dinsdag 20 juni 2017

Anna Seghers, Het Judasloon – Helaas actueel


Sommige boeken moeten altijd worden herdrukt. Dat geldt ook voor het boek van Anna Seghers, ‘Het judasloon’. Een deprimerend, maar treffend verhaal over een vluchteling in de tijd van het opkomend nazisme in Duitsland.

1933. Maar dit boek gaat niet alleen over geschiedenis, het gaat ook over de vluchteling van nu.
      En vandaag, 20 juni, is het ook nog een keer de Internationale Dag van de Vluchteling. Uitgeroepen door de Verenigde Naties omdat ‘ieder het recht heeft asiel te zoeken en dat te genieten.’ Volgens het Vluchtelingenverdrag.
    Deze dag zal in Nederland wel niet zo uitbundig worden gevierd. In Nederland en elders in Europa gebeurt iets dat ieder sinds 1933 kan lezen in de roman van Anna Seghers. Daarom is dit verhaal zo treffend, en daarom is het goed dat het boek opnieuw is uitgegeven.

Het verhaal is eigenlijk eenvoudig. Een jonge socialist heeft zich in de knokpartijen tussen links en rechts in het toenemend extremistische Duitsland in de nesten gewerkt en wordt door de politie gezocht. Hij duikt onder in een boerengemeenschap die hem verder niet kent. In deze gemeenschap van platteland, dorp en de kleine stad rukt het nazisme op.
    Het knappe van Seghers boek is dat ze laat zien dat heel gewone dingen van het dagelijks leven een grote rol spelen in het proces van toenemend rechts extremisme. Dingen als ‘zich uitgesloten voelen’, afnemende welvaart of zelfs armoede, onzekerheid over de toekomst, jaloezie tussen groepen en personen. En vooral het groepsproces waarin het ‘wel weer erbij mogen horen’ in taal en daad toegelaten wordt onder een ogenschijnlijk nieuwe, rechts-extremistische vlag.
      Dat proces gaat stap voor stap, bijna ongemerkt. Maar in samenhang met heel dagelijkse dingen en praatjes ontstaat een totaal andere moraal. Als het gewone leven onvoldoende biedt, ontstaan zieke reacties. Dat is de basis van de politiek van de pathologie. De stoornis is de baas geworden.
    Voor de hoofdpersoon loopt het verkeerd af. Aan het eind van het boek wordt hij kapot geslagen door de mensen die hem eerst een vluchtplaats, een asiel boden.

Deprimerend, treffend en actueel. Mensen willen erbij horen en daar wordt retorisch op ingespeeld. Uit de ban van de taal vluchten is moeilijk. Seghers snapt het proces, schrijft het eenvoudig op, en het klopt.
    Zo komen mensen tegenover elkaar te staan. Is dit in Nederland niet ook zo? Is de halve politiek niet achter de PVV aangelopen en is er geen nieuwe – maar in wezen stokoude – ideologie ontstaan? Is dit geen proces dat nog steeds doorloopt, in de haarvaten van het dagelijks leven?
      Daarom ging het bij de mislukking van het nieuwe kabinet en de tegenstelling GroenLinks en de rest wel degelijk om iets heel wezenlijks. Ook al is er moeilijk grip op te krijgen. Geen grip is een bron van angst en van onbezonnen daden. Ook zogeheten grote partijen als de VVD en het CDA – dat zich ook nog eens christelijk noemt – buigen en spelen mee in deze gevaarlijke tendens naar rechts. Het zijn dan geen leiders meer, maar slaafse volgers.

Humaan beleid is zeker lastig, ook omdat er inderdaad een perspectiefvol economisch en sociaal verhaal bij hoort. Maar een belangrijke bron van rechts-extremisme is het toegeven aan de angst voor de moeilijkheid.
      Daarom is het vandaag de Dag van de Vluchteling. Morgen ook nog trouwens ….





Anna Seghers, Het judasloon, Uitgeverij Van Gennep, Amsterdam 2017, ISBN 9789461643773















vrijdag 16 juni 2017

Jeugdzorg als maatstaf van beschaving


In de zorg en hulpverlening aan jeugd en jongeren kun je het beschavingsniveau van de samenleving afmeten. Immers, het is de zorg voor mensen op een kwetsbare leeftijd en tegelijk zorg voor de toekomst, dus een wezenlijk vormend aspect voor de hele samenleving. En dit voor wie deel uitmaakt van deze samenleving en wie er beroep op doet, zoals jonge asielzoekers.

Zorg voor de jeugd is – samen met onderwijs en gezondheidszorg – een complex geheel. Niet voor niets zijn er ooit gespecialiseerde opleidingen voor opgezet, vanuit onder meer een orthopedagogische en psychologische achtergrond, met aandacht voor tal van samenhangende maatschappelijke processen.
    Het is inderdaad complex. De jeugdzorg behelst veel aspecten die krachtig of juist subtiel op elkaar inwerken. Denk aan individuele en sociaal-medische aspecten, aan psychologische en gezinssituaties, aan opvoedingskwesties, aan groepsprocessen in de buurt waarin de jongeren opgroeien. Of, anders gesteld, bijvoorbeeld gaat het om misbruik of criminele zaken. Of, als je het over behandeling hebt, om hulpverlening thuis of in een instelling. Kortdurend en licht, of langdurig en intensief. Vrijwillig of in sommige situaties met dwang. Enzovoorts.

De jeugd is gelukkig vaak gezond, maar er kan veel aan de hand zijn. Vaak zijn lichtere vormen van ondersteuning in de eigen woonsituatie of wijk voldoende, maar niet altijd. Er kan een deskundig en uitvoerig traject van zorg of hulp nodig zijn, al dan niet samen met de sociale omgeving.

Dat brengt ons bij de vraag: kun je jeugdzorg aan sociale wijkteams en aan het gemeentelijk ambtelijk apparaat overlaten? Dat is zeer de vraag. Een doordachte wijkgerichte aanpak is zonder meer heel goed, maar biedt niet altijd een voldoende oplossing. Daarom moet de kwaliteit van het werk in de jeugdzorg worden geborgd, en dat is niet altijd mogelijk op een klein schaalniveau.
    Terwijl dat is wat er wel (vaak) is gebeurd. Daarmee is de jeugdzorg in een lastig parket gebracht dat niet alleen met meer geld op te lossen is.

De coördinatie moet in veel gevallen een (veel) grotere schaal dan de gemeente omvatten en deskundig zijn. Tegelijk zijn de echte deskundigen nodig in het veld, zijn ze onmisbaar voor de uitvoeringspraktijk. Daarom mag de deskundigheid niet wegsijpelen naar allerlei organisatie- en afstemmingsperikelen, wat wel gebeurt als de zorg niet op orde is.
    Met andere woorden, de overheveling van de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg naar de gemeenten heeft een probleem opgeleverd dat op gemeentelijke schaal alleen niet goed is op te lossen.

Ongeveer een week geleden kreeg de jeugdzorg even de volle aandacht die zij verdient. Door het voorbeeld van de Kindertelefoon waar het evidente onzin is deze per gemeente te willen regelen en de greep aan de noodrem van kinderpsychiaters en anderen, wist ook de Tweede Kamer een reeks van voorbeelden op te hoesten waarin de zorg tekort schiet. Voor acute ernstige problematiek staat een kind op de wachtlijst, of moeten de ouders misschien verhuizen om betere zorg te krijgen. Enzovoorts.

Maar de oplossing is nog ver weg. Een beetje bijreguleren is onvoldoende. De kunst is op een passend schaalniveau te coördineren, de echte deskundigen ruimte te (blijven) geven in het uitvoerend werk, en als financiële ondergrens de zorg voor elk kind te garanderen.
      Het gaat op de korte termijn én om meer geld, én om de deskundige steun en zorg op zowel individueel als groepsniveau (gezin, jeugdgroepen, cultuur, buurt, wijk etc.) te garanderen. Bezuinigen op de jeugd is bezuinigen op beschaving.











vrijdag 9 juni 2017

De realist Spinoza en een economie van veiligheid en onveiligheid



‘Als twee mensen bijeen komen en hun krachten bundelen, zijn zij tezamen tot meer in staat en hebben zij bijgevolg samen meer recht over de natuur dan ieder afzonderlijk. En naarmate meer mensen op deze wijze zich in hun nood hebben verbonden, in die mate zullen zij allen in hun vereniging meer recht hebben.’

Benedictus de Spinoza


Bovengenoemd citaat van Benedictus de Spinoza staat in zijn ‘Politieke verhandeling’, hoofdstuk 2, paragraaf 13. Het heeft onvermijdelijke consequenties voor het inzicht in de verhouding van macht en recht.
      Je zou kunnen zeggen dat iedereen over krachten beschikt, dat die verenigd kunnen worden tot macht, dat rechten en het recht hier (mede) op gebaseerd zijn, en dat bij een meer massale vereniging de invloed op de politieke macht en het recht groter wordt.
      ‘In hun vereniging’ hebben mensen meer rechten, dus ‘proletariërs en progressieve mensen van alle landen, verenig je!’

Dit is een visie die men vaak onaangenaam vindt. Recht moet autonoom en duurzaam zijn en vooral niet aan de grillen van de macht onderhevig. Maar let op: Spinoza spreekt in deze visie geen waardeoordeel uit, hij pleit in zijn werk radicaler dan zijn tijdgenoten voor democratische macht en voor zo redelijk mogelijke rechten en politieke vormen. Maar hij wijst op een feit.
      Spinoza’s filosofie is realistisch. Recht volgt uit macht, dat is niet leuk, maar een feit. Wat niet wegneemt dat er vervolgens in concrete situaties nog heel veel aan toe te voegen is.

Pas hoorde ik een spreker – die Spinoza’s filosofie goed kent – zeggen dat deze denker met zijn emotietheorie en zijn idee over het recht dat door macht wordt bepaald te negatief, te pessimistisch is. Recht heeft een eigen ontwikkeling, zou je kunnen zeggen, die poets je na een lange ontwikkeling en maatschappelijke inbedding niet meer weg.
    Dit even in mijn woorden, volledig voor mijn rekening, de letterlijke tekst van de spreker heb ik niet bij de hand, dus qua nuances loop ik het risico iemand niet goed te citeren. Maar het vraagstuk bestaat. Het gaat niet om deze spreker, maar om de zeer wezenlijke vraag die in het geding is. Is het recht sterk genoeg de grillen van de macht te weerstaan?
      Recht moet bescherming bieden, zeker tegen de willekeur van verschuivende machtsposities. De spreker veronderstelde kennelijk dat het door de eeuwen heen ontwikkelde burgerlijk en strafrecht, staatsrecht en internationaal recht sterk genoeg zouden zijn om voldoende weerstand te bieden tegen aantasting.

Vergelijkbaar was een opmerking die niet zo lang geleden een student tegen me maakte toen ik zei een boek te schrijven over vrijheid en macht. Gewend aan mijn les over ethiek kon ze zich nauwelijks voorstellen dat je serieus over macht kon filosoferen, want dat was een negatief begrip dat erop duidt dat de vrijheid wordt ingeperkt. Hoe kan zo’n thema nu interessant zijn voor serieuze filosofie?
    Het antwoord is dat het interessant, maar misschien helemaal ‘niet leuk’ is, omdat het veel zegt over politieke verhoudingen en de rechten van mensen. Realisme dat je niet uit de weg moet gaan.
      Spinoza schrijft in zijn filosofie over emoties ook over ‘lelijke’ emoties, en probeert daar op een realistische manier iets tegenover te stellen. Dat resulteert in een idee waarin emoties niet op een naïeve manier worden weggepoetst, maar positieve emoties de negatieve moeten weerstaan of in balans moeten brengen.
      Kort gezegd. Geen ‘wishful thinking’, wel een denken dat zich richt op het streven naar de best mogelijke en democratische samenleving.

Spinoza staat niet alleen in zijn idee dat macht en recht innig verbonden zijn. Ook bij Aristoteles, Machiavelli, Hegel, en later Bakoenin en Marx zijn macht en recht nauw verbonden. Of dat nu aanspreekt of niet.
      Dat is een stevig discussiepunt, dat overigens onverlet laat dat als recht op macht gebaseerd is, het recht nog altijd ook een eigen, relatief autonome ontwikkeling doormaakt of door kan maken. Daarin kan dat recht sterk worden ontwikkeld, dus naar verhouding meer autonoom of ‘machtiger’ worden. Maar dat hoeft de uitkomst niet te zijn.
      Deze nuance van ‘relatieve autonomie’ geldt nog steeds, wanneer genoemde denkers als plausibel worden geaccepteerd. Maar genoemde spreker en de student van destijds hoeven, als zij consequent zijn, dat niet als voldoende te accepteren en dan zit je middenin een principiële discussie.

De term ‘relatief autonoom’ werd net genoemd. Een term die marxisten vaker hebben gebruikt. Het is een belangrijk begrip, maar kan ook een stoplap worden. Als verondersteld wordt dat een ontwikkeling zoals van het recht afhankelijk is van (bijvoorbeeld) macht, moet die verhouding met haar specifieke kenmerken en ontwikkelingsfasen nog worden onderzocht. De algemene bewering is dan heuristisch, helpt het denken, maar om deze te bewijzen zijn er meer feiten en argumentaties nodig. (Dat gaat deze blog te buiten.)
      Als die concretisering lukt, ontdek je het min of meer autonome aspect, de eigen kenmerken van het ontwikkelde recht, en de wijze waarin het aspect van afhankelijkheid zich ontwikkelt.
      Daarvan uitgaande kun je zeggen dat het recht zich relatief autonoom ontwikkelt, maar met een specifieke structuur. Eronder ligt nog altijd de machtsbasis van een bepaald gewicht aan ondersteuning, draagvlak ofwel de politieke macht van ‘de massa’. Deze steun kan veranderen van vorm en kracht, of zelfs verdwijnen.

De eigen ontwikkeling van het recht en de rechtsvormen kent (dan) dus een eigen ontwikkeling en een externe, soms heel sterke invloed, tezamen een spanningsveld. De kunst is goed uit te leggen hoe de verhouding en interacties precies verlopen. Wat meestal pas kan als de ontwikkeling al lang gaande is, zoals Georg Hegel ooit opmerkte.

De hierboven aangeduide spreker kán gelijk hebben dat het recht zo sterk ontwikkeld is dat geen macht het nog kan weerstaan. Ook dat is mogelijk wanneer je vanuit contexten en interacties denkt, wanneer een ontwikkeling lang en grondig was en dus per saldo heel sterk is geweest, sterk in het funderen van een bepaalde morele richting.
    Maar kritisch bekeken, kun je je afvragen of er dan geen ‘wishful thinking’ aan de orde is. Namelijk dat men zo graag wil dat het recht en de mensenrechten alle uit macht en geweld voorkomende vormen van onrecht kunnen weerstaan. Of helaas: is het niet zo dat wanneer de massa op drift raakt ook het recht op de loop gaat? De geschiedenis, ook van vandaag, geeft daar al te vaak vreselijke voorbeelden van.
      Dan is het formele recht misschien niet weg, maar komt dit vaak pas aan de orde als mosterd na de maaltijd. Dan is het laagje beschaving té dun en kan macht als primitieve vormen van vereniging bestaan. Dan nog voor het recht en voor mensenrechten opkomen betekent strijd en de noodzaak van organisatie.

Dergelijke vragen met betrekking tot recht(en), ethiek en macht(en) spelen bij de grote huidige en toekomstige vragen over veiligheid en onveiligheid. En bij de organisatievormen om die vragen aan te kunnen, zeg maar bij het realiseren van een economie en politiek van veiligheid en onveiligheid. Maatschappelijke vormen die – op z’n minst als vragen – nu en in de nabije toekomst urgent zijn.
      Veiligheid wordt één van de grootste vraagstukken van de toekomst en misschien wel een van de belangrijkste dragers van de economie. De mens kan veel en wanneer het recht soms zo betrekkelijk (zwak) is in de praktijk, zal veel van de toekomstige maatschappij, zowel de economie als de bovenbouw van het recht tot en met het theater, nauw vervlochten zijn met vragen over veiligheid.

Moraliteit en recht ontwikkelen zich (momenteel) veel langzamer dan de technologie, de biologie en de verdere wetenschap. Er beklijft ook niet een rechtssysteem in een mooi en helder parallel proces, maar eerder als een soort frictie van aantrekking en afstoting, liefde en haat. En met veel prachtige veelomvattende maar vaak ook verhullende termen als vrijheid, privacy, zelfbeschikking, enzovoorts.
    De technologische en kennisontwikkeling is (momenteel) oneindig veel sneller en dynamischer dan de morele ontwikkeling en het recht. Dan blijken sterke krachten vrij te komen, die niet als vanzelfsprekend wel beheerst kunnen worden.
      Denk aan korte tijd geleden, hoe de komst van asielzoekers naar het schijnt in enkele weken het denken over politiek sterk beïnvloedde. Of denk aan de sociale media die communicatie en uitingsvormen ook in een betrekkelijk korte tijdspanne zo veranderde als weinig voorzagen. Voor men erover nadacht was het al zover. En drones gooiden al bommen voor men wist wat dat voor dingen waren.

De snelheid van de ontwikkeling blijft (voorlopig) groot en in veel opzichten ongeremd. Er bestaat geen enkele garantie dat die snelheid niet nog enorm kan toenemen, waardoor het overzicht, de grip, en zeker het recht en de moraal nog verder in het geding komen.
      Concrete veiligheidsvraagstukken volgen bijvoorbeeld uit: (burger)oorlogen, Islamitische Staat en veel mogelijke look-alikes, groei van kapitalistische militaire en semi-militaire bedrijven, veel soorten ICT-bedreigingen, niet meer passende snelheidsverschillen in het wegverkeer, genetische manipulatie in heel uiteenlopende vormen, biotechnologische ontwikkelingen, nieuwe drugs, verscherping van de tegenstellingen arm en rijk, het bedreigde klimaat met tal van deels nog ongekende aspecten, drones met een onbekend pakje (wat zit daar nu in?), energieproblemen, toenemende bevolking, inperking van delen van de aarde die nu nog bewoonbaar zijn, tal van technologische hulpmiddelen en bewapening waar individuen en groepen gebruik van kunnen maken en die bovendien makkelijk beschikbaar of reproduceerbaar zijn, manipulatie van de materie op alle mogelijke schaalniveaus, mogelijke productie van zichzelf ontwikkelende systemen, overstromingen en voedselgebrek. En nog meer. Met alle bijbehorende crisissituaties, onzekerheden, emoties en een permanente morele zoektocht.

Dit zijn geen losse ontwikkelingen, ze werken alle op elkaar in. Ogenschijnlijk willekeurige problemen, van totaal verschillende orde en fasering, blijken andere toch weer te raken.
      Vergeleken hiermee is de morele laag van bewustzijn matig ontwikkeld. Deze doet er wel toe, zoals de rechtsstaat, het internationaal recht, morele discussies, enzovoorts. Maar veel van het bewustzijn verkeert nog in een meer primitieve staat, die tot op zekere hoogte nog wel paste bij het verleden, maar waarin nu steeds meer complexe vragen beantwoord moeten worden. Ook door personen, ook op privéterrein. Waarop allerlei winstmakers, uit op persoonlijk profijt – in de media, enzovoorts – weer inspelen. Wat het er voor velen niet makkelijker, maar eerder moeilijker op maakt.

We gaan daarom niet alleen naar een beleid van veiligheid, maar ook naar een recht en economie van veiligheid en onveiligheid, waarin ook het beperkte (vermeende) eigenbelang alle aandacht verdient.
    Kunnen moraal en recht verkeerde emoties of egoïsme met nieuwe gedragsvormen bedwingen? In de hele filosofie van alle culturen was dat al een van de hoofdvraagstukken, maar deze is zeker nu urgent.
    Boven aangeduide spreker kan wel wensen dat democratie en recht zo sterk zijn dat ze emoties kunnen bedwingen, maar dat recht en de rechtsstaat hebben hier niet alleen een sterk beleid en een economie van veiligheid nodig, ook doorzettingsmacht, waarin recht niet alleen wordt opgelegd, maar wordt ingebed in een sterke sociale structuur. Hoe kan anders (bijvoorbeeld) een echt goed klimaatbeleid over de hele linie of zelfs de hele wereld worden afgedwongen, zonder in onderdrukkende structuren te vervallen?

Spinoza stelt dat negatieve emoties tegenhangers moeten krijgen in positieve emoties. Tegenover egoïsme hoop bijvoorbeeld. Hoop die bijvoorbeeld door eendracht kan ontstaan. Dat is belangrijk leerpunt. Negatieve emoties met een egoïstische trek en agressieve uitingsvormen ervan, kunnen niet alleen met contrageweld worden opgelost. Er moeten op alle schaalgroottes en tot in de haarvaten van de samenleving positieve tegenontwikkelingen worden georganiseerd, die begrip, bewustzijn én controle mogelijk maken.
      Naar de vormen ervan zal men moeten zoeken, maar vooral moet de sociale component worden georganiseerd. Sociale macht. Vereniging van mensen die niet wegkijken van de grote vragen die alle veranderingen met zich meebrengen. Er hardop over spreken. Lukt dat niet dan zal de emotie angst (blijven) regeren.

Macht en recht zijn innig verbonden en het gaat om veel meer dan de directe politiek van belangen alleen. Eerder om een balans van werkingen, die de aarde en het leven, ook het sociale menselijke ervan keer op keer versterkt én realistisch is over bedreigingen.
    Het recht alleen is te zwak om alle bedreigingen op inhoudelijke of formele argumenten te kunnen weerstaan. Gelijk hebben is meer dan ooit nog lang geen gelijk krijgen. Keer op keer zullen grote vragen moeten worden onderkend en tot besluiten moeten leiden. Dat wordt voorlopig niet meer anders.
      Dit alles kent het aspect van massaliteit, dus van brede democratische betrokkenheid. Het huidige leven is zowel collectiever als individueler, ook een spanningveld dat enorm veel sterker meespeelt, door alle nieuwe ontwikkelingen. Dat vergt een veel hogere graad van scholing, sociaal en ecologisch bewustzijn en organisatie. Dus ook de daarbij passende ontwikkeling van het recht. En dit – paradoxaal – in een tijdperk van vaak slecht ontwikkelde organisatie, met weinig binding van de ‘massa’.
      De technologie en wetenschap met alle facetten zijn zo vloeibaar en snel, inclusief bijbehorende bedreigingen, dat Spinoza’s realisme over recht en macht hierbij niet gemist kan worden.

Niet alleen het recht, ook de vrijheid en specifieke vrijheden zijn in sterke mate mede van macht afhankelijk. Het aanpakken van veiligheidsvragen is ondenkbaar zonder werkelijk massale maar ook veelvormige democratische organisatie. Mensen ‘in hun vereniging’. Er ligt hier nog een stevige taak voor mensen, organisaties, vakbonden, bedrijven, politieke partijen en overheden.
      Wat de filosofie betreft: Spinoza is óók een sterk politiek denker. Dat mag bij de vele loftrompetten die je bij zijn werk momenteel zo vaak hoort, nooit worden vergeten. Hij is een ‘harde’ realist met een hoog moreel doel.
      Daarbij is Spinoza’s universele visie een voorbeeld voor de mensen van nu, die de wereld niet meer goed kunnen begrijpen wanneer ze alleen op beperkte schaal om zich heen kijken. Je eigen geluk nastreven is belangrijk, maar niet het enige dat telt. Want dan is de fundering drijfzand.





Bron van het citaat: Benedictus de Spinoza, (Hoofdstukken uit) De politieke verhandeling, Ingeleid, vertaald en van commentaar voorzien door W.N.A. Klever, Uitgeverij Boom Meppel, Amsterdam 1985, p. 51.
In andere woorden met dezelfde strekking ook in: Benedictus de Spinoza, Staatkundige verhandeling, Uit het Latijn vertaald en toegelicht door Karel D’huyvetters, Uitgeverij Wereldbibliotheek, Amsterdam 2014, p. 53.

Over dit vraagstuk en samenhangende vragen gaat mijn boek: Het speelveld van de vrijheid, Uitgeverij Damon, Budel 2014.
















maandag 5 juni 2017

Akzo en de vraag ‘wint Kapitaal van Arbeid’?


De vraag stellen is de vraag beantwoorden? Dat is niet altijd zo. Kijkend naar het neoliberalisme, de tanende macht van socialisten en vakbeweging, de flexibilisering, (enzovoorts) zeggen sommigen dat het kapitaal het van de arbeid heeft gewonnen.
    Maar de geschiedenis is niet ten einde, al is dat nog zo vaak verklaard. De strijd om de positie van onmacht tegen macht, van arm tegen rijk, van uitgebuite tegen uitbuiter en van rechteloos tegen vermeende rechten kent geen einde. Zeker niet op afzienbare termijn.
      Deze strijd kent wel verlies en winst, als concrete gevolgen in een specifiek tijdvak van de geschiedenis. Het concrete resultaat is dus niet relatief, maar ook niet absoluut of definitief. Of – iets anders gezegd – is het zowel relatief als hard en reëel tegelijk.

AkzoNobel is (nu) niet door het Amerikaanse concern PPG overgenomen. De ‘Ondernemingskamer’ heeft voorlopig een vijandige overname geblokkeerd. Ofwel de sociale overheid heeft (indirect) toch ingegrepen in het kapitaal en begerige aandeelhouders even een deel van hun al te makkelijke profijt ontnomen.
    Hieruit blijkt óók dat er een gemengde economie mogelijk is van vrij ondernemerschap en een overheid die grenzen stelt aan uitwassen. Dat is een voordeel boven de totale anarcho-kapitalistische losbandigheid, maar in de huidige vorm een nadeel ten opzichte van een echte sociale machtsstructuur en een duurzaam en humaan beleid.

Een menging van ‘vrije’ willekeur met een controlerende en regulerende macht kan een stap zijn op weg naar een meer sociale maatschappij, en daarmee ook een belangrijk discussie-item vormen. In hoeverre kan een gemengde economie het kapitaal temmen?
      Hierover vind je in de media met betrekking tot AkzoNobel echter heel weinig terug. Er wordt bij zege van de Akzo-concerntop vooral gewezen op de financiële winnaars en verliezers van dit moment, de juridische aspecten en op de verschuiving van machtsrelaties. Er wordt betrekkelijk weinig gekeken naar de positie de werknemers en nog minder naar de maatschappelijke betekenis en mogelijkheden van dergelijke concerns in het geheel van de economie.
      En al helemaal niet naar de nodige sturing met betrekking tot de prioriteit van verduurzaming met de bijbehorende technologische en machtsvraagstukken. Terwijl dat vandaag de dag toch een primaire norm zou moeten zijn. Ook bij het beoordelen van de productie, het bestaan en voortbestaan (enzovoorts) van grote concerns.

Het kapitalisme en de strijd erbinnen bieden interessante juridische en vergezichten op machtsverhoudingen. Maar waar het echt om gaat is hoe vakbonden, actiegroepen, partijen en overheden structurele posities innemen en behouden voor een samenleving die sterk, groen, sociaal en democratisch is, en waarin de deskundigheid en grote medezeggenschap van werknemers garant staat voor progressieve stappen vooruit.
      Dan zou het kapitaal dienstbaar worden aan de arbeid, een echte winst. Dan kan ook de arbeid kwalitatief verbeteren en humaner worden.














zaterdag 3 juni 2017

De rups van het oranjetipje


Oranjetip (Anthocharis cardamines). Een niet zo grote vlinder die wat op (kleine) koolwitjes (Pieris rapae) lijken. Het mannetje heeft helder oranje vleugelpunten. Vandaar de naam oranjetip. Vrij klein, dus vaak oranjetipje genoemd.
    Wel vaker zeg ik dat je maar direct om je heen hoeft te kijken om de dynamiek van de natuur te zien. Als je het wilt. De rups op de foto’s bewees het weer eens.
      In onze tuin was pas het oranjetipje te zien. Niet zo vreemd, want ik laat diverse planten vrolijk groeien, daaronder het look-zonder-look (Alliaria petiolata), zolang er niet te veel van staan. Dat gaat al 35 jaar goed.
    Dit look-zonder-look is een van de waardplanten, gastplanten, van het oranjetipje. Dit jaar besloten de gasten vaak langs te komen.

Daar is de rups op de foto’s het resultaat van. Het is de rups van het oranjetipje. De cirkel is al voor een deel rond, de weg naar het bestaan van nieuwe oranjetipjes. Geholpen door de ogenschijnlijk zo gewone plantjes in de stedelijke tuin.
    Helemaal zeker is het te behalen resultaat nog niet, want ongetwijfeld loeren de mezen en wellicht de zwartkoppen ook op de rupsen, voor hun jongen in de nestkasten en nesten.
      Een deel zal het echter vast wel overleven, want wat een sterke camouflage kleur! Ook slim dat de eitjes van de vlinders goed verspreid zijn, want op verschillende planten – voor en achter ons huis – zit wel zo’n rups.

De rupsen groeien snel. Enkele dagen terug zag ik een beetje bij toeval een klein zilvergroen streepje over een van de planten kruipen. De rups. Met wat zoeken zie je er al gauw meer. Ze eten – zo te zien – van zowel het blad van het look-zonder-look als van de nog zachte zaadjes van de uitgebloeide bloem.
    Onze tuin van enkele meters is wat dit betreft een slimme microkosmos. Je kunt er heel wat van leren hoe het er op de wereld aan toe gaat.





















donderdag 1 juni 2017

Taoïsme en Nietskunner


Vervolg van: Confucius & co – Het oude China, de staat op orde?


Taoïsme en Nietskunner


– Kijk, indien er geen specifieke groep mensen is om ouderlievend en barmhartig te bejegenen kun je de hele wereld ouderlievend en barmhartig bejegenen. –

Nietskunner


Veel filosofieën kennen een originele kracht, maar ook perioden van vervlakking en soms zelfs van decadentie of corruptie. De in de eerdere blog genoemde ‘debatten over zout en ijzer’ beschrijven de argumenten van confucianistische wijsheid, gericht tegen overdreven regelzucht. Maar dezelfde richting representeert soms juist een staatsideologie met regelzucht, vormen van uiterlijk vertoon en bureaucratie.
      Fundamenteel is de kritiek in de taoïstische tekst Wunengzi uit het jaar 887, wat iets als Nietskunner betekent. Hier lezen we een kritiek op machtsmisbruik en bureaucratie. Fundamenteel, er wordt naar achterliggende factoren gekeken. Zoals naar het feit dat Confucius heeft gepleit voor het in acht nemen van juiste begrippen. De kritiek is nu echter dat juist de taal, de woorden en de indelingen een basis kunnen vormen voor machtsmisbruik en onderdrukkende regels.

Het indelen in begrippen betekent het forceren van het natuurlijk leven. Volgens Nietskunner wordt zo het leven uitgeroeid. ‘En dat is de schuld van diegenen die men wijzen noemt.’ Wat duidt op confucianisten.
      Indelen, inkaderen, classificeren en reguleren kunnen een grote belemmering vormen. Dit lijkt een vroege kritiek op wat men tegenwoordig ‘framen’ noemt.
      Nietskunner wil dit omkeren, bijvoorbeeld vanuit de liefde en zorg voor de familie: ‘Kijk, indien er geen specifieke groep mensen is om ouderlievend en barmhartig te bejegenen kun je de hele wereld ouderlievend en barmhartig bejegenen.’ Van het kleine verband redeneert hij door naar het universele.

Nietskunner toont het taoïstische pad waarin afstand nemen van concrete inhoud en van vaste patronen een grote rol speelt. Overigens eindigt deze kritische tekst met een passage waaruit blijkt dat te radicaal afstand nemen een gevaar kan inhouden, want dit kan leiden tot onverschilligheid.
      Dit kan een gevaarlijke consequentie van deze theorie kan zijn, wanneer die niet goed wordt begrepen. Zo’n consequentie is vergelijkbaar met Japanse oorlogsvliegers in de Tweede Wereldoorlog bij wie in de militaire training een morele en psychologische onverschilligheid werd gekweekt met behulp van de (vermeende) praktijk van het zenboeddhisme.
      In mijn boek Boeddhisme en betrokkenheid laat ik echter zien dat een zekere afstand nemen een morele en politieke betrokkenheid kan versterken. Het hangt af van de inhoudelijke invulling en uitwerking, en het vinden en behouden van een goede balans.
      Nietskunner zou hieraan toe kunnen voegen, dat als alles per se heel concreet moet, de moraal vervaagt. De eis van ‘concreetheid’ wordt dan een dwangbuis, tegenwoordig zeker niet minder dan vroeger. De betere invulling moet uitgaan van zorg voor de ander, zelfs voor iedereen.

Onder de oude Chinese filosofen bestaan verschillen en uiteenlopende accenten. Er zijn echter duidelijke lijnen van denken zichtbaar. De taoïst Lao Zi vindt de beste heerser iemand waar het volk heel weinig van merkt, omdat hij op de achtergrond de harmonie bewaart. Overigens ook weer niet een echt nieuwe gedachte, bij Confucius lezen we iets vergelijkbaars: ‘Indien een vorst oprecht is, zal alles goed gaan zonder bevelen.’
      De Chinese filosofen wijzen op de kosmische en sociale orde die er is en die moet worden bewaakt. Ceremonies en juist gedrag weerspiegelen en koesteren de orde, maar kunnen ook vervlakken tot uiterlijk vertoon of een dwangbuis.

Mooi is de gedachte van een overheidstaak vanuit de stille achtergrond. Kennelijk wordt verondersteld dat die stille kracht op de achtergrond doelmatig kan werken, dat de harmonie werkelijk zo wordt bewaard en de belangen van het volk worden gediend.
      In deze Chinese politieke en staatsdiscussie gaat het om uitgangspunten van grondhouding, motivatie en handelen die universeler zijn dan het toch al zo grote China van toen en nu.





Gebruikte bronnen van de blogs over de klassieke Chinese filosofie:
– Jan Bor en Karel van der Leeuw (red.), 25 eeuwen oosterse filosofie, Teksten, toelichtingen, Uitgeverij Boom, Amsterdam 2003.
– Annping Chin, Confucius, Een leven tussen filosofie en politiek, Athenaeum, Polak & Van Gennep, Amsterdam 2008.
– Carine Defoort, Nicolas Standaert (red.), Tien stellingen tegen Confucius, Het pleidooi van de Chinese wijsgeer Mozi, Uitgeverij Pelckmans, Kapellen, en Uitgeverij Klement, Kampen 2009.
– Harry Floor, China, Stichting Teleac, Utrecht en Uitgeverij Terra, Zutphen 1985.
– Karel van der Leeuw, Het Chinese denken, Geschiedenis van de Chinese filosofie in hoofdlijnen, Boom, Amsterdam, Meppel, 1994.
– Jan de Meyer (vertaling en toelichting), Wunengzi, Nietskunner, Het taoïsme en de bevrijding van de geest, Uitgeverij Augustus, Amsterdam, Antwerpen 2011.
– George Walter (e.a.), Zout en ijzer, Yantie lun, De kunst van het regeren, Dispuut tussen politici, wijzen en geleerden 2000 jaar geleden in China, Inleiding door George Walter, Naar de Franse uitgave (etc.), Uitgeverij, Ankh Hermes, Deventer 1982.
– Zhuang Zi, De volledige geschriften, Het grote klassieke boek van het taoïsme, Vertaald en toegelicht door Kristoffer Schipper, 3e druk, Uitgeverij Augustus, Amsterdam, Antwerpen 2007.



Over politiek en oosterse filosofie schreef ik eerder het boek Boeddhisme en betrokkenheid.


















dinsdag 16 mei 2017

Mozi en de taak van de overheid


Vervolg van: Confucius & co – Het oude China, de staat op orde?


Mozi en de taak van de overheid


– Zorg voor elkeen! – Mozi


De Chinese filosoof Mozi (479-381 v. Chr.) bepleit dat de politiek – vorst en staat – goed rekening houdt met de materiële belangen van het volk. Tevens spreekt hij zich uit tegen de verkwistende leefwijze van de adel. Zijn pleidooi vraagt om respect voor allen.
      Mozi vindt dat je in de politiek het denken en belang van de ander tot uitgangspunt moet nemen. Je zou kunnen zeggen dat hij onder vrijheid verstaat dat het een voorrecht is rekening met de anderen te mogen houden. Vrijheid als voorrecht uit te mogen gaan van anderen. Het primaat ligt dus niet bij jezelf of het eigenbelang.
      Mozi zegt: ‘Als men het land van anderen zou beschouwen als het eigen land, wie zou dan nog opstaan om het land van anderen aan te vallen?’ Dit is een mooie variant op de bekende ‘gulden regel’ van de ethiek. Zo kan de vrede worden bewaard.

Meester Mo of Mozi is de grondlegger van het mohisme, een stroming die in China minder aanwezig is gebleven dan confucianisme, taoïsme en boeddhisme, maar wel heeft doorgewerkt. Net als bij andere richtingen zijn de geschriften die aan Mozi worden toegeschreven waarschijnlijk ontstaan in verschillende perioden van het mohisme.
      Mozi wordt vaak gezien als opponent van het confucianisme. Hij pleit niet voor een sterke familieband als doel op zich, waardoor bijvoorbeeld ook heersers en ambtenaren hun eigen dynastieke lijn moeten verdedigen. Hij pleit voor ‘Werving van de besten’ om het land, de maatschappij en de orde van de Hemel te dienen.

Mozi’ s centrale principe is ‘Zorg voor elkeen.’ De ander en de totaliteit van de samenleving staan zo centraal.
      Soms wordt dit principe vrij collectivistisch verwoord, waardoor het misschien niet verbaast dat Mao Zedong eens zei dat Mozi ‘een heilige is met helderder inzichten dan Confucius.’
      Logisch volgt uit ‘Zorg voor elkeen’ de moeite die Mozi heeft met het verheerlijking van oorlogen en krijgskunst. Hij pleit tegen aanvalsoorlogen. Situaties die oorlogen rechtvaardigen lijken er ook te kunnen zijn, maar slechts wanneer de sociale ordening erom vraagt. Dit zijn dus uitzonderingen.

Mozi ziet de oorlog als verkwistend, egoïstisch, als een groot maatschappelijk drama. De oorlog is altijd weer een gebeurtenis met heel andere gevolgen dan heersers het volk eerst voorspiegelen.
      Mozi denkt hierover dialectisch. Winnaars worden uiteindelijk vaak verliezers. Bijvoorbeeld omdat oorlogen de overwinnaar heeft uitgeput en de families van de doden met hun verlies zitten. De uitgeputte staat valt vervolgens makkelijk ten prooi aan een andere machthebber.
      Ook psychologie speelt een rol: de winnaar is niet opgewassen tegen de verleidingen van het succes en zijn ijdelheid zal hem kwetsbaar maken, de kracht zal resulteren in zwakte.

Mozi is niet de enige die tegen de oorlog pleit. In het taoïsme en andere richtingen – zoals het boeddhisme – bestaan resolute pleidooien tegen de oorlog. Lao Zi zou gezegd hebben dat de ware vorst niet heerst ‘op basis van wapens.’
      Dat laat onverlet dat Mozi’s stellige verweer tegen de agressieve oorlog opmerkelijk is. Het is een beschavingsoffensief in een tijd van decadentie, waarin al dan niet onder de juiste titel een ‘confucianisme’ werd ingezet om dat verval te verhullen of zelfs te verdedigen.
      Mozi’s idee van ‘Werving van de besten’, een pleidooi eigenlijk voor meritocratie, doet modern aan. Hetzelfde geldt voor zijn sociale ‘Zorg voor elkeen’, het pleidooi tegen aanvalsoorlogen en zijn algemene inzet voor soberheid. Parallellen bestaan in allerlei vormen in verschillende culturen en in het Westen bij filosofen als Immanuel Kant en Karl Marx.




Gebruikte bronnen worden vermeld in de derde blog in deze korte serie over Chinese staatsfilosofie, ‘Taoïsme en Nietskunner










vrijdag 12 mei 2017

Confucius & co – Het oude China, de staat op orde?



Het kan geen kwaad bij de actuele complexe staatsdiscussies een keer naar het verleden te kijken. Bijvoorbeeld naar het oude China, waar gedachten de boventoon voerden die nog altijd in de huidige Chinese staatspolitiek een rol spelen. Zijn deze ook nuttig bij ons?
    Hierover drie blogs. De tweede is voor een groot deel een herhaling van een eerdere blog, maar past in dit rijtje. In de derde blog worden gebruikte bronnen vermeld.



Politiek in het oude China – Confucianisme en het debat over Zout en IJzer


– Een volk, dat verdwaald is in een doolhof van reglementen, kan niet vermijden ze te overtreden: …’ –

Confucianistische geleerden over De kunst van het regeren


Confucius (551- 479 v.Chr.) is waarschijnlijk de bekendste naam uit de Chinese filosofie. Zijn invloed strekt ver, tot aan de dag van vandaag. Hij verwijst graag naar oudere geschriften. Op dezelfde manier worden zijn gedachten en uitspraken dan weer door latere filosofen als Zhuang Zi (ca. 300 v. Chr.) en confucianisten als Mencius (371-289 v. Chr.) en Xunzi (ca. 298-238 v. Chr.) weergegeven. Vaak weer in een net andere context, met een ander accent of een andere afloop.
      Soms is het onzeker wat nu precies van hemzelf is of van wie wel een bepaalde tekst afkomstig is. Dat neemt niet weg dat er zo wel het beeld ontstaat van de wijze filosoof en staatsman. ‘Beleidsadviseur’ zou men hem tegenwoordig wellicht noemen. Confucius hecht aan verstandig en eerlijk optreden. Hij kijkt behalve naar de gevolgen van het handelen, ook naar de intenties van mensen. Soms kan iemand hoog gewaardeerd worden om zijn trouw, bijvoorbeeld aan goede gewoonten en gebruiken. Maar misschien is hij dat alleen maar uit eigenbelang en wil hij zich mooier voordoen dan hij is.

Bij allerlei kwesties bekijkt Confucius het handelen van mensen en hun gedachten, zoals in de rol van heerser en van de staat. Dat doet hij vaak vanuit een onverwacht perspectief. Natuurlijk zijn er patronen. Maar al zijn de deugd, de harmonie, het eerlijke en goede leven uitgangspunten, toch zijn vaste principes en patronen niet altijd voorhanden of zijn ze niet helder herkenbaar.
      Daarom wijkt Confucius’ advies vaak af van wat voor de hand lijkt te liggen, omdat hij breder en verder kijkt. Populair maakte hem dat niet altijd. Hoewel hij ook als minister heeft gewerkt en daarmee aanzien verwierf, was hij een groot deel van zijn leven op stap, zwervend, reagerend op gebeurtenissen. Intussen onderwees hij zo rondreizend zijn leerlingen.

De politieke context van China in de tijd van Confucius komt in de geschiedenis naar voren als een vat vol intriges, achterdocht, jaloezie, wraak en misleiding. De harmonie is zoek. Geweld en doodslag, het liquideren van politieke rivalen, het gebeurt allemaal aan de hoven van de Chinese staten. Confucius’ principe is dan niet simpelweg dat dit alles verkeerd is, zijn keuze voor heersers of bij intriges is niet altijd een pleidooi voor eerlijkheid, maar soms eerder voor stabiliteit om daarmee vrede te bereiken.

Confucius wordt dikwijls geschetst als de man die de oude rituele gewoonten en vormen wil herstellen en handhaven. Dit is echter beslist geen doel op zich. Eerder gaat het hem om de diepere zoektocht hoe goede verhoudingen te vinden, geschikt voor desbetreffende tijd. Het behelst geen eenvoudige oproep van ‘terug naar vroeger’.
      Bij vergelijkingen van taoïsten als de latere Zhuang Zi en Lao Zi (ca. 300 v. Chr.) met hun filosofie waarin kosmische principes worden geformuleerd als uitgangspunt, tegenover Confucius’ meer praktisch uitgangspunt van een natuurlijke harmonie zonder een uitgesproken overkoepelende visie, denkt men algauw aan de verschillen tussen deze filosofen. Daarmee moet je uitkijken. Er bestaan duidelijk vergelijkbare posities, wat niet uitsluit dat de consequenties van een verschillend accent groot kunnen zijn.

De filosofie van de goede levenshouding is praktisch van aard. Het is een ethiek, waarin principes, dus richtlijnen nodig zijn om de samenleving praktisch en leefbaar te houden. Dit blijkt complexer dan het lijkt. Bijvoorbeeld lijkt gemeenschapszin een eenvoudig uitgangspunt, maar Confucius ziet in dat die moeilijk bereikbaar is, omdat mensen veel antisociale eigenschappen hebben, zoals egoïsme en mooipraterij. Werkelijke gemeenschapszin bestaat pas als dergelijke moeilijkheden worden begrepen of ingecalculeerd, dus overtroffen worden.
      Het gaat dan niet om eenvoudige uitgangspunten zonder meer, wel om de kunst om die terug te vinden binnen het grillige complexe bestaan dat vol egoïsme is. Niet een klakkeloos volgen is het principe, eerder de erkenning van de riten en beproefde gebruiken. Maar daarvan bewust afwijken kan soms heel verstandig zijn, zolang dit maar geen doel wordt of slechts op een uiterlijke gril neerkomt.
      Confucius: ‘Een edele is inschikkelijk zonder een slaafse navolger te zijn. De kleine man is een slaafse navolger zonder inschikkelijk te zijn.’ Bedoeld wordt de houding die men aanneemt en dit slaat niet alleen op kleine alledaagse situaties, net zo goed op grote belangen en staatszaken.

Deze Chinese filosofie kijkt naar grotere verbanden, de relaties tussen de natuurlijke en de maatschappelijke orde, waarin de dagelijkse omgang en politiek, landbouw en handel zijn inbegrepen. Rituelen drukken die verbanden uit. Ze zijn praktisch en dus geen doel op zich, een houding en middel om daadwerkelijk een goed evenwichtig leven te bewerkstelligen.
    In Confucius’ visie moet de staat in dienst van het volk staan en is deze beslist geen privébezit van de vorst. De latere Mozi (479-381 v. Chr.) is hierin misschien stelliger, maar het welbevinden van volk, vorst en staat staan steeds in één lijn, dat is een rode draad van het Chinese denken. Het bereiken van welbevinden is een doel van de filosofie. Wederzijdsheid blijkt dan een belangrijk sociaal en ethisch principe. Zo mag de vorst belasting heffen op geproduceerde producten, maar de bevolking niet uitbuiten.

Ongeveer 500 v. Chr. speelt een discussie over het heffen van grondbelasting. Het gaat om een belasting bovenop de bestaande heffingen, die gebaseerd zijn op productieve arbeid of handel. Confucius pleit tegen de extra belasting. Want deze komt neer op uitbuiting en is daarmee een handelen dat de orde verstoort.
      Immers, een dergelijke maatregel roept agressie op en brengt zo de verhoudingen in onbalans. Confucius wijst in die zin op de riten, de gebruiken, niet om het oude, maar om de balans en wederkerigheid te bewaren. Dat heeft praktische consequenties, bijvoorbeeld: ‘Een edele betracht matigheid bij het opleggen van een belasting.’ De wederkerigheid en interactie zoals die bestaat in de kosmos en die weerspiegeld wordt in de dialectiek van Yang en Yin, moet in het alledaagse leven worden uitgedrukt. Niet slechts als vorm, vooral als concrete praktijk. Vormen en concreet handelen moeten elkaar weerspiegelen.

Onbalans roept agressie en ongeluk op. Ook in het taoïsme is dit een centraal punt. Lao Zi geeft nadrukkelijke aanwijzingen hoe er moet worden geregeerd. De kenner van de Chinese filosofie Karel van der Leeuw wees erop dat de vorst volgens Lao Zi zo min mogelijk direct moet ingrijpen in het leven van zijn onderdanen. Lao Zi verwoordt dit treffend: ‘Van de beste heerser weten de onderdanen alleen dat hij er is, …’
      Gebrek aan wederzijdsheid, dus aan de goede balans, kan worden verhuld door uiterlijk vertoon. Echt vertrouwen is dan moeilijk bereikbaar, terwijl dat de basis voor een goede samenleving is. Confucius’ leerling Zi Kong vroeg aan de meester: ‘Wat is de kunst van het regeren?’ Confucius zei: ‘De essentiële zaken zijn voldoende voedsel, voldoende troepen en het vertrouwen van het volk.’ Zi Kong zei: ‘Stel dat u gedwongen wordt één van deze drie zaken op te geven, welke zou u het eerst laten schieten?’ Confucius zei: ‘De troepen.’ Zi Kong vroeg opnieuw: ‘Als u gedwongen wordt één van de twee overgebleven zaken op te geven, welke zou dat zijn?’ Confucius zei: ‘Voedsel, want van oudsher is de dood het lot van de mens geweest, maar een volk zonder vertrouwen kan niet overleven.’

Over de vraag naar de betekenis van vertrouwen is een interessant en uitvoerig politiek debat vastgelegd uit het vroege China. In 81 v. Chr. botsen in een fel dispuut twee opvattingen, twee groepen met een uitgesproken politieke mening. Dit wordt ‘Het debat over Zout en IJzer’ genoemd. Het betreft het staatsmonopolie op Zout en IJzer. Of nog sterker, eigenlijk gaat het over het staatsmonopolie op gedrag en regels. Dit debat is daadwerkelijk gevoerd en daarna op schrift gesteld door Huan K’uan, een confucianist uit de eerste eeuw v. Chr.
      Het land kent op dat moment ernstige problemen. In het genoemde debat komen heel specifieke vragen over werk, landbouw, oorlog en vrede, en regulering versus ‘vrij laten’ aan de orde. Het betreft meer dan een theoretisch debat. In de jaren daarvoor is de Chinese Muur gebouwd en zijn nomadenvolkeren aangevallen. De staat wordt zo beschermd, maar dit gaat ten koste van de welvaart, zoals door de verminderde opbrengsten van de landbouw.
      Aan het hof zijn nu zestig geleerden, filosofen uitgenodigd, allen aanhangers van de leer van Confucius. Zij gaan in debat met de ‘Groot-Secretaris’, een belangrijk gezagsdrager onder de keizer, die op het standpunt van het legisme staat. Dat legisme ofwel de Wettenschool is ca. 350 v. Chr. ontstaan. Deze topambtenaar stelt dat de ontwikkeling van de maatschappij steeds nieuwe wetten en gewoonten vereist. Zo ontstaat een dispuut waarin het confucianisme discussieert met het legisme. De keizer zit erbij maar wordt geacht niet aan het debat deel te nemen. Dat is ook niet nodig. De wijzen enerzijds en de Groot-Secretaris anderzijds gaan fel in debat. Eerst zakelijk met veel argumenten, later ook met verbaal smijtwerk en modder, maar ook dan komen soms nog nieuwe ter zake doende argumenten naar voren.

In dit eigenlijk nog altijd actuele debat gaat het over de diepere noodzaak van vertrouwen – het standpunt van de filosofen – versus het pleidooi voor uiterlijke macht, heldere regels en een nodige staatsregulering. Het gaat ook om welzijn versus een sterke defensie. Door de oorlogen wordt wel het land vergroot en de veiligheid gewaarborgd, maar is er meer armoede ontstaan. De wijzen pleiten voor een soort geweldloze weerbaarheid en gaan daarmee uit van de kracht van het goede van de mens, de deugd. De Groot-Secretaris vindt hen maar naïef, want een sterke staat moet goed georganiseerd en met een sterk leger weerbaar zijn. Dat kost wat, maar daar krijgt het land en zijn bevolking veel voor terug. Ofwel, de kunst van het regeren is in het geding: wat is het juiste beleid?

De wijzen stellen de vraag naar de goede samenleving aan de orde. Daarin moet volgens hen de deugd centraal staan. Wanneer die bestaat, ontstaat er welvaart en innerlijke kracht. Ook materieel hebben zij belangrijke argumenten, zoals het feit dat de landbouw noodzakelijk is en de boeren dus op hun land in vrede moeten kunnen werken en niet als soldaat worden opgetrommeld.
      De regeerder onder de keizer wil daarentegen eerst de voornaamste risico’s ondervangen, dan pas wordt de deugd mogelijk. Er zijn buitenlandse bedreigingen en lokaal egoïsme van mensen, ook van bestuurders op verschillende posities.
      De wijzen brengen hier tegenin: dan moet je het dáár over hebben. De wetten hebben geen enkele zin als ze toch worden genegeerd door het eigenbelang van zich verrijkende, corrupte ministers.

Na de nodige slijtage aan argumenten en in het veld gevoerde krachttermen, blijven van beide kanten een aantal sterke argumenten overeind. Beide partijen vinden de andere naïef. De wijzen vinden dat een staat met strenge regels en stevig gezag de innerlijke moraal en de deugd negeert, en bovendien de welvaart door landbouw en vreedzame handel ondermijnt. Door de vele machtsuitingen boet de deugd aan gezag in. Mensen volgen regels, maar dan niet meer vanuit eigen motivatie. Bovendien verrijken veel gezagsdragers zichzelf, worden er alleen zelf beter van. De regels helpen dus niet en werken juist corruptie in de hand, het omgekeerde van wat wordt beoogd.
      De Groot-Secretaris vindt van zijn kant de filosofen even naïef. Met hun verhaal over de deugd gaan zij uit van het goede in de mens. Terwijl zij met hun wijsheid kunnen weten dat juist eigenbelang en egoïsme bepalend zijn. Als de staat geen duidelijke regels stelt, zal er echt niet zomaar een harmonieuze samenleving bestaan.

Grote Muur versus Goede Houding, de deugd. En let op: in beide waren de Chinezen juist ook vaardig en goed, wanneer er een balans was. Het eigenbelang wordt verdedigd en juist binnen de ontwikkelde Chinese cultuur ontstaan diepgaande visies over deugd, harmonie, de kosmos en een passende houding en motivatie. De groep confucianisten wil juist de uiterlijke schijn, de praatjesmakerij bestrijden.
      Ofwel: macht versus functionaliteit. Wat is het doel van de staat? Harmonie en geluk. De politieke weg erheen is echter niet eenvoudig. Het legisme van de Groot-Secretaris pleit voor regels en waar nodig kastijding. Waar nodig? Daar zijn de filosofen het wel mee eens, maar zij zeggen: ‘De wetten mogen slechts dienen om slechte neigingen te corrigeren bij hen, die op de verkeerde weg zijn geraakt. Ze vormen geen regeerprincipe.’
      Dit uitgangspunt, vindt de Groot-Secretaris naïef, onjuist. Een ‘corrupt volk kun je niet regeren met stelregels die afgestemd zijn op een ideale samenleving.’
      Lossen regels en regulering echter alles op? De filosofen: ‘Een volk, dat verdwaald is in een doolhof van reglementen, kan niet vermijden ze te overtreden: de goede soeverein zal dan ook, in de behoefte zijn volk niet van de wijs te brengen, de wet lichtend maken als zon en maan en breed en overzichtelijk als de hoofdweg.’

Zo blijkt er in 81 v. Chr. al een debat over realisme en utopisme te bestaan. Ondanks het scherpe verschil in inzicht zijn er overeenkomsten. Zowel de confucianisten als de Groot-Secretaris gaan uit van de noodzaak van een eenheid van moraal en deugd, en een goede regering. Zo gezien lijkt vooral een kip-ei-kwestie te spelen. De filosofen: eerst de moraal, voorkomen is beter dan genezen. De heerser in de persoon van de Groot-Secretaris: eerst goed en effectief regeren, dan maak je betere moraal mogelijk.
      Dus kip of ei? Misschien is het iets te snel nu een dialectische oplossing van deze vraag te opperen of een concreet begin te poneren die een positieve spiraal met de wisselwerking van beide invalshoeken aanzwengelt. Maar als we dat helemaal achterwege laten doen we Confucius onrecht. Want juist hij keek bij dat soort dilemma’s verder en breder: beide uitgangspunten verstandig hanteren en de wisselwerkingen ertussen blijven zien. Van geen van beide uitgangspunten mag men een overtrokken irreële werkwijze propageren.

In Yantie lun, het boek dat de genoemde dispuut beschrijft, lijken weliswaar de confucianisten met hun wijze argumenten aan het langste eind te trekken, toch laten ook zij grotendeels de vraag liggen hoe de deugd en het vertrouwen concreet kunnen worden ingezet om de moraliteit en de weerbaarheid te versterken. Dat blijft meer een beargumenteerde aanzet, maar in de hier beschreven formuleringen niet sterk genoeg om de Groot-Secretaris te overtuigen.
    Er spelen uiteenlopende principiële punten mee: de afspiegeling van de kosmos in de macht van de staat, de goede vorst, het dienen van het volk en het aandeel in belastingen dat een goede staat nodig heeft om zijn functies goed uit te kunnen voeren.
      Daarnaast wordt het spanningsveld getoond van de noodzaak van regulering om egoïsme te beteugelen versus de redelijke balans, de vrijheid, het vertrouwen, de innerlijke en wederzijdse krachten die de samenleving als geheel harmonieus zouden moeten maken.




Gebruikte bronnen worden (nog) vermeld in de derde blog in deze korte serie over Chinese staatsfilosofie, ‘Taoïsme en Nietskunner
















zondag 7 mei 2017

Kleinkunst uit zee






Oester, Mossel, kunst. Dicht bij huis ligt de kunst voor het oprapen. Op het strand. Zoals overal kan de natuur prachtige vormen aannemen. Zo ook de schelpen. Nou ja, kunst. Onder kunst verstaat men meestal een menselijk product. Esthetisch gezien wordt het er niet zo anders van.
      Schelpen, veel mensen vinden ze mooi en kopen zelfs schelpen. Nog meer mensen zien er niets in, of beter, ze zien ze nauwelijks en zeker al die vormvariaties niet.
    De Oester, Ostrea edulis. De Mossel, Mytilus edulis. Sommige mensen kijken naar exotische, tropische schelpen. Wel eens goed naar de Nederlandse gekeken? Ons nationaal erfgoed bevat fraaie schelpen, mooie soorten en heel mooie exemplaren daarvan.

Hier dus een Mossel en een Oester. Beide heel gangbaar en makkelijk te vinden aan de kust. Zeker op de wadden. Mooie kleuren, mooie vormen. Zie het slot van de Oester, op zich al fraai.
      Dat slot is de verbinding met de tweede klep. Op de Oester zie je ook een soort komma-teken. Dat is het spierindruksel, waarmee het dier vastzit aan de schelp. Er zijn ook schelpen die lijken op een Oester, zoals het Paardenzadel (Anomia ephippium), maar die heeft drie ronde spierindruksels. De Oester is dus onder meer te herkennen aan het komma-teken, kenmerk van de soort, dat in dit geval ook nog eens de schelp verfraait.

De Mossel kent een wereldwijde verspreiding. Wel zijn er meerdere soorten, waarvan er minstens één nieuwe lijkt op te rukken naar de Noordzee. Dat is wellicht mede te danken – of te wijten – aan de opwarming van het klimaat.
    De Oester leeft van Noorwegen tot in de Zwarte Zee. Nederlandse Oesterkwekers hebben zo’n vijftig jaar geleden de Japanse Oester (Crassostrea gigas) uitgezet. Deze is na 1995 enorm toegenomen. Deze migrant verdringt de ‘gewone’ Oester. Een soort vluchtelingenprobleem dus. Maar let op, ook de Japanse Oester vind je op het strand als ware kunstwerken met spectaculaire vormen. Dat is dan weer mooi.

Wat we hier zien zijn fraaie schelpen. Deze Oester is plat, de tweede helft zal boller geweest zijn. De Mossel is blauwer dan je vaak ziet, maar die streepstructuur hoort echt bij de Mossel.
    Kleinkunst uit zee, prachtig en het kost niets. Ze zijn echter net zo goed onbetaalbaar, als rijkdom van de zee en als lekkernij voor de liefhebber.







 










Over de schelpdieren die momenteel leven in de Noordzee bestaat een prachtig compleet overzicht, het boek: R. de Bruyne, S. van Leeuwen, A. Gmelig Meyling en R. Daan (red.), Schelpdieren van het Nederlandse Noordzeegebied, Ecologische atlas van de mariene weekdieren (Mollusca), Tirion Natuur Utrecht & Stichting Anemoon Lisse, 2013, ISBN 9789052108216










donderdag 4 mei 2017

Een verkeerd advies (waarop nog stemmen in Frankrijk?)


De Franse verkiezingen tonen in het groot het dilemma dat zo vaak op kleinere schaal bestaat. Je moet kiezen uit twee partijen, mensen of visies die beide beslist je eigen keuze niet zijn. In dit geval: voor cryptisch fascisme of het kapitaal?
    Voor de rust gevonden wordt om er zelf uit te komen overspoelen de adviezen de massa. Doe dit of dat! De neiging af te haken zal er niet minder om worden.

Dan heb je ook nog de linkse intellectuelen. Volgens de Volkskrant (19 april) zou Alain Badiou hebben opgeroepen thuis te blijven: ‘Gaan stemmen versterkt slechts het systeem.’ Hij zal méér gezegd hebben, of dit helemaal betrouwbaar is weet ik niet, maar het past bij een visie die steeds doorklinkt bij ideologen als Antonio Negri, Slavoj Žižek en Badiou.
      Hun theorie lijkt uitgemond te zijn in een visie die alleen nog maar ‘het totaal andere’ accepteert. Geen socialisme, geen hervormingen, maar een volledig schoon en afgestoft communisme, dat niet zozeer uit hardnekkige strijd maar uit een lichtend revolutionair moment ontstaat. Een soort totale breuk, een authentiek event, een globalisme waarin alle schellen van de ogen vallen.
      Zo’n flits van bevrijding. Mooi, maar heel ver weg. De afstandelijkheid heeft hier de plaats ingenomen van de vaak zo veeleisende en soms vervelende strijd in het dagelijks leven, waarin om elke kleine verbetering moet worden geknokt.
      Met oproepen tot niets komt niemand een stap verder, laat staan het socialisme. Zolang intellectuelen zich met de politiek bemoeien dienen ze ook een richting te beargumenteren en dat lijkt in de Franse filosofie vaak vergeten, juist doordat zij het woord ‘revolutie’ zo heeft verabsoluteerd.

Maar zo’n breuk, is dat nu niet heel marxistisch? Niet als je die al helemaal ziet, terwijl die nog niet bestaat. De Franse ideologen zien de breuk of splitsing al ontstaan, vanaf een soort idealistische helikopterview van het kapitalistisch globalisme.
      Marx wil ook een breuk of sprong, maar hij ziet dit anders. De omwenteling moet zich historisch ontwikkelen en bevochten worden. Je kunt niet zomaar stellen dat die er al vrijwel is. Doe je dat wel dan overschat je het ideologische aspect en dat is precies waar het boek De Duitse ideologie van Karl Marx en Friedrich Engels zo kritisch over is.

Natuurlijk bevat de huidige technologie en de strijd van de sociale, ecologische, culturele verzetsbewegingen tal van mogelijkheden en aanzetten tot grote verandering, maar dat het kapitalistisch systeem daarmee al wankelt en iets beters al in beeld is, kan daarmee niet worden geconcludeerd. En als je dát overweegt is een uitspraak die stelt dat stemmen ‘het systeem’ versterkt abstract en irreëel.
      Daartegenover staat de dagelijkse strijd, die ongetwijfeld weer versterkt moet worden, en waarin het grotere socialistische perspectief maar al te vaak wordt vergeten. Maar dat laatste is totaal onnodig.

Hoeveel nadelen er ook aan mogen zitten: als ik nu Frans burger was, zou ik openlijk kiezen voor wat nu het meeste telt. Wat het zwaarste is moet het zwaarste wegen. Dat is de situatie van nu, die de enige basis kan zijn voor een betere toekomst. Vanuit het niets ontstaat immers niets.
    Wat is dan wel reëel en het zwaarst wegend? Duidelijk primair is momenteel de strijd tegen alles wat riekt naar fascisme, racisme en uitsluiting. Ik zou daarom zonder aarzelen op Emmanuel Macron stemmen.

Stemmen op ‘iets anders’ – zoals nu op een (neo)liberaal – kan voelen als een slap compromis of als een verraad aan principes. Maar dan begint het pas echt! Leg je je neer bij dat compromis omdat je erop gestemd hebt, of zoek je naar méér, naar verandering, naar omslag, naar aangrijpingspunten om vanuit het bestaande tot iets beters te komen? Als je je op niets baseert verdwijnen deze aangrijpingspunten. En juist dat is de positie van de nihilistische politiek die tussen het bestaande en het ‘totaal andere’ niets weet te denken. De afstandelijkheid is dan te groot geworden, een vlucht in abstractie.
      Daartegenover hoef je geen enkel compromis als de laatste mening en daad te beschouwen en kan niemand je het recht ontnemen veel verder vooruit te willen.

‘Niet weglopen’ vraagt om organisatie. Op je eentje kun je wel wat, maar samen kun je meer. Politieke organisatie kan veel vormen aannemen, maar samenwerken op hoofdzaken biedt meer. Daarop moet een sociale politiek tegen uitbuiting en uitsluiting, en voor ecologie en het klimaat zich baseren.
      De vorm van de actie, dus de wegen die jij en anderen kiezen kunnen verschillen. Dat is alleen maar goed mits de samenhang, de solidariteit ook wordt gezocht. Dat is ook organisatie, en zeker één die je de vrijheid geeft meer van je eigen idealen te bereiken.




















dinsdag 2 mei 2017

1 mei 2017 Amsterdam


Gisteravond weer thuis na de 1 mei-demonstratie van de FNV te Amsterdam. Strijdbare actie, veel deelnemers, minstens 7000, diverse organisaties, kortom, 1 mei is in beeld. Op 1 mei presenteren de vakbeweging, linkse groepen, partijen, bewegingen en progressieve mensen zich. ‘Terug van weggeweest’ kun je niet zeggen, dat zou overdreven zijn, maar dat er werk aan de winkel is, is duidelijk. Ook dat mensen daadwerkelijk in actie willen komen voor werk en respect, dus voor menswaardigheid.
    Werk aan de winkel? Pas waren de agressieve pogingen van kapitalisten om Nederlandse bedrijven als AkzoNobel en Unilever te bemachtigen in het nieuws. Een deskundige beursanalist merkte toen op dat in de strijd tussen kapitaal en arbeid, het kapitaal momenteel aan de winnende hand is.
    Ja, ‘momenteel’, het is moeilijk te ontkennen. Maar is dat ‘einde verhaal’? Klassenstrijd, de politieke strijd tussen vele maatschappelijke vormen van goed en kwaad, is zeker aan de orde. Het is prima helder te onderkennen dat vakbeweging en links in het defensief zijn, als dat zo is. Feiten zijn feiten. Maar evenzeer moeten feiten worden onderkend die aantonen dat de strijd nog lang niet gestreden is.
    De vakbeweging hervindt zich. Dat was duidelijk op 1 mei, gisteren in Amsterdam. Een voorbode voor meer, zonder te hoeven ontkennen dat daadwerkelijke vereniging, solidariteit moeilijk is in een tijd van economische, technologische en digitale versplintering en tegen elkaar uitgespeelde belangen.
    1 mei Amsterdam laat zien dat moeilijkheden niet uit de weg gegaan worden. Actie en strijd, zodat het kapitaal niet eeuwig aan de winnende hand zal blijven. Oude vormen en gedachten? Er zijn veel nieuwe gedachten, waarin alle goede van de oude kunnen worden bewaard. Die ‘oude’ gedachten draaien immers om menswaardigheid.

Dan zal 1 mei Amsterdam wel in het nieuws zijn, zul je denken. 1 mei, net thuisgekomen, Nieuwsuur voor tv, dé Nederlandse opiniemaker van het nieuws.
      Ongekleurd? Nieuwsuur meldt dat overal ter wereld de 1e mei is gevierd. De selectie toont beelden van Parijs, Moskou, Caracas. Deze laat echter maar een fractie zien van de 1e mei in Parijs, Moskou en Caracas.
      En Amsterdam …? 1 mei Amsterdam wordt niet eens genoemd. Kennelijk is voor Nieuwsuur het kapitaal niet alleen aan de winnende hand, maar is de strijd in Nederland al gestreden. Een selectieve waarheid. Daarom hieronder toch maar een paar impressies van de strijdbare feestelijke dag, op 1 mei in Amsterdam.











1 mei 2017 Amsterdam









vrijdag 28 april 2017

Zeekoet gesneuveld voor het feest de koning?


Hier hoeft niet veel tekst bij. Deze Zeekoet heeft vriendelijk zijn vleugel over de lijn van de plastic ballon geslagen. Dat is op zee gebeurd. Daar komen veel van die feestelijke ballonnen terecht. Het betekent de dood van de vogel, die kan niets meer.
    Is het geen hoog tijd iets anders te bedenken en de ballonnen te verwijzen naar de geschiedenisboeken? Iets van: ‘Vroeger hadden we nog plastic ballonnen. Daar stierven veel vogels door. Daarom vieren we nu feest zonder de zee te vervuilen en vogels te doden. Wel zo feestelijk.’
    Zoiets. Best nuttig over toekomstige geschiedenisboeken na te denken. Namens alle Zeekoeten, Jan van Genten en nog veel meer vogels. Wat kan daar veel in …!






 
Schiermonnikoog, de Balg, april









dinsdag 18 april 2017

Waarom zou je Unilever niet mogen nationaliseren? (een beetje socialisme)


Vijandige overnames en kapitaal. Onder het motto dat de crisis voorbij is en bovendien op grond van het feit dat de spaarrente ongeveer 0% is, woekert het kapitaal weer volop. De beleggers willen resultaat zien. Rendement, grotere opbrengsten, geld.
    Op het speelveld van de bedrijfsovernames is het dringen geblazen. De kapitalist ziet het simpel. Wie geld en aandelen heeft, heeft het voor het zeggen. Het zou daarom ethisch, juridisch en in ieder geval redelijk zijn dat gewoon de weg van de winst wordt gevolgd. Een goed overname-aanbod afslaan betekent in die visie dan een even redelijke gang naar de rechter. Zie John de Mol die de Telegraafgroep wilde overnemen en zich onheus bejegend voelde, want hij deed toch het hoogste bod?
      Dat is een eenvoudige ethiek, de moraal van het kapitaal. Wat is er mis mee? Als iedereen dit zo ongeveer vindt is dat toch de redelijkheid van het moment? Vergeet de achtergrond, vergeet de verdere samenhang.

Overal overnames en pogingen ertoe. Zie AkzoNobel, zie Unilever. Deze bedrijven voor Nederland bewaren, dat is toch protectionisme? Dat mag niet, vinden velen. En toch vinden ook heel wat mensen dat de tijd van het neoliberalisme voorbij is, laat dat gegeven dan niet een zeker protectionisme toe?
      Maar daar wringt de schoen. Er wordt als het uitkomt wel beweerd dat de tijd van het neoliberalisme voorbij is, maar dat is nog lang geen inhoudelijk, positief, actief politiek en economisch verhaal. Zeker geen verhaal dat breed wordt gedeeld. En is het woord ‘protectionisme’ soms geen stoplap, waarachter zowel minder goede als goede maatregelen schuil kunnen gaan?

De overnames en pogingen ertoe geven te denken. Neem Unilever. De overname-overval afgeslagen, maar dan gauw de margarine in de etalage als het juiste smeermiddel om de begerige aandeelhouders, de eigen kapitalisten, tevreden te stellen.
    Neem inderdaad Unilever als voorbeeld. Is dit slechts een bedrijf met X-aantal arbeidsplaatsen als Nederlands en Brits belang? En niet een groter economisch, sociaal en ecologisch internationaal belang?
    En inderdaad, Unilever is veel meer. Het is en omvat een sociale en economische geschiedenis, een erfgoed. Het is een resultaat van werk van mensen die deels al lang zijn gestorven. Het is nu een sociale werkelijkheid voor de velen die er nu werken of buitenom voor Unilever meewerken. Het is een technologisch geavanceerde ontwikkeling. Het is een verhouding tot de natuur, tot het klimaat, de visvangst, de ontbossingen en herbebossing. Het is een veel groter sociaal en internationaal geheel dan het aandeel van de kapitalist die er op teert. Het is als historisch resultaat een grote verantwoordelijkheid met betrekking tot werk, de verdeling van arm en rijk, en het klimaat. Groter dan iets dat zomaar te koop kan staan.

Een bedrijf als Unilever deels in de uitverkoop doen betekent het opgeven van (mede)zeggenschap, van werk, van invloed op sociale en ecologische verhoudingen. Je zou het kunnen omkeren en zeggen dat een bedrijf dat een grote potentie heeft de wereld in de huidige kritische fase positief vorm te geven een collectief bezit is en dat duidelijk zou moeten uitstralen. Die positieve vormgeving bestaat nu nog niet helemaal natuurlijk, maar de mogelijkheden zijn groot. Zulke mogelijkheden onbenut laten is niet rationeel, sociaal en ethisch.
    Is het niet veel vruchtbaarder en van grote betekenis zo’n bedrijf gecontroleerd en innovatief verder vorm te geven, de medewerkers ervan mee te laten denken, beslissen en meeprofiteren, en hoge maatschappelijke en ecologische doelen te stellen? Dus het bedrijf voort te laten bestaan en zo nodig pas in productieve delen te verdelen, als daar een echt goede reden voor is. Dan nog kan de winst naar het bedrijf, de werknemers, de staat, en als men dat wil naar aandeelhouders. Wie de winst neemt is van belang, maar beslist niet het enige grote belang. En ook een overheidsbedrijf kan werken met privé-aandelen, als er reden bestaat hiervoor te kiezen, bijvoorbeeld als spaarmogelijkheid voor burgers of om de politieke reden dat men doelbewust opteert voor een gemengde economie.

Kortom, er is een productieve ontwikkeling van en controle op een bedrijf mogelijk die je veel breder kunt situeren dan ‘de fabriek’ of als aandelenpakket. Die ook meer behelst dan de directe maatstaf van werkgelegenheid.
      Dat is niet erg, maar realistisch. Daarom mag je het concern nationaliseren of dat goed beredeneerd nalaten. Net als het woord ‘protectionisme’ kan ‘collectivisering’ bovendien meerdere betekenissen hebben. Ook die van beheer, van zorg, van goed werk, van aandacht voor de natuur, het laatste bijvoorbeeld omdat het ook om palmolie en dus om natuurbeheer en het klimaat gaat.

Dit riekt naar socialisme, en in ieder geval naar sociaal. Want wat maatschappelijk het beste is, wordt toegelaten en gaat boven de privé-eigendom. Daar is niets mis mee. Socialisme wordt al te vaak te grofvormig voorgesteld. Dat is ideologie en heeft natuurlijk vaak met de reële voorgeschiedenis of de karikatuur daarvan te maken.
      Dit is geen einde verhaal, dat zou kortzichtig zijn. De economie kan veel creatiever worden bekeken. Ook sociaal, politiek en vanuit slimmere gezagsverhoudingen dan die van de overhaaste beslissing van de sneller belegger, die slechts wil plukken en profiteren.






















woensdag 12 april 2017

De mens, twee zielen in één borst


De biologie is altijd leerzaam voor de sociologie en de ethiek. Denk aan het prachtige boek van Geerat Vermeij, Schelpen en beschaving. Maar ook bij Midas Dekkers kun je terecht. Dat blijkt uit het eerste nummer van het ‘FNVMagazine’  van dit jaar. Met Midas Dekkers over de evolutie, beelden over de mens, en de conclusie dat economische groei helemaal niet goed is, want die leidt maar tot ruzie.
    Ja, dat kan iedereen weliswaar zien, maar kennelijk is een bioloog nodig om wat ieder wel zou kunnen zien ook daadwerkelijk aanschouwelijk te maken. Daarom zijn boeken over evolutie zo nuttig voor politieke bewustwording over wat ‘we’ nu eigenlijk aan het doen zijn. Over de aarde, de biodiversiteit en de politieke vragen rondom oorlog en vrede, dus rondom de wijze waarop mensen denken met elkaar samen te kunnen leven.

Dekkers die spreekt over de mens als sociaal dier, het lijkt alsof je Aristoteles weer hoort: ‘Twee zielen wonen in zijn borst.’ Bij die vermeend sociale mens dus. Mensen moeten samenwerken om te kunnen overleven, heel sociaal, maar vechten elkaar ook de tent uit. Net als dieren waarvan er één een prooi te pakken heeft, die hem echter wordt misgund.
    Elkaar de tent uitvechten, alleen jezelf voorop stellen, dat gaat de wereld wel goed af momenteel. In het groot, in de wereldpolitiek, in het klein bij het eigenbelang dat in verkiezingstijd – met sausjes van mooie woorden – uitgebuit wordt om zelf aan de macht te komen. En ja, dit past dus bij die ene ziel in de borst van de mens. Biologen als Dekkers wijzen op het realisme van dat inzicht.

Kennelijk is het de kunst die andere, de ‘goede’ ziel te voeden, te versterken. Sociale eigenschappen zijn een haperende motor, maar ieder weet dat haperende motoren gerepareerd moeten worden.
      Daarvoor is inzicht nodig. Al is de mens dubbelzinnig sociaal, het op elkaar aangewezen zijn met al die mensen op één kleine wereldbol, dat aspect in onophefbaar. Maar opheffen of liever terugdringen van egoïsme en beperkt eigenbelang vergt veel inzet. De ene ziel moet zich sterk en aantrekkelijk uiten, zo nodig dus met de hulp van de inzichten van de biologie.

Inzichten uit de biologie? Nogal aantrekkelijk (maar niet heus) als je net leest over de gigantische verwoesting van het grootste koraalrif ter wereld, het Groot Barrièrerif. Dat betekent heel wat meer dan een verlies van een leuke kleurige onderwaterbezienswaardigheid. Hoeveel leven van hoeveel soorten is hiermee niet in het geding?
      Toch tonen de grotere gevolgen voor de biodiversiteit en het leven dat hier een inzicht kan ontstaan waarvan kan worden geleerd. Veel over het ecologische geheel dat in laatste instantie alle leven op onze planeet bepaalt. Oorzaak is hier de opwarming, al kunnen meer factoren meespelen.
      Je moet durven erbij stil te blijven staan, dat vraagt de sociale inborst. Niet meegaan met de mode die zegt dat teveel tv kijken je alleen maar chagrijnig maakt. Chagrijn hoeft niet, bewustwording wel.

Ontkenners zullen weer van zich laten horen en eerst er van alles bij willen slepen voor ze halfslachtig willen erkennen dat er wat aan de hand is. Juist dan blijft de biologie leerzaam. Erkenning zoeken voor de natuur als een bestaansvoorwaarde voor alle mogelijkheden van leven, in alle rijke schakeringen en samenhang.
      Daarom moet er voorzorg voor deze diversiteit bestaan. Het zekere voor het onzekere. Voorzorg, de bewijslast leggen bij de ontkenners en wegkijkers. Hele wetenschap stellen tegenover de halve.

Midas Dekkers zei ooit in een tv-programma dat je de natuur kunt bestuderen door een hoepeltje in je tuin de gooien om zo te zien hoe rijk het leven daarbinnen kan zijn. In mijn eigen tuin kan ik naar de slakken kijken en mopperen over die lange zwarte sigaren die mijn plantjes opeten. Maar welbeschouwd zitten in deze tuin minstens acht soorten kleine en grotere slakjes. In het geheel bestaat er een groter evenwicht dan wat je op het eerste gezicht ziet. Juist zo’n klein hoepeltje kan dan helpen de blik te verbreden en dat kan op veel meer manieren.

Het kleine bestaat in en door het grotere geheel. Aardig is dat Dekkers in het stukje in ‘FNVMagazine’  ook radicaal overstapt van een groter naar kleiner niveau en dan weer terug.
      Zo meent hij dat te groot wonen een vorm van diefstal is. Je kunt alle woon- en leefruimte en de natuur toch veel eerlijker, beter verdelen? Zo kan de goede ziel strijden tegen de met angst en ijdelheid vervulde andere ziel, die zo gauw meent alweer tekort te komen. Bij een rationele verdeling en inzicht in de rijkdom is er slechts winst voor het geheel, dus voor ieder die daar deel van uitmaakt. Wat kom je dan tekort?
      Ondanks het realisme over het bestaan van die ene vaak duistere ziel lijkt Dekkers haast (?) een socialist. Andere verdelingen en doelen van economisch profijt, van grondstoffen, van bezit (enzovoorts), dat is toch gewoon beter?

Hallo mens, hier is je mensbeeld als sociaal en vechtend wezen. Er zal nog veel moeten gebeuren, vanuit de dialectiek van deze verdubbelde zielen. Want in het totale biologisch systeem kan het kwade overwinnen, en dat is zelfs voor een deel al gebeurd. Zie het Groot Barrièrerif.
      Het goede blijft een mogelijkheid, maar zal nooit een kant-en-klaar eindresultaat worden. Maar je bent er zelf bij. Werk aan de winkel!





Artikel: Interview van Peter Beekman met Midas Dekkers, Óns vaderland is een belachelijke gedachte’, in FNVMagazine, Magazine voorleden, nr. 1, 2017.

Genoemd boek: Geerat Vermeij, Schelpen en beschaving, De evolutionaire zienswijze van Geerat Vermeij, Nieuw Amsterdam Uitgevers 2011.









Deze gekielde loofslak – Hygromia cinctella, een exoot – eet in mijn tuin niet alleen van het loof, maar ruimt ook de restantjes op. Hoe komt hij hier? Misschien hebben buren planten uit Zuid-Frankrijk meegenomen voor hun tuin, met daarin wat ongeziene slakken? Binnen de samenhang der dingen speelt menselijk ingrijpen zo een rol. En dat dit slakje in het koudere Nederland in leven blijft zegt weer iets over de opwarming.













vrijdag 7 april 2017

Kijk, de Kleine Zwartkop in beeld










Kijk, de Kleine Zwartkop in beeld

Toegegeven, het was niet hier, maar kort geleden in Spanje, bij Álora.
    De Kleine Zwartkop (Sylvia melanocephala) is in het zuiden van Portugal en Spanje vrij algemeen. Maar dat beweeglijk kleine ding goed op de foto zetten is zomers nog wel een hele kunst.

En nu, netjes in beeld gevangen. Geen oog voor mij, hij moest dat rupsje kwijt. In een boompje zonder blad dacht deze Kleine Zwartkop kennelijk dat hij hier aan het juiste adres was. Verder echter niemand thuis.
    Te vroeg gezocht naar een nest of het nest even kwijt? Dit mannetje bracht eten mee, dat was wel duidelijk. Verder weet ik het niet, maar hoorde wel de lichte bijna vragend stotterend-tikkende roep, of hoe je dat maar zegt. Mooi lekker rupsje en dan die roep om aandacht, er is wel wat aan de hand.
    Na de wandeling iets later weer langs dat boompje. De vogel gevlogen, de aanhouder wint. Hij heeft vast en zeker de verse rups op de plaats van bestemming gebracht.