vrijdag 22 maart 2013

Actieve en passieve democratie


De Groninger StadsTV, OOG-TV, vroeg me een paar dagen geleden op straat wat ik vond van het PvdA-plan om burgers hun lijsttrekker voor de gemeenteraad te laten kiezen.
Ik zei dat ik dit geen geweldig idee vind. Als er iets ‘raars’ uitkomt zal het snel worden genegeerd en wég is dan de hele opzet.
Men vroeg me of ik dan ook ging stemmen. Neen, want ik stem al op de lijsttrekker van mijn eigen partij.

In democratisch opzicht is het ook niet zo’n goed plan. Het is beter dat mensen actief zijn in een partij, kennis opdoen van de politiek, staan voor hun opvattingen, deze verder vormen en dan ook wat te vertellen krijgen. Actief is beter dan al die snelle meningen van stuurlui die aan wal staan. Echte democratie behelst inzet, studie en actie.

Moet je burgers er dan niet bij betrekken? Natuurlijk, en liefst op veel verschillende manieren, dan bereik je de meeste mensen. Dus met nieuwe en klassieke methoden. Luister goed naar wat de mensen raakt. Dat is een basis voor grondige ideeën waar de partij zich hard op moet maken. Dat zegt meer dan een soort nieuwe loterij of mooie praatjes. Politiek is geen spelletje. Het mag wel leuk, maar dat is niet de belangrijkste doelstelling.

De Griekse filosoof Aristoteles schreef ongeveer 330 voor Christus zijn boek ‘Politica’. Dit boek van meer dan 2300 jaar geleden is een van de rijkste politieke boeken die ooit zijn geschreven. Je kunt er nu nog veel van leren.
Onder meer hekelt Aristoteles een politiek waarin een onbepaalde meerderheid regels, wetten en grotere verbanden negeert. Daarentegen moet goede politiek willekeur zoveel mogelijk uitsluiten. Om tot een visie, een soort middenweg van democratie en deskundigheidsmacht, te komen, vergelijkt hij veel staatsvormen en hun praktische resultaten. Zijn werk is filosofie én een vroege empirische wetenschap.

Als je Aristoteles leest, bedenk je dat zomaar één nieuwe vorm van het bepalen van een lijsttrekker ongetwijfeld na één of twee keer weer verdwenen zal zijn. Het gaat immers niet zozeer om de vorm, maar meer nog om inhoud, kwaliteit en sociaalpolitieke doelen.




 Aristoteles 384-322 v. Chr.


 
Bron: Aristoteles, Politica, Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Jan Maarten Bremer en Ton Kessels, Historische Uitgeverij, Groningen z.j.

maandag 18 maart 2013

Hedendaagse drogredenen


Een drogreden is een verkeerde redenering. Die verkeerdheid kan erop neer komen dat de redenering strikt logisch niet klopt, maar vaak spelen vooral verschuivende accenten en halve waarheden een rol, waardoor er sprake is of kan zijn van een misleidend appèl.

De media en de politiek zitten er vol mee. De tendens van vandaag de dag om slechts de korte termijn voorop te stellen maakt het er niet beter op, in tegendeel. Politiek zal niet alleen rechts, maar ook links zal zo zijn drogredenen ventileren. Ieder mag anderen erop wijzen. Zo kunnen de huidige macht en media er zeker op worden aangesproken.

Een drogreden is bijvoorbeeld de recent vaak gehoorde uitspraak dat de WW ingekort moet worden om de economie te versterken. De suggestie is dat goedkopere uitkeringen geld oplevert dat in de economie geïnvesteerd gaat worden. Het hele crisisverhaal wordt echter zelden gezet in een echt economisch ontwikkelingsperspectief. Hoe de hele economie, productie en consumptie, opbrengsten en uitgaven, weer swingend te krijgen? De uitspraak is een drogreden van misleidende suggestie. Het wordt als vanzelfsprekendheid gebracht, dan durven naar men hoopt mensen er niet tegenin te gaan.

In de Tweede Kamer wordt regelmatig het argument gehoord: ‘Het is niet van deze tijd!’ Dit is een verkapt argument ad hominem, een argument op de persoon. De suggestie is dat je dom bent als je het niet met de spreker of schrijver eens bent. Varianten zijn er volop zoals: ‘Het kan toch niet zo zijn, dat ...!’ Bedenk dan vooral: de spreker moet het zelf uitleggen, jij niet! Hij heeft de bewijslast, en als hij daar niet mee voor de dag kan komen, is hij de ‘domme’ persoon.

Vaak zien we het spreken in halve waarheden of nog minder. Men praat over rijksfinanciën en noemt het ‘de economie’. Dat is niet 1 op 1 hetzelfde! Het leidt af van werkelijkheid, de crisis in de economie met de samengaande diepe maatschappelijke crisis door werkloosheid en armoede.

De economische columns van Frank Kalshoven van 2 en 9 maart jl. in De Volkskrant lijken ook op een drogreden te berusten. Hij stelt dat de Nederlandse maatschappij op een soort fictief maar principieel sociaal contract voor wederzijdse steun berust dat zelfbewuste individuen afsluiten. Met wat rekenhulpjes kun je in vrij eenvoudige kwesties inderdaad een soort individualistisch minimaatschappijtje met onderlinge hulp als achtervang voorstellen. Robinson Crusoe, dan niet op z’n eentje, maar in zijn eigen groepje.
Wat wegvalt in deze redenering is dat de werkelijke maatschappij niet slechts enkele dwarsverbanden en prijs- en inkomenbeïnvloedende factoren heeft, maar honderden, zo niet duizenden. Een sociaal contract van goedverdienende lieden is een aardig basisidee, maar nooit een oplossing in een complexe maatschappij.
Zelf vind ik het humaan en beschaafd als ieder zonder morren meebetaalt aan operaties van enkele individuen die de pech hebben een heel dure behandeling nodig te hebben. En zoiets valt al gauw buiten een door enkelingen afgesproken minimaatschappijtje. Zo’n individualisme laat veel mensen uiteindelijk in de kou staan. Collectiviteit hoeft bovendien de persoonlijke verantwoordelijkheid helemaal niet uit te sluiten. In een veelzijdige maatschappij zijn allerlei combinaties van verantwoordelijkheden mogelijk.

U ziet het al, dit laatste commentaar is langer dan bij de eerste drogredenen, terwijl nog lang niet op alle facetten is ingegaan. Begrijpelijk, want zo’n idee van een virtueel sociaal contract sleept je in je denken mee. Welk eindbeeld wordt er echter door opgeroepen? Dat je vooral aan ‘je eigen leven’ moet denken. Dat is nogal eenzijdig.
Het is een drogreden, een argument van afleiding. Of als we naar grote maatschappelijke vraagstukken kijken, is het een versimpeling en daardoor een niet ter zake doende redenering. Deze brengt een meer collectief gericht sociaal model in diskrediet. Een voorbeeld van journalistiek die bezig is de politiek en de publieke opinie te beïnvloeden.

Hoewel het maar een beetje zal helpen is misschien een soort therapie denkbaar tegen drogredenen in de politiek van vandaag. Je zou je eigenlijk bij elk voorstel met financiële consequenties ook de financiële keerzijde moeten berekenen, liefst in een langer tijdpad gezet. Dat dwingt een makkelijker en betere beoordeling af.

Dus bij (A) een voorstel dat bezuinigt, altijd ook zeggen wat het kost. En bij (B) een voorstel dat wat kost, ook de bezuiniging of inverdieneffecten meenemen.
Voorbeeld bij A: bezuiniging op huishoudelijke hulp bespaart veel geld, maar kost aan de andere kant ook heel veel, omdat hulp nu anders betaald gaat worden en er bovendien meer uitkeringen betaald moeten worden. Wat is nu de totale som, bezuinigt dit of juist niet? En wat is het economische effect op langere termijn? Het gaat toch niet alleen om morgen en overmorgen?
Voorbeeld bij B: arbeidstijd verkorten kost veel geld, maar er zijn dan wel veel minder uitkeringen nodig en mensen krijgen meer te besteden.

De drogreden zal altijd bestaan, maar hoeft niet onbegrepen te zijn. Houd de drogreden maar op de agenda, een praktische taak voor taalwetenschap en filosofie.




dinsdag 12 maart 2013

Dieren in nood helpen?


De Waddenvereniging vraagt lezers van ‘Wadden’  mee te denken over dieren in nood. Johannes de bultrug is de aanleiding. Moet je altijd helpen? Dat is de essentie van de verschillende vragen met daarbij alvast de vier opinies van Kees Moeliker, Midas Dekkers, Marianne Thieme en de Zeehondencrèche samen met Black Fish en Sea Sheperd.
Wat vindt U? Wat vind ik?

Moeliker en Dekkers laten zien dat je over leven en dood in de natuur ook nuchter moet zijn. Sterven gebeurt nu eenmaal en met hulp houd je soms slechts zieke dieren ‘op de been’, niet echt dus. Dekkers beschrijft de psychologie van het schuldgevoel. Oké, de verklaringen kloppen, niet al te dramatisch doen. Maar met een goede verklaring heb je nog geen norm wat en wanneer je iets moet doen of moet laten.

Zet het eens op een schaal van normativiteit: noodzakelijk – goed – nuttig – laat maar – slecht. Daar kun je dan heel wat kwesties op loslaten waarbij de ogenschijnlijk best passende norm met de daarnaast liggende kan worden vergeleken.

Bijvoorbeeld die huiskat van Dekkers die met een vogeltje in zijn bek thuiskomt. Ik zou zeggen ‘laat maar’, het is al gebeurd, ‘Eet smakelijk poes!’ Maar daarmee is de kwestie niet af. Stel dat die poes een vogel wil pakken die het door mij gestrooide voer opeet, en ik zie dat op tijd, dan is de leuze: ‘Hup kat, wegwezen!’. En van een meer ‘noodzakelijk’ perspectief om zorgzaam te zijn voor de natuur, zet ik vervolgens de voederbak wat hoger, zodat de kat er niet meer bij kan. Vanuit het feit dat ik nu meer weet dan daarvoor, handel ik anders. Dat moet ik doen, ook dat is een norm.

Het criterium ‘noodzakelijk’ is het meest algemene. Dat speelt voor de zorg voor natuur en leefomgeving, een uitgangspunt. Voor concretere kwesties zijn de andere normen of varianten erop nuttig. Oefen een keer met een nepbultrug (een heteluchtballon vol met zand bijvoorbeeld?) of er een volgende keer wat beters te doen is.
Of zeehonden redden terwijl er genoeg zijn? Voor de natuur als totaliteit is het misschien niet noodzakelijk, maar daarmee nog niet slecht, en waarschijnlijk eerder nuttig of goed. Zelfs met een aaibaarheidsverhaal en het plausibele de-natuur-zijn-gang-laten-gaan-idee van Dekkers kun je zeggen dat het mooie punten zijn voor natuureducatie. Je kunt het relativeren, maar daarmee zijn gewoon goede, nuttige of aardige handelingsvarianten nog niet helemaal taboe.

Het zal vaak zo zijn dat we nuchter kunnen blijven en toch een handje helpen. Zeker als we bedenken dat de mensheid gemiddeld nog vaak de verkeerde kant op ‘helpt’. Zo vond ik op het strand eens een nog levenslustige Jan van Gent, helemaal verward in visdraad. Dan help je toch even?

Noodzakelijk is respect voor de wereld en de natuur. Concreet is er veel te doen, waarom dat te laten? Inderdaad moet je het laten als we niet echt helpen, maar slechts de schijn ophouden. Helpen en respecteren kan echter ook slaan op een enkel exemplaar, dus even los van de vraag hoe het er met de soort voor staat.
Nuchter gezien zal die ene norm die alle dilemma’s oplost wel niet bestaan. Als dat maar geen smoesje wordt om niets te doen waar dat wel zinvol is en heel goed kan.





Zeekoet op het strand




maandag 4 maart 2013

Niccolò Machiavelli


Van wie is het volgende citaat? ‘Want het doel dat het volk nastreeft, is hoogstaander dan wat de aanzienlijken beogen, aangezien deze laatsten willen onderdrukken en het volk alleen maar niet onderdrukt wil worden. Daarbij komt nog dat hij die de hoogste macht bezit, zich nooit tegen het volk veilig kan stellen wanneer dit hem vijandig gezind is, omdat het uit te veel mensen bestaat.’

Is dit een citaat van een immoreel denker? Zo klinkt het toch niet? Het is van Machiavelli, uit zijn bekendste boek ‘De heerser’.

Ten onrechte wordt Machiavelli vaak een immoreel denker genoemd. Pas ook weer in Filosofie Magazine (nr. 3 maart 2013, p. 79). In een aankondiging staat dat twee filosofen in twee dagen zullen uitleggen dat Machiavelli geen immoreel denker was. Voor wie de cursus niet volgt blijft echter toch het beeld hangen, een plat vooroordeel over de machtswellusteling Machiavelli.

Machiavelli (1469-1527) beschrijft in zijn boek wat een heerser moet doen om macht te hebben en te houden. Het is een ijzersterke psychologie van de macht. Hij laat zien dat je empirisch en realistisch moet zijn, anders ben je de macht zo kwijt: ‘Daarom moet een heerser, wanneer hij zich wil handhaven, leren om niet goed te zijn. En dit vermogen dient hij wel of niet in praktijk te brengen al naargelang de omstandigheden hem daartoe dwingen.’ Machiavelli zegt hier niet dat je maar slecht moet zijn, maar je moet er mee kunnen omgaan.

De uitspraak heeft een andere strekking dan een oproep goed of slecht te zijn. A-moralisme, maar eigenlijk zelfs dat nog niet. Want het gaat Machiavelli om het handhaven van de maatschappelijke orde, ten gunste van ieder die deelneemt aan de samenleving. Hij pleit niet voor een vorst die onderdrukt, hij pleit voor een samenleving die functioneert. In die zin een moreel betoog. Zo’n stabiele samenleving kon het twistende en van samenzweringen vergeven Italië van zijn tijd wel gebruiken.

Machiavelli breekt met het verleden. Hij is met zijn psychologie van de macht een modern denker. In de middeleeuwse maatschappij werden macht en machthebbers, vorsten en adel, door de kerk gesanctioneerd. Bij het opkomende humanisme en daarna de Verlichting moet de orde van de staat een seculiere grondslag krijgen. Machiavelli is een van de eersten die deze formuleert. Het is een basis voor de latere staats- en rechtsfilosofieën van Thomas Hobbes, Baruch de Spinoza, Jean-Jacques Rousseau en de Duitse Verlichtingsfilosofie. En nog steeds een startpunt voor verdere reflectie, om de morele kant van de macht te onderzoeken.

De macht is bij Machiavelli niet meer door god gegeven en verdeeld. Mensen doen zelf aan verdeel en heers. Machiavelli helpt mee dat te begrijpen. Het is moedig om zo realistisch te zijn als Machiavelli.



Bron van de citaten: Niccolò Machiavelli, De heerser, Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 2009, pp. 102 en p. 130.





Niccolò Machiavelli