zondag 25 mei 2014

Platbuik & co


Dicht bij huis zijn veel mooie dingen te zien. Ook deze week. Zoals een aardig clubje bontbekplevieren in de Westerbroekstermadepolder en de libelle in de eigen tuin, midden in de stad. Dat is een platbuik (Libellula depressa). Naar het schijnt heel algemeen, al komt zij misschien niet elke dag bij ons langs.
Het is inderdaad een ‘zij’, een vrouwtje. Ook nog de breedste libelle, door haar achterlijf. De bontbekplevieren zag ik even voor een kleine plevier aan, maar gezien de oranje snavels en poten maak ik er – totdat het tegendeel bewezen is – er maar een bontbek van. De foto is van flinke afstand genomen, maar toch een aardige meifoto.

















zaterdag 10 mei 2014

De arbeidersfilosoof Joseph Dietzgen, een opmerkelijke materialist


Joseph Dietzgen (1828-1888) wordt wel arbeidersfilosoof genoemd. Hij was handwerker, in hoge mate autodidact en schreef een eigen filosofie. Eigen, maar niet helemaal origineel. Zijn denken berust op de filosofie van Ludwig Feuerbach en in nog veel sterkere mate op dat van Karl Marx. Dietzgen laat zich er niet op voorstaan origineel te zijn. Hij benadrukt meer dan eens dat Marx de grote denker is, die eigenlijk zijn filosofie nog eens helder toegankelijk samen zou moeten vatten voor de arbeiders. Marx beloofde dit ook min of meer aan Dietzgen, maar kwam er vooral door zijn werk aan Das Kapital nooit aan toe.
    Dietzgen kon het mooi zeggen. Marx’ filosofie is niet zo makkelijk, en daarom vond hij dat deze het beste maar in homeopathische hoeveelheden aan het brein van de arbeiders kon worden toegediend. Zelf maakt hij veel werk van toegankelijkheid, en presenteert soms zijn gedachten in ‘preken’, want de religieus opgevoede mens is gewend aan die vorm. De inhoud was echter niet religieus, maar materialistisch. Wel op een genuanceerde manier. Dietzgen is eigenlijk de eerste die het denken van Marx, Engels en zichzelf letterlijk als dialectisch materialisme benoemt.
    Hieronder staat een recent door mij voor www.marxists.org vertaalde tekst van Dietzgen uit 1888, zijn stervensjaar. Voor meer over Dietzgen, waar ik op promoveerde, zie dezelfde site of zie www.jasperschaaf.nl.
      In onderstaand artikel van Dietzgen legt hij zijn materialisme uit, en vooral dat men dat niet moet misverstaan.



Oorspronkelijke titel: Joseph Dietzgen, Materialismus, 1888.
Gebruikte bron: Joseph Dietzgen, Schriften in drei Bänden, deel 3, Akademie Verlag, Berlin (DDR) 1965, pp. 335-339



Materialisme

Wij bekennen tot de materialistische wereldbeschouwing te behoren. Wie echter verder niets van ons weet dan dit, die miskent ons. Je hebt materialisten in soorten en onder hen ook van die typen die zich de meest materiële namen toe-eigenen en toch juist het tegendeel zijn, namelijk de ‘meest zuivere’ idealisten. Wij socialisten behoren tot die soort, wij zijn tegenstrijdige mensen, wij willen en zullen ook nog de wereld op haar kop zetten, maar wij zullen dit ook verantwoorden.
    Onder de filosofen die over het sprookje piekerden hoe de wereld ontstaan is, waren er die deze uit atomen, uit materiële atomen samenstelden, en andere die aan geesten geloofden, die de wereld zouden hebben geschapen. Met de indeling van filosofen in materialisten en idealisten verhoudt het zich echter ongeveer als met de indeling van het weer in goed en slecht of in regen en zonneschijn: de geschiedenis loopt door elkaar. Vaak is het slechte goed en vaak het goede slecht. Vaak is regenwater het heerlijkste op aarde, en het komt zelfs voor dat tijdens de regen de zon schijnt.
    Net als in de natuur, waar bij het schijnen van de zon het regent, bestaat in ons materialisme de idee er midden in.
    Idee en materie zijn twee dingen die het verdienen te worden gekend. In het bijzonder wanneer men zich bij een van de legerkampen, die van de idealisten of van de materialisten wil aansluiten, moet men deze dingen beter kennen. Het is nog lang geen uitgemaakte zaak of beide zo ver uiteen liggen als Holland en Polen, of zelfs, of het past om net als met Europa en Amerika beide als aparte gezichten van één aardkloot voor te stellen.
    Wij zijn mensen voor wie alles samenhangt. Het mijn en het dijn willen wij niet zo van elkaar scheiden als de bourgeois het graag zien. Jouw eigendom en het mijne, ten minste voor zover deze eigendommen als productie-instrumenten dienen, willen wij net als jouw en mijn arbeidskracht laten samenhangen en gemeenschappelijk laten werken. En wanneer wij filosofie bedrijven zal de idee in verbinding met de materie eerst theoretisch en vervolgens praktisch ons weer in het zadel helpen.
    Wie helder uit zijn ogen kijkt kan direct zien dat wij gelijk hebben: De dingen hangen samen. Ja, wanneer wij hen in ons hoofd op een juiste manier uit elkaar houden, zodat alles apart heel helder en aantoonbaar is, wordt pas echt duidelijk, hoezeer zij in waarheid nauw met elkaar verbonden zijn. De materie is een idee, en de ware ideeën zijn volstrekt materialistische gedachten.
    Ik zeg, de materie is een idee, zij is overal en nergens. Leem is materie, ijzer, water, vlees, lucht en geur. Bij dat laatste wordt de zaak al wat twijfelachtig. Rozengeur, zonnestralen, verschillende kleuren en klokgelui behoren tot de twijfelachtige soorten materie. Men kan ze nog materieel noemen, maar zijn strikt genomen geen ‘materiaal’. Streng bezien is materieel slechts het grijp-, tast- en weegbare. Maar helemaal streng genomen is de materie een idee, die met het massieve begint en geleidelijk vervluchtigt – tot wij bij het meest vluchtige uitkomen: gedachten die huizen in menselijke hoofden.
    Uit deze gedachten moet de arbeider zich geen spook laten voorspiegelen. Omdat het zien van spoken tot voor kort zo’n gebruik was, willen wij de kameraden daar in het bijzonder voor waarschuwen. De pastoor, de schoolmeester en de hele hoge raad tot bovenaan de academische doctoren en professoren zijn gezamenlijk sterk in de idealistische leer van spoken. Zij maken uit de denkactiviteit, die automatisch werkt in de hersenpan – als dat een wereldwonder is mag dat gezegd worden, omdat de wereld in al haar delen prachtig genoeg is – maar neen, de demagogisch geworden geleerdheid maakt uit de idee een zeewonder, een zeeslang, een hersenspinsel!
    Daartegenover noemen de socialisten zich materialistisch gezind, omdat voor hen de zeeslang geen zeeslang is, maar deze herkend wordt als dwaallicht. Wij zijn daarom geen atomisten, ook verhouden wij ons tot de idee niet slechts negatief, maar positief in de hoogste graad.
    Een materieel voorbeeld hoe het socialisme zich tot de idee verhoudt, is de idee van de arbeid. De arbeiders die geen socialist zijn, hebben geen, dat wil zeggen een verkeerd idee van de arbeid. Zij hebben geen idee van de samenhang, van het bij elkaar behoren van verschillende soorten werk en arbeiders. De arbeiders zonder bewuste denkbeelden begrijpen niet, hoe de kleermakerij, het maken van schoenen, het draaien, het metselen, de hoefsmederij enzovoort veelsoortige vakken zijn en toch slechts één werk zijn. Zouden deze arbeiders eenmaal met dit idee bekend zijn, dan zouden ze ook de idee van de arbeid kennen en zouden ze niet zo erbarmelijk geïsoleerd tegenover hun kwelgeesten staan. In plaats van elkaar de hand te reiken en zich met vereende kracht te verweren, gaan ze er nu vandoor met miskenning van ieder idee en tonen ze verwaandheid. De schoenmaker voelt zich verheven boven de kleermaker, en de fijne houtbewerker wil niet zo’n gewone kerel zijn als de ruwe timmerman. Zo meent ook de Engelsman dat hij beter is dan de Ier. In plaats van ideeën van vrijheid, gelijkheid en broederschap uit te dragen, vertonen ze kleingeestige jaloezie. Ieder wil zijn verwaande ik in zijn gekoesterde individuele dikke pens een veilige plek geven en is een materialist zonder ideeën, maar geen socialistische materialist.
    ‘Proletariërs van alle landen, verenig je!’ Om dit doel te bereiken moet je de ‘idee’ leren kennen! Dan word je een waarachtige, intelligente en ideale materialist. Het is daarom niet nodig dat iedereen filosoof wordt en filosofie studeert. De idee leeft in alle soorten kunst, wetenschappen en beroepen. Maar toch wil zij speciaal gezocht en met een zekere verering behandeld worden. Zij heeft een onstoffelijke natuur en is de natuur van de geest in levende lijve, die met stompzinnige woorden van geesteloze materialisten, die van haar niets meer dan een hersenfunctie weten te maken, nog lang niet is afgedaan.
    De idee komt uit de hersenen, ja natuurlijk! Zoals het gezichtsvermogen uit de ogen. Toch weet je nog heel weinig van het zien, als je er niet meer van weet. Om het zien te kennen, moet ik meer kennen dan het oog, moet ik ook iets weten over licht en over andere dingen, die schijnbaar veraf staan van het oog. Zo moet je, om bekend te worden met de idee, veel verder liggende dingen in de kring van het geestelijk hersengebruik halen dan de hersenbrij alleen.
    De laatste tijd noemt men een geborneerde school van natuuronderzoekers materialisten, die op de filosofische wetenschap – die het intellect en zijn ideeën tot speciaal onderzoeksobject hebben gekozen – geringschattend neerkijkt en zo ongenuanceerd is te geloven dat zij met het materiële orgaan de vluchtige geest en zijn idee al volledig hebben onderzocht. Zeker! In de wetenschap gaat het ook om het orgaan en ook om de anatomie van de hersenmassa. Echter ook om de functie en het feit dat die functie niet hetzelfde is als het orgaan. Wie het gehoor en de klanken wil onderzoeken moet luchttrillingen van de oorlel kunnen onderscheiden.
    Marx, die ons over de tastbare dingen, over de fysieke arbeid zo grondig onderrichtte, was niet alleen een zeer intensieve onderzoeker van de ideeën van de materiële disciplines, maar ook een eminente filosoof, dat wil zeggen een onderzoeker die het intellect, de geest, de idee of de abstractiekracht tot speciaal onderwerp van zijn studie maakte. Hij leerde dat het lichaam van de maatschappij, haar structuur, door de productieverhoudingen wordt gevormd, zonder welke haar geest, haar politieke en juridische drukte helemaal niet begrepen kan worden. Met andere woorden: eerst moet de mens eten en drinken, voor hij kan nadenken, en zoals dat met de enkeling is, gaat dat ook voor volkeren op.
    De socialisten zullen het denken en de idee niet minachten, maar wel de hersenschim die het lichaam op aarde wil laten en met de geest naar de hemel wil varen.







Joseph Dietzgen






Een andere recent door mij vertaalde tekst van Dietzgen vind je door HIER te klikken





vrijdag 9 mei 2014

De bakker, de visser en de vogelaar









De bakker, de visser en de vogelaar

Kent u de oude kinderboeken ‘Inde Soete Suikerbol’?  Van de schrijver W.G. van de Hulst (1879-1963). Goed gereformeerd verantwoorde boeken. Om voor te lezen wel mooi geschreven, met veel klemtonen en uitroepen. Heel wat moralisme, goed versus kwaad, de spanning blijft er in, terwijl de goede afloop om elk hoekje al staat te wachten. Ook als rechtgeaard socialist heb ik mijn jongste zoon lang geleden er met plezier uit voorgelezen. Het is mooie taal, wat ouderwets natuurlijk, wat dan weer de taalvaardigheid prikkelt. En de verhalen lopen goed af zoals het hoort. Leuk dat ze doorlopen, kinderen hoeven niet altijd verhalen te horen die direct weer afgelopen zijn.

Kinderachtig? Er is minstens één ding helemaal niet kinderachtig aan deze verhalen. Dat wordt elke dag bewezen. De hoofdpersoon is de bakker en deze doet het liefst één ding, luisteren naar het gezang van de vogels. Zo zit de bakker weer op z’n muurtje naar de vogels te luisteren en vergeet de hele wereld om hem heen. ‘Die vogeltjes, die vogeltjes! ’t Is of hun fijne fluitgeluidjes strelen langs zijn hoofd …’ En komt de bakker in een bos, je raadt het al wat er dan gebeurt: ‘En dieper in het bos was het, of de vogels hoe langer hoe mooier, hoe langer hoe luider zongen; fijner muziek wàs er voor de bakker niet. Hij dwaalde àl verder tussen de bomen …’ Weer vergat hij alles om zich heen.
    Best mooi om voor te lezen dus, een verhaal dat doorloopt en steeds de vraag of er nog een goede afloop zal komen. In de zijlijn loopt het verhaal ook door: de vogels blijven zingen, op elk moment en zij doen ieder jachtig leven vergeten.

Pas hoorde ik een verhaal, echt gebeurd, zo’n zestig jaar geleden. De vader van een goede kennis van me ging regelmatig uit vissen, in een bekend viswater bij Groningen, waar toen alleen de leden van de visvereniging toegang hadden. Maar hij kwam altijd zonder vis thuis. Wat bleek later, hij voerde de karpers, ging vervolgens op een mooie plekje op de vissteiger zitten en zag de zon opkomen. Hij genoot van de wereld, de prachtige dag, de vogelzang en vergat het drukke bestaan. Vissen deed hij helemaal niet. Luisteren naar de vogels is dus van alle tijden, niet alleen in kinderboeken.

Wat doet tegenwoordig het halve land? Turen met de kijker en de telescoop naar vogels. Al heb je ze nog zo vaak gezien. Prachtig de vogels. Prachtig al die vogelaars. Net als voor de bakker is het hoogtepunt het gezang. Sommige vogelaars gaan in de eerste plaats op het gezang af. Soms kijken ze niet eens, ze kennen ze allemaal.
    Je hebt vogelaars die van jongs af aan vogelden. Je hebt er minstens zoveel die na een jachtige carrière nu op de vogels afgaan. Vogelaars in soorten, de één telt ze allemaal op, weer één verdiept zich erin met boeken en al, de ander geniet er gewoon van. Vogelaars zijn soms even interessant in hun gedrag als de vogels zelf. Vogels zijn mooi, vogelaars ook, aan onschuld geven we eigenlijk allemaal de voorkeur. Ook als de natuur zelf niet altijd zo is. Dat vergt inderdaad enige rust en aandacht. Zoals van de bakker en de visser.
    De bakker werd in het verhaal nog een beetje als naïef neergezet, dromer! De visser vertelde niet uit zichzelf thuis dat hij vooral naar de vogels zat de luisteren en de opgaande zon verwelkomde. Dat deed je immers niet? Veel vogelaars zijn ook wat naïef natuurlijk, maar wat zou het?

 












donderdag 8 mei 2014

De botten van Cervantes


De kranten schrijven dat ze in Madrid naarstig op zoek zijn naar de beenderen van Miguel de Cervantes Saavedra. Cervantes werd in 1547 geboren en leeft nog voort in velerlei gedachten. De botten zijn van 1616. Begraven bij de kloosterkerk El Convento de las Trinitarias in de wijk Barrio de las Letras. Met allerlei apparaten zoekt men ze nu bij deze kerk. Hij verdient een grafsteen. Maar is dat zo?
      Onzin natuurlijk. Lees liever Don Quichot. Dat verdient hij. Vraag eens iemand of hij Don Quichot heeft gelezen en hij komt aan met een stripverhaal of een uittreksel. Of men vindt het vooral een komisch verhaal en hoe waar dan ook, het is nog niet eens de halve waarheid.
      Lees eens de volledige versie of daarvan in ieder geval deel 1. Dus geen samenvatting of zo. Daarna valt er weinig meer te zoeken. Dit is de roman. Alles staat hierin wat in een roman staat. Alle romans sindsdien zijn bijkomstig, al is daar natuurlijk niets mis mee. De botten van de schrijvers daarvan zoekt men ook niet. Laat Cervantes maar met rust. Wat moet je nog met hem? In Madrid staat al een monument voor Don Quichot. Dat wordt druk bezocht en beklommen. Don Quichot is van het volk.
      Cervantes zelf? Zijn boek is de roman, veel meer dan een monument.




Aanrader: lees de versie Miguel de Cervantes Saavedra, De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha, vertaald door Barber van de Pol, met een nawoord van Kees Fens, Uitgeverij Polak & Van Gennep, Amsterdam 2007.











Het monument voor Don Quichot in Madrid








woensdag 7 mei 2014

De schoonheid van de spoelhoren


Pas was het Koningsdag. Iets nieuws. Tijd om er even vandoor te gaan. Aldus op Schiermonnikoog aanbeland was het spoelhorentijd. Onaangekondigd. Zoek je schelpen dan vind je soms een spoelhoren. Een fraai schelpje, niet heel zeldzaam, maar toch vind je er meestal hooguit één of twee.

Kennelijk had het onze koning al in de aanloop van zijn feestdag behaagd een mooi matig oostenwindje aan te zetten. Op het strand lagen er zoals dan wel vaker, allerlei fijn schelpengruis en hoorntjes. Daarin diverse spoelhoorntjes. Oude zwarte en meer verse, roze en bruin met een paar mooi gekleurd bandjes eroverheen. Aangespoelde spoelhorens.

De naam zegt het al, de spoelhoren heeft de vorm van een spoel. Voor wie niet meer weet wat dat is, bekijk de spoelhoren maar goed.
De spoelhoren leeft langs zandige kusten, vanaf iets beneden de laagwaterlijn tot diepten van zo’n tweehonderd meter. Het zijn actieve roofslakken die de zeebodem doorkruisen op zoek naar prooi, vooral wormen. Actieve roofslakken in een vriendelijk huisje. Maar dat weet de koning ook niet.






Spoelhoren (Acteon tornatilis)





Veel informatie over schelpen en het leven in de zee kun je vinden op www.anemoon.org






zondag 4 mei 2014

Wantrouwen en extremisme


Soms kunnen ogenschijnlijk volledig uiteenlopende zaken verhelderend voor elkaar zijn. Althans voor degene die puzzelt om een ingewikkeld vraagstuk beter te begrijpen. Zo kunnen kwesties rondom de integriteit van de ambtenaar, het idee dat toekomstige revoluties ontstaan door de smartphone en de vraag naar hoe beter greep te krijgen op religieus extremisme elkaar inzichtelijker maken.
      De kritische criticus kan daarna dit idee weer aan flarden schieten, want er is natuurlijk altijd meer over te zeggen, maar toch …

Zaak 1. Het tijdschrift Binnenlands Bestuur van 25 april schrijft dat recent onderzoek uitwijst dat vergeleken met 2008 ambtenaren nu een verdubbeling van praktijken vermoeden die op de ambtelijke werkvloer niet thuishoren. Het gaat dan om misbruik, ongepaste omgangsvormen, een enkele keer om corruptie, enzovoort. Waarna onmiddellijk wordt toegevoegd dat de wijze van vragen stellen en de perceptie, dus subjectieve factoren, een rol kunnen spelen bij deze uitslag. Dat doet onmiddellijk denken aan achterliggende vragen. Onzekerheid, werkdruk, ontslagen en inhoudelijke extreme zwenkingen van het beleid waardoor de ambtenaar een boodschap moet uitdragen die in strijd is met die van gisteren, leiden tot onzekerheid en wantrouwen. Wantrouwen in de maatschappij leidt tot vluchtwegen, niet eens direct tot misbruik, maar wel tot de gedachte eraan.

Zaak 2. Het idee dat ‘alles anders’ wordt, wordt zwaar overdreven. Dat leidt tot hoop, soms misplaatste hoop en dan weer tot teleurstelling. Zo lees je momenteel herhaaldelijk in de papieren media dat machtsvorming voor de nieuwe generatie voortkomt uit de nieuwe media. Maar de zogeheten twitter- en smartphone-revolutie in Egypte heeft weliswaar aan een snelle grote verandering bijgedragen, maar even spoedig aan de ineenstorting ervan, de nieuwe machtsgreep, door gebrek aan organisatie. Ofwel, met nieuwe media kun je razendsnel mobiliseren, maar stabiele macht vormen is een stuk lastiger. Ook dat leidt tot wantrouwen, omdat het snel gevestigde vertrouwen als sneeuw voor de zon verdwijnt. Beter is ongetwijfeld een mix van nieuw en oud, snelle mobilisatie in samenwerking met democratisch opgebouwde macht, dus meer stabiele organisatievormen. Alles wordt niet zomaar anders, al spreiden de verschijningsvormen nog zoveel nieuwigheid ten toon.

Zaak 3: Extreme vormen van religie baren zorgen. Men wijst op moslimextremisme. Duizenden euro’s worden in Nederland momenteel ingezet voor cursussen en andere ideële activiteiten om extremisme te herkennen en te bestrijden. Het zal maar matig helpen. Want voor sommige jongeren is de werkelijkheid extreem, namelijk perspectiefloos. Teveel discrepantie voor hen tussen voorgespiegelde uiterlijke vormen en reële mogelijkheden. Dan hoor je er niet meer bij, zo is het gevoel. Dat brengt onzekerheid en angst met zich mee, en de mogelijke vlucht in extreme vormen. Net zo goed in het christendom, waar men nu al spreekt over neofundamentalisme. Niet alleen elders, ook hier. Die neofundamentalist offert zijn leven ook op, door er geen eigen inhoud meer aan te geven.
      Neo? Zo nieuw is het niet. De kerk geeft het voorbeeld. Twee dode pausen ineens heilig verklaren, wie geeft mensen van vlees en bloed het recht hiertoe? Het is massale schijn, een politiek die de leegte verdoezelt. Het is het aanmatigende recht uit onzekerheid een façade van zekerheid op te bouwen. Heilig verklaren, dat is op de stoel van god gaan zitten, wat niet eeuwig goed werkt.

Integriteit onder alle condities, ‘alles-wordt-anders’, fundament, het draait elke keer om een wereld die zelf het vertrouwen en de rust niet meer uitstraalt. En het individu slechts keuzes biedt uit extreme of goedkope vormen, of het moeilijke pad zelf te ontdekken. Veel mensen slagen daar overigens wonderwel in en zijn vaak nog sociaal actief ook. Maar de kwestie is dat gebrek aan respect, recht, serieus werk, inkomen en welzijn per saldo een inhoudelijke kant heeft, een leegte veroorzaakt. Dat sommigen deze dan met vreemde gedachten vullen is op zich helemaal niet vreemd. Extreem wordt dan gewoon, en kan in korte tijd ontstaan. Daar is geen smartphone voor nodig.
    Cursussen extremisme te herkennen zijn niet de beste investering. Investeren in een werkelijk stevige sociale maatschappij helpt zeker op de langere duur een stuk beter.