woensdag 9 augustus 2017

Alexis de Tocqueville - Kritiek van de gelijkheid



‘Ik zie dat het goede en het slechte tamelijk gelijkmatig zijn verdeeld in de wereld. De grote rijkdommen verdwijnen; het aantal kleine fortuinen neemt toe; verlangens en genoegens vermenigvuldigen zich; er is geen buitengewone welvaart meer en evenmin onherstelbare schade. Ambitie is een universeel gevoel, er zijn weinig grote ambities. Ieder individu is geïsoleerd en zwak; de samenleving is beweeglijk, vooruitziend en sterk; individuen doen kleine dingen en de staat reusachtige.’

Alexis de Tocqueville, Over de democratie in Amerika


Van denkers en wetenschappers in andere tradities dan de jouwe en die wellicht ook heel andere maatschappelijke doelen nastreven valt nochtans veel te leren. Een goed voorbeeld van een vroege socioloog, massapsycholoog en politicus die in het uiterste dóórdenken van consequenties van nieuwe ontwikkelingen zich ‘als een ware Hegel’ toont – al is zijn achtergrond een heel andere – is Alexis de Tocqueville (1805-1859).

Is de nieuwe democratie van zijn tijd waarin alle burgers geacht worden gelijk te zijn en gelijke rechten te hebben in de praktijk een zegen? Er valt veel meer over te zeggen dan dat dit een goede of slechte ontwikkeling zonder meer is.

Het is positief en heel kritisch tegelijk. De Amerikaanse democratie is de maatschappij van de toekomst, krachtig en zij voldoet aan het eerlijke ideaal van de gelijkheid van iedere burger. Als deze motor die eenmaal loopt zet die beweging echter zo krachtig door, dat het onderscheid en de sociale samenhang worden uitgeschakeld. Tendentieel. Tocqueville is een meester in het ontdekken van tendensen en verdergaande gevolgen. De ontwikkeling van de democratie is niet mooi, maar tegelijk weer wel: ‘Gelijkheid is wellicht minder verheven, maar zij is rechtvaardiger en die rechtvaardigheid maakt haar groots en schoon.’ (p. 761)

Scherpe observaties, het gaat om veel meer dan ideologie wat Tocqueville biedt. Hij is aristocraat, scherp waarnemer, een vroege empirisch ingestelde socioloog en geldt als een van de belangrijkste grondleggers van het liberalisme. Hij is van na de Franse revolutie, maar deze echoot door in zijn hele werk, uitmondend in de Herinneringen van de grote revolutie van zijn eigen tijd, die van 1848, die hij heel direct meemaakt.
      De nieuwe machtsverhoudingen hebben enorme gevolgen. Tocquevilles hoofdwerk betreft uitgebreide observaties en reflecties over deze nieuwe verhoudingen, zoals deze zich ontplooien in de Verenigde Staten van Amerika.

Tocqueville vermoedt dat de nieuwe democratie waarin gelijkheid, dat wil zeggen gelijke rechten én hun gelijkmakende, nivellerende consequenties, veel blootlegt van de toekomstige ontwikkelingen elders, zoals met name te verwachten is in Europa.
      Tocquevilles omvangrijke Over de democratie in Amerika (1835, boek II in 1840) over dit thema is heel leesbaar. Het is geschreven in korte stukken, bijna als vroege weblogs of columns. Deze stukken zijn sprekend, veelal logisch, soms in de fragmentatie ook tegenstrijdig, maar de rode draad van ‘de kwestie gelijkheid’ komt steeds weer terug.
    Tocqueville laat scherp zien dat van de trits ‘Vrijheid, gelijkheid en broederschap’, vooral de gelijkheid ertoe doet. De breed besproken consequenties van vrijheid en gelijkheid liggen in het democratische Amerika – politiek nog in opbouw – in hoge mate in elkaars verlengde. De broederschap, zeg maar de solidariteit, lijdt hier onder. Ook dat laat Tocqueville genadeloos zien. Liberaal oké, maar in dit opzicht is hij, zeker analytisch, voor zijn tijd uitzonderlijk scherp, kritisch of zelfs visionair.

Opmerkelijk in Over de democratie in Amerika is de objectieve toon. Tocqueville toont als ware medegrondlegger van de sociologie ‘hoe het is’ of ‘hoe het waarschijnlijk wordt’, meestal meer dan instemming of afkeuring uit te spreken. Ook tegenstrijdigheden worden doorgeëxerceerd, zonder eenvoudige oplossingen te suggereren. Dan blijft soms dus de tegenspraak gewoon staan. Daardoor worden – en daarin is dit een groots werk – de consequenties alleen maar duidelijker.
      Hiermee is Tocquevilles inbreng in de liberale ideologie minstens zo interessant als die van moreel-economische en politieke denkers als John Locke. De laatste legitimeert de verandering, zoals het ompalen van de gemene gronden door de aristocraten, waarmee de Britse klassenmaatschappij haar tegenstellingen verscherpt, inclusief de vergroting van de armoede en de uitbuiting van de boeren. Tocqueville hoedt zich ervoor veel te legitimeren, hij houdt afstand, althans in dit boek. Hij is positief, maar toont ook bedenkingen, bezorgdheid zelfs. Genoemd boek is dus geen strijdschrift, maar eerder een grondslag voor een kritische liberale visie op gelijkheid. Locke legitimeert, waar Tocqueville eerder problematiseert.

In de Amerikaanse democratie die zich in Tocquevilles tijd ontwikkelt staat gelijkheid centraal. Met grote gevolgen. De genoemde keerzijden liggen in de consequenties van de gelijkheid. Zoals de in gang gezette individualisering – een van de moderne termen die ontstaat in Tocquevilles werk – waardoor de burger angstig in het grote gebeuren, zich veilig, comfortabel, maar ook conformistisch terugtrekt in zijn gezin.
      Grote wereldbestormende idealen bestaan nauwelijks meer, zeker niet openlijk. Ze worden vervangen door de kleine veiligheid en het najagen van eigen gewin en materiële goederen. Positief en niet-positief tegelijk. Beide aspecten worden helder blootgelegd.

Dat er ook gevolgen zijn die niet goed in de consequenties van de gelijkheid passen, zoals dat er groepen buiten deze ontwikkeling vallen, bijvoorbeeld de arme immigrant, vluchteling, neger en arbeider, valt opmerkelijk buiten het beeld van het verhaal. Dat wordt niet als een kernpunt gezien, zoals ook de consequenties van de hele economische ontwikkeling maar in beperkte mate worden gezien.
      Maar het valt niet helemaal buiten beeld. Tocqueville ziet de solidariteit van groepen en klassen verminderen, zelfs vervallen: ‘Wanneer de standen gelijk worden na een langdurige strijd tussen de verschillende klassen waaruit de oude samenleving bestond, maken afgunst, haat en minachting voor de buurman, hoogmoed en overdreven zelfvertrouwen zich als het ware meester van het menselijk hart en heersen er enige tijd. Los van de gelijkheid, draagt dit er in ruime mate toe bij dat de mensen verdeeld raken, dat zij elkaars oordelen wantrouwen en de verlichting alleen in zichzelf zoeken.’ (p. 448)

Tocqueville waagt zich soms aan vergaande generalisaties, op basis van een causale logica. Hoe denkt of doet men en waar leidt dit toe? Zo stelt hij dat er nooit vrije samenlevingen zijn geweest zonder zeden, en dat deze gemaakt worden door de vrouw. (p. 635) Boeiend is dan dat hij vervolgens meent dat de Amerikanen om verschillende redenen proberen het vertrouwen in de eigen kracht van vrouwen te vergroten. Misschien iets te mooi, te generaliserend, zelfs wat naïef, maar ook visionair.
    Inhoudelijk vooruitlopend op Marx’ basis-bovenbouwthese, ziet Tocqueville dat een sociaal stelsel manieren van denken en ethiek afdwingt, in dit geval vooral door de gelijkheidsideologie. Dat omstandigheden bewustzijnsvormen bepalen, is abstract bezien misschien al een algemeen aanvaard inzicht, de indringendheid van een dergelijke interactie en het geheel doorexerceren van de consequenties vormen een kwaliteit waarin Tocqueville uitblinkt.
    Het is meer dan alleen een observatie, het is ook Tocquevilles eigen manier van denken. Steeds kijken, als dit of dat zo is, wat zijn de consequenties, wat kun je dan op termijn verwachten? Daarmee denkt hij historisch, in ontwikkelingen, in die zin dialectisch. Het gaat niet om stellingen, maar om de werking van verbanden, dus interacties en bewegingen. Dat maakt zijn werk nog altijd leerrijk. Dat gelijkheid, een belangrijke waarde, zoveel impliceert, de werking ervan dus doorgeëxerceerd moet worden, en dan ook voor de Europese landen veel over de toekomst zegt, is scherp gezien.
      Het is gedifferentieerd, de verschillen worden zichtbaar, het is geen dialectiek die per se tot één einde leidt, maar is open én met impact. Tocqueville zegt dat zelf, als hij eindigt met een laatste blik op de ‘uiteenlopende trekken die het aangezicht van de nieuwe wereld markeren.’ (p. 760) Markeren, dus ook hier feitelijk, het is de analyse over de algemene, verstrekkende invloed die de gelijkheid uitoefent op de mensen.

Tocquevilles niet altijd zichtbare ideologische drijfveer betekent niet dat hij nooit de door hem gewenste richting uitspreekt. Wel laat hij soms, wanneer verschillende aspecten leiden tot tegenstrijdige consequenties, zoals het delen van macht én het individueel terugtrekken op het bastion van het eigen gezin, die tegenspraken soms gewoon zien en gewoon ‘bestaan’, zonder aan te geven hoe deze opgeheven zouden kunnen worden. Ook niet hoe deze helemaal vermeden kunnen worden, welke concrete inspanning daarvoor vereist is. Een wenselijke richting geeft hij wel aan, als het gaat om het feit dat gelijkheid leidt tot egoïsme en dat deze ook een vrijheid inhoudt, die juist door dat egoïsme te groot kan worden en er dan een beperking of beteugeling nodig is. Dan wordt een spanningsveld zichtbaar gemaakt, zonder tot directe voorstellen te komen om die op te lossen.
      Tocquevilles werk is in historische zin dialectisch. Toch bekruipt bij lezing soms het gevoel dat hij ‘De Amerikanen’ als gelijk ziet, en verschillen en maatschappelijke tegenstellingen daardoor onbelicht blijven. De grote economische tegenstellingen missen, terwijl die in het opkomende industriële Amerika ook leiden tot strijd voor een gereguleerde arbeidstijd. Weliswaar is daar zo’n vijftig jaar later duidelijker sprake van, maar anderzijds is Tocquevilles blik vooruit gericht, en herkent hij de doorwerking van gelijkheid als waarde en als positie vaak treffend. Wat dat betreft is de historische exercitie onaf, als het gaat om de gevolgen van de nieuwe industriële samenleving, waarvan de contouren in de tijd van Tocqueville al zichtbaar werden.

Tocqueville levert een vroege kritiek op consumentisme als uiting van gelijkheid. Als ‘alles’ gelijk wordt, worden verschillen én mogelijk risicovolle maar interessante initiatieven uitgebannen. Gelijkheid brengt aldus een risico van vergaande nivellering met zich mee. En dat kan leiden tot sociale entropie, tot stilstand waar beweging nodig is, maar waar de uitdaging daartoe te zwak wordt.
    Hij schrijft onder meer: ‘Wanneer ik zie dat het eigendom zo mobiel wordt en de liefde voor eigendom zo rusteloos en zo vurig, moet ik wel vrezen dat de mensen het punt bereiken waarop zij elke nieuwe theorie als een gevaar beschouwen, elke vernieuwing als een hinderlijke verstoring van de rust, elke sociale vooruitgang als een eerste stap op de weg naar revolutie, en dat zij ten enenmale zullen weigeren nog te bewegen uit angst dat men hen meesleurt. Ik huiver, ik geef het toe, bij de gedachte dat zij zich ten slotte zozeer laten domineren door een laffe voorkeur voor de genietingen van het moment, dat zij het belang van hun eigen toekomst en dat van hun nakomelingen uit het oog zullen verliezen en dat zij hun lot liever gelaten zullen aanvaarden dan in geval van nood plotseling en energiek in het geweer te komen om het lot te keren.’ (p. 696)

Democratisering? ‘Kritiek van de gelijkheid’, dat is de kern. Tocquevilles conclusies zijn als het om verdere humane emancipatie gaat ten slotte niet echt vrolijk: ‘Ik laat mijn blik dwalen over deze onmetelijke massa die bestaat uit eendere wezens, waar niets zich verheft en niets zich verlaagt. Het schouwspel van deze universele eenvormigheid stemt mij droef en doet me verstijven, en ik ben geneigd de samenleving die niet meer is te betreuren.’ (p. 761)
      Eén en al maaiveld, geen kop er bovenuit. Tocqueville laat zien dat het gelijkheidsbeginsel in de praktijk tot een totaal egalitarisme, een volledige nivellering kan leiden. Men kan hem wel beschouwen als liberaal grondlegger al blijkt hier ook nog zijn aristocratische blik, het is wel liberalisme met een flinke vlek. Vrijheid wordt onder dit egalitaire bestaan ook slechts een formele positie, zij het ingevuld met een betrekkelijke welvaart waarin elke massamens aan zijn ingeperkte trekken komt.
      Het is in veel opzichten echter een vooruitziende blik, die niet onderdoet voor de veel latere kritiek op het consumentisme door Ortega y Gasset of Herbert Marcuse. De Facebook-gelijkheid en de ongedifferentieerde gedifferentieerdheid van het heden waren toen nog onvermoed, de consequenties minstens zo zwart neergezet. Niet voor niets komen thema’s als cultuur, en persoonlijke ontplooiing en ontwikkeling nauwelijks aan bod in Over de democratie in Amerika.
      Toch is hij de socioloog en historicus. Hij ziet het vrijwel onvermijdelijke in de ontwikkeling van de democratie. Na de Franse revolutie waren immers weliswaar de grootste revolutionaire scherpslijpers van het politieke toneel verwijderd, de handelingsvrijheid en toegenomen macht van de burgers waren niet weg. En daarmee was ook de gelijkheidstendens niet verdwenen.

De te verwachten universele nivellering die – tautologisch welhaast – ontstaat uit een consequente toepassing van de idee van vrijheid als gelijkheid, is enorm. Het beschreven proces is duidelijk en komt in veel formuleringen terug. Het unieke nieuwe Amerika van zijn tijd biedt de kans om dit in een soort laboratoriumsituatie te bekijken. In feite speelt hier ongeveer hetzelfde als in de natuurkundige ‘wet’ van toename van entropie. Naarmate de verschillen afnemen, neemt ook de motor af waarmee deze verschillen veranderingen en hernieuwd onderscheid genereren.
      De energie wordt als het ware gespreid, verliest haar richting en daarmee haar kracht. Er zijn geen aristocraten met een unieke inbreng meer, maar een massa die zich er vooral nog om bekommert eigen bezit, enig aanzien en het verkregen kleine deel van de macht niet kwijt te raken. Mensen zijn niet helemaal gelijk, maar die resterende ongelijkheid lijkt nog slechts in de beperkte sfeer aanwezig. En die wordt door de algehele gelijkheid gegarandeerd, ook al door een soort ‘onzichtbare hand’.

Tocqueville noemt tal van treffende concrete situaties en werkingen. Heel knap is de vooruitziende blik met betrekking tot de massamedia en de publieke opinie. Deze zijn een werking van de verdeelde en uitgesmeerde macht. Ze vervullen niet de rol een onafhankelijke visie of ontwikkeling op gang te brengen, maar posities te handhaven of zelfs te versterken. Tocqueville: ‘Naarmate de burgers gelijker en eender worden, wordt de neiging van eenieder om een bepaalde man of klasse te geloven, kleiner. De bereidheid om de massa te geloven neemt toe en de wereld zal steeds meer door de opinie worden geleid. De publieke opinie is niet enkel de enige gids die de individuele rede rest bij democratische volken, maar zij heeft bij die volken een oneindig veel grotere invloed dan bij elk ander. In tijden van gelijkheid hebben mensen geen enkel vertrouwen in elkaar vanwege hun onderlinge gelijkenis, maar diezelfde gelijkenis geeft hun een vrijwel onbeperkt vertrouwen in het oordeel van het publiek; zij achten het namelijk onwaarschijnlijk dat, daar zij allen even verlicht zijn, de waarheid niet bij het grootste aantal te vinden zou zijn.’ (p. 452)
      Hij presenteert hier een mooi niet bestaand woord: ‘gelijker’. Dat kan immers niet? Even mooi: ‘tijden van gelijkheid’. Het duurt kennelijk niet eeuwig?

Wanneer de nivellerende werking doorzet voorziet Tocqueville huiveringwekkende gevolgen. Dan blijft er inderdaad ‘een laffe voorkeur van genietingen’ over, zoals hij schrijft. Dat is totale passiviteit. Een verlicht liberalisme dat de opheffing van de onmondigheid van de burger nastreeft kan hier dus voorzien dat zijn gelijkheidsideaal zijn hand totaal overspeelt en eindigt in apathie, in leegte. Het heeft ongetwijfeld te maken met een formele, inhoudsloze benadering van vrijheid en gelijkheid. Het is de schuld niet van Tocqueville, het is zijn verdienste de consequenties van de negatieve dialectiek zo meedogenloos te schetsen in meerdere passages van zijn werk.
      Gelijkheid heeft dus bij de bevolking een totale nivellerende werking. De aristocratie en de verschillen in rijk en arm, in grote en kleine ambities, het valt als het ware allemaal stil. ‘Mensen die gelijk zijn qua rechten, onderwijs en fortuin, kortom in gelijke stand leven, hebben noodzakelijkerwijs behoeften, gewoonten en voorkeuren die weinig van elkaar verschillen. Omdat zij de dingen vanuit dezelfde gezichtshoek bekijken, neigt hun geest van nature naar min of meer gelijksoortige ideeën, en hoewel eenieder zich van zijn tijdgenoten kan afzonderen en zijn eigen meningen kan vormen, komen zij ten slotte, zonder het te weten en zonder het te willen, tot een bepaald aantal gemeenschappelijke opvattingen.’ (p. 691) Een soort wet van de tendentiële daling van de activiteit, ontstaan door ongelijkheid, met als eindresultaat de dood van de burgerlijke gelijkheid, een grauwe passiviteit.

Over de democratie in Amerika kan ook gelezen worden als een kritiek op narcistisch gecamoufleerde onverschilligheid. Het individu staat zwak en is geïsoleerd.  (Zie het motto bovenaan, p. 760) Het heeft zijn kleine ambitie, maar het kan niet anders dan dat die wel moet worden uitvergroot en in de massa gepresenteerd. De democratische burger moet laten zien dat hij er helemaal bij hoort als hij zijn veilige thuis verlaat. Anders toon je de gelijkheid, je eigen gelijk binnen de grote gelijkheid immers niet.
      De mensen zijn hoe dan ook vooral met zichzelf en de schijn daarvan bezig in deze groei van gelijkheid: ‘Ik wil mij inbeelden met welke nieuwe trekken het despotisme zich in de wereld zou kunnen voordoen: ik zie een ontelbare massa eendere en gelijke mensen die voortdurend met zichzelf bezig zijn om zich kleine en platvloerse genoegens te verschaffen waarmee zij hun ziel vullen. Elk van hen afzonderlijk staat als een vreemdeling tegenover het lot van alle anderen; zijn kinderen en zijn vrienden vormen voor hem het hele mensdom; wat de rest van zijn medeburgers betreft: hij staat naast hen, maar ziet hen niet; hij raakt ze aan, maar voelt ze niet; hij bestaat slechts in en voor zichzelf en, zo hij al familie heeft, kan men in ieder geval zeggen dat hij geen vaderland meer heeft.’ (p. 748)

In deze democratische situatie van louter gelijkheid en formele vrijheid moet ieder dus zichzelf zien te redden. Dan staat die gelijkheid niet op goede voet met een verwezenlijkte vrijheid, want die staat los van alles. En dat, tegenstrijdig, kan weer niet, want ieder moet meedoen, je bent immers gelijk aan anderen die ook mee moeten doen. Uiterste eenzaamheid van het individualisme als maatschappelijk risico.
      Tocqueville zegt niet dat mensen niet verantwoordelijk zijn voor hun eigen situatie, maar zeker ook niet dat hij blij is met alle consequenties van gelijkheid en dat ieder op dezelfde wijze voor zichzelf zou moeten zorgen. In dat opzicht is een lering uit Tocquevilles werk dat een nuance nodig is bij het thema of pleidooi over gelijkheid, gelijkwaardigheid en gelijke rechten, met een concretisering van de inhoudelijke mogelijkheden en de valkuilen hiervan.

Tocqueville wijst erop dat grote vrijheid en gelijkheid vragen om een structuur van de macht: ‘Het is zowel noodzakelijk als wenselijk dat de centrale macht die een democratisch volk leidt, actief en machtig is. Zij moet niet zwak of lusteloos worden gemaakt; men moet haar alleen beletten haar behendigheid en kracht te misbruiken.’ (p. 753) Dit idee vormt in feite hier een centraal punt: hoe verhouden staat en vrijheid zich, met als doelstelling een zo hoog mogelijk ontwikkelde vrijheid, die samen gaat met een actieve houding. En dat laatste is iets anders dan een formele vrijheid ten opzichte van een bepaald ‘punt’, een bepaalde kwestie.
      Tocqueville draagt dus bij aan een visie over staat en vrijheid, juist door zijn ‘Kritiek van de gelijkheid’. Zijn uitspraak over de noodzaak van centrale macht roept discussie op. Natuurlijk is misbruik nooit de doelstelling, maar daarmee is de vraag nog niet beantwoord hoever de noodzakelijke centrale macht moet strekken.

Vrijheid wordt gerealiseerd op een speelveld, in een kader. Meer en meer wordt duidelijk dat dit kader ontwikkeld moet worden, om ook een sterkere, meer veelzijdige en gedifferentieerde vrijheid te realiseren. Ook hierover zegt Tocqueville iets: ‘De Voorzienigheid heeft het mensdom noch geheel en al onafhankelijk noch volledig slaafs geschapen. Zij heeft wel degelijk rond elke mens een fatale kring getrokken waaruit hij niet kan ontsnappen, maar binnen zijn ruim getrokken grenzen is de mens machtig en vrij, net zoals volken dat zijn.’ (p. 763)
      Heel mooi, een kader, een ‘fatale kring’. Maar is dit wel de juiste kwalificatie, heeft de kring slechts eenmaal getrokken grenzen? Is het noodzakelijk een blind proces, of laat juist Tocqueville ook zien dat zijn sociologie mede de ogen kan openen zodat we het speelveld kennen, en het misschien zelfs nog kunnen veranderen?

Er bestaat een antithese tussen een totale gelijkheid en een totale vrijheid. Democratie is een doel, maar heeft in zich door te schieten, waardoor een grote gelijkheid ontstaat, die volledig individualiseert en interesse doet afnemen, waardoor vervolgens een nieuwe ongelijkheid mogelijk is, maar dan in een sterk geïndividualiseerde, geïsoleerde positie. Een betrokkenheid kan ‘over de top’ gaan, dan ontstaat verval, die kan eindigen in een grote leegte.
      Tocquevilles idee dat grote vrijheid en gelijkheid vragen om een structuur van de macht is daarom terecht. Democratie als doel moet veel meer zijn of worden dan een formeel model. Gelijkheid die vastpint in nieuwe geïndividualiseerde ongelijkheid of achteruitgang is een antithetisch, maar destructief moment in de vooruitgang. Het resultaat zal zijn een maatschappelijk verval, vervolgens een zucht naar het verleden, misplaatste nostalgie met mogelijk sterke negatieve, asociale bijverschijnselen, zoals angst, haat en narcisme.
      De kritiek op een narcistisch gecamoufleerde onverschilligheid is een aanval op een overdreven, door willekeurige nuances toegedekt neutralisme. Extreme gelijkheid leidt tot overmatig individualisme, tot vormen van vervreemding.





Bronnen:
- Alexis de Tocqueville, Over de democratie in Amerika, 3e druk, Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam 2012. Het motto bovenaan is ontleend aan pagina 760.
- Alexis de Tocqueville, Herinneringen aan de omwenteling van 1848 (geschreven in 1850), Uitgeverij Van Gennep, Amsterdam 2012.

















dinsdag 8 augustus 2017

Marx over stiekeme Britse dienstbaarheid aan de Russische tsaar



‘De vlugschriften die we hebben herdrukt, stemmen niet overeen met de gewone bedrieglijke publicaties van latere historici. De vlugschriften stellen Engeland nadrukkelijk aan de kaak als het machtigste instrument van Rusland.’
Karl Marx, 1850


Kritische onderzoeksjournalistiek is een goede zaak. Doorgraven tot de echte feiten op tafel komen, zo nodig tegen alle gesjoemel met de waarheid en framing in. Nu zowel de mondiale economische situatie als de zo langzamerhand breed erkende klimaatcrisis voor de langere termijn enorme onzekerheden oproept, neemt de ouderwetse machtspolitiek met alle gekonkel én de bewapening toe.
      De wereld is vol risico´s. Moeten die bestreden worden door samenwerking en openheid of door vooral de eigen positie te versterken? Vooral het laatste lijkt meer en meer de inzet te worden, een enorme politieke terugval: in de VS met Trump, Rusland met Poetin, de EG waarin bewapeningsscenario’s vaker naar voren komen, en zie de vele vergelijkbare ontwikkelingen in alle werelddelen.

Kijkend naar alle gedoe over de nieuwe Amerikaanse sancties, de Russische reactie, of net zo goed het omgekeerde verhaal van de schuld die de Russen bij het westen leggen als het om het verval van het voorheen nog zo machtige Rusland gaat, zien we alle mogelijke manipulaties weer optreden. Inclusief diplomatieke reacties op de veranderingen waarin staten nieuwe machtsposities zoeken en trachten te versterken. En ja, juist daarom is de onderzoeksjournalistiek zo’n goede zaak.
      Openheid en democratie versus repressie en geheimzinnigheid. Een strijd die nog lang zal duren, tegen de achtergrond van een enorm dreigend verlies aan leefruimte, grondstoffen, veiligheid en voeding in een overvolle wereld.

In de strijd voor openheid en de rechten van de volkeren tegenover stiekeme politiek en onderdrukking kan ook Karl Marx worden genoemd. Een minder bekend geschrift uit 1850, met als titel ‘Geheime diplomatie in de achttiende eeuw’, legt bloot hoe brute machtspolitiek vaak samengaat met geraffineerd en stiekem opereren op de achtergrond.

Centraal in deze tekst staat de opkomst van Rusland, de politieke rol hierin van Iwan de Grote (1440-1505) en daarna van vooral Peter de Grote (1672-1725).
    Het tweede wat even centraal staat is de rol van de Engeland bij de overwinningen van Peter de Grote op Zweden. Zweden, dat in het Oostzee-gebied een overwegende machtspositie had, die in jarenlange strijd door de Russen wordt overgenomen. De Engelse koning William (‘onze’ Willem III) had in 1700 een grondig en uitgebreid defensieverdrag met de Zweedse koning Karel XII gesloten, volgens welke ze stevig voor elkaars belangen zouden opkomen.
      Dit verdrag gaat – op papier althans! – zover dat aan eind nadrukkelijk nog eens de goede bedoelingen worden genoemd, dat in alle ernst alle afspraken zullen worden nagekomen. (zie pp. 118-119)

Marx nu publiceert enkele brieven van diplomaten en enkele politieke pamfletten uit de achttiende eeuw die aantonen dat van achter de schermen het voorheen machtige Zweden totaal wordt verraden door Engeland. Een groep van Britse oligarchen meent dat het een handelsvoordeel voor hen is dat Zweden als dominerende gewapende macht van het Oostzee-toneel verdwijnt en dat de tsaar die bezig is Petersburg tot nieuwe hoofdstad van zijn rijk te maken die Zweedse rol moet overnemen.
    Dit kort gezegd, slechts enkele hoofdpunten, met leze het boek. De brieven en pamfletten spreken boekdelen. Daarbij geeft Marx een historisch overzicht van de talloze oorlogen in deze tijd, waarin de macht in Europa en het Midden-Oosten werd herschikt. Maar hij laat door de publicatie van de brieven en pamfletten de conclusie van de documenten ook aan de lezer zelf over.
      De feitelijk rol van de Engelsen is een totaal andere dan waar in het openbaar over wordt gesproken. De Britten helpen de Russen te bewapenen en klaar te maken voor de voor die tijd moderne oorlogsvoering. Het lijkt misschien dat Engeland in de oorlogen rondom de Oostzee geen sterke actieve rol speelt, maar dat is de schijn die bedriegt.

Marx geeft in een korte analyse aan dat het feitelijk economisch voordeel van de Engelsen, namelijk een sterkere en omvangrijke handel met het nieuwe grote en nu ook meer Europese Rusland, een fictie is. En dat nog jaren zou blijven.
      Vooral laat hij ook zien hoe binnen de natie, in dit geval Groot-Brittannië, belangengroepen een bepaalde koers kunnen bepalen die helemaal niet in het voordeel van het land als geheel hoeft te zijn.

Over de Russische mentaliteit, expansiedrift en het tegen elkaar uitspelen van verschillende heersers en belangen doet Marx treffende uitspraken: ‘Peter de Grote is inderdaad de uitvinder van de moderne Russische politiek, maar hij kon dat alleen bereiken door de oude Moskovische inpiktactiek van haar zuiver plaatselijke karakter en toevallige bijkomstigheden te ontdoen, door die politiek tot een abstracte formule te destilleren, door het doel te generaliseren en het algemene oogmerk te verheffen van het doorbreken van bepaalde gestelde machtsgrenzen tot het streven naar onbeperkte macht.’ (p. 134)

Uit benepen en ook nog slecht begrepen eigenbelang een nieuwe heerser helpen en hem dienen heeft een prijs, vaak veel hoger dan die van de materiële kosten alleen. In de nu geopenbaarde brieven leest Marx door de geheimzinnigheid die de Engelsen ten toon spreiden in feite een politieke onderworpenheid: ‘Al die brieven zijn ‘vertrouwelijk’, ‘persoonlijk’, ‘zeer geheim’, maar ondanks hun geheimdoenerigheid en vertrouwelijkheid praten die Engelse staatslieden onder elkaar over Rusland en haar heersers en heerseressen op een toon van vol eerbiedige terughoudendheid, stuitende serviliteit en cynische onderworpenheid, …’ (p. 65)

Het is een leerzaam verhaal. Onder de druk van de grote maatschappelijke veranderingen krijgt brute machtspolitiek een kans. Niet naïef zijn, is Marx’ waarschuwing hier, wat ook de boodschap is van de kritische pamfletten uit de achttiende eeuw.
      De onthullingen en Marx’ commentaar passen bij zijn kritiek op het Russische barbarisme en onderdrukking van Polen, en op het Britse imperialisme, dat zo nodig van slinkse methoden gebruikt maakt. Belangengroepen van dat imperialisme denken hun eigen belang te dienen, terwijl het eerder leidt tot verzwakking van de West-Europese landen als geheel en het Engeland in het bijzonder nauwelijks tot voordeel strekt.
      Over de rol van Groot-Brittannië  is in Marx’ werk veel te lezen.

Marx richt zich aangaande Rusland zeker ook op de toekomst: ‘Is het niet opmerkelijk wat een geraffineerde moeiten Moskovië en ook het moderne Rusland zich altijd getroost hebben om republieken te kunnen liquideren?’ (p. 131) Daarbij gebruiken de Russische heersers de steun van de Russisch-orthodoxe kerk, om de pracht en praal van de macht van een heilig aureool te voorzien. Marx noemt ‘de Griekse geloofsbelijdenis (…) een van de ‘krachtigste wapenen’.
    Boeiend en dialectisch is Marx’ karakterisering van Petersburg als bemiddeling van de voorgenomen verandering van Peter de Grote, de opening naar West-Europa en het aanknopen van vele betrekking aldaar, op basis van een Russische suprematie over de naburige staten in het Oostzee-gebied. (pp. 138-139)

Marx’ doel van de onthullingen is ongetwijfeld onder meer de ontmaskering van politiek gesjoemel uit vermeend eigenbelang, haaks op de belangen van kleinere landen en hun bevolking.
      In wezen, inhoudelijk, is het ook een appèl op de politiek tot integriteit. Dit is nog steeds een hoge opgave, zeker bij complexe verhoudingen en (vermeend) strijdige belangen. De politiek anno 2017 heeft veel trekken van de hier beschreven oude politiek. De kunst is echter het niet alleen bij onthullingen te laten en openheid te eisen, maar ook te laten zien hoe het anders kan.
      Marx geschrift uit 1850 verscheen vrij kort na zijn ‘Communistisch manifest’, waarin hij een duidelijke opgave stelt. Een dergelijke opdracht bestaat ook nu, wanneer de politiek reactionaire trekken aanneemt met alle bijbehorende machtsspelletjes en onderdrukking, die slechts in verdere ellende resulteren. Hedendaags gekonkel en 18e eeuws gedoe: ze leiden alleen maar tot meer strijd en geweld.








De tekst ‘Geheime diplomatie in de achttiende eeuw’, staat niet in de Werke van Karl Marx en Friedrich Engels, de bekende blauwe banden. Wel zal deze uiteraard opgenomen zijn of worden in de nieuwe MEGA, de Marx/Engels Gesamtausgabe. Daarin worden alle teksten en fragmenten van Marx en Engels gepubliceerd.
      Er bestaat wel een Nederlandse vertaling van deze tekst, uitgegeven bij uitgeverij Servire, Katwijk 1983. Deze is nog makkelijk antiquarisch verkrijgbaar. Zie bijvoorbeeld op de website Boekwinkeltjes.nl.
      Het motto bovenaan deze blog vind je op pagina 141.







Karl Marx












donderdag 3 augustus 2017

Spinoza ontmoeten bij Clarice Lispector


Als liefhebber van Portugese en Braziliaanse literatuur ben ik ongetwijfeld geen uitzondering momenteel werk van Clarice Lispector (1920-1977) te lezen. Hoe kan iemand die zó schrijft zo weinig bekend zijn, vraag ik me af. Dat slaat dan natuurlijk ook weer op mezelf.

In het vorig jaar verschenen ‘De ontdekking van de wereld’, een lange reeks kronieken, column-achtige korte en langere teksten, staat het volgende. Het is kort, slechts een fragment van een groter geheel? Of juist kort omdat het zo al veel zegt?

‘Het is determinisme, jawel, maar als je je eigen determinisme volgt ben je vrij. Gevangen zou je zijn als je een bestemming najoeg die niet de jouwe is. Er schuilt veel vrijheid in het hebben van een bestemming. Dat is onze vrije wil.’

Dit is Spinoza, de ‘Ethica’. Lispector schrijft in haar kronieken meestal niet of een bepaald iemand haar inspireerde. Maar wat zeker is, gezien de krachtige formulering, is dat ze alles zelf overweegt en schrijft.
    Heel bijzonder, zo treffend. De vaak nogal platte discussie of er ‘een vrije wil’ bestaat wordt ver overtroffen. Dat je je eigen reële bestemming moet overdenken en zo je eigen richting moet bepalen geeft genoeg te denken. De neurologische vraag of er dan ook nog ‘ergens’ een vrije wil zit doet er aldus helemaal niet toe.




Bron van het citaat: Clarice Lispector, De ontdekking van de wereld, Kronieken, Gekozen, uit het Portugees vertaald en van een nawoord voorzien door Harrie Lemmens, Privé-Domein nr. 286, Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, Antwerpen 2016, p. 127.















woensdag 2 augustus 2017

De ware volksaard van de populist?


Die bestaat niet. Over populistische opvattingen en gedrag valt veel te zeggen. Mede daarom werd vorige week bij het vertrek van honderdduizenden Nederlanders naar hun vakantiebestemming aan hen door onder meer De Volkskrant (24 juli) huiswerk meegegeven. Dit huiswerk is het vormen van een mening over de stelling ‘Nederlander beperkt vatbaar voor populisme.’ Bedoeld wordt dat ‘de Nederlander’ voor populisme beperkter vatbaar is dan de Fransen en de Engelsen. Het gaat dan niet om griep, maar om een politiek standpunt.
      Genoemd huiswerk om een mening te vormen kan gedaan worden op een terras in het warme Frankrijk of in een pub in het natte Engeland. Daar kan de reiziger vaststellen of de stelling klopt. Het kan ook als activerend onderzoek waarbij je nader in gesprek gaat met andere Europeanen over het thema populisme.

Het huiswerk zal moeilijker blijken dan het lijkt. Het onderzoeksbureau ‘Kantar Public’ dat het onderzoek deed waar de media op 24 juli mee aankwamen, heeft een paar vrij eenvoudige vragen bedacht, maar of dat voldoende is? Dan kan de vakantieganger als hij echt in gesprek raakt met de buitenlander er verdere vragen en nuances bij zoeken.
    Wat echter nog meer intrigeert is de vraag waarom men zo graag antwoorden op vragen wil hebben die bij voorbaat van alles en nog wat sterk generaliseren, en die leiden tot essentialistische en daarmee vaak dubieuze formuleringen.

En er spelen hierbij ongetwijfeld nog onuitgesproken vooronderstellingen. Bijvoorbeeld dat populisme geen fijne opvatting is, dat het bijvoorbeeld kuddediergedrag is.
      Maar is dat altijd verkeerd? Onze buren hebben een andere tuin dan wij, en die lijkt bovendien meer op de folders van de bouwmarkt dan de onze. Is dat erg? Mijn buren en hun buren (dat zijn wij) kunnen elkaars visie op de ware pracht van de tuin tolereren. En dat komt onder duizenden Nederlanders voor. Het heeft te maken met sociale tolerantie, wat zo breed gedeeld toch ook een vorm van populisme is en zeker ook politieke implicaties heeft. Niets mis mee.

Of vind je dat geen populisme? Inderdaad, bij ‘het populisme’ verzand je binnen de kortste tijd in definitiekwesties. En dat is bij dit nieuwe onderzoek waar De Volkskrant mee kwam ook het geval. Een hierin gestelde vraag over het sluiten van compromissen, roept de vraag op of ieder daar wel hetzelfde onder verstaat.
      En dat maakt nogal uit wanneer je je hier voor of tegen moet uitspreken. Een politicus kan een compromis sluiten en toch helder en stellig aan zijn principes vasthouden, terwijl een ander zich vereenzelvigt met het compromis, zodat hij afglijdt van zijn principes. Kunnen zo de standvastige en de opportunist hetzelfde compromis sluiten? Helemaal een mooie vraag middenin vakantietijd, nu er geen minster in velden of wegen is te bekennen. En dat nog los van de vragen over de meer praktische uitvoerbaarheid van een en ander.

Het nieuwe onderzoek, dat ongetwijfeld meer kan betekenen als het regelmatig herhaald en methodisch aangescherpt wordt, heeft nog niet zo veel stof doen opwaaien. Maar ja, als zelfs de kabinetsformatie stil ligt en de zon schijnt (of juist helemaal niet), wil niet iedereen zich met politiek bemoeien.
      Maar dit onderzoek betreft wel vragen die bij de laatste en aankomende verkiezingen ertoe doen, zoals over democratie, democratisch leiderschap, (in-)consistent beleid, werk en arbeidsparticipatie, (gemis aan) respect, sociale zekerheid en zorg, integratie en het protest tegen misstanden.
    Daarom zullen hoe dan ook veel hier meespelende politieke vragen terugkomen, maar of dat allemaal aan de kapstok van ‘het populisme’ moet is de vraag. Daarbij dringt nog de vraag zich op naar de meer of minder conservatieve, rechtse, linkse of progressieve beoordeling ervan. Er bestaat toch ook progressief populisme? (Een vraag aan de D66-er op vakantie)

Minstens zo interessant: wie kan veranderingen in politieke denkbeelden entameren of beïnvloeden? De goede discussie of de reactieve massa? Het gaat dan om onderwijs, (sociale) media, politieke partijen, rampen, geen rampen, ervaren of gemist respect. Dan zit je weer middenin dát wat het zo moeilijk maakt. Het gaat niet alleen om de volksaard of een algeheel samengevatte opinie, maar om wat de verandering daarin oproept en draagt.
    Dan komt een aap uit de mouw: dat de meningen van Nederlanders, Fransen en Engelsen helemaal niet zo vast staan.
      Juist dat is wat vaak ontbreekt in onderzoeken en discussies daarover als deze: dat door politiek en economisch handelen, en de hele materiële en ideële situatie (de historisch ontstane context) meningen veranderen. Ook massaal aangenomen duurzaam geachte meningen, ook de soms heel tijdelijke.

Dus misschien is de Nederlander juist wel vatbaar voor populisme, zoals al genoeg gebleken is in bepaalde historische perioden.
      Zo mag men de moord op Gebroeders de Witt (20 augustus 1672) niet vergeten, de populistische manipulatie van het Huis Oranje in de strijd om de macht. Ook toen waren er ‘veranderde omstandigheden’ waardoor bepaalde opvattingen zich onder ‘het gepeupel’ razendsnel verspreidden, maar ook bewust werden aangewakkerd, onder meer door opruiende pamfletten op te hangen in Den Haag.

Nou ja, je kunt er inderdaad heel wat bij slepen. Er zal altijd weer politiek en sociaal onderzoek zijn. Dat moet ook. Bij essentialistische formuleringen over ‘de Nederlander’, ‘het populisme’, ‘het compromis’ (enzovoorts) is echter altijd waakzaamheid geboden.
    Een opname van een concreet, dus beperkt tijdvak kan nooit de veranderende omstandigheden goed meewegen. En vooral: meningen en standpunten veranderen. Onder meer door nadenken, actieve inzet, acties, discussie, onderwijs, sociale media en andere vormen van reflectie.
      Ideologische zaken moeten ook ideologisch worden aangepakt om ideeën te veranderen, te verbeteren. Al heeft dat niet altijd dezelfde invloed in het grotere maatschappelijk geheel, de verandering van opvattingen is een aandachtspunt dat altijd telt.
     En dat is geen foto, maar een film.