dinsdag 20 juni 2017

Anna Seghers, Het Judasloon – Helaas actueel


Sommige boeken moeten altijd worden herdrukt. Dat geldt ook voor het boek van Anna Seghers, ‘Het judasloon’. Een deprimerend, maar treffend verhaal over een vluchteling in de tijd van het opkomend nazisme in Duitsland.

1933. Maar dit boek gaat niet alleen over geschiedenis, het gaat ook over de vluchteling van nu.
      En vandaag, 20 juni, is het ook nog een keer de Internationale Dag van de Vluchteling. Uitgeroepen door de Verenigde Naties omdat ‘ieder het recht heeft asiel te zoeken en dat te genieten.’ Volgens het Vluchtelingenverdrag.
    Deze dag zal in Nederland wel niet zo uitbundig worden gevierd. In Nederland en elders in Europa gebeurt iets dat ieder sinds 1933 kan lezen in de roman van Anna Seghers. Daarom is dit verhaal zo treffend, en daarom is het goed dat het boek opnieuw is uitgegeven.

Het verhaal is eigenlijk eenvoudig. Een jonge socialist heeft zich in de knokpartijen tussen links en rechts in het toenemend extremistische Duitsland in de nesten gewerkt en wordt door de politie gezocht. Hij duikt onder in een boerengemeenschap die hem verder niet kent. In deze gemeenschap van platteland, dorp en de kleine stad rukt het nazisme op.
    Het knappe van Seghers boek is dat ze laat zien dat heel gewone dingen van het dagelijks leven een grote rol spelen in het proces van toenemend rechts extremisme. Dingen als ‘zich uitgesloten voelen’, afnemende welvaart of zelfs armoede, onzekerheid over de toekomst, jaloezie tussen groepen en personen. En vooral het groepsproces waarin het ‘wel weer erbij mogen horen’ in taal en daad toegelaten wordt onder een ogenschijnlijk nieuwe, rechts-extremistische vlag.
      Dat proces gaat stap voor stap, bijna ongemerkt. Maar in samenhang met heel dagelijkse dingen en praatjes ontstaat een totaal andere moraal. Als het gewone leven onvoldoende biedt, ontstaan zieke reacties. Dat is de basis van de politiek van de pathologie. De stoornis is de baas geworden.
    Voor de hoofdpersoon loopt het verkeerd af. Aan het eind van het boek wordt hij kapot geslagen door de mensen die hem eerst een vluchtplaats, een asiel boden.

Deprimerend, treffend en actueel. Mensen willen erbij horen en daar wordt retorisch op ingespeeld. Uit de ban van de taal vluchten is moeilijk. Seghers snapt het proces, schrijft het eenvoudig op, en het klopt.
    Zo komen mensen tegenover elkaar te staan. Is dit in Nederland niet ook zo? Is de halve politiek niet achter de PVV aangelopen en is er geen nieuwe – maar in wezen stokoude – ideologie ontstaan? Is dit geen proces dat nog steeds doorloopt, in de haarvaten van het dagelijks leven?
      Daarom ging het bij de mislukking van het nieuwe kabinet en de tegenstelling GroenLinks en de rest wel degelijk om iets heel wezenlijks. Ook al is er moeilijk grip op te krijgen. Geen grip is een bron van angst en van onbezonnen daden. Ook zogeheten grote partijen als de VVD en het CDA – dat zich ook nog eens christelijk noemt – buigen en spelen mee in deze gevaarlijke tendens naar rechts. Het zijn dan geen leiders meer, maar slaafse volgers.

Humaan beleid is zeker lastig, ook omdat er inderdaad een perspectiefvol economisch en sociaal verhaal bij hoort. Maar een belangrijke bron van rechts-extremisme is het toegeven aan de angst voor de moeilijkheid.
      Daarom is het vandaag de Dag van de Vluchteling. Morgen ook nog trouwens ….





Anna Seghers, Het judasloon, Uitgeverij Van Gennep, Amsterdam 2017, ISBN 9789461643773















vrijdag 16 juni 2017

Jeugdzorg als maatstaf van beschaving


In de zorg en hulpverlening aan jeugd en jongeren kun je het beschavingsniveau van de samenleving afmeten. Immers, het is de zorg voor mensen op een kwetsbare leeftijd en tegelijk zorg voor de toekomst, dus een wezenlijk vormend aspect voor de hele samenleving. En dit voor wie deel uitmaakt van deze samenleving en wie er beroep op doet, zoals jonge asielzoekers.

Zorg voor de jeugd is – samen met onderwijs en gezondheidszorg – een complex geheel. Niet voor niets zijn er ooit gespecialiseerde opleidingen voor opgezet, vanuit onder meer een orthopedagogische en psychologische achtergrond, met aandacht voor tal van samenhangende maatschappelijke processen.
    Het is inderdaad complex. De jeugdzorg behelst veel aspecten die krachtig of juist subtiel op elkaar inwerken. Denk aan individuele en sociaal-medische aspecten, aan psychologische en gezinssituaties, aan opvoedingskwesties, aan groepsprocessen in de buurt waarin de jongeren opgroeien. Of, anders gesteld, bijvoorbeeld gaat het om misbruik of criminele zaken. Of, als je het over behandeling hebt, om hulpverlening thuis of in een instelling. Kortdurend en licht, of langdurig en intensief. Vrijwillig of in sommige situaties met dwang. Enzovoorts.

De jeugd is gelukkig vaak gezond, maar er kan veel aan de hand zijn. Vaak zijn lichtere vormen van ondersteuning in de eigen woonsituatie of wijk voldoende, maar niet altijd. Er kan een deskundig en uitvoerig traject van zorg of hulp nodig zijn, al dan niet samen met de sociale omgeving.

Dat brengt ons bij de vraag: kun je jeugdzorg aan sociale wijkteams en aan het gemeentelijk ambtelijk apparaat overlaten? Dat is zeer de vraag. Een doordachte wijkgerichte aanpak is zonder meer heel goed, maar biedt niet altijd een voldoende oplossing. Daarom moet de kwaliteit van het werk in de jeugdzorg worden geborgd, en dat is niet altijd mogelijk op een klein schaalniveau.
    Terwijl dat is wat er wel (vaak) is gebeurd. Daarmee is de jeugdzorg in een lastig parket gebracht dat niet alleen met meer geld op te lossen is.

De coördinatie moet in veel gevallen een (veel) grotere schaal dan de gemeente omvatten en deskundig zijn. Tegelijk zijn de echte deskundigen nodig in het veld, zijn ze onmisbaar voor de uitvoeringspraktijk. Daarom mag de deskundigheid niet wegsijpelen naar allerlei organisatie- en afstemmingsperikelen, wat wel gebeurt als de zorg niet op orde is.
    Met andere woorden, de overheveling van de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg naar de gemeenten heeft een probleem opgeleverd dat op gemeentelijke schaal alleen niet goed is op te lossen.

Ongeveer een week geleden kreeg de jeugdzorg even de volle aandacht die zij verdient. Door het voorbeeld van de Kindertelefoon waar het evidente onzin is deze per gemeente te willen regelen en de greep aan de noodrem van kinderpsychiaters en anderen, wist ook de Tweede Kamer een reeks van voorbeelden op te hoesten waarin de zorg tekort schiet. Voor acute ernstige problematiek staat een kind op de wachtlijst, of moeten de ouders misschien verhuizen om betere zorg te krijgen. Enzovoorts.

Maar de oplossing is nog ver weg. Een beetje bijreguleren is onvoldoende. De kunst is op een passend schaalniveau te coördineren, de echte deskundigen ruimte te (blijven) geven in het uitvoerend werk, en als financiële ondergrens de zorg voor elk kind te garanderen.
      Het gaat op de korte termijn én om meer geld, én om de deskundige steun en zorg op zowel individueel als groepsniveau (gezin, jeugdgroepen, cultuur, buurt, wijk etc.) te garanderen. Bezuinigen op de jeugd is bezuinigen op beschaving.











vrijdag 9 juni 2017

De realist Spinoza en een economie van veiligheid en onveiligheid



‘Als twee mensen bijeen komen en hun krachten bundelen, zijn zij tezamen tot meer in staat en hebben zij bijgevolg samen meer recht over de natuur dan ieder afzonderlijk. En naarmate meer mensen op deze wijze zich in hun nood hebben verbonden, in die mate zullen zij allen in hun vereniging meer recht hebben.’

Benedictus de Spinoza


Bovengenoemd citaat van Benedictus de Spinoza staat in zijn ‘Politieke verhandeling’, hoofdstuk 2, paragraaf 13. Het heeft onvermijdelijke consequenties voor het inzicht in de verhouding van macht en recht.
      Je zou kunnen zeggen dat iedereen over krachten beschikt, dat die verenigd kunnen worden tot macht, dat rechten en het recht hier (mede) op gebaseerd zijn, en dat bij een meer massale vereniging de invloed op de politieke macht en het recht groter wordt.
      ‘In hun vereniging’ hebben mensen meer rechten, dus ‘proletariërs en progressieve mensen van alle landen, verenig je!’

Dit is een visie die men vaak onaangenaam vindt. Recht moet autonoom en duurzaam zijn en vooral niet aan de grillen van de macht onderhevig. Maar let op: Spinoza spreekt in deze visie geen waardeoordeel uit, hij pleit in zijn werk radicaler dan zijn tijdgenoten voor democratische macht en voor zo redelijk mogelijke rechten en politieke vormen. Maar hij wijst op een feit.
      Spinoza’s filosofie is realistisch. Recht volgt uit macht, dat is niet leuk, maar een feit. Wat niet wegneemt dat er vervolgens in concrete situaties nog heel veel aan toe te voegen is.

Pas hoorde ik een spreker – die Spinoza’s filosofie goed kent – zeggen dat deze denker met zijn emotietheorie en zijn idee over het recht dat door macht wordt bepaald te negatief, te pessimistisch is. Recht heeft een eigen ontwikkeling, zou je kunnen zeggen, die poets je na een lange ontwikkeling en maatschappelijke inbedding niet meer weg.
    Dit even in mijn woorden, volledig voor mijn rekening, de letterlijke tekst van de spreker heb ik niet bij de hand, dus qua nuances loop ik het risico iemand niet goed te citeren. Maar het vraagstuk bestaat. Het gaat niet om deze spreker, maar om de zeer wezenlijke vraag die in het geding is. Is het recht sterk genoeg de grillen van de macht te weerstaan?
      Recht moet bescherming bieden, zeker tegen de willekeur van verschuivende machtsposities. De spreker veronderstelde kennelijk dat het door de eeuwen heen ontwikkelde burgerlijk en strafrecht, staatsrecht en internationaal recht sterk genoeg zouden zijn om voldoende weerstand te bieden tegen aantasting.

Vergelijkbaar was een opmerking die niet zo lang geleden een student tegen me maakte toen ik zei een boek te schrijven over vrijheid en macht. Gewend aan mijn les over ethiek kon ze zich nauwelijks voorstellen dat je serieus over macht kon filosoferen, want dat was een negatief begrip dat erop duidt dat de vrijheid wordt ingeperkt. Hoe kan zo’n thema nu interessant zijn voor serieuze filosofie?
    Het antwoord is dat het interessant, maar misschien helemaal ‘niet leuk’ is, omdat het veel zegt over politieke verhoudingen en de rechten van mensen. Realisme dat je niet uit de weg moet gaan.
      Spinoza schrijft in zijn filosofie over emoties ook over ‘lelijke’ emoties, en probeert daar op een realistische manier iets tegenover te stellen. Dat resulteert in een idee waarin emoties niet op een naïeve manier worden weggepoetst, maar positieve emoties de negatieve moeten weerstaan of in balans moeten brengen.
      Kort gezegd. Geen ‘wishful thinking’, wel een denken dat zich richt op het streven naar de best mogelijke en democratische samenleving.

Spinoza staat niet alleen in zijn idee dat macht en recht innig verbonden zijn. Ook bij Aristoteles, Machiavelli, Hegel, en later Bakoenin en Marx zijn macht en recht nauw verbonden. Of dat nu aanspreekt of niet.
      Dat is een stevig discussiepunt, dat overigens onverlet laat dat als recht op macht gebaseerd is, het recht nog altijd ook een eigen, relatief autonome ontwikkeling doormaakt of door kan maken. Daarin kan dat recht sterk worden ontwikkeld, dus naar verhouding meer autonoom of ‘machtiger’ worden. Maar dat hoeft de uitkomst niet te zijn.
      Deze nuance van ‘relatieve autonomie’ geldt nog steeds, wanneer genoemde denkers als plausibel worden geaccepteerd. Maar genoemde spreker en de student van destijds hoeven, als zij consequent zijn, dat niet als voldoende te accepteren en dan zit je middenin een principiële discussie.

De term ‘relatief autonoom’ werd net genoemd. Een term die marxisten vaker hebben gebruikt. Het is een belangrijk begrip, maar kan ook een stoplap worden. Als verondersteld wordt dat een ontwikkeling zoals van het recht afhankelijk is van (bijvoorbeeld) macht, moet die verhouding met haar specifieke kenmerken en ontwikkelingsfasen nog worden onderzocht. De algemene bewering is dan heuristisch, helpt het denken, maar om deze te bewijzen zijn er meer feiten en argumentaties nodig. (Dat gaat deze blog te buiten.)
      Als die concretisering lukt, ontdek je het min of meer autonome aspect, de eigen kenmerken van het ontwikkelde recht, en de wijze waarin het aspect van afhankelijkheid zich ontwikkelt.
      Daarvan uitgaande kun je zeggen dat het recht zich relatief autonoom ontwikkelt, maar met een specifieke structuur. Eronder ligt nog altijd de machtsbasis van een bepaald gewicht aan ondersteuning, draagvlak ofwel de politieke macht van ‘de massa’. Deze steun kan veranderen van vorm en kracht, of zelfs verdwijnen.

De eigen ontwikkeling van het recht en de rechtsvormen kent (dan) dus een eigen ontwikkeling en een externe, soms heel sterke invloed, tezamen een spanningsveld. De kunst is goed uit te leggen hoe de verhouding en interacties precies verlopen. Wat meestal pas kan als de ontwikkeling al lang gaande is, zoals Georg Hegel ooit opmerkte.

De hierboven aangeduide spreker kán gelijk hebben dat het recht zo sterk ontwikkeld is dat geen macht het nog kan weerstaan. Ook dat is mogelijk wanneer je vanuit contexten en interacties denkt, wanneer een ontwikkeling lang en grondig was en dus per saldo heel sterk is geweest, sterk in het funderen van een bepaalde morele richting.
    Maar kritisch bekeken, kun je je afvragen of er dan geen ‘wishful thinking’ aan de orde is. Namelijk dat men zo graag wil dat het recht en de mensenrechten alle uit macht en geweld voorkomende vormen van onrecht kunnen weerstaan. Of helaas: is het niet zo dat wanneer de massa op drift raakt ook het recht op de loop gaat? De geschiedenis, ook van vandaag, geeft daar al te vaak vreselijke voorbeelden van.
      Dan is het formele recht misschien niet weg, maar komt dit vaak pas aan de orde als mosterd na de maaltijd. Dan is het laagje beschaving té dun en kan macht als primitieve vormen van vereniging bestaan. Dan nog voor het recht en voor mensenrechten opkomen betekent strijd en de noodzaak van organisatie.

Dergelijke vragen met betrekking tot recht(en), ethiek en macht(en) spelen bij de grote huidige en toekomstige vragen over veiligheid en onveiligheid. En bij de organisatievormen om die vragen aan te kunnen, zeg maar bij het realiseren van een economie en politiek van veiligheid en onveiligheid. Maatschappelijke vormen die – op z’n minst als vragen – nu en in de nabije toekomst urgent zijn.
      Veiligheid wordt één van de grootste vraagstukken van de toekomst en misschien wel een van de belangrijkste dragers van de economie. De mens kan veel en wanneer het recht soms zo betrekkelijk (zwak) is in de praktijk, zal veel van de toekomstige maatschappij, zowel de economie als de bovenbouw van het recht tot en met het theater, nauw vervlochten zijn met vragen over veiligheid.

Moraliteit en recht ontwikkelen zich (momenteel) veel langzamer dan de technologie, de biologie en de verdere wetenschap. Er beklijft ook niet een rechtssysteem in een mooi en helder parallel proces, maar eerder als een soort frictie van aantrekking en afstoting, liefde en haat. En met veel prachtige veelomvattende maar vaak ook verhullende termen als vrijheid, privacy, zelfbeschikking, enzovoorts.
    De technologische en kennisontwikkeling is (momenteel) oneindig veel sneller en dynamischer dan de morele ontwikkeling en het recht. Dan blijken sterke krachten vrij te komen, die niet als vanzelfsprekend wel beheerst kunnen worden.
      Denk aan korte tijd geleden, hoe de komst van asielzoekers naar het schijnt in enkele weken het denken over politiek sterk beïnvloedde. Of denk aan de sociale media die communicatie en uitingsvormen ook in een betrekkelijk korte tijdspanne zo veranderde als weinig voorzagen. Voor men erover nadacht was het al zover. En drones gooiden al bommen voor men wist wat dat voor dingen waren.

De snelheid van de ontwikkeling blijft (voorlopig) groot en in veel opzichten ongeremd. Er bestaat geen enkele garantie dat die snelheid niet nog enorm kan toenemen, waardoor het overzicht, de grip, en zeker het recht en de moraal nog verder in het geding komen.
      Concrete veiligheidsvraagstukken volgen bijvoorbeeld uit: (burger)oorlogen, Islamitische Staat en veel mogelijke look-alikes, groei van kapitalistische militaire en semi-militaire bedrijven, veel soorten ICT-bedreigingen, niet meer passende snelheidsverschillen in het wegverkeer, genetische manipulatie in heel uiteenlopende vormen, biotechnologische ontwikkelingen, nieuwe drugs, verscherping van de tegenstellingen arm en rijk, het bedreigde klimaat met tal van deels nog ongekende aspecten, drones met een onbekend pakje (wat zit daar nu in?), energieproblemen, toenemende bevolking, inperking van delen van de aarde die nu nog bewoonbaar zijn, tal van technologische hulpmiddelen en bewapening waar individuen en groepen gebruik van kunnen maken en die bovendien makkelijk beschikbaar of reproduceerbaar zijn, manipulatie van de materie op alle mogelijke schaalniveaus, mogelijke productie van zichzelf ontwikkelende systemen, overstromingen en voedselgebrek. En nog meer. Met alle bijbehorende crisissituaties, onzekerheden, emoties en een permanente morele zoektocht.

Dit zijn geen losse ontwikkelingen, ze werken alle op elkaar in. Ogenschijnlijk willekeurige problemen, van totaal verschillende orde en fasering, blijken andere toch weer te raken.
      Vergeleken hiermee is de morele laag van bewustzijn matig ontwikkeld. Deze doet er wel toe, zoals de rechtsstaat, het internationaal recht, morele discussies, enzovoorts. Maar veel van het bewustzijn verkeert nog in een meer primitieve staat, die tot op zekere hoogte nog wel paste bij het verleden, maar waarin nu steeds meer complexe vragen beantwoord moeten worden. Ook door personen, ook op privéterrein. Waarop allerlei winstmakers, uit op persoonlijk profijt – in de media, enzovoorts – weer inspelen. Wat het er voor velen niet makkelijker, maar eerder moeilijker op maakt.

We gaan daarom niet alleen naar een beleid van veiligheid, maar ook naar een recht en economie van veiligheid en onveiligheid, waarin ook het beperkte (vermeende) eigenbelang alle aandacht verdient.
    Kunnen moraal en recht verkeerde emoties of egoïsme met nieuwe gedragsvormen bedwingen? In de hele filosofie van alle culturen was dat al een van de hoofdvraagstukken, maar deze is zeker nu urgent.
    Boven aangeduide spreker kan wel wensen dat democratie en recht zo sterk zijn dat ze emoties kunnen bedwingen, maar dat recht en de rechtsstaat hebben hier niet alleen een sterk beleid en een economie van veiligheid nodig, ook doorzettingsmacht, waarin recht niet alleen wordt opgelegd, maar wordt ingebed in een sterke sociale structuur. Hoe kan anders (bijvoorbeeld) een echt goed klimaatbeleid over de hele linie of zelfs de hele wereld worden afgedwongen, zonder in onderdrukkende structuren te vervallen?

Spinoza stelt dat negatieve emoties tegenhangers moeten krijgen in positieve emoties. Tegenover egoïsme hoop bijvoorbeeld. Hoop die bijvoorbeeld door eendracht kan ontstaan. Dat is belangrijk leerpunt. Negatieve emoties met een egoïstische trek en agressieve uitingsvormen ervan, kunnen niet alleen met contrageweld worden opgelost. Er moeten op alle schaalgroottes en tot in de haarvaten van de samenleving positieve tegenontwikkelingen worden georganiseerd, die begrip, bewustzijn én controle mogelijk maken.
      Naar de vormen ervan zal men moeten zoeken, maar vooral moet de sociale component worden georganiseerd. Sociale macht. Vereniging van mensen die niet wegkijken van de grote vragen die alle veranderingen met zich meebrengen. Er hardop over spreken. Lukt dat niet dan zal de emotie angst (blijven) regeren.

Macht en recht zijn innig verbonden en het gaat om veel meer dan de directe politiek van belangen alleen. Eerder om een balans van werkingen, die de aarde en het leven, ook het sociale menselijke ervan keer op keer versterkt én realistisch is over bedreigingen.
    Het recht alleen is te zwak om alle bedreigingen op inhoudelijke of formele argumenten te kunnen weerstaan. Gelijk hebben is meer dan ooit nog lang geen gelijk krijgen. Keer op keer zullen grote vragen moeten worden onderkend en tot besluiten moeten leiden. Dat wordt voorlopig niet meer anders.
      Dit alles kent het aspect van massaliteit, dus van brede democratische betrokkenheid. Het huidige leven is zowel collectiever als individueler, ook een spanningveld dat enorm veel sterker meespeelt, door alle nieuwe ontwikkelingen. Dat vergt een veel hogere graad van scholing, sociaal en ecologisch bewustzijn en organisatie. Dus ook de daarbij passende ontwikkeling van het recht. En dit – paradoxaal – in een tijdperk van vaak slecht ontwikkelde organisatie, met weinig binding van de ‘massa’.
      De technologie en wetenschap met alle facetten zijn zo vloeibaar en snel, inclusief bijbehorende bedreigingen, dat Spinoza’s realisme over recht en macht hierbij niet gemist kan worden.

Niet alleen het recht, ook de vrijheid en specifieke vrijheden zijn in sterke mate mede van macht afhankelijk. Het aanpakken van veiligheidsvragen is ondenkbaar zonder werkelijk massale maar ook veelvormige democratische organisatie. Mensen ‘in hun vereniging’. Er ligt hier nog een stevige taak voor mensen, organisaties, vakbonden, bedrijven, politieke partijen en overheden.
      Wat de filosofie betreft: Spinoza is óók een sterk politiek denker. Dat mag bij de vele loftrompetten die je bij zijn werk momenteel zo vaak hoort, nooit worden vergeten. Hij is een ‘harde’ realist met een hoog moreel doel.
      Daarbij is Spinoza’s universele visie een voorbeeld voor de mensen van nu, die de wereld niet meer goed kunnen begrijpen wanneer ze alleen op beperkte schaal om zich heen kijken. Je eigen geluk nastreven is belangrijk, maar niet het enige dat telt. Want dan is de fundering drijfzand.





Bron van het citaat: Benedictus de Spinoza, (Hoofdstukken uit) De politieke verhandeling, Ingeleid, vertaald en van commentaar voorzien door W.N.A. Klever, Uitgeverij Boom Meppel, Amsterdam 1985, p. 51.
In andere woorden met dezelfde strekking ook in: Benedictus de Spinoza, Staatkundige verhandeling, Uit het Latijn vertaald en toegelicht door Karel D’huyvetters, Uitgeverij Wereldbibliotheek, Amsterdam 2014, p. 53.

Over dit vraagstuk en samenhangende vragen gaat mijn boek: Het speelveld van de vrijheid, Uitgeverij Damon, Budel 2014.
















maandag 5 juni 2017

Akzo en de vraag ‘wint Kapitaal van Arbeid’?


De vraag stellen is de vraag beantwoorden? Dat is niet altijd zo. Kijkend naar het neoliberalisme, de tanende macht van socialisten en vakbeweging, de flexibilisering, (enzovoorts) zeggen sommigen dat het kapitaal het van de arbeid heeft gewonnen.
    Maar de geschiedenis is niet ten einde, al is dat nog zo vaak verklaard. De strijd om de positie van onmacht tegen macht, van arm tegen rijk, van uitgebuite tegen uitbuiter en van rechteloos tegen vermeende rechten kent geen einde. Zeker niet op afzienbare termijn.
      Deze strijd kent wel verlies en winst, als concrete gevolgen in een specifiek tijdvak van de geschiedenis. Het concrete resultaat is dus niet relatief, maar ook niet absoluut of definitief. Of – iets anders gezegd – is het zowel relatief als hard en reëel tegelijk.

AkzoNobel is (nu) niet door het Amerikaanse concern PPG overgenomen. De ‘Ondernemingskamer’ heeft voorlopig een vijandige overname geblokkeerd. Ofwel de sociale overheid heeft (indirect) toch ingegrepen in het kapitaal en begerige aandeelhouders even een deel van hun al te makkelijke profijt ontnomen.
    Hieruit blijkt óók dat er een gemengde economie mogelijk is van vrij ondernemerschap en een overheid die grenzen stelt aan uitwassen. Dat is een voordeel boven de totale anarcho-kapitalistische losbandigheid, maar in de huidige vorm een nadeel ten opzichte van een echte sociale machtsstructuur en een duurzaam en humaan beleid.

Een menging van ‘vrije’ willekeur met een controlerende en regulerende macht kan een stap zijn op weg naar een meer sociale maatschappij, en daarmee ook een belangrijk discussie-item vormen. In hoeverre kan een gemengde economie het kapitaal temmen?
      Hierover vind je in de media met betrekking tot AkzoNobel echter heel weinig terug. Er wordt bij zege van de Akzo-concerntop vooral gewezen op de financiële winnaars en verliezers van dit moment, de juridische aspecten en op de verschuiving van machtsrelaties. Er wordt betrekkelijk weinig gekeken naar de positie de werknemers en nog minder naar de maatschappelijke betekenis en mogelijkheden van dergelijke concerns in het geheel van de economie.
      En al helemaal niet naar de nodige sturing met betrekking tot de prioriteit van verduurzaming met de bijbehorende technologische en machtsvraagstukken. Terwijl dat vandaag de dag toch een primaire norm zou moeten zijn. Ook bij het beoordelen van de productie, het bestaan en voortbestaan (enzovoorts) van grote concerns.

Het kapitalisme en de strijd erbinnen bieden interessante juridische en vergezichten op machtsverhoudingen. Maar waar het echt om gaat is hoe vakbonden, actiegroepen, partijen en overheden structurele posities innemen en behouden voor een samenleving die sterk, groen, sociaal en democratisch is, en waarin de deskundigheid en grote medezeggenschap van werknemers garant staat voor progressieve stappen vooruit.
      Dan zou het kapitaal dienstbaar worden aan de arbeid, een echte winst. Dan kan ook de arbeid kwalitatief verbeteren en humaner worden.