed waar de media op 24 juli mee aankwamen, heeft een paar vrij eenvoudige vragen bedacht, maar of dat voldoende is? Dan kan de vakantieganger als hij echt in gesprek raakt met de buitenlander er verdere vragen en nuances bij zoeken.
    Wat echter nog meer intrigeert is de vraag waarom men zo graag antwoorden op vragen wil hebben die bij voorbaat van alles en nog wat sterk generaliseren, en die leiden tot essentialistische en daarmee vaak dubieuze formuleringen.

En er spelen hierbij ongetwijfeld nog onuitgesproken vooronderstellingen. Bijvoorbeeld dat populisme geen fijne opvatting is, dat het bijvoorbeeld kuddediergedrag is.
      Maar is dat altijd verkeerd? Onze buren hebben een andere tuin dan wij, en die lijkt bovendien meer op de folders van de bouwmarkt dan de onze. Is dat erg? Mijn buren en hun buren (dat zijn wij) kunnen elkaars visie op de ware pracht van de tuin tolereren. En dat komt onder duizenden Nederlanders voor. Het heeft te maken met sociale tolerantie, wat zo breed gedeeld toch ook een vorm van populisme is en zeker ook politieke implicaties heeft. Niets mis mee.

Of vind je dat geen populisme? Inderdaad, bij ‘het populisme’ verzand je binnen de kortste tijd in definitiekwesties. En dat is bij dit nieuwe onderzoek waar De Volkskrant mee kwam ook het geval. Een hierin gestelde vraag over het sluiten van compromissen, roept de vraag op of ieder daar wel hetzelfde onder verstaat.
      En dat maakt nogal uit wanneer je je hier voor of tegen moet uitspreken. Een politicus kan een compromis sluiten en toch helder en stellig aan zijn principes vasthouden, terwijl een ander zich vereenzelvigt met het compromis, zodat hij afglijdt van zijn principes. Kunnen zo de standvastige en de opportunist hetzelfde compromis sluiten? Helemaal een mooie vraag middenin vakantietijd, nu er geen minster in velden of wegen is te bekennen. En dat nog los van de vragen over de meer praktische uitvoerbaarheid van een en ander.

Het nieuwe onderzoek, dat ongetwijfeld meer kan betekenen als het regelmatig herhaald en methodisch aangescherpt wordt, heeft nog niet zo veel stof doen opwaaien. Maar ja, als zelfs de kabinetsformatie stil ligt en de zon schijnt (of juist helemaal niet), wil niet iedereen zich met politiek bemoeien.
      Maar dit onderzoek betreft wel vragen die bij de laatste en aankomende verkiezingen ertoe doen, zoals over democratie, democratisch leiderschap, (in-)consistent beleid, werk en arbeidsparticipatie, (gemis aan) respect, sociale zekerheid en zorg, integratie en het protest tegen misstanden.
    Daarom zullen hoe dan ook veel hier meespelende politieke vragen terugkomen, maar of dat allemaal aan de kapstok van ‘het populisme’ moet is de vraag. Daarbij dringt nog de vraag zich op naar de meer of minder conservatieve, rechtse, linkse of progressieve beoordeling ervan. Er bestaat toch ook progressief populisme? (Een vraag aan de D66-er op vakantie)

Minstens zo interessant: wie kan veranderingen in politieke denkbeelden entameren of beïnvloeden? De goede discussie of de reactieve massa? Het gaat dan om onderwijs, (sociale) media, politieke partijen, rampen, geen rampen, ervaren of gemist respect. Dan zit je weer middenin dát wat het zo moeilijk maakt. Het gaat niet alleen om de volksaard of een algeheel samengevatte opinie, maar om wat de verandering daarin oproept en draagt.
    Dan komt een aap uit de mouw: dat de meningen van Nederlanders, Fransen en Engelsen helemaal niet zo vast staan.
      Juist dat is wat vaak ontbreekt in onderzoeken en discussies daarover als deze: dat door politiek en economisch handelen, en de hele materiële en ideële situatie (de historisch ontstane context) meningen veranderen. Ook massaal aangenomen duurzaam geachte meningen, ook de soms heel tijdelijke.

Dus misschien is de Nederlander juist wel vatbaar voor populisme, zoals al genoeg gebleken is in bepaalde historische perioden.
      Zo mag men de moord op Gebroeders de Witt (20 augustus 1672) niet vergeten, de populistische manipulatie van het Huis Oranje in de strijd om de macht. Ook toen waren er ‘veranderde omstandigheden’ waardoor bepaalde opvattingen zich onder ‘het gepeupel’ razendsnel verspreidden, maar ook bewust werden aangewakkerd, onder meer door opruiende pamfletten op te hangen in Den Haag.

Nou ja, je kunt er inderdaad heel wat bij slepen. Er zal altijd weer politiek en sociaal onderzoek zijn. Dat moet ook. Bij essentialistische formuleringen over ‘de Nederlander’, ‘het populisme’, ‘het compromis’ (enzovoorts) is echter altijd waakzaamheid geboden.
    Een opname van een concreet, dus beperkt tijdvak kan nooit de veranderende omstandigheden goed meewegen. En vooral: meningen en standpunten veranderen. Onder meer door nadenken, actieve inzet, acties, discussie, onderwijs, sociale media en andere vormen van reflectie.
      Ideologische zaken moeten ook ideologisch worden aangepakt om ideeën te veranderen, te verbeteren. Al heeft dat niet altijd dezelfde invloed in het grotere maatschappelijk geheel, de verandering van opvattingen is een aandachtspunt dat altijd telt.
     En dat is geen foto, maar een film.